‘Een voorstelling start bij de locatie’ – terugblik op TAZ#11

26/09/2011

Het eerste nummer van de eerste jaargang van STEPP is verschenen – het magazine voor de producerende, ontwerpende, en technische krachten van de brede culturele sector. In die hoedanigheid vervangt het het oude Proscenium.

In dat eerste nummer, op pagina 34 vind je een artikel dat terugblikt op Theater aan zee 2011, en wel vanuit het perspectief van de locaties.

Ik interviewde daarvoor Waas Gramser van Comp. Marius, dat al twaalf jaar gepokt en gemazeld is in openluchttheater. Lawaai noemde zij de grootste moeilijkheid bij theater op een buitenlocatie: ‘Soms kiezen we in de winter een rustige plek die tegen de zomer, wanneer we er moeten spelen, razend druk blijkt. Ook vervelend is als je de speelrichting verkeerd kiest: dan schijnt de zon recht in de ogen van het publiek of blaast de wind al je woorden weg. Al wat je dan kan doen, is harder brullen.’

Vervolgens liet ik Sophie De Somere aan het woord, coördinator jong theater op TAZ:

Niet zomaar mooie plaatjes
Wanneer Sophie De Somere op zoek gaat naar een locatie, let ze vooral op één ding: ‘Ik ga niet op zoek naar een mooi plaatje, maar naar een ruimte die aansluit bij de inhoud van de voorstelling. Voorts heeft de locatie natuurlijk in het algemeen veel impact op hoe je je als toeschouwer voelt. Een voorstelling start bij de locatie: nog voor er een woord is gesproken, laat ze al een indruk na.’ Met dat in het achterhoofd ging Sophie – samen met programmator jong theater Liv Laveyne – vanaf januari van dit jaar op tocht. ‘We trokken er met de fiets of te voet op uit, klopten op deuren waar we interessante ruimtes achter vermoedden en volgden tip na tip. Je weet nooit wat er achter een grote gesloten poort schuilgaat – daarvoor heb je het advies van bewoners nodig.’

Voor De val van Laurens Krispijn de Boer stelde Sophie De Somere zo een hoge hangar voor. De Boer inspireerde zich op de monoloog van Risjaar Modderfokker den Derden uit Tom Lanoyes Ten oorlog. ‘Die locatie klopte heel erg met de inhoud’, vindt ze. ‘De acteur stond er geïsoleerd, alsof hij alleen was achtergebleven in een bunker, maar was wel nog altijd overtuigd dat hij kon winnen.’ Even tevreden was ze over het aftandse stationsbuffet waar Thee van Poolse vis te zien was. ‘Thee gaat over twee vriendinnen die na lange tijd bij elkaar op visite komen. Het begint hartelijk, maar krijgt snel iets wrangs. Dat in onbruik geraakte buffet met zijn mooie plafonds paste perfect. We hebben ook manieren gezocht om toevallige passanten bij de voorstelling te betrekken. De actrices speelden met open deur en algauw kwamen er mensen door de opening piepen. Op de ramen kleefden ze plastic met openingen in kantvorm – lekker ouderwets. Ook daardoor kwamen mensen gluren.’ Dat soort trucjes pasten Sophie De Somere en de jonge makers op zoveel mogelijk plekken toe. ‘We wilden de stad laten binnendringen in de voorstellingen en vice versa. Daar willen we volgend jaar nog meer mee experimenteren.’”

En het volledige artikel kun je dus lezen in STEPP#01, september 2011.

www.theateraanzee.be
www.marius.be


Hoe Braakland/ZheBilding het Leuvense culturele braakland stap na stap heeft volgebouwd

01/09/2011

In het kraakverse nummer van Staalkaart, dat een week of twee geleden van de persen is gerold, open ik mijn artikel over Braakland/ZheBilding met deze waarachtige zinnen: ‘Dat het goed gaat met muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding staat buiten kijf. Het kreeg de afgelopen jaren twee keer de toneelschrijfprijs, werd officieel stadsgezelschap van Leuven, sleepte de cultuurprijs van de KULeuven in de wacht en zocht intussen gestaag voort naar het ideale evenwicht tussen muziek, tekst en spel.’ En op dat moment was nog niet eens bekend dat het gezelschap ook nog eens de prestigieuze Vlaamse Cultuurprijs Podiumkunsten in de wacht sleept.

Intussen denkt het gezelschap extra diep na over zijn naam. Bij zijn oprichting, nu meer dan tien jaar geleden, stelden de eerste Braaklanders tussen pot en pint vast dat hun hometown Leuven een behoorlijk bedroevend cultureel braakland was. Wél een opleiding theaterwetenschappen aan de universiteit, wél een praktijkinstelling als het Lemmensinstituut. Maar geen professioneel theatergezelschap. Daar kon aan gebouwd worden, vonden ze, en zo ontstond Braakland/ZheBilding. De jaren daarop bouwde het gezelschap vastberaden aan zijn geheel eigen theatertaal en zo raakte het braakland stilaan bebouwd. Kunnen ze zich anno 2011 dan nog wel Braakland noemen, vragen ze zich daar in Leuven af. We vernemen er ongetwijfeld meer over zodra de makers zijn uitgevierd. Want feest is het dubbel en dik: de champagne van de cultuurprijs is nauwelijks leeggetoost of ze kunnen zich al klaarmaken voor het officiële openingsweekend van OPEK, het Openbaar Entrepot voor de Kunsten (10 en 11 september). OPEK wordt een ontmoetingsplek voor kunst en talent waar zeven professionele culturele organisaties zullen samenhuizen.

In het openingsweekend valt er allerlei te beleven in OPEK. Neem dus zeker een kijkje in het programma. Eén van die dingen is de première van Luide muziek, een sociaal-artistiek project van BZB en De Figuranten uit Menen. Een fragment daarover uit het interview dat ik voor Staalkaart afnam van Adriaan Van Aken en Stijn Devillé, die het stuk samen regisseren:

Het is de eerste keer dat Braakland zich op het sociaal-artistieke spoor waagt en het gezelschap doet dat met evenveel enthousiasme als zenuwachtigheid. ‘Hein Mortier, het opperhoofd van De Figuranten, is een vroegere klasgenoot van ons’, zegt Adriaan Van Aken. ‘Hij had al eerder gepolst of we een samenwerking zagen zitten, maar tot nu hadden we nog geen geschikt project gevonden.’ Stijn Devillé: ‘Anderzijds zaten we met een ei. Sociaal-artistiek werk is Heins biotoop – hij heeft een natuurlijke slag om met jongeren met een kwetsbare achtergrond theaterprojecten op te zetten. Onze manier van theatermaken is helemaal anders… nogal saai, als je wil. We proberen met taal en muziek een heel fijne puzzel in elkaar te steken. Het is nauwgezet, geconcentreerd werk. En dus vreesden we een beetje dat we die jongeren onmogelijk konden boeien met onze manier van werken.’ Tot uit een heftige brainstorm het concept voor Luide muziek tevoorschijn kwam.

Sinds de productie Dansen drinken betalen uit 2006 speelde Adriaan Van Aken met het idee om ooit te onderzoeken welke impact luide muziek op acteurs heeft. ‘In die voorstelling komt een drietal echt luide, dynamische muziekmomenten voor, waar Sara (Vertongen, red.) heel hard in meegaat. Ook het effect op de zaal is altijd verrassend – zeker als je in klassieke theaterzalen speelt. Kun je een volledige voorstelling maken die zo ruw, dynamisch en gechargeerd is? Hoe lang hou je dat vol? Wat doet het met de spelers? Daar wil ik graag achter komen. En tijdens het gesprek met De Figuranten vonden we dan eindelijk de inhoud die erbij zou kunnen passen.’

(einde fragment)

Luide Muziek from DE FIGURANTEN on Vimeo.

Meer weten? Lees dan het artikel in Staalkaart en/of ga zelf naar de voorstelling kijken, natuurlijk…


‘Op de rand van Nero’s bed’

31/05/2011

Peter Verhelst en Wim Opbrouck

Nero, een monoloog geschreven door Peter Verhelst en gespeeld door Wim Opbrouck, heeft er zijn eerste speelreeks opzitten. Wie hem nog wil zien, moet wachten tot volgend seizoen. Vanaf november toert Nero door Vlaanderen en Nederland. Voor Staalkaart van mei-juli 2011 interviewde ik auteur en acteur.

Decor als dictator

Het decor waar Verhelst zijn keizer Nero in plaatst, wordt bepalend voor de voorstelling. ‘Het decor dicteert veel’, vertelt Wim Opbrouck. ‘Daardoor moeten elk woord en elke handeling bewijzen of ze recht hebben op een plaats in het stuk.’ Peter Verhelst beaamt: ‘Eigenlijk gedraagt het decor zich als een halve dictator die zegt: Nee, sorry, dit kan niet. Als maker moet je er als een riviertje je weg door zien te banen. Dat is ongelooflijk plezant om te doen, want het wordt juist daardoor ook helder. We willen geen gedoe, alles moet klein blijven.’

Klein blijven – dat geldt ook voor het personage Nero. De voorstelling begint wanneer hij een jongetje van vier is en loopt tot het einde van zijn leven. Verhelst: ‘Je ziet Nero in de loop van de monoloog groeien tot keizer, met alles wat daarbij komt kijken. Ik heb ervoor gekozen om geen wilde zot neer te zetten. Je krijgt een jongetje te zien in al zijn breekbaarheid. Hij heeft dromen en is bang. Hij heeft behoefte aan iemand die hem vastpakt. Zijn papa is dood, hij heeft alleen zijn mama en zijn leraar, Seneca, die hem leert hoe hij goed moet leven. En Nero is een ventje dat goed luistert, veel over de dingen nadenkt en op de duur zelf met ideeën begint te komen. Hij zou willen dat alles lief en mooi is en hij drijft die wil tot het uiterste door. Zulke mensen zijn altijd gevaarlijk.’ Die aanpak heeft natuurlijk gevolgen voor de manier van spelen. ‘Wim houdt alles klein en delicaat, waardoor de toeschouwer bij wijze van spreken op de rand van Nero’s bed komt te zitten.’

Als er iets niet relevant is voor zijn stuk, vindt de auteur, is het het loutere monster Nero, dat iedereen in zijn omgeving ombrengt en Rome in brand steekt. Zoals hij bij NTGent op het podium komt, doet de keizer Verhelst erg aan zichzelf denken. ‘Dat is de enige manier waarop het kan werken: je moet het gevoel krijgen dat hij je zoontje kon zijn.’

Het volledige artikel lees je in Staalkaart mei-juli 2011.


‘Herinnering is cruciaal, maar altijd onbetrouwbaar’

29/05/2011

Josse De Pauw herneemt Weg

Dertien jaar na de première herneemt Josse De Pauw zijn succesvoorstelling Weg. Hij speelt ze nog met evenveel plezier als in het begin. Jeugdherinneringen haken er naadloos in filosofische bespiegelingen over leven en dood. Drie muzikanten kleden de monoloog aan met een verrassende soundtrack. ‘De herinneringen aan mijn eigen jeugd in Asse zijn belangrijk geweest voor de tekst. Ik ben vanuit mijn eigen verleden beginnen te schrijven.’

Verwacht geen historische waarheden in Weg. ‘Ik heb de feiten natuurlijk gefictionaliseerd’, legt Josse De Pauw uit. ‘Maar mijn familieleden herkennen wel nog de basisverhalen waaruit de tekst is ontstaan.’ Herinnering en geheugen vormen ook een cruciaal thema in de voorstelling. ‘We zijn opgetrokken uit onze herinneringen. Kijk maar naar mensen die aan geheugenverlies lijden, bijvoorbeeld na een ongeval. In één klap valt (een deel van) je verleden weg. Dat is pure foltering. Waar moet je in zo’n geval nog op steunen? We gommen er trouwens ook onbewust bepaalde stukken uit weg, louter om te overleven.’ Dat alles maakt het geheugen tot een ontzettend boeiende constructie, die je leven grotendeels bepaalt. ‘Herinnering is belangrijk, maar ook altijd onbetrouwbaar’, gaat Josse De Pauw door. Ze raakt immers altijd gekleurd en dus vervormd.’ Ga maar eens na hoezeer de herinnering van twee mensen aan één feit uiteen kunnen lopen… ‘Als die geheugenconstructie solide in elkaar zit, zul je wellicht een vlotter, comfortabeler leven leiden dan wanneer ze wankel is. Mensen die een ongelukkige jeugd hebben gehad, rekenen daar vaak de rest van hun leven mee af.’ Gelukkig heeft De Pauw zelf een heel aangename jeugd gehad, vertelt hij nog. ‘Ik kom uit een stevig gezin, met zes kinderen. Het was een heel gewoon, kleinburgerlijk gezin, waarin wel grote aandacht voor de dingen bestond. We hebben alle zes genoeg van onze ouders meegekregen om elk onze eigen weg te kunnen gaan. De opvoeding was nooit dwingend, we zijn nooit in een specifieke richting gestuurd. Dat zie ik ook bij mijn broers en zussen: we doen allemaal wat we graag willen, en het zijn heel uiteenlopende dingen.’

Fragment uit een artikel verschenen in RandKrant, juni 2011. De versie in de krant kan verschillen van deze.

Speeldata juni: www.kvs.be


Puur

29/01/2011

Lucifer – Theater Zuidpool

Drie acteurs en een handvol gebeeldhouwde engelenfiguren vertellen het eeuwenoude verhaal van de val van de engelen. Ze doen dat in archaïsch Nederlands en op een klein podium, dat niettemin weelderig met rood fluweel omhangen is. De voorstelling treft in zijn puurheid. Puurheid van taal, puurheid van spel, puurheid van beweging. Zuidpool brengt met Lucifer een ode aan de keuzevrijheid en de rebellie tegen onbuigzaam gezag. Maar misschien nog vooral een ode aan de taal en het theater.

Vondels Lucifer beleefde zijn première op 2 februari 1654 in de Amsterdamse schouwburg. De tragedie over de strijd van de engelen en de daarop volgende val van Lucifer kreeg van regisseur Jan Vos een spektakelenscenering waarin de engelen aan katrollen over de scène vlogen en waarin plaats was voor een heus engelenballet. Het publiek reageerde enthousiast. Drie dagen later, echter, na de tweede opvoering, verbood het stadsbestuur het stuk. De calvinistische predikanten – met wie de veertien jaar eerder tot het katholicisme bekeerde Vondel sowieso niet op goede voet leefde – konden naar verluidt niet lachen om de gedurfde vermenging van hemelse en aardse thema’s. Nochtans schuilt net in de herkenbare menselijkheid van de personages het geheim achter het blijvende succes van Lucifer. De engelen worden niet voorgesteld als marionetten van een despotische godheid. Ze beschikken over vrije wil. De aartsengel Lucifer is in die zin de eerste rebel uit de geschiedenis. Wanneer God beslist om zijn nieuwe uitvinding ‘mens’ boven de engelen te plaatsen, pikt Lucifer dat niet zomaar. Hij is jaloers en furieus op die kleien poppetjes die het geluk zomaar in de schoot geworpen krijgen. Ze wonen in een prachtige tuin, zijn even onsterfelijk als de engelen zelf en… ze kunnen zich voortplanten, iets waar de geslachtsloze engelen alleen maar van kunnen dromen. De verstoten lievelingen van God zullen binnen de kortste keren outnumbered worden door de aardworm mens. En wat moet er dan van hen worden? De onttroonde en vernederde engel heeft de keuze. Hij kan zich angstig bij zijn lot neerleggen en wachten op wat komt, of hij kan in opstand komen. Begrip voor de boosaardige verschoppeling Lucifer vormde voor Zuidpool een van de voornaamste drijfveren om Lucifer van onder het stof te halen.

DE SPELER NAAST DE POP
Op de vlakke vloer van het Zuidpooltheater staat een klein, naar achteren toe afhellend podium, omzoomd door rijkelijk plooiend rood fluweel. ‘Het toneel is in den hemel’ – Joost van den Vondel liet in zijn regieaanwijzing ruimte voor interpretatie. Zuidpool creëert met zijn in fluweel gewikkelde eenvoud zowel een verwijzing naar Lucifers theatertraditie als een contrast met die allereerste spektakelopvoering. De engelen zelf zijn stokpoppen, gemaakt door beeldhouwer Frans Heirbaut. Ze zien eruit als antieke beelden uit alle windstreken. Zo lijkt Gabriël weggeplukt uit een middeleeuwse kerk, de typische brave engel zoals we hem ook kennen uit de godsdienstles; de gemaskerde en roodogige Lucifer lijkt opgestaan uit een Egyptische piramide; Belzebub doet denken aan een oude Griekse wijsgeer, maar lijkt ook verdacht veel op Heirbauts beeld van de schilder Fred Bervoets; het monumentale beeld van Michaël is een Oosterse krijger. Stuk voor stuk zien de poppen er uitdrukkingsloos, maar oneindig voornaam uit. Leven krijgen ze van de drie acteurs die hen manipuleren (gastacteur Jan Decleir en vaste Zuidpool-acteurs Sofie Decleir en Koen van Kaam). Een vaste rolverdeling hebben zij niet. De pop beweegt door de speler die op dat moment toevallig vrij is. Hoewel de acteurs werkmanstenues dragen, compleet met gereedschapsgordels, handschoenen en eventueel zelfs een muts, kiezen ze overduidelijk niet de rol van poppenspelers. Ze stellen zich nooit volledig ten dienste van de engel die ze dragen. Ze verbeelden zijn mimiek, zijn woede, zijn angst, en staan zodoende niet achter, maar naast hem. De strijd tussen de engel en de mens gaat ook op het podium door.

HAKKEN IN BALLAST
Zuidpool hakte op Vondels tekst in tot er een stuk van zo’n anderhalf uur overbleef. Maar het schrappen gebeurde wel met het grootste respect voor de alexandrijnen van de zeventiende- eeuwse auteur. Wat sneuvelde, is ballast: de uitweidingen over de hiërarchische structuur in de hemel, een groot deel van de lamenteringen van de engelenreien – alles, kortom, wat zovele generaties heeft doen afhaken wanneer ze Lucifer onvergeeflijk onverteerbaar door de strot geramd kregen op school. Wat overblijft, is de essentie. In de eerste plaats tonen de spelers van Zuidpool een enorm respect voor de taalschoonheid van Vondel. Ze houden van elke letter van de tekst en dat mag geweten zijn. De archaïsche woorden en buigingen vloeien op de meest natuurlijke wijze de zaal in, elke klank wordt liefdevol geproefd en doorgegeven. Een tweede pijler van de voorstelling is het begrip dat ze opbrengen voor Lucifer als de eerste opstandeling uit de geschiedenis, de eerste die het oppergezag in twijfel trekt en ter verantwoording roept. Begrip voor zijn menselijkheid, zijn angst er niet meer toe te doen, zijn machteloosheid en woede ten opzichte van het gezag dat zonder reden, zonder verontschuldiging, met hem solt.

DE DANS VAN MENS EN ENGEL
Beide elementen – taalschoonheid en begrip – vloeien samen in een ontegensprekelijk culminatiepunt tegen het einde van de voorstelling. Jan Decleir als Lucifer verdedigt een laatste keer zijn standpunt. De hele voorstelling lang zag je poppen en spelers in een opmerkelijke evenwichtsoefening, waarbij de spelers nooit helemaal achter hun engelenbeelden verdwenen – de strijd van de engel tegen de mens wordt een paardans tussen de engel die model staat voor de mens en de mens die een engel speelt. In deze scène stopt de dans. Op het ogenblik dat Lucifer voorgoed ten onder dreigt te gaan, komt de speler volledig achter de pop vandaan. Hij verandert in een mens die zijn personage ruggensteunt, hem vol mededogen begeleidt in zijn onvermijdelijke en onrechtvaardige neergang. Tot slot legt de speler de pop helemaal van zich af. Decleir speelt nu zelf Lucifer, vol vuur, vol overtuiging, vol verontwaardiging. Mens en engel vallen samen: de mens neemt het over, dus de grootste angst van de engelen wordt bewaarheid. Tegelijk zet de mens de strijd voort.

Lucifer heeft in de loop van zijn bestaan de meest uiteenlopende interpretaties gekregen van onderzoekers, lezers en theatermakers. Zuidpool prikt de tekst niet vast op één manier van lezen. De strijd van de engelen en de val van Lucifer draaien niet om de Belgische politieke actualiteit, niet om Afghanistan of Irak, niet om de banken- noch de asielcrisis, evenmin wordt de tekst gepresenteerd als een zeventiende-eeuwse politieke allegorie (zoals hij met name in de negentiende eeuw werd gezien). Tegelijk gaat hij over dat alles. Lucifer vertelt bij Zuidpool een universeel verhaal over de mens. Ook zo betoont Zuidpool Vondel alle eer.

Maar is daarmee alles gezegd? Universele verhalen zijn in het theater alomtegenwoordig. Dat maakt deze Lucifer niet uniek. Ook het verhaal is genoegzaam bekend, dus daarmee kan het gezelschap bezwaarlijk verrassen. Wat is het dan dat je raakt en dat ervoor zorgt dat anderhalf uur oubollig Nederlands fris en dringend klinkt als was het gisteren geschreven? Wat maakt dat drie acteurs en hun poppen je vasthouden tot het laatste woord? Veel is te zoeken in de intensiteit en de puurheid van de voorstelling. Zuidpool brengt met de eenvoudigste middelen denkbaar groot vakmanschap tot stand. De taal van Vondel is mooi en puur – een schoonheid die taalliefhebbers doet duizelen. De acteurs van Zuidpool brengen die taal en alle betekenislagen die eronder schuilen in één simpele beweging naar de zaal: de acteur en zijn positie ten opzichte van zijn pop, zijn stem, zijn lichaam, zijn tekst. Meer is het niet. Maar alles staat in een haast perfecte verhouding tot elkaar. Eenvoudig, maar ultra intens. Niets te veel, maar precies daardoor ook niets te weinig.

Gezien op 2 december 2010, Zuidpool, Antwerpen.

Deze tekst kwam tot stand in het kader van Corpus Kunstkritiek, een initiatief van VTi – Vlaams Theater Instituut, met steun van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. www.vti.be/corpuskunstkritiek
De teksten van het Corpus Kunstkritiek vallen onder de licentie Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 2.0 Belgium, wat betekent dat de teksten verspreid, maar niet veranderd mogen worden. Elke vorm van verkoop of betalende distributie is apart te onderhandelen, contacteer VTi.


Divers en boeiend, jong en getalenteerd

24/01/2011

Pleidooi voor jong theater

Jong theater. Je hebt het in evenveel soorten en kleuren als dat van gevestigde waarden. Misschien nog net iets meer, zelfs. In tijden van economisch-culturele crisis lijkt het ons des te belangrijker om opkomend talent in het oog te houden. Niemand weet waar de besparingen het podiumlandschap naartoe zullen drijven. Zetten we koers naar een cultureel braakland? Of zien we het optimistischer en hopen we dat de crisis wordt omgezet in extra creativiteit?

Het afgelopen seizoen zijn verscheidene voorstellingen van jonge makers ons om uiteenlopende redenen opgevallen en bijgebleven. We denken daarbij in de eerste plaats aan Irakese geesten van Mokhallad Rasem.

We denken ook aan Dorp: fijn, klein objectentheater van Annelies Van Hullebusch. Aan Het verjaardagsfeest van FC Bergman: jong geweld dat een nieuw licht werpt op de term repertoiretheater. En zeer zeker aan Steigeisen, het gezelschap dat zich het historisch-documentair theater op intrigerende wijze eigen maakt.

In het lijstje hierboven ontbreken uiteraard veel namen. Twee ervan krijgen alsnog een recensie. Qua intentie, uitwerking en effect hadden ze niet verder uit elkaar kunnen liggen. Ik ben geen racist van fABULEUS is een vrij brave, klassiek vertellende monoloog over een maatschappelijk brandend actueel onderwerp. Kein Applaus für Scheisse van Florentina Holzinger mengt dans, beweging, performance en theaterelementen in een bijzonder gewaagde vorm. Op heel verschillende manieren wisten ze beide iets wezenlijks aan te stippen.

Divers en boeiend, jong en getalenteerd – ons cultuurlandschap bevat een waaier aan jonge makers die het verdienen om kansen te krijgen. Die kansen kunnen zich op verschillende manieren voordoen. In de vorm van geld, van speelplaatsen, van aandacht voor het verrichte werk. Met een bij een pril jaar passend vleugje sentiment wensen we hun die dan ook van harte toe voor 2011, dat ongetwijfeld op meer dan één vlak uitdagend zal worden voor de podiumkunsten.

(Uittreksel uit een artikel, eerder verschenen op Theatermaggezien.net)


Mijn hoogstpersoonlijke theatertop-12 2010

17/01/2011

Naar het schijnt mag je nog heel de maand januari eindejaarswensen versturen en worden die dan niet als te laat bestempeld. Hetzelfde geldt dan voor eindejaarslijstjes, vind ik dan maar – geheel opportunistisch.

Ik heb minder voorstellingen gezien dan ik graag had gewild. Jaren zijn gewoon in te weinig dagen ingedeeld en de dagen hebben sowieso te weinig uren om alles te doen wat ik eigenlijk zou willen. Wie weet ontbreken er enkele ongelooflijk fantastische voorstellingen in mijn top. Ongetwijfeld, zelfs. Maar uit de voorstellingen die ik wel heb gezien, distilleerde ik het volgende lijstje.

1. Irakese geesten, Mokhallad Rasem/Monty

Als het goed is, heb je er zo’n paar per jaar: voorstellingen die de adrenaline doen razen en die op je netvlies gebrand blijven. Irakese geesten is er zo absoluut één.

Irakese geesten biedt veel. Veel betekenissen, veel ingangen, veel perspectieven, veel stijlfiguren, veel lagen, veel, veel, veel. Zoveel dat elke poging tot analyse de voorstelling haast per definitie tekort doet. Maar precies daarom is ze raak. Irakese geesten speelt met ironie en humor, met identificatie en afstand, met vooroordelen, parodie, mokerslagen en ontroering. Mokhallad Rasem zwaait met de vervreemdingsmechanismen van Brecht, maar schuwt evenmin inleving à la Stanislavski, elementen uit het documentaire theater, maskers en zelfs fysiek theater dat doet denken aan Grotowski’s oefeningen. Dat alles overgoten met een flinke geut surrealisme: dat is Irakese geesten, zo ongeveer. In vijf talen en in een hels tempo dat de adrenaline en de angst bij een bomaanval moet evenaren, beukt de voorstelling in op de toeschouwer en laat hem ontredderd achter.

2. Macbeth, Zuidpool

Ook adrenaline, maar dan anders. Het concerttheater Macbeth van het redelijk fantastische Zuidpool laat je theater voelen met klanken, ritme en taalschoonheid. Shakespeare in de eenentwintigste eeuw.

3. Gek van liefde – De Maan

Gek van liefde is een stuk over de liefde van een kleine jongen voor een volwassen vrouw. De groeiende wanhoop van de jongen, die ingegeven wordt door het hopeloze van zijn liefde en de toenemende jaloezie wanneer Anna haar aandacht aan een volwassen rivaal schenkt, komt niet alleen tot zijn recht dankzij het overtuigende, jongensachtige spel van Ward Kerremans. De muziek van Jan Cannaerts onderstreept de toenemende onrust en gewrongenheid van de jongen en de figuren van Paul Contryn dragen erg bij tot de sfeer, de emotionele geladenheid en vooral de esthetische kracht van de voorstelling. De camera ten slotte brengt alle elementen (nog) dichter bij elkaar en dichter bij het publiek. De Maan bereikt in Gek van liefde een uniek evenwicht.

4. Phantasmapolis – Abattoir fermé

Phantasmapolis een voorstelling waarmee Abattoir fermé zijn stempel van esthetisch horrortheater opnieuw alle eer aan doet. Het gezelschap neemt zijn publiek mee in een akelige, zwarte wereld die ruikt naar wierook en waanzin. Hoop en onschuld zijn er ver te zoeken. Humor rijmt er feilloos met dood en ontbinding.

5. Lucifer – Zuidpool

Drie acteurs en een handvol gebeeldhouwde engelenfiguren vertellen het eeuwenoude verhaal van de val van de engelen. Ze doen dat in archaïsch Nederlands en op een klein podium dat niettemin weelderig met rood fluweel omhangen is. De voorstelling treft in zijn puurheid. Puurheid van taal, puurheid van spel, puurheid van beweging. Zuidpool brengt met Lucifer een ode aan de keuzevrijheid en de rebellie tegen onbuigzaam gezag. Maar misschien nog vooral een ode aan de taal en het theater.

6. Prins – Kollektief D&A

Dauphin is een jongen die jarenlang gevangen zat zonder ooit een ander mens te zien. De enige troost haalde hij uit de muziek die hij in de verte hoorde. Op een dag bevrijdt dokter Gachard hem. Dauphin zal een prins worden, de troon bestijgen, het land leiden. Met Prins brengt Kollektief D&A een muzikale en beeldrijke voorstelling over opgroeien en keuzes maken, voor toeschouwers vanaf ongeveer acht jaar.

7. Naast – Braakland/ZheBilding

De toeschouwer verlaat Naast, een locatievoorstelling van Leuvens muziektheater- gezelschap Braakland/ZheBilding, met een gevoel van comfort en veiligheid. Nochtans zijn thema’s als inbreuk op de privacy en voyeurisme aan de orde in het stuk. Niet eens zo onderhuids, zelfs. Luist theatermaakster Sara Vertongen haar publiek erin? Maakt ze het medeplichtig en wentelt de toeschouwer zich daar al te graag in? Of is privacy vandaag een overschat begrip?

Deze Naast (de verhalen die wij zijn) was de Leuvense versie. Dinsdag 18 januari gaat de volledig opnieuw gemaakte Antwerpse Naast (Wish you were here) in première. Heel benieuwd hoe anders/gelijklopend beide versies zullen zijn.

8. Bezette stad – KVS/Ruud Gielens

Human beatbox meets Paul Van Ostaijen. Indrukwekkend.

9. Rail Gourmet – Wunderbaum

Sterke tekst van Annelies Verbeke en een bijzonder overtuigende Wine Dierickx.

10. Zomergasten – tg Stan

Het staat de mens altijd vrij om te kiezen. Zo kun je kiezen voor een politicus, voor een partner, voor jezelf. Het staat de mens vrij om al dan niet voor het leven te kiezen, om het beter te proberen doen dan wat hij rondom zich ziet. Of hij kan zich wentelen in lethargie en de ontevredenheid die daar veelal uit voortkomt. Kiezen voor of tegen het leven. Het is een manier om Maksim Gorki’s Zomergasten te lezen. Toneelspelersgezelschap Stan pepert het er nog eens flink in.

11. Julius Caesar – NTGent/Peter Verhelst

Julius Caesar is het tweede deel uit Peter Verhelsts trilogie over macht en eenzaamheid, na LEX, waarin Alexander de Grote het woord kreeg. Macht, eenzaamheid, discipline, waan en waanzin. En de relatie tussen die begrippen. Het komt allemaal aan bod in Verhelsts poëtische, bezwerende tekst. Van begin tot eind hang je aan de lippen van de Romeinse dictator, terwijl je al dan niet de onderliggende betekenis van zijn woorden tot je laat doordringen. Bovenal gaat deze voorstelling immers over de kracht van de retorica. Een wapen dat elke machthebber tot het zijne maakt.

12. Brooddoos – Bronks

Een grappige, levendige en bij momenten oprecht ontroerende voorstelling die eenvoudige materialen op een inventieve manier samenbrengt tot een muzikaal en ritmisch kloppend, fantasierijk geheel. Hoogtepunt voor de jonge toeschouwers is ongetwijfeld het moment waarop Casie aanzet tot een dansje om nieuwe vrienden te bekoren. Na twee seconden twijfelen, springt heel de zaal recht en doet in zijn enthousiasme de tribune daveren. Deze uitbundige scène is verrassend, en juist in het stuk verweven. Brooddoos is een goed uitgebalanceerde voorstelling die huppelt, springt en danst, maar ook vertraagt op exact de goede momenten.


Flattr this


“Uiteindelijk kon ik niet meer weigeren”

16/01/2011

Met Drie zusters keert actrice Alice Toen terug naar haar roots

Alice Toen stond vijfenvijftig jaar geleden mee aan de wieg van het Mechels Miniatuur Theater (nu: ’t Arsenaal). Met haar rol in Drie zusters keert de actrice terug naar haar roots. ‘Hoewel ik het de laatste tijd zo al erg druk heb, wou ik deze voorstelling toch doen. Na zoveel jaar is het natuurlijk heel speciaal voor mij om nog eens in het vroegere MMT te spelen’, zegt ze.

In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw was het theater niet de meest vanzelfsprekende beroepskeuze. Al helemaal niet voor een meisje. ‘Mijn zus en ik speelden toneel, we zongen en ik speelde daarbij gitaar. We waren verzot op het podium. Maar onze vader vond dat wij talen moesten kennen, en dus studeerden we steno-dactylo Nederlands, Frans, Engels en Duits. Ik heb aan die studie een paar toffe jobs overgehouden. Ik heb nog gewerkt voor het Engelse leger – vertaalwerk, correspondentie, contacten met Belgen in Engeland: heel interessant. Daarna was ik secretaresse voor een scheepvaartmaatschappij in Temse. Ik ging met de patron mee als hij zijn boten ging bezoeken, ook in het buitenland. Het was prachtig, afwisselend werk.’ Maar de theaterkriebel was hardnekkig. Bij Luc Philips volgde Alice Toen een conservatoriumopleiding voor werkende mensen. De lessen en repetities vonden ’s avonds en in het weekend plaats. In 1956 studeerde ze af, een periode waarin het kamertheater volop opkwam als reactie tegen de vastgeroeste en al te hiërarchisch gestructureerde grote theaterhuizen uit die tijd. ‘Met onze klas besloten we ook een theatertje op te richten. We konden terecht in een kleine opslagplaats van brouwerij Lamot’, vertelt de actrice. ‘Boven speelden we, beneden hadden we een café waar we inkomsten uit haalden. Omdat dat eerste zaaltje zo piepklein was – vier meter bij vier – stelde Leo Van Horenbeeck voor om het Mechels Miniatuur Theater te dopen.’ Na een paar jaar volgde Alice Toen Luc Philips op als directeur van het MMT. ‘Och ja’, relativeert ze. ‘Directrice… wat stelt dat voor bij zo’n klein theater? Ik moest vooral de teksten kiezen, vertalingen maken, een beetje zorgen dat ik alles in goede banen leidde. Maar in zekere zin is Michael De Cock, die nu artistiek leider is van ’t Arsenaal, een van mijn opvolgers.’

Toch ging Alice Toen niet onmiddellijk op de rol in. ‘Ik heb het de laatste tijd erg druk’, legt ze uit. ‘Ik speel Madeleine in thuis, een vrouw met Alzheimer. En intussen heb ik al meer dan negentig voorstellingen van mijn monoloog Charlotte gespeeld. (…) Met al die activiteiten op haar programma vond Alice Toen dat ze op haar 86ste eigenlijk voldoende werk had. ‘Ik wierp op dat ik al die verre reisvoorstellingen niet meer zag zitten. Maar Michael De Cock is iemand die zijn zin doordrijft. Hij vond voor al mijn bezwaren een oplossing. Zo neemt Hilde Van haesendonck een aantal van de reisvoorstellingen voor haar rekening en krijg ik logies in Mechelen gedurende de repetitie- en speelperiode in ‘t Arsenaal. Dus uiteindelijk kon ik niet meer weigeren’, lacht ze. ‘Ik ben heel benieuwd, want ik heb nog niet eerder met Michael gewerkt. Hij is iemand met een eigen visie, een eigen manier van werken. Dat zal voor Drie zusters niet anders zijn. En nog eens een Tsjechov spelen is op zich ook al interessant, natuurlijk. Ik heb vroeger in de KVS al eens een voedster gespeeld in Tsjechovs Oom Wanja. In Drie zusters speel ik een vergelijkbare rol, zeker niet de grootste uit het stuk, dus, dat vooral draait om de verzuchtingen van drie zussen die verlangen naar een boeiender leven in de stad, maar die hun illusies één voor één zien verdwijnen.’

Meer lees je in het januari-februarinummer van Staalkaart.

Première 16 februari, ‘t Arsenaal, Mechelen.
www.tarsenaal.be


Een kijkdoos met dans, theater en film

10/01/2011

Bonnie-attempts/pas de deux (Ontspringen die dans) van Sylvie Huysman

Choreografe Sylvie Huysman groeide op in Sint-Pieters-Leeuw. Met haar voorstelling Bonnie-attempts/pas de deux (Ontspringen, die dans) staat ze in CC Westrand in Dilbeek, het centrum waar ze als kind haar allereerste voorstellingen zag. Bonnie-attempts combineert dans, film en theater, wat in de eerste plaats sterke beelden oplevert, maar evengoed plaats laat voor een gezonde dosis absurde humor.

‘De voorstelling is gegroeid uit een solo die ik vorig jaar in kunstencentrum BELGIE heb gemaakt’, vertelt Sylvie Huysman. Met een kleine handcamera in de aanslag maakte ze in haar eentje gekke filmpjes over een meisje met rode schoenen dat niet onderhevig is aan de zwaartekracht. Hetzelfde personage speelt ook in Bonnie-attempts/pas de deux de hoofdrol. Maar in plaats van een solo met twee danseressen creëert Sylvie Huysman nu een pas de deux met vijf. Hoe rijm je zoiets? De choreografe lacht: ‘Hoe het precies in elkaar zit, verklap ik liever niet. Ik kan wel zeggen dat ik wel degelijk vanuit het duet vertrek en daarna werk met het idee van vermenigvuldiging.’

Sylvie Huysman is met ballet begonnen toen ze tien was. ‘Daarvoor volgde ik notenleer aan de academie van Sint-Pieters-Leeuw. Tijdens een recital zag ik de meisjes van de balletles rondspringen met hun roze tutuutjes aan. Dat sprak meer tot mijn verbeelding dan het liedje dat wij met onze klas mochten zingen, dus ben ik overgeschakeld. Op een gegeven ogenblik was ik – heel absurd – mijn grand ecart aan het oefenen met één been hoog tegen de deurstijl. Mijn moeder dacht toen bij zichzelf: Tiens, misschien zit er toch iets meer in. Ik heb toen auditie gedaan bij Les petits rats de Bruxelles en vanaf dat moment was ik niet meer te stoppen.’ Niettemin maakte Sylvie Huysman zich op achttien klaar om een studie Germaanse talen aan te vatten. ‘Maar in de zomer voor ik naar de unief zou trekken, begon de gedachte om elke dag uren stil te zitten me te beklemmen. Ik ben 180 graden gedraaid en heb dans gestudeerd.’

Het volledige artikel lees je in Randkrant, januari 2011.
De voorstelling zie je donderdag 13 januari in Dilbeek, cc Westrand, www.westrand.be.


Een verdacht adjectief – op zoek naar de juiste balans tussen sociaal en artistiek

29/12/2010

De vernissage – MartHa!tentatief
Karamazov – De Figuranten

INES MINTEN

‘Sociaal-artistiek’ theater. De term blijft iets verdachts hebben. Het koppelteken suggereert gelijkwaardigheid tussen beide delen van het woord. Een sociaal-artistieke productie is net zo artistiek als sociaal. Maar klopt dat zomaar? Wordt theater niet altijd verondersteld artistiek te zijn? Dient het pleonasme misschien als camouflage voor een al dan niet misplaatst minderwaardigheidsgevoel? In de praktijk draait het hem om het vinden van een juist evenwicht tussen de twee leden van het adjectief.

Intussen wordt de sociaal-artistieke praktijk al tien jaar erkend door het cultuurbeleid, en heeft dit veld voortaan zelfs een eigen festival: het allereerste Enterfestival vond van 10 tot 14 november 2010 plaats in Brugge. Er beweegt dus heel wat. Dat is ongetwijfeld mee de verdienste van een aantal producties die dat heikele evenwicht tussen sociaal en artistiek behoorlijk goed hebben weten te vinden. Toch blijft sociaal-artistiek theater vaak het verwaarloosde broertje van het theater-dat-het-redt-zonder-expliciterend-adjectief: het Theater waarvan men het artistieke gehalte nooit in vraag stelt. Sociaal theater, daar zou toch geen hond naar willen kijken? Maar ook mét de toevoeging ‘artistiek’ hebben veel van dergelijke projecten het moeilijk om een regulier theaterpubliek te bereiken, terwijl het doorgaans wel beoogt om uit de cirkel van vrienden, kennissen en sympathisanten te breken. Alleen mankeert nog de reputatie. De titel ‘sociaal-artistiek’ wordt dubieus bevonden. Men wil het echte werk zien. Echte acteurs. Professionals. Die vooroordelen zijn niet altijd onterecht. Een maker moet uit het juiste hout gesneden zijn om met verre van professionele acteurs – vaak mensen met een problematisch privéleven – een kwaliteitsvol artistiek product te maken. Soms mislukt dat grandioos, met een vervelende tot ronduit gênante kijkervaring als resultaat. Producties die de gelijkwaardigheid in hun adjectief bereiken, zetten voluit in op de sterke punten van hun spelers en laten de minder overtuigende spelkwaliteiten in de schaduw. In het beste geval maken ze hun adjectief overbodig.

KIJKEN NAAR, NIET NAAST

De vernissage, een samenwerking van het theatercollectief MartHa!tentatief en enkele lokale sociale partners, kun je onderbrengen onder de noemer van ‘het betere sociaal-artistieke werk’. Bart Van Nuffelen en co deden interviews met de mensen die dag in dag uit rondhangen op het beruchte Antwerpse De Coninck-plein: straatbewoners, (ex-)drugs- en alcoholverslaafden, personen die niet goed weten waar naartoe en hun leven dus maar een tijdje op het plein parkeren. Drie maanden hebben de ‘mensen van het plein’ allerhande workshops gevolgd en kunstwerken gemaakt. De vernissage uit de titel slaat onder meer op de tentoonstelling van die werken, een prelude tot de voorstelling. Op basis van alle verhalen die Van Nuffelen intussen verzamelde, schreef hij een nieuw geheel. Het is een beproefde en verdedigbare manier van werken. Van Nuffelen is dicht bij de realiteit van zijn spelers gebleven. Hij vertelt een sociaal verhaal, hun verhaal, dat de stem van Gert Jochems door koptelefoons in de oren van de toeschouwers giet. Toch krijgen de pleinbewoners een prominente rol in de uitvoering. Ze zijn allen mee aanwezig, helpen de avond in goede banen leiden, rollen en slepen met decorstukken, illustreren live hun eigen of elkaars verhaal. Voor één keer kijkt het publiek naar en niet naast de mensen van het plein. Sociaal opzet geslaagd. En door de pleinbewoners te laten doen wat ze konden en niet meer van hen te vragen dan dat, heeft MartHa!tentatief tegelijk zijn professionele kwaliteit bewaakt. Artistiek opzet net zo geslaagd.

ZAPPEN DOOR DOSTOJEVSKI
De voorstelling Karamazov van De Figuranten zet het sociaal-artistieke adjectief op een andere manier in praktijk om. Hier slaat de sociale poot niet op de inhoud, noch dient het artistieke als schaamlap voor het eerste deel van het woord. Bij deze voorstelling is het uitgangspunt sociaal, het resultaat echter, is puur artistiek. De Figuranten is een sociaal-artistiek gezelschap uit Menen, de West-Vlaamse grensstad met een hoger percentage historisch gegroeide kansarmoede dan het Vlaamse gemiddelde. De Figuranten werken al tien jaar met hun doelgroep en wisten zich met hun producties al meer dan eens in de kijker te plaatsen. Karamazov is een project van gastregisseur Ivan Vrambout. Veel meer dan het MartHa!tentatief zet hij zijn spelers in als spelers. Gewaagd, maar met resultaat. De Figuranten zetten een opmerkelijke bewerking neer van De broers Karamazov. Een kleine duizend pagina’s had Fjodor Dostojevski nodig om het relaas van het ontwrichte gezin Karamazov te vertellen. Hij stapelt verhaal op verhaal, uitweiding op uitweiding, personage op personage. Genadeloos fileren De Figuranten die dikke Dostojevski nu, tot er niet meer overblijft dan dat wat de makers en spelers als de essentie beschouwen. Hun essentie, welteverstaan. Die geven ze weer in zo’n 45 minuten uiterst gebald theater, met of zonder adjectief. Acht personages en achttien korte scènes. Meer hebben ze niet nodig om recht in het hart van de roman te priemen.

Wanneer, pakweg, Guy Cassiers een literaire klepper ensceneert (we noemen lukraak: Onder de vulkaan van Malcolm Lowry of De man zonder eigenschappen van Robert Musil), dan is de eerste opdracht voor de acteurs: ‘lees het boek’. Komt Ivan Vrambout met zo’n vraag bij zijn spelers, dan lachen ze hem onomwonden het podium af. De Figuranten vragen een andere benadering. Toch twijfelde Vrambout geen seconde aan de geschiktheid van het materiaal. Hij vond in het boek een aantal thema’s waarvan hij de relevantie voor een sociaal-artistiek project hoog achtte: eergevoel, het recht om het lot in eigen handen te nemen, de zoektocht naar en het recht op vrijheid, het geloof, de schuld… Al die thema’s komen aan bod in de zoektocht van de personages naar hun eigen positionering tegenover de bullebak in vader Karamazov (een sterke vertolking van Mathieu Tierrie). ‘Pjotr Karamazov leeft zonder enige zelfkritiek en met de nodige wil tot provocatie. De zonen en de hele entourage zoeken een antwoord op zijn gedrag’, zegt Vrambout. Een belangrijke spil in die zoektocht is zoon Ivan (Karel Vanaudenaerde). Hij heeft gestudeerd en zijn atheïstisch-filosofische theorieën hebben grote invloed op de rest van de familie. ‘O de mensen niet by machte zyn vo elkander te beoordelen, en o er geen God es, ton es olles veroorloofd’, luidt er de gevulgariseerde versie van. Alosja (Patrick Van Kerckhove) zet zich tegen de filosofie van zijn broer af door zijn heil te zoeken in religie. De meeste anderen incorporeren Ivans theorie, maar zetten ze wel naar hun hand. Voor de knecht annex bastaardzoon (Olivier Dewiest) is het simpel: alles is geoorloofd, zelfs moord. Punt. Dimitri (Pieter Vanaudenaerde) oreert dan weer dat je provocatie mag tegengaan met geweld. Het immorele karakter van zijn vader haalt hij aan als extra excuus. Groesjenka, de vriendin van de vader die het tevens aanlegt met Dimitri (Tamara Seynhaeve), bepleit een radicale vrijheid van meningsuiting. Het bizarre personage Muis (compleet met muizenkostuum) besluit het pand te verlaten: ze heeft al te veel gezien en is van mening dat je confrontaties sowieso het best uit de weg gaat. Ivan zelf krijgt het laatste woord. Maar in plaats van oplossingen te bieden, zoals iedereen dat van hem verwacht, laat hij als een ware filosoof de antwoorden in het midden. ‘Wuk doe je nu met (…) zo’ne provocateur. Neerslaan? Zouden we em neerslaan? Nere knallen?’ Hij richt zijn slotmonoloog rechtstreeks naar het publiek. Iedereen moet zichzelf naar eer en geweten een mening vormen.

De eigenlijke thema’s waren voor Vrambout de belangrijkste aanleiding om met De Karamazovs aan de slag te gaan. ‘Ik ben van mening dat een regisseur het best zelf een inhoud meeneemt in het werkproces’, zegt hij. ‘Op die manier kunnen spelers binnen een sociaal-artistieke organisatie zich volledig engageren in het spel, waarin ze als speler en als persoon kunnen evolueren.’ Vier maanden lang hebben makers en spelers rond Dostojevski’s roman samengewerkt. Spelend en improviserend tastten ze de thema’s af. ‘Op zo’n verkennende manier kiezen we de personages. Nadien spelen we enkele scènes en interview ik de spelers over de thema’s die relevant zijn voor hun personage.’ Met al die informatie in het achterhoofd begon Ivan Vrambout vervolgens te schrijven. De spelers zetten de tekst van Vrambout nadien weer om in eigen woorden, hun eigen dialect. Dankzij de naturel die ze op die manier bereiken, loopt de voorstelling nergens in de val van stuntelig, amateuristisch spel. Hoewel de uit de roman gedistilleerde thema’s aansluiten bij wat de spelers in het dagelijks leven belangrijk vinden, zit het sociale luik in deze voorstelling nergens het artistieke in de weg. Het resultaat van deze manier van werken is een spitse, snelle en brutale bewerking die erin slaagt om dicht
bij de geest van Dostojevski te blijven en de spelers toch dicht op de huid te zitten. Karamazov biedt een scherpe, zij het ontzettend uitgezuiverde eenentwintigste-eeuwse blik op Dostojevski’s materiaal. Theater zoals Karamazov heeft geen adjectieven nodig. De voorstelling is onverdacht en evenwichtig artistiek, met een gezonde sociale reflex als uitgangspunt.

Het woord sociaal-artistiek zal zijn dubieuze connotatie misschien nooit volledig kwijtraken. Je kunt dat jammer vinden voor producties die een betere reputatie verdienen. Maar je kunt het ook anders zien. Zolang gezelschappen door de term uitgedaagd worden en er nieuwe en boeiende invullingen aan weten te geven, kan hij het theaterlandschap ook net verrijken. Die groepen mogen hun adjectief dragen als een geuzennaam.

De vernissage, gezien op 14 april 2010 op locatie in Antwerpen. Karamazov, gezien op 20 juni 2010 in CC De Steiger, Menen.

Deze tekst kwam tot stand in het kader van Corpus Kunstkritiek, een initiatief van VTi – Vlaams Theater Instituut, met steun van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. www.vti.be/corpuskunstkritiek

De teksten van het Corpus Kunstkritiek vallen onder de licentie Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 2.0 Belgium, wat betekent dat de teksten verspreid, maar niet veranderd mogen worden. Elke vorm van verkoop of betalende distributie is apart te onderhandelen, contacteer VTi.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 462 other followers