Een verdacht adjectief – op zoek naar de juiste balans tussen sociaal en artistiek

29/12/2010

De vernissage – MartHa!tentatief
Karamazov – De Figuranten

INES MINTEN

‘Sociaal-artistiek’ theater. De term blijft iets verdachts hebben. Het koppelteken suggereert gelijkwaardigheid tussen beide delen van het woord. Een sociaal-artistieke productie is net zo artistiek als sociaal. Maar klopt dat zomaar? Wordt theater niet altijd verondersteld artistiek te zijn? Dient het pleonasme misschien als camouflage voor een al dan niet misplaatst minderwaardigheidsgevoel? In de praktijk draait het hem om het vinden van een juist evenwicht tussen de twee leden van het adjectief.

Intussen wordt de sociaal-artistieke praktijk al tien jaar erkend door het cultuurbeleid, en heeft dit veld voortaan zelfs een eigen festival: het allereerste Enterfestival vond van 10 tot 14 november 2010 plaats in Brugge. Er beweegt dus heel wat. Dat is ongetwijfeld mee de verdienste van een aantal producties die dat heikele evenwicht tussen sociaal en artistiek behoorlijk goed hebben weten te vinden. Toch blijft sociaal-artistiek theater vaak het verwaarloosde broertje van het theater-dat-het-redt-zonder-expliciterend-adjectief: het Theater waarvan men het artistieke gehalte nooit in vraag stelt. Sociaal theater, daar zou toch geen hond naar willen kijken? Maar ook mét de toevoeging ‘artistiek’ hebben veel van dergelijke projecten het moeilijk om een regulier theaterpubliek te bereiken, terwijl het doorgaans wel beoogt om uit de cirkel van vrienden, kennissen en sympathisanten te breken. Alleen mankeert nog de reputatie. De titel ‘sociaal-artistiek’ wordt dubieus bevonden. Men wil het echte werk zien. Echte acteurs. Professionals. Die vooroordelen zijn niet altijd onterecht. Een maker moet uit het juiste hout gesneden zijn om met verre van professionele acteurs – vaak mensen met een problematisch privéleven – een kwaliteitsvol artistiek product te maken. Soms mislukt dat grandioos, met een vervelende tot ronduit gênante kijkervaring als resultaat. Producties die de gelijkwaardigheid in hun adjectief bereiken, zetten voluit in op de sterke punten van hun spelers en laten de minder overtuigende spelkwaliteiten in de schaduw. In het beste geval maken ze hun adjectief overbodig.

KIJKEN NAAR, NIET NAAST

De vernissage, een samenwerking van het theatercollectief MartHa!tentatief en enkele lokale sociale partners, kun je onderbrengen onder de noemer van ‘het betere sociaal-artistieke werk’. Bart Van Nuffelen en co deden interviews met de mensen die dag in dag uit rondhangen op het beruchte Antwerpse De Coninck-plein: straatbewoners, (ex-)drugs- en alcoholverslaafden, personen die niet goed weten waar naartoe en hun leven dus maar een tijdje op het plein parkeren. Drie maanden hebben de ‘mensen van het plein’ allerhande workshops gevolgd en kunstwerken gemaakt. De vernissage uit de titel slaat onder meer op de tentoonstelling van die werken, een prelude tot de voorstelling. Op basis van alle verhalen die Van Nuffelen intussen verzamelde, schreef hij een nieuw geheel. Het is een beproefde en verdedigbare manier van werken. Van Nuffelen is dicht bij de realiteit van zijn spelers gebleven. Hij vertelt een sociaal verhaal, hun verhaal, dat de stem van Gert Jochems door koptelefoons in de oren van de toeschouwers giet. Toch krijgen de pleinbewoners een prominente rol in de uitvoering. Ze zijn allen mee aanwezig, helpen de avond in goede banen leiden, rollen en slepen met decorstukken, illustreren live hun eigen of elkaars verhaal. Voor één keer kijkt het publiek naar en niet naast de mensen van het plein. Sociaal opzet geslaagd. En door de pleinbewoners te laten doen wat ze konden en niet meer van hen te vragen dan dat, heeft MartHa!tentatief tegelijk zijn professionele kwaliteit bewaakt. Artistiek opzet net zo geslaagd.

ZAPPEN DOOR DOSTOJEVSKI
De voorstelling Karamazov van De Figuranten zet het sociaal-artistieke adjectief op een andere manier in praktijk om. Hier slaat de sociale poot niet op de inhoud, noch dient het artistieke als schaamlap voor het eerste deel van het woord. Bij deze voorstelling is het uitgangspunt sociaal, het resultaat echter, is puur artistiek. De Figuranten is een sociaal-artistiek gezelschap uit Menen, de West-Vlaamse grensstad met een hoger percentage historisch gegroeide kansarmoede dan het Vlaamse gemiddelde. De Figuranten werken al tien jaar met hun doelgroep en wisten zich met hun producties al meer dan eens in de kijker te plaatsen. Karamazov is een project van gastregisseur Ivan Vrambout. Veel meer dan het MartHa!tentatief zet hij zijn spelers in als spelers. Gewaagd, maar met resultaat. De Figuranten zetten een opmerkelijke bewerking neer van De broers Karamazov. Een kleine duizend pagina’s had Fjodor Dostojevski nodig om het relaas van het ontwrichte gezin Karamazov te vertellen. Hij stapelt verhaal op verhaal, uitweiding op uitweiding, personage op personage. Genadeloos fileren De Figuranten die dikke Dostojevski nu, tot er niet meer overblijft dan dat wat de makers en spelers als de essentie beschouwen. Hun essentie, welteverstaan. Die geven ze weer in zo’n 45 minuten uiterst gebald theater, met of zonder adjectief. Acht personages en achttien korte scènes. Meer hebben ze niet nodig om recht in het hart van de roman te priemen.

Wanneer, pakweg, Guy Cassiers een literaire klepper ensceneert (we noemen lukraak: Onder de vulkaan van Malcolm Lowry of De man zonder eigenschappen van Robert Musil), dan is de eerste opdracht voor de acteurs: ‘lees het boek’. Komt Ivan Vrambout met zo’n vraag bij zijn spelers, dan lachen ze hem onomwonden het podium af. De Figuranten vragen een andere benadering. Toch twijfelde Vrambout geen seconde aan de geschiktheid van het materiaal. Hij vond in het boek een aantal thema’s waarvan hij de relevantie voor een sociaal-artistiek project hoog achtte: eergevoel, het recht om het lot in eigen handen te nemen, de zoektocht naar en het recht op vrijheid, het geloof, de schuld… Al die thema’s komen aan bod in de zoektocht van de personages naar hun eigen positionering tegenover de bullebak in vader Karamazov (een sterke vertolking van Mathieu Tierrie). ‘Pjotr Karamazov leeft zonder enige zelfkritiek en met de nodige wil tot provocatie. De zonen en de hele entourage zoeken een antwoord op zijn gedrag’, zegt Vrambout. Een belangrijke spil in die zoektocht is zoon Ivan (Karel Vanaudenaerde). Hij heeft gestudeerd en zijn atheïstisch-filosofische theorieën hebben grote invloed op de rest van de familie. ‘O de mensen niet by machte zyn vo elkander te beoordelen, en o er geen God es, ton es olles veroorloofd’, luidt er de gevulgariseerde versie van. Alosja (Patrick Van Kerckhove) zet zich tegen de filosofie van zijn broer af door zijn heil te zoeken in religie. De meeste anderen incorporeren Ivans theorie, maar zetten ze wel naar hun hand. Voor de knecht annex bastaardzoon (Olivier Dewiest) is het simpel: alles is geoorloofd, zelfs moord. Punt. Dimitri (Pieter Vanaudenaerde) oreert dan weer dat je provocatie mag tegengaan met geweld. Het immorele karakter van zijn vader haalt hij aan als extra excuus. Groesjenka, de vriendin van de vader die het tevens aanlegt met Dimitri (Tamara Seynhaeve), bepleit een radicale vrijheid van meningsuiting. Het bizarre personage Muis (compleet met muizenkostuum) besluit het pand te verlaten: ze heeft al te veel gezien en is van mening dat je confrontaties sowieso het best uit de weg gaat. Ivan zelf krijgt het laatste woord. Maar in plaats van oplossingen te bieden, zoals iedereen dat van hem verwacht, laat hij als een ware filosoof de antwoorden in het midden. ‘Wuk doe je nu met (…) zo’ne provocateur. Neerslaan? Zouden we em neerslaan? Nere knallen?’ Hij richt zijn slotmonoloog rechtstreeks naar het publiek. Iedereen moet zichzelf naar eer en geweten een mening vormen.

De eigenlijke thema’s waren voor Vrambout de belangrijkste aanleiding om met De Karamazovs aan de slag te gaan. ‘Ik ben van mening dat een regisseur het best zelf een inhoud meeneemt in het werkproces’, zegt hij. ‘Op die manier kunnen spelers binnen een sociaal-artistieke organisatie zich volledig engageren in het spel, waarin ze als speler en als persoon kunnen evolueren.’ Vier maanden lang hebben makers en spelers rond Dostojevski’s roman samengewerkt. Spelend en improviserend tastten ze de thema’s af. ‘Op zo’n verkennende manier kiezen we de personages. Nadien spelen we enkele scènes en interview ik de spelers over de thema’s die relevant zijn voor hun personage.’ Met al die informatie in het achterhoofd begon Ivan Vrambout vervolgens te schrijven. De spelers zetten de tekst van Vrambout nadien weer om in eigen woorden, hun eigen dialect. Dankzij de naturel die ze op die manier bereiken, loopt de voorstelling nergens in de val van stuntelig, amateuristisch spel. Hoewel de uit de roman gedistilleerde thema’s aansluiten bij wat de spelers in het dagelijks leven belangrijk vinden, zit het sociale luik in deze voorstelling nergens het artistieke in de weg. Het resultaat van deze manier van werken is een spitse, snelle en brutale bewerking die erin slaagt om dicht
bij de geest van Dostojevski te blijven en de spelers toch dicht op de huid te zitten. Karamazov biedt een scherpe, zij het ontzettend uitgezuiverde eenentwintigste-eeuwse blik op Dostojevski’s materiaal. Theater zoals Karamazov heeft geen adjectieven nodig. De voorstelling is onverdacht en evenwichtig artistiek, met een gezonde sociale reflex als uitgangspunt.

Het woord sociaal-artistiek zal zijn dubieuze connotatie misschien nooit volledig kwijtraken. Je kunt dat jammer vinden voor producties die een betere reputatie verdienen. Maar je kunt het ook anders zien. Zolang gezelschappen door de term uitgedaagd worden en er nieuwe en boeiende invullingen aan weten te geven, kan hij het theaterlandschap ook net verrijken. Die groepen mogen hun adjectief dragen als een geuzennaam.

De vernissage, gezien op 14 april 2010 op locatie in Antwerpen. Karamazov, gezien op 20 juni 2010 in CC De Steiger, Menen.

Deze tekst kwam tot stand in het kader van Corpus Kunstkritiek, een initiatief van VTi – Vlaams Theater Instituut, met steun van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. www.vti.be/corpuskunstkritiek

De teksten van het Corpus Kunstkritiek vallen onder de licentie Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 2.0 Belgium, wat betekent dat de teksten verspreid, maar niet veranderd mogen worden. Elke vorm van verkoop of betalende distributie is apart te onderhandelen, contacteer VTi.


‘Variété met dansende poppen’

06/12/2010

Stukken van mensen van Ultima Thule

Figurentheater Ultima Thule tourt opnieuw met Stukken van mensen. De voorstelling vertelt verhalen over eenvoudige mensen die vat proberen te krijgen op hun eigen bestaan, maar daar niet of nauwelijks in slagen. ‘Ze kijken verwonderd naar de wereld en slaan in paniek als daar ook maar één schakel in verandert’, zegt Wim De Wulf, auteur en regisseur van het stuk.

‘De personages uit Stukken van mensen hanteren een kromme logica die ik heel mooi vind’, legt Wim De Wulf uit. ‘Er schuilt een soort tragiek in al wat ze doen en zeggen.’ Een tragische voorstelling is het nochtans niet. De Wulf baseerde zich op de sketches van Karl Valentin, een Duitse cabaretier die vooral in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw veel succes kende. De auteur-regisseur kwam met het materiaal in contact in het begin van de jaren tachtig, toen hij met het gezelschap Mannen van den Dam een Valentin-voorstelling maakte. ‘We hebben dat stuk 120 keer gespeeld en ik heb me er toen ongelooflijk mee geamuseerd. De liefde voor Valentins groteske humor ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Omdat we met Ultima Thule vaak de poëtische kant opgaan, vond ik een variétéstuk een leuke afwisseling. Variété met poppen die aan het dansen slaan, zie je ook niet elke dag.’

De rest van het artikel lees je in RandKrant van december 2010.
De speellijst van Stukken van mensen vind je op www.ultima-thule.be


Flattr this


‘Een goede voorstelling maak je nooit helemaal alleen’

20/11/2010

Günther Lesage over de hernemingen van zijn monoloog Force majeur

Wat stuurt het leven? Het toeval of het lot? Deze en andere existentiële vragen liggen aan de basis van Force Majeure, een monoloog van Günther Lesage (Lazarus). ‘Ik ben er nog altijd niet uit of ik nu meer in het toeval of meer in voorbestemdheid geloof’, vertelt hij. ‘Volgens mij gaat het om een combinatie. De dingen gebeuren niet zomaar, maar veel komt wel voort uit de keuzes die we maken.’

Een jongeman moet met zijn dochtertje van twee naar de dokter. De fietstocht wordt een hindernissenparcours die de perfecte aanleiding blijkt om allerhande Grote Vragen door zijn hoofd te laten tollen. Vragen waar hij overigens ook het publiek mee opzadelt: wat bent u van plan nog verder aan te vangen met uw kostbare tijd? Op welke manier wilt u bijdragen aan uw eigen onsterfelijkheid? Uzelf laten ombouwen tot Pamela Anderson? Zich inschrijven voor een realitydocusoap? De wereld vernietigen? Eindelijk werk maken van een nageslacht? Bepaalde individuen het leven zuur maken? Een uitvinding bedenken tegen sterfelijkheid?

In een boekhandel in Amsterdam vond Günther Lesage bij toeval de theatertekst Turcaret van de Franse auteur Alain René Lesage. De man intrigeerde hem onmiddellijk. ‘Niet alleen is hij een naamgenoot, hij bleek gestorven te zijn op een zeventiende november, mijn verjaardag.’ Hij zocht uit wie de auteur precies was en bombardeerde hem tot een van de voornaamste inspiratiebronnen voor Force majeure. Ook onder anderen Luis Buñuel, Bill Bryson, Herman Brusselmans en de absurdistische schrijver Daniil Charms leverden stof tot denken. Günther Lesage: ‘Op basis van al dat materiaal één tekst maken, is het moeilijkste onderdeel van het proces. Het was niet de eerste keer dat ik in mijn eentje een theatertekst heb gemaakt, maar wel voor het eerst dat ik vertrok vanaf nul, want mijn vroegere stukken waren bewerkingen van bestaande teksten. Voor Force majeure heb ik me 3,5 maand opgesloten met een grote doos boeken en films, en een gitaar ter ontspanning. Ik legde mezelf echt de discipline op om elke dag buitenshuis te gaan denken en schrijven en schrappen. Af en toe kwamen mijn kompanen van Lazarus (Pieter Genard, Joris Van den Brande, Ryszard Turbiasz en Koen De Graeve) bij me langs om te luisteren naar wat ik al had en commentaar te geven. Ik geloof er niet in dat je een goede voorstelling helemaal alleen kunt maken. Je moet wat je schrijft voortdurend toetsen bij anderen.’

Force majeure beleefde zijn première in 2007, maar dit seizoen herneemt Günther Lesage de monoloog. De speellijst vind je hier.

Fragmenten uit deze blogpost heb ik eerder gepubliceerd in Uitgekamd, de krant van gc de Kam in Wezembeek-Oppem.


Flattr this


‘Lucifer is een herkenbaar en menselijk personage’

11/11/2010

Lucifer van Vondel geniet anno 2010 een erg dubbelzinnige reputatie. Je hebt generaties die het zeventiende-eeuwse meesterwerk op school lijdzaam hebben ondergaan, het op onvergeeflijke zeurtoon kapot hebben weten analyseren, en er bijgevolg een blijvende afkeer van hebben. Dan heb je de gelukzakken. Mensen die er dankzij een bevlogen docent, een rake theaterbewerking of puur toeval door bezeten zijn geraakt en niet uitgesproken raken over de taalschoonheid en de fascinerende thema’s en personages. Jan en Sofie Decleir en de voltallige equipe van Theater Zuidpool horen tot de laatste groep. Op 2 december gaat hun bewerking van Lucifer in première.’

Zo leest mijn inleiding bij het interview met beide Decleirs dat ik voor het cultuurblad Staalkaart schreef. Ook ikzelf hoor bij degenen die een blijvende fascinatie voor Vondel en zijn Lucifer hebben ontwikkeld. Ik heb die te danken aan het theater. Als tiener namen mijn ouders me geregeld mee naar de schouwburgen van Hasselt, Tongeren, Sint-Truiden en Leuven. Ik herinner me dat ik een bewerking van Lucifer in een van de programmaboekjes zag staan. Vraag me niet van welk gezelschap die was – in die tijd lette ik daar nog niet zo op – maar het moet dus ergens in de jaren negentig geweest zijn, het gezelschap kwam uit Nederland, ze hanteerden de oorspronkelijke zeventiende-eeuwse taal, en het decor werd overheerst door plastic. Ongetwijfeld heb ik niet elk woord gesnapt, maar ik weet dat ik die voorstelling AB-SO-LUUT in het familie-abonnement wou hebben (ik moet er dus eerder ergens iets over hebben gehoord) en ik weet dat ik compleet gebiologeerd was door de uitvoering.

Toen ik vernam dat Zuidpool Vondel onder handen zou nemen, heb ik Lieven De Laet, hoofdredacteur van Staalkaart, dan ook onmiddellijk heel vriendelijk gevraagd of het volgende nummer van zijn blad plaats had voor een artikel erover. En het kon.

Nog een klein stukje over Sofie en Jan Decleirs band met het werk (voor de rest zul je Staalkaart #7, november-december 2010, moeten aanschaffen):

‘Ik heb Vondel nooit gekregen op school’, vertelt Sofie Decleir. ‘De eerste keer dat ik met de Lucifer in aanraking kwam, was toen ik de eerstejaars van Studio Herman Teirlinck ermee aan de slag zag, onder het bewind van papa. Zelf was ik toen al afgestudeerd. Ik was onmiddellijk door het werk geboeid en vond het raar dat het nooit eerder mijn pad had gekruist. Maar ik kan me wel inbeelden dat het een ander verhaal is als je het in je tienerjaren als verplichte kost voorgeschoteld krijgt.’
Jan Decleir: ‘Ik heb een zus die niets met theater te maken heeft – ze zit in de cijfers – en die hele lappen Lucifer uit het hoofd kent. Ze vindt het echt een fantastische tekst. Ik denk dat inderdaad veel afhangt van de manier waarop je zoiets onderwezen krijgt. Waarschijnlijk heeft zij ooit zo’n bevlogen lerares gehad. Het is in elk geval altijd blijven hangen bij haar. Ik heb Lucifer zelf nog gedaan op school. En later, als docent, is het me bijna altijd gelukt om die jonge gasten er verliefd op te laten worden. Vondels taal is bezwerend en beroerend. Je kunt er echt in zwelgen. Nu moeten wij er straks wel een voorstelling van maken, natuurlijk, dus we moeten daar dan niet liggen kronkelen van genoegen en van zie ons hier eens bezig. Het moet meer zijn dan taalschoonheid alleen.’
Sofie Decleir: ‘Voor Zuidpool lijkt Lucifer me een vrij logische stap. In het parcours dat wij afleggen (als je al van een parcours kunt spreken) neemt taal steeds meer bezit van ons. En dan kom je op een gegeven ogenblik vanzelf uit bij Vondel.’

www.zuidpool.be


Flattr this


De mens als brooddoos

06/10/2010

Een mens is een brooddoos waar elke dag iets anders inzit. Een brooddoos die honger kan stillen. Een doos die leeg kan achterblijven. Dat is het originele idee achter – jawel – Brooddoos, een theatervoorstelling voor 5+. Janne Desmet speelt, Dimitri Leue schrijft en regisseert. De muziek komt uit alles, behalve uit conventionele instrumenten, en de overige personages zijn grote, kartonnen figuren.

Brooddoos is een goed uitgebalanceerde voorstelling die huppelt, springt en danst, maar ook vertraagt op exact de goede momenten.

www.bronks.be

Lees de hele recensie hier.


NTGent zingt – een geslaagde oefening in teambuilding

05/10/2010

“NTGent opent zijn nieuwe seizoen met een knal. Aida* is een statement van formaat om de nieuwe koers van het gezelschap onder artistieke leiding van Wim Opbrouck in te luiden. Het Gentse stadstheater profileert zich voortaan als een ‘huis van spelers’ en trekt met Aida* de mentaliteit van de horizontale, niet-hiërarchische structuur radicaal door.

De spelers van NTGent willen hun schouwburg – nu ze eindelijk echt helemaal van hen is en van hen alleen – inzingen. Ze doen het vol overtuiging en overgave, in heel het gebouw (ze zingen niet alleen in de zaal, maar ook vanuit de gangen) en slepen en passant de boekhouding, de schoonmaakploeg en alle toeschouwers in hun enthousiasme mee. Een nooit gezien staaltje teambuilding.”

(c) Phile Deprez

Lees de hele recensie, inclusief iets over de addertjes onder het plezante gras, hier.

Aida* speelt nog tot en met 11 oktober in NTGent.

www.ntgent.be

Elders over Aida*:

Recensie van Geert Van der Speeten in De Standaard
Recensie van Jan-Jacob Delanoye op Cutting Edge
Recensie van Guido Lauwaert op Knack.be
Aida* op Terzake


‘Wij zijn twee zotte dozen’

05/10/2010

Nele Bauwens en Maaike Cafmeyer in Wat heeft u belet te komen?

“Met een grabbelton vol ideeën gingen Maaike Cafmeyer en Nele Bauwens aan de slag. Bijgestaan door regisseur Stef De Paepe kwam uit alle brainstormsessies, schrijfaanvallen, leeswoedes en kortstondige paniekaanvallen het wervelende, humoristische en muzikale Wat heeft u belet te komen? te voorschijn.”

(c) Filip Claessens

Maaike Cafmeyer en Nele Bauwens hebben het startschot voor hun tournee gegeven. Ik interviewde hen een tijdje terug over de ideeën achter de voorstelling, hun inspiratiebronnen en het verloop van het repetitieproces. Het artikel staat in het oktobernummer van Randkrant (je kunt de pdf downloaden).

Een fragment:

‘De fase waarin je nog niet moet denken, maar alleen sprokkelt en allerlei ingevingen opstapelt, vind ik de leukste’, zegt Maaike Cafmeyer. ‘Maar opeens sta je dan voor die enorme berg en vrees je dat het nooit zal lukken. Ik heb momenten van ultieme paniek beleefd, maar gek genoeg heb ik er wel altijd op vertrouwd dat alles op zijn poten zou vallen.’
Een boek dat een belangrijke rol heeft gekregen in de uiteindelijke tekst is Gek van liefde, waarin seksuoloog Wilfried Van Craen de grenzen aftast tussen gezonde en obsessionele liefde. ‘Wat ik er vooral uit heb onthouden, is dat we het woord normaal uit het woordenboek mogen schrappen. Een zogenaamd normaal mens is nog altijd zo zot als een achterdeur. Ik vond het prettig om vast te stellen dat het bij mij nog zo erg niet is’, lacht Maaike Cafmeyer. Nele Bauwens: ‘Ik zou het fijn vinden als de voorstelling mensen aanzet om na te gaan hoe het met henzelf gesteld is. Herkennen ze zich in wat wij zingen en vertellen?’
‘Of denken ze alleen maar: Ik wist niet dat er zulke rare mensen bestonden!’, voegt Maaike Cafmeyer eraan toe.

Meer weten? www.watheeftubelettekomen.be


Een poëtica van de veelheid – over ‘Irakese geesten’ van Mokhallad Rasem

15/09/2010

(c) Kristien Verhoeyen

Op de site van het VTi is een nieuwe reeks teksten van het Corpus kunstkritiek verschenen. Van mij zit er een kritiek over Irakese geesten van Mokhallad Rasem bij. Het is (voorlopig) een gewone tekstversie geworden, zoals altijd. Ik had gehoopt dat het een multimediale kritiek zou zijn, waarin de argumenten gestaafd werden beeldmateriaal van de voorstelling. Helaas bestaat die versie momenteel alleen op mijn eigen computer. Ze staat ook nog niet helemaal op punt, vind ik zelf. Dus blijft het een experiment waarvan ik hoop dat het snel een vervolg zal krijgen.

Mijn tekst, nu. Ik ben er ook zonder multimedia heel blij mee. Ik heb ervoor gegraven tot in het diepst van mijn werkzame grijze massa. Dat heb ik met veel plezier gedaan, vooral ook omdat de voorstelling het meer dan waard is. Ik heb het al tegen veel mensen gezegd en herhaal het nog eens: als je ze kunt zien, zeker doen. Het is een uitzonderlijk sterk en aangrijpend stuk.

Voor de volledige tekst zul je de pdf moeten downloaden. Maar een fragment wil ik je hier zeker niet ontzeggen:

(c) Kristien Verhoeyen

“Wat is oorlog? En hoe leg je het uit aan iemand die het nog niet zelf meegemaakt heeft? Iemand wiens beeld op oorlog gevormd (en misvormd?) is door kranten, boeken, televisie, film? Altijd schiet er wel iets tekort: woorden, perspectief, voorstellingsvermogen. Vanuit al die vragen neemt acteur-regisseur Mokhallad Rasem in Irakese geesten de impact van de oorlogen in Irak onder de loep. (…)

Mokhallad Rasem (…) heeft voor Irakese geesten goed naar Brecht geluisterd, heeft enkele bruikbare mechanismen en ideeën van hem geleend, maar heeft vooral nog veel verder gezocht. Niet gespeend van enige zin voor humor en ironie (die nergens vastlopen in cynisme) voedt hij zijn eigen kijk met diverse andere perspectieven, waardoor op de duur parodie, ironie en bittere ernst in elkaar klikken tot een aangrijpend geheel, en diverse theatertalen sublimeren tot een universeel verhaal. Irakese geesten biedt dan ook veel. Veel betekenissen, veel ingangen, veel perspectieven, veel stijlfiguren, veel lagen, veel, veel, veel. Zoveel dat elke poging tot analyse de voorstelling haast per definitie tekort doet. Maar precies daarom is ze raak. Irakese geesten speelt met ironie en humor, met identificatie en afstand, met vooroordelen, parodie, mokerslagen en ontroering. Rasem zwaait met de vervreemdingsmechanismen van Brecht, maar schuwt evenmin inleving à la Stanislavski, elementen uit het documentaire theater, maskers en zelfs fysiek theater dat doet denken aan Grotowski’s oefeningen. Dat alles overgoten met een flinke geut surrealisme: dat is Irakese geesten, zo ongeveer. In vijf talen en in een hels tempo dat de adrenaline en de angst bij een bomaanval moet evenaren, beukt de voorstelling in op de toeschouwer en laat hem ontredderd achter.”

Meer over Irakese geesten?

Info en credits
Interview met Mokhallad Rasem in De Standaard (Wouter Hillaert)

Recensies:
Ikzelf voor Corpus kunstkritiek
Lieven De Cauter in Rekto:verso
Annelore Debruyne op Cutting Edge
Liv Laveyne op Knack.be
Tuur Devens op Theatermaggezien.net

Like This!


Flattr this


Kronkelspel van disciplines

06/09/2010

Recensie over 1:Songs van Nicole Beutler

Zou 1:Songs van Nicole Beutler ook standhouden in een concertzaal? Op het eerste gezicht is dat misschien niet de meest relevante vraag die je je kunt stellen over een theaterproductie. Toch wijst ze precies naar het kruispunt waar verscheidene interpretaties van de productie samenkomen.

Lees de recensie op www.theatermaggezien.net

En/of bekijk de trailer:


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

Join 519 other followers