Christophe Slagmuylder (Kunstenfestivaldesarts): ‘Messcherp maar gastvrij’

22/05/2012

Het Kunstenfestivaldesarts (KFDA) loopt nog tot en met zaterdag. Een tijdje voor de start interviewde ik algemeen en artistiek directeur Christophe Slagmuylder over de manier waarop het programma van zijn festival elk jaar vorm krijgt. Het artikel verscheen begin deze maand in Staalkaart.

Een proevertje.

Europa bevindt zich op een scharnier in zijn geschiedenis. Heeft het zijn beste tijd gehad? Of staat het op het punt zich drastisch te herpakken? Hoe bekijken kunstenaars van binnen en buiten Europa het continent, zijn interne relaties en die met andere delen van de wereld? Een dergelijk vragenpakket vormt de kern van het Kunstenfestivaldesarts (KFDA), editie 2012.

Algemeen en artistiek directeur Christophe Slagmuylder ziet het elke editie opnieuw gebeuren: uit een schijnbaar willekeurige eerste selectie voorstellingen, installaties, films, performances en andere kunstwerken komt stilaan een overkoepelend thema te voorschijn – een kapstok waaraan de organisatie het hele festival kan ophangen. Voor de editie van dit jaar was het meer dan duidelijk: het concept van een Europese eenheid, de situatie van Europa vandaag op sociaal-economisch en cultureel vlak en de rol die het continent speelt of zou moeten spelen in verhouding tot haar deelstaten en de rest van de wereld – dat bleek al snel dé rode draad door het programma van het kosmopolitische, multidisciplinaire stadsfestival te worden. In zo’n dertig producties – waarvan de helft wereldpremières – bieden Belgische en internationale kunstenaars hun visie op die rode draad. Zo willen ze in dialoog treden met het publiek. ‘Het Kunstenfestivaldesarts mikt dan ook op toeschouwers die hun eigen perspectief in vraag durven te stellen’, zegt Christophe Slagmuylder.

Als stukken van een puzzel
Maar hoe vormt zo’n lijn in een programma zich precies? Ontstaat ze uit een bewuste dan wel onbewuste zoektocht van de programmator naar kunstwerken die aansluiten bij wat hem dat jaar toevallig bezighoudt? Of komt ze te voorschijn uit een collectieve interessesfeer van de geselecteerde kunstenaars? ‘Het is moeilijk om daar heel precies de vinger op te leggen’, vindt Christophe Slagmuylder. ‘Volgens mij is het een combinatie van beide. Ik wil zeker niet te snel mijn eigen thema’s aandragen. Ik vind het belangrijk om vooral te luisteren naar de voorstellen en ideeën van de kunstenaars die mijn pad kruisen. Ik vergelijk het graag met een puzzel: je gaat uit van enkele losse stukken, maar naarmate je die stukken begint samen te leggen, vormen zich bepaalde beelden die de rest van het programma dan wel in een specifieke richting sturen. Ik zie het als de taak van de programmator om zulke beelden te versterken. Zeker het laatste tiental producties wegen we daar heel duidelijk tegen af. Ik probeer dus allerminst mijn eigen input op te dringen, maar selecteren blijft een subjectief proces. Ik kies een werk omdat het me aanspreekt, omdat het thema me boeit. Maar ik fungeer niet louter als een radar die interessante projecten detecteert. Ik ben ook een gesprekspartner voor de kunstenaars, dus een en ander komt wel degelijk voort uit die ontmoetingen.’

Wie, wat en vooral waarom
De interactie met kunstenaars uit alle windstreken is wat Christophe Slagmuylder het meest aanspreekt in zijn job. ‘Zelfs al ben ik algemeen directeur van het festival, ik voel me toch vooral een artistiek iemand. Ik praat liever met kunstenaars dan met politici, bijvoorbeeld, dat is duidelijk. Ik beleef enorm veel plezier aan die uitwisseling van ideeën en visies.’ Slagmuylder ziet per jaar zo’n 300 voorstellingen en nog heeft hij soms het gevoel dat hij veel mist. ‘Het aanbod is de laatste tien jaar enorm geworden’, vertelt hij. ‘In het begin van het Kunstenfestivaldesarts (het is in 2012 aan zijn 17de editie toe, red.) was het nog vrij uitzonderlijk om hedendaagse kunsten uit China of Brazilië te kunnen tonen. Vandaag vind je in onze hoofdstad sowieso al een veel meer internationaal getint aanbod. Je moet als programmator dus op zoek blijven naar de eigenheid van je festival. Die moet je continu in vraag blijven stellen. Het volstaat lang niet meer om ‘iemand’ uit China op het programma te zetten. Nee, je moet uitleggen waarom uit China, waarom die persoon en waarom dat werk. Op die manier moeten we ons werk bij het KFDA blijven verfijnen.’ Tegelijk vindt hij het belangrijk om, ondanks de grote hoeveelheid producties die zich aandienen, altijd fris te blijven. ‘Het gebeurt al eens dat je enkele maanden na elkaar niets ziet wat je van je sokken blaast, maar ook dan moet je ervoor zorgen dat je je nieuwsgierigheid behoudt. Je weet dat een voorstelling kan vallen of staan met hoe je je op een dag voelt, maar daardoor mag je je niet te hard laten beïnvloeden. We zijn erg veeleisend voor wat we zien, maar we moeten zo mogelijk nog veeleisender zijn voor onszelf.’

Lees de rest van het artikel in Staalkaart, mei-juni 2012.

www.kfda.be


Marleen Coppens, Beste Boekenjuf 2012: ‘Alles begint met lezen’

15/05/2012

Juf Marleen van basisschool Regina Caeli in Dilbeek is uitgeroepen tot Beste Boekenjuf van het jaar. Haar boekenklas is gezellig ingericht met fauteuils, prenten en vooral veel letters en papier. We nemen plaats te midden van al dat fraais en praten over boeken, boeken, boeken.

Je kunt misschien niet van alle kinderen onvervalste leesbeesten maken, maar je kunt de boekenmicrobe toch wel héél besmettelijk maken, vindt Marleen Coppens. ‘Je moet gewoon het juiste boek vinden voor het juiste kind.’ Gulzige lezers kun je snel plezieren, maar er zijn ook leerlingen die het niet zo op letters begrepen hebben. Het is de taak van een boekenjuf of boekenmeester om ook hen over de streep te krijgen. ‘Daarom werk ik veel met prentenboeken, zelfs nog in het zesde leerjaar’, legt juf Marleen uit. Wie denkt dat prentenboeken er alleen zijn voor de allerkleinsten, heeft het grondig mis. Enthousiast haalt Marleen Coppens boek na boek te voorschijn dat het tegendeel bewijst. Ze wappert heen en weer met 31 dozen van Cécile Boyer. Het boek bevat afbeeldingen van 31 heel verschillende dozen: grote, kleine, ronde, rechthoekige… Op de volgende bladzijde staat telkens een mogelijke inhoud getekend en een prikkelende, niet-letterlijke omschrijving ervan in woorden. ‘Met zo’n boek zet je de verbeelding aan het werk. Lagereschoolkinderen zullen het niet snel uit de bibliotheek halen, maar net daarom werk ik graag met zulke boeken: ik wil dat mijn leerlingen de meest uiteenlopende genres en soorten leren kennen.’

Andere boeken zetten een specifiek probleem in de verf en zijn bijzonder geschikt om de kinderen aan het denken te zetten, hen te helpen een eigen mening te vormen en te verwoorden. Juf Marleen duikt opnieuw in haar kast. Ze diept er Koning en koning van Linda de Haan uit op. ‘De koningin wil ermee stoppen en dus spoort ze haar zoon aan om te trouwen’, vertelt Marleen Coppens. ‘Ze laat een hele reeks prinsessen opdraven, maar geen ervan vindt de prins leuk. Tot de laatste prinses met haar broer aan komt kloppen en de prins halsoverkop verliefd wordt… op de andere jongen. Het is een schitterend boek om het thema homoseksualiteit op een speelse manier aan te snijden.’ Er komen nog hopen boeken op tafel: over vooroordelen, over pesten, prachtig vormgegeven exemplaren, boeken met originele tekeningen en verhalen die bijblijven, boeken om te koesteren en boeken die je maar wat graag cadeau zou doen aan iemand die houdt van mooie dingen. De liefde van juf Marleen voor haar bibliotheek is aanstekelijk en de ouders van haar leerlingen zullen het geweten hebben. ‘Ik hoor geregeld van een moeder of vader dat een bezoek aan de bibliotheek nu geregeld in de gezinsplanning wordt opgenomen, omdat de kinderen per se een boek willen van een auteur die we in de klas behandeld hebben. En dat is natuurlijk mijn bedoeling!’

Lees meer in RandKrant mei 2012


Reeks vrijwilligerswerk: ‘Als ik later hulp nodig heb, zal ik ook blij zijn dat er vrijwilligers bestaan’

07/12/2011

De laatste vrijwilliger in onze reeks vinden we in Machelen. Monique Seynaeve doet verscheidene vormen van vrijwilligerswerk, maar het vaakst en het liefst gaat ze aan de slag voor de Minder Mobielen Centrale (MMC) van haar gemeente. Eén tot twee keer per week geeft ze een mede-inwoner die minder goed te been is, een lift.

‘Ik ben niet zo lang na mijn pensioen bij de Minder Mobielen Centrale begonnen’, vertelt Monique Seynaeve. ‘Dat moet een jaar of zes geleden zijn.’ Haar eerste cliënten waren twee dames die elke vrijdag boodschappen wilden doen in de supermarkt. ‘Ook nu nog ga ik geregeld met mensen boodschappen doen’, zegt ze. ‘Maar ik rijd ook vaak met iemand naar een Brussels ziekenhuis.’ Ze doet het voor haar eigen plezier, legt Monique Seynaeve uit: ‘Mensen vervoeren voor de MMC is aangenaam om te doen. Ik ben sociaal ingesteld, dus de contacten zijn altijd welkom. We babbelen veel onderweg. Er zijn dan ook geregeld mensen die me vragen of ze de volgende keer weer op mij als chauffeur kunnen rekenen.’ Met een bepaalde dame gaat ze wekelijks op stap. Een koffie of een ijsje hoort daar vanzelfsprekend ook bij. ‘Heel leuk’, vindt Monique. ‘En als ik dan toch in een supermarkt ben, doe ik ineens ook mijn eigen boodschappen. Gemakkelijk, toch?’

Met de glimlach
We rijden ook een keer met Monique mee wanneer een slechtziende man in twee verschillende ziekenhuizen onderzoeken moet laten doen. Monique Seynaeve heeft de weg vooraf al uitgestippeld. ‘We rijden op dit uur niet over de ring, want dan zitten we gegarandeerd vast in het verkeer. Tijdens de spits rijd ik liever binnendoor: ik ken Brussel op mijn duimpje, dus dat is geen probleem.’ In de auto begint de man aan zijn levensverhaal. Zijn medische toestand is geen lachertje, maar hijzelf verliest er het humeur niet bij. Ook wanneer we in de ziekenhuizen niet onmiddellijk de juiste afdelingen en dokters vinden, blijft hij glimlachen. Hij bedankt zijn chauffeur na afloop hartelijk voor de tijd en de moeite.

Chauffeurs welkom
De meeste Vlaamse gemeenten hebben vandaag een Minder Mobielen Centrale. De Centrales zijn er gekomen om personen met verplaatsingsproblemen en een beperkt inkomen toch de nodige transportmiddelen te bieden. De chauffeurs werken allemaal vrijwillig en krijgen een kilometervergoeding voor de verplaatsing. ‘In Machelen hebben we niet zoveel chauffeurs’, licht Monique Seynaeve toe. ‘Er mogen er altijd enkele bijkomen.’
Een vrijwilliger bij de MMC heeft uiteraard een wagen en een geldig rijbewijs nodig. ‘Voor sommige kandidaten volstaat de kilometervergoeding niet. Ze noemen de kosten aan je auto en de dure benzine als excuses om het niet te doen. Maar ik vind dat vrijwilligerswerk daar niet om draait. Trouwens, verzekeringen en belastingen betaal je ook als je je auto in de garage laat staan…’

Lees het volledige artikel in RandKrant, december 2011.


Reeks vrijwilligerswerk: ‘Zonder vrijwilligerswerk valt het land stil’

02/12/2011

Bij Buurthuis Ommekaar in Buizingen verwerken ze zo’n twee ton textiel en andere kleine goederen per maand. ‘Ze’ is een team van 45 vrijwilligers die sorteren, wassen, strijken, verkopen, koffie zetten en schenken… Kortom, ze doen alles wat in een buurthuis met tweedehandswinkel en praatcafé gebeuren moet.

Op dinsdagochtend heerst er een rustig soort bedrijvigheid in Ommekaar. Een drietal klanten snuistert door de winkel, een paar vrouwen slaan een babbeltje bij een koffie. Wat later wandelt Jean-Marie De Greef het buurthuis binnen. Hij doet er al 12 jaar klusjes. ‘Ik kom elke dag wel even langs om te zien of er iets te doen valt’, vertelt hij. ‘Lekt het toilet, dan los ik het op. Moet er iets opgehangen worden, dan doe ik dat.’

(…)

Ommekaar is gevestigd in een vroegere kleuterschool, waardoor er veel ruimte is om alle spullen netjes uit te stallen. De winkel is ingericht per type kledingstuk, met een apart hoekje voor speelgoed. Her en der staan andere kleine spullen uitgestald, zoals een koffieservies dat volledig uit hout is gesneden.
‘Een tijd terug hebben we een hele lading nieuw speelgoed gekregen’, zegt collega-vrijwilliger Denise Vanlathem. ‘Het kwam van een winkel die het niet verkocht had gekregen. Bij de kleren is dat precies hetzelfde: we krijgen veel van particulieren, maar er zijn ook winkels die na de koopjesperiode hun laatste stuks naar ons brengen. We hebben vaak prachtige spullen in onze rekken hangen.’ Er klinkt duidelijk trots door in Denises stem. Zij is al 14 jaar vrijwilliger bij Ommekaar en is er verantwoordelijk voor de truien. ‘Deze week organiseer ik een speciale actie: één trui kopen, de tweede gratis.’ Het valt op dat de typische stoffige geur die in veel tweedehandswinkels hangt, hier volledig ontbreekt. ‘Ja natuurlijk!’ roept Denise uit. ‘Elk kledingstuk dat we willen verkopen, wassen en strijken we eerst. En de winkel wordt ook wekelijks grondig schoongemaakt.’ Ze toont enkele truien die klaarhangen om naar de winkel te gaan. ‘We zijn heel streng wanneer we kleren sorteren. Er mag niks kapot aan zijn, er mogen geen vlekken op zitten…’ Stukken die Ommekaar niet kan verkopen, gaan naar andere organisaties of worden uiteindelijk gerecycleerd. ‘Niets van wat de mensen hier binnen brengen, gaat verloren.’

(…)

‘Stel dat je alle vrijwilligers van België zou schrappen, dan viel het land stil. Daarvan ben ik overtuigd’, zegt Jean-Marie. ‘Ik vind het zelf ook een goede bezigheid: je zet je in voor een ander en wordt er zelf gelukkiger van.’ Denise knikt: ‘Vrijwilligerswerk laadt de batterijen op. Ik kom liever naar hier dan dat ik ga winkelen. We hebben ook zo’n toffe ploeg – we kunnen elkaar niet missen.’

www.debodt.be/ommekaar

Lees het volledige artikel in Randkrant, november 2011.


Reeks vrijwilligerswerk: ‘De beste remedie tegen egoïsme’

10/10/2011

Voor het artikel over vrijwilligerswerk in de RandKrant van oktober volgden we een training van sportclub FriS in Lot. Marc Peeters en zijn collega-vrijwilligers geven er sportles aan jongeren met een beperking.

‘Ik zal je eens iets zeggen’, zo introduceert speler Dries Timmermans zichzelf. Hij is lid van de sportclub FriS en vindt dat we ook zijn verhaal moeten opschrijven, naast dat van de vrijwillige begeleiders van de club. Voetbaltrainer Marc Peeters roept de jongen geregeld tot de orde, maar de concentratie is zoek. ‘Zodra hij jonge vrouwen ontmoet, komt de casanova in hem naar boven’, glimlacht Peeters.
Marc Peeters is altijd een fervent voetballer geweest. In 2003 volgde hij een opleiding aan de trainersschool toen hij een tv-reportage zag die hem een onmiddellijke coup de foudre opleverde. ‘Kinderen met een beperking speelden een galamatch tegen de jonge spelertjes van Ajax, een
van de grootste voetbalploegen uit Nederland. Het was dolle pret.’ Van de weeromstuit
ging Marc op zoek naar voetbalclubs in de buurt waar hij iets gelijksoortigs kon doen. ‘Eén tot twee uur vrijwilligerswerk per week, dat moest kunnen.’ Peeters zocht veel, maar vond weinig. ‘Wel kreeg ik reacties van ouders die enthousiast waren om hun kind training te laten volgen. Zij hebben mij over de streep getrokken. Wat later heb ik zelf een club opgestart.’

(…)

Marc Peeters durft nauwelijks te tellen hoeveel tijd hij aan FriS besteedt. Die één tot twee uur zijn in de loop van de jaren ‘wat uit de hand gelopen’. ‘Na mijn werk en mijn dochters gaat het grootste deel van mijn tijd naar FriS. Je ziet hoe het er hier aan toe gaat, hoe die gasten naar je toe gelopen komen, de plezante dingen die ze vertellen, hoe ze lachen en zich amuseren. Dat is onschatbaar.’

Lees het volledige artikel in RandKrant.


‘Een voorstelling start bij de locatie’ – terugblik op TAZ#11

26/09/2011

Het eerste nummer van de eerste jaargang van STEPP is verschenen – het magazine voor de producerende, ontwerpende, en technische krachten van de brede culturele sector. In die hoedanigheid vervangt het het oude Proscenium.

In dat eerste nummer, op pagina 34 vind je een artikel dat terugblikt op Theater aan zee 2011, en wel vanuit het perspectief van de locaties.

Ik interviewde daarvoor Waas Gramser van Comp. Marius, dat al twaalf jaar gepokt en gemazeld is in openluchttheater. Lawaai noemde zij de grootste moeilijkheid bij theater op een buitenlocatie: ‘Soms kiezen we in de winter een rustige plek die tegen de zomer, wanneer we er moeten spelen, razend druk blijkt. Ook vervelend is als je de speelrichting verkeerd kiest: dan schijnt de zon recht in de ogen van het publiek of blaast de wind al je woorden weg. Al wat je dan kan doen, is harder brullen.’

Vervolgens liet ik Sophie De Somere aan het woord, coördinator jong theater op TAZ:

Niet zomaar mooie plaatjes
Wanneer Sophie De Somere op zoek gaat naar een locatie, let ze vooral op één ding: ‘Ik ga niet op zoek naar een mooi plaatje, maar naar een ruimte die aansluit bij de inhoud van de voorstelling. Voorts heeft de locatie natuurlijk in het algemeen veel impact op hoe je je als toeschouwer voelt. Een voorstelling start bij de locatie: nog voor er een woord is gesproken, laat ze al een indruk na.’ Met dat in het achterhoofd ging Sophie – samen met programmator jong theater Liv Laveyne – vanaf januari van dit jaar op tocht. ‘We trokken er met de fiets of te voet op uit, klopten op deuren waar we interessante ruimtes achter vermoedden en volgden tip na tip. Je weet nooit wat er achter een grote gesloten poort schuilgaat – daarvoor heb je het advies van bewoners nodig.’

Voor De val van Laurens Krispijn de Boer stelde Sophie De Somere zo een hoge hangar voor. De Boer inspireerde zich op de monoloog van Risjaar Modderfokker den Derden uit Tom Lanoyes Ten oorlog. ‘Die locatie klopte heel erg met de inhoud’, vindt ze. ‘De acteur stond er geïsoleerd, alsof hij alleen was achtergebleven in een bunker, maar was wel nog altijd overtuigd dat hij kon winnen.’ Even tevreden was ze over het aftandse stationsbuffet waar Thee van Poolse vis te zien was. ‘Thee gaat over twee vriendinnen die na lange tijd bij elkaar op visite komen. Het begint hartelijk, maar krijgt snel iets wrangs. Dat in onbruik geraakte buffet met zijn mooie plafonds paste perfect. We hebben ook manieren gezocht om toevallige passanten bij de voorstelling te betrekken. De actrices speelden met open deur en algauw kwamen er mensen door de opening piepen. Op de ramen kleefden ze plastic met openingen in kantvorm – lekker ouderwets. Ook daardoor kwamen mensen gluren.’ Dat soort trucjes pasten Sophie De Somere en de jonge makers op zoveel mogelijk plekken toe. ‘We wilden de stad laten binnendringen in de voorstellingen en vice versa. Daar willen we volgend jaar nog meer mee experimenteren.’”

En het volledige artikel kun je dus lezen in STEPP#01, september 2011.

www.theateraanzee.be
www.marius.be


Jef Neve: ‘Jazz, dat is olijven leren eten’

19/09/2011

Het Jef Neve Trio zit tussen twee cd’s in. Dat zal zich laten horen op Jazz Hoeilaart, waar de muzikanten op 24 september te gast zijn. ‘Het repertoire van Imaginary Road, onze vorige cd, spelen we nu twee jaar. Die muziek hebben we al binnenste buiten gekeerd op het podium. We voelen ons er helemaal vrij in. Tegelijk zullen we al wat nummers oppikken die voor de volgende cd bedoeld zijn. Ik mik op een ambitieus project met vijf blazers – voor we die erbij halen, willen we de muziek zelf helemaal in de vingers hebben.’

Imaginary Road gaat over het leven van gedachten en ideeën dat parallel loopt aan het gewone leven. Jef Neve: ‘Mensen interpreteren je karakter door wat je doet en zegt. Zo ontstaat er in ieders hoofd een totaal ander beeld van wie jij bent. Dat is voor mij de imaginary road. Hetzelfde gebeurt na je dood. Geestelijk en fysiek ben je er niet meer, maar toch laat je iets na. Ik vergelijk het met het witte spoor dat een vliegtuig tekent in de lucht. Het vliegtuig zelf is al lang weg, maar er is nog bewijs dat het er geweest is.’

Respect
De nieuwe nummers horen bij een project dat nu nog de werktitel Songs of the New World draagt. Voor de composities inspireert Jef Neve zich op de recente Arabische revolutie en andere mondiale gebeurtenissen. (…)
‘Het is moeilijk om uit te leggen hoe zo’n idee zich omzet in muziek’, zegt Jef Neve. ‘Het is niet zo dat een specifieke toespraak van een minister zich nadien reflecteert in een bepaald nummer. Al die informatie komt op me af, ik voel me erdoor geraakt en de muziek is er een logisch gevolg van. Soms is het ook een beetje de kip of het ei: ik kan een muziekstuk schrijven waarin ik achteraf een bepaald beeld herken.’

Meer? RandKrant, september 2011.

www.jazzhoeilaart.be


Oedipus/bêt noir: ‘Aards en zonder vernis’

15/09/2011

Vanavond première van Oedipus/bêt noir van Ultima Vez en KVS. De trailer ziet er alvast bijzonder intrigerend uit.

Nog voor de repetities begonnen, heb ik Wim Vandekeybus en Jan Decorte geïnterviewd over de productie (in opdracht van Ultima Vez). Je vindt de volledige tekst op de site van de KVS, onderaan bij ‘pers en extra’s’. En hier lees je alvast een fragment:

Na het jongerenproject Bêt noir en de Zweedse gastchoreografie Black Biist gaat Wim Vandekeybus voor de derde keer aan de slag met Jan Decortes Oedipusbewerking uit 1999. Wat is er zo dringend aan die tekst dat hij bij Ultima Vez steeds opnieuw op tafel komt? Om daar achter te komen, spreken we met de twee makers af in een Brussels bruin café, bij een glas wijn. ‘Eigenlijk is Bêt noir een perfect filmscript, dus misschien komt er ooit zelfs nog een vierde versie.’

Vandekeybus en Decorte praten zoals ze voorstellingen maken. De ene wild enthousiast en energetisch uitwaaierend – elke zin onderstreept hij met beweging. De ander afwachtend – Decorte luistert vooral en vult het gesprek nu en dan aan, alleen als hij vindt dat een uitspraak er echt toe doet.

Een heel stuk in één zin
‘Ikebbet altijt noch chezecht – zo begint Bêt noir en eigenlijk zit het hele stuk al in die ene zin’, vindt Wim Vandekeybus. ‘Ikebbet altijt noch chezecht – daarmee alleen al kun je een heel stuk maken.’
In Black biist, de choreografie die hij in 2009 voor het Göteborg Ballet maakte, krijgt die eerste zin een kwartier om de zaal te vullen, legt hij uit. ‘Ik gaf in het eerste kwartier niet meer dan dat. En nu heb ik opnieuw goesting om eerst en vooral met die zin aan de slag te gaan.’
Jan Decorte knikt: ‘In het begin van het stuk is alles eigenlijk al gebeurd. Er moet alleen nog verder gestrompeld worden. Zo gaat het altijd met Griekse tragedies. Je weet dat het slecht afloopt, dat de held alle mogelijke fouten zal maken. Oedipus is in die zin het ultieme tragische personage: hij begint met alles, maakt dan de grootste vergissingen die een mens kan maken – je vader vermoorden en je moeder in je bed – en eindigt met niks. Hij is dus een held met grote valhoogte, zoals we vroeger op school geleerd hebben. Dat maakt hem spannend. Dat, en de waanzin die uit zijn hele figuur spreekt. De waanzin is trouwens ook wat mij bevalt aan het werk van Wim: het is waanzinnig wild en dat maakt mij weliswaar een beetje bang, maar toch zie ik het graag.’
Vandekeybus ziet Oedipus dan weer vooral als een antiheld. ‘Een antiheld die in Bêt noir nog extra als een antiheld wordt afgeschilderd. King Lear, dat is in mijn ogen een echte koning. Oedipus is meer een dommige kwajongen die opeens koning wordt en er dan ongevraagd de koningin bij krijgt. In se is hij van goede wil, maar omdat hij zo hardnekkig de juiste beslissingen wil nemen, maakt hij nog meer fouten.’
Decorte: ‘Dat is de definitie van de tragedie, natuurlijk: iedereen wil aan zijn lot ontkomen, maar het lot pakt je uiteindelijk toch. In de gekuiste versie heet het dat de goden dat allemaal beslissen, maar in werkelijkheid doet de mens zichzelf zijn tragedies aan.’ Net dat maakt de mens volgens Vandekeybus zo’n mooi schepsel. Zodra er iets fout gaat in zijn leven, zoekt hij daarvoor een reden buiten zichzelf. ‘De mens is continu bezig met zingeving en met oplossingen zoeken voor wat hij niet begrijpt. Daarom zijn de goden uitgevonden, daarom gingen de Grieken naar het orakel, daarom bestaat bijgeloof. Sommige mensen geloven dat zwarte katten ongeluk brengen, maar die kat weet niet dat ze zwart is, snap je? Het is de mens die die betekenis daarin legt. Oedipus kan aan zijn lot niet ontsnappen, omdat het zogezegd vast ligt en dus onontkoombaar is. Maar eigenlijk hebben de Grieken juist het toeval gecreëerd.’

www.kvs.be


Reeks vrijwilligerswerk: ‘Niet alles hoeft om centen te draaien’

12/09/2011

Er is ook heel wat jong volk dat vrijwilligerswerk doet. Denk maar aan de vele jongeren die zich inzetten voor jeugdbewegingen of speelpleinwerkingen. Of neem de Vilvoordse Sofie Bots (19), die zich nu al meer dan een jaar inzet voor de vereniging Jeugd, Cultuur en Wetenschap (JCW). Ik interviewde haar als zesde vrijwilliger in de reeks vrijwilligerswerk voor RandKrant.

Een fragment.

“JCW is een Vilvoordse vereniging die in het hele land cultureel-wetenschappelijke activiteiten voor 8- tot 16-jarigen organiseert. Een heus ruimtekamp, een workshop waarin je zelf tandpasta leert maken, een dagtrip naar de tijd van de Galliërs? Kan allemaal. Alle activiteiten worden begeleid door vrijwilligers, die de dag, het weekend, de workshop of het kamp ook helpen voorbereiden. We namen een kijkje tijdens de dolle JCW-dagen in Vilvoorde. Op het programma stond de archeologieworkshop ‘Graven om te weten’, een samenwerking tussen JCW, de kunstacademie Portaelschool en de K.U.Leuven.

Spijkerschrift en DNA-onderzoek
De kinderen hebben er al verscheidene knutselactiviteiten en een bezoek aan het archeologische depot in Zellik opzitten. Deze namiddag komt een Leuvense archeoloog langs. Hij heeft een kist bij zich met daarin een nauwkeurige reconstructie van een eeuwenoud opgegraven graf: botten van een volwassen persoon en een baby, intacte potten en kruiken, beenderen van dieren en nog wat andere voorwerpen. De kinderen krijgen uitleg, stellen een heleboel geïnteresseerde vragen, en kunnen dan zelf aan de slag. Ze mogen met de hulp van tekeningen bepalen van welk dier een bepaald bot afkomstig is, ze ontcijferen spijkerschrift en met een klein, maar volledig echt DNA-onderzoek bepalen ze of de volwassene en het kind in het graf familie van elkaar waren. ‘Jouw DNA lijkt voor de helft op dat van je moeder en voor de helft op dat van je vader’, krijgen ze te horen. ‘En meisjes hebben een tikje meer DNA dan jongens.’ De meisjes gniffelen, de jongens reageren verontwaardigd: ‘Dat kan niet!’

Intussen houden Sofie en haar Brugse collega-vrijwilligster Ann-Sofie Anseeuw (16) een oogje in het zeil. ‘Ik doe vrijwilligerswerk voor JCW omdat ik graag met kinderen omga. Ook de workshopformule spreekt me aan: de kinderen vervelen zich nooit’, zegt Sofie.”

Meer? RandKrant september 2011.


‘Een nieuwe diersoort ontdekken geeft een kick’

05/09/2011

Wandelende takken – ik geef toe dat het dieren zijn die nooit echt tot mijn verbeelding gesproken hebben. Tot de dag dat ik leraar dierkunde en taxonomist Joachim Bresseel interviewde. Er zijn wandelende takken waarvan nooit een mannetje gevonden is, zo vernam ik. De vrouwtjes planten zich parthenogenetisch voort, wat wil zeggen dat de kleintjes identieke kopieën van de moeders zijn en er dus geen bevruchting van de eitjes aan te pas komt. Interessant. Ik zag met eigen ogen hoeveel verschillende types en groottes wandelende takken er bestaan en ik ontdekte de wondere wezens die bekend staan onder de noemer ‘wandelende bladeren’. Verder aaide ik een baby-emoe en sloeg ik het vriendelijke aabod af om hetzelfde te doen met een slang en een vogelspin. Een gemiste kans? Een boeiende dag…

Een fragment.

Nachtelijke tochten en elfjes
Joachim Bresseel legt zich vooral toe op de taxonomie, de studie van nieuwe soorten. Er zijn momenteel ongeveer 4000 verschillende soorten wandelende takken bekend en per reis die hij onderneemt, vindt hij nog types die tot dan toe niet ontdekt waren. ‘Tot nu toe ben ik vooral op de Filippijnen gaan zoeken’, legt hij uit. ‘Ik had via internet iemand van daar leren kennen die ook met wandelende takken bezig was. Hij nodigde me uit en toen ik 21 was, nu vijf jaar geleden, ben ik er voor het eerst naartoe gereisd. ‘We trekken er altijd ’s nachts op uit, want wandelende takken zijn nachtdieren, dus overdag vind je ze niet. Hoe diverser de vegetatie, hoe groter de kans dat je er zult tegenkomen. Ik ken intussen alle reeds ontdekte soorten van de Filippijnen, dus als ik een nieuwe zie, weet ik het onmiddellijk. En zo’n diersoort voor het eerst in het wild aantreffen, geeft echt een kick.’

Maar hoe vind je, in een wirwar van planten, dieren die op takjes lijken? ‘We zoeken meestal eerst naar vraatsporen’, zegt Bresseel. ‘Alle wandelende takken zijn pure herbivoren en ze bijten heel specifieke gaatjes in een blad. Wandelende takken zijn geen zeldzame dieren, dus we vinden er wel wat op een nacht. Alleen stel ik me altijd de vraag hoeveel ik er niet voorbij moet lopen op zo’n tocht – dat moet echt enorm zijn.’ Joachim Bresseel toont ons een aantal glazen kastjes met opgezette wandelende takken erin. Er zijn er van zo’n zes centimeter lang, maar er zit er ook eentje tussen van een goeie 25 centimeter. ‘De grootste wandelende takken moeten iets meer dan een halve meter lang zijn’, vertelt hij. ‘Dat is meteen het grootste insect ter wereld.’ De verschillende soorten zien er ook heel anders uit, zowel van kleur als van vorm. De mannetjes en vrouwtjes van eenzelfde soort lijken evenmin op elkaar. ‘Vroeger zijn er daarom wel eens fouten gemaakt. Iemand vond een mannetje, maar besefte niet dat het dezelfde soort was als een vrouwtje dat al beschreven stond. Er zijn ook soorten die onder zes verschillende namen bekendstaan. Daarom is je eerste taak als je begint te beschrijven, een grondige literatuurstudie. Je wil geen soort als nieuw aandragen die eigenlijk al bestudeerd is.’

In een volgend kastje bewaart Joachim Bresseel enkele wonderlijke wezentjes. ‘Wandelende bladeren’, legt hij uit. In een oogopslag begrijpen we hoe de verhalen over elfjes ooit ontstaan zijn. De fijne blaadjes lijken wel van kleurige, doorschijnende stofjes in elkaar geknutseld. ‘Bij levende exemplaren zijn de kleuren nog veel mooier’, zegt hij. Hij voegt eraan toe dat hij de eerste Belg is die een nieuwe soort wandelend blad heeft beschreven. ‘Daar ben ik wel trots op. Ze zijn in het wild heel moeilijk te vinden. Zelf heb ik er ook ooit maar eentje gevonden. De andere zijn in gevangenschap gekweekt.’

Meer? Het hele artikel staat in het septembernummer van RandKrant.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 519 other followers