Ingenieus spel met dubbelzinnigheden

Recensie over De dienaar van de schoonheid van Jan Fabre

De kunstenaar is dienaar en meester tegelijk. De kunst is van ultiem belang, maar er is niets relatievers dan de kunst. Met De dienaar van de schoonheid voert Jan Fabre een paradoxaal discours dat op elk niveau worstelt met knopen. De ingenieuze dubbelzinnigheden ervan slaan hier en daar echter genadeloos door naar één kant en verstoren zo het bizarre evenwicht.

Deze recensie werd geschreven voor het Corpus kunstkritiek. Lees de volledige tekst op de site van het VTi.

Het leven als breiwerk

Recensie over Helden van HETPALEIS

Steek voor steek brei je aan je leven. Als je jong bent, is dat moeilijk, omdat je nog helemaal moet uitzoeken hoe het moet. Als je volwassen bent, is dat niet per se gemakkelijker, omdat de dingen niet altijd helemaal gaan zoals je liefst had gewild. En als je oud bent, is het nog altijd moeilijk, omdat niet alles meer lukt zoals het ooit is gegaan. Tien jongeren in regie van Soraya Rademaker brengen een voorstelling over omgaan met vrienden, familie en jezelf.

Lees de hele recensie op www.theatermaggezien.net.
Volg Theatermaggezien op Facebook.

Bulderlachen en jankserenades

Recensie over Liquid Love Hotel van Toneelgroep Ceremonia

In het donker klinkt pianomuziek. Langzaam doemt een decor met rechts een grote poef, een minibar en een ouderwetse telefoon en links twee hoge barkrukken uit het duister op. Lex ziet er verfomfaaid uit. ‘Is het al zondagmiddag?’ Hij klinkt niet opgewekt. Hoe is hij hier in godsnaam terechtgekomen? Vonden hij en zijn vrouw hun geluk zo vanzelfsprekend dat ze het al die jaren over het hoofd hebben gezien? Of is het vooruitzicht op een leven alleen nog gruwelijker dan zijn huwelijk al was? Is het dat? In een flashback krijgt het publiek vervolgens het verloop van het weekend te zien, tot de cirkel rond is en de beginscène de voorstelling ook weer sluit. Een uitje in het Liquid Love Hotel zorgt voor een voorstelling die overloopt van bulderlachen en jankserenades.

Lees de hele recensie op www.theatermaggezien.net.
Volg Theatermaggezien op Facebook.

Lachen, griezelen, moord en Dettol

Recensie over Phantasmapolis van Abattoir fermé

Het Mechelse gezelschap Abattoir fermé maakt met de Index-trilogie de catalogus op van zijn eerste tien jaar. Het woordenloze eerste deel van dat drieluik, Snuff, zette vooral de beeldtaal van Abattoir in de kijker. Met Phantasmapolis, All the Colors of the Dark krijgen de beelden het gezelschap van een van Stef Lernous’ sterkere teksten. De voorstelling vindt plaats in een gruweluniversum en verhaalt over vijf individuen ‘en de gruweldaad die hen verbindt.’

Lees de hele recensie op www.theatermaggezien.net.

Volg Theatermaggezien op Facebook.

Mijn plekje in de zaal

Blogpost naar aanleiding van In de strafkolonie/Het hol van Toneelhuis en KVS

Sinds ik recensies schrijf, zit ik nog liever in de theaterzalen dan ervoor. Voordien stond ik zelf nog af en toe op een (hobby)podium en als ik dan in het donker van de zaal terechtkwam, wilde ik al eens jaloers zijn op de acteurs die vooraan in de spots stonden. Dat gevoel is de laatste jaren gek genoeg volledig weg. Komt het omdat ik mezelf recenseer als ik speel? Omdat ik nu beter weet hoe kwetsbaar je je opstelt daar voor al die ogen? Heb ik misschien gewoon ingezien dat mijn pen beter is dan mijn stem? Ben ik een voyeur in het diepst van mijn gedachten en voel ik me daarom zo comfortabel als recensent? Ik weet alleen dat ik mijn plekje in de zaal koester. Misschien stel ik het dan ook beter niet in vraag. Of net wel? Een stoel is immers niet zomaar een stoel.

Onlangs heb ik het nog ervaren tijdens de voorstelling In de strafkolonie/Het hol, het regiedebuut van Bart Meuleman bij het Antwerpse Toneelhuis. Tijdens de première had ik een plaats gekregen in de stalles, met de neus op de linker hoek van het podium. Voor wie de stalles niet onmiddellijk kan plaatsen: het zijn de vier voorste rijen (a, b, c en d in de Bourla) helemaal vooraan in een klassieke theaterzaal, nog voor de parterre (rijen 1 tot 14). Prima plaats, zou je denken. En inderdaad was er niets dat mijn zicht op de scène belemmerde. Alleen zorgde het kikkerperspectief er toch voor dat ik bepaalde cruciale regie-elementen moeilijker kon interpreteren, omdat ze letterlijk over mijn hoofd heen gingen.

Paranoïde molmens
Voor de sobere monoloog Het hol bleek de zitplaats geen probleem. Willy Thomas kruipt als molmens uit een gat in de scène en brengt het kortverhaal van Kafka nagenoeg in het donker, voor een zwart gordijn. Zijn bewegingen zijn klein, zijn stem is zacht. Het paranoïde mensdier vertelt hoe het zijn leven lang heeft gegraven en gebouwd aan zijn hol onder de grond. Dat hol heeft gangen, zalen en voorraden. Het beschermt hem en zijn bezit voor ‘klein gespuis’ en grote, gevaarlijke monsters.

Het zwarte kostuum van Thomas (compleet met molachtige klauwen) zit vol sensoren. Elke beweging brengt geluid voort. Elk geluid boezemt het wezen angst in, want het weet niet waar het vandaan komt. Zal zijn hol veilig genoeg blijken? Nu en dan wordt het wezen zo bang dat hij ineens beslist om zijn hol volledig opnieuw in te richten, beter, steviger, veiliger en verborgener voor indringers. Het wezen anticipeert op de komst van de vijand, maar krijgt die vijand nooit te zien. Je kunt je afvragen hoe reëel de dreiging is. Komt het geluid misschien gewoon uit zijn eigen hoofd? Een prachtig gespeelde parabel over onveiligheidsgevoelens en bezitsdrang.

Wie is verantwoordelijk?
Wanneer het doek valt, het duister heeft plaatsgemaakt voor bijna oogverblindend licht en Thomas zijn molskostuum heeft ingeruild voor de gummilaarzen van een soldaat-beulsassistent, kan Kafka’s In de strafkolonie beginnen. Ook hier regisseert Bart Meuleman met een enorm respect voor de tekst. Te veel respect misschien? Af en toe lijkt het of de acteurs vastlopen op de literatuur, precies omdat het theaterelement te weinig uit de verf mag komen. Gelukkig is dat niet over de hele lijn zo.

Stijn Van Opstal speelt een reiziger op bezoek in de strafkolonie. Daar ontmoet hij een officier (Geert Van Rampelberg) die hem uitleg verschaft bij een vernuftig foltertuig. Het toestel krast met naalden het gebod dat de veroordeelde heeft overtreden in diens rug. De schuld staat altijd vast, de veroordeelde weet niet dat en waarvoor hij veroordeeld wordt, dat ondervindt hij op het apparaat ‘aan den lijve’. De veroordeelde in kwestie (een stille rol voor David Dermez) staat in een wit ziekenhemd achteraan op de scène heen en weer te schuifelen. De reiziger krijgt een demonstratie van het toestel. Wanneer de veroordeelde naar het toestel wordt geleid en zijn straf ondergaat, krijg je in deze enscenering geen gekrijs te horen. Dermez heft in de plaats een uitermate ontroerend lied aan, dat het onrecht beter aanklaagt dan om het even welk schokkend beeld zou kunnen doen.

Haast stuitender dan de foltering zelf is de ramptoeristische ingesteldheid van de reiziger. Hij kijkt en luistert met de halfinteresse van een door een tourbus uitgebraakte vakantieganger naar de woorden van de officier, als gaf die een zoveelste nieuwe interpretatie bij de glimlach van de Mona Lisa. Elk greintje verantwoordelijkheidsgevoel ontbreekt. En daar komt het plekje in de zaal weer om de hoek loeren. Nu en dan werpt Van Opstal even een blik in de zaal, alsof hij steun zoekt. Het belang van die blik is bij mij echter pas retrospectief doorgedrongen. Hij ging immers volledig over de hoofden van de toeschouwers in de stalles heen. Daardoor werd ik hoe langer hoe verontwaardigder over het schaamteloze gedrag van de reiziger, maar voelde ik me geen ogenblik medeverantwoordelijk voor de foltering die zich op het podium afspeelde. De blik bereikte me niet, dus het gebeuren speelde zich duidelijk buiten mij af. Mijn mening werd niet gevraagd. Ik was niet in de strafkolonie aanwezig. En dus kreeg ik nergens het idee dat ik werd aangesproken op mijn persoonlijke moraal. Er zat een filter tussen.

Zo’n filter valt volledig weg als een personage jou wel direct lijkt aan te kijken of spreken. Dan ben je als toeschouwer opeens een personage in het stuk. Je bent aanwezig en hebt dus verantwoordelijkheid over wat er met het slachtoffer gebeurt. Hoe je een stuk interpreteert of een personage aanvoelt, kan dus vallen of staan met je plaats in de zaal.

Afstandelijke kikker
Ik heb het nog ooit meegemaakt. De première van Guy Cassiers’ Mefisto for ever zag ik enkele jaren geleden in diezelfde Bourla vanaf een frontaal zitje op het eerste balkon. De voorstelling sloeg bij me in als een bom. Als theater en politiek ooit overtuigend zijn samengegaan, dan toen. Vraag me naar de beste voorstellingen van de afgelopen vijf jaren en Mefisto staat in mijn persoonlijke top-3. Waarschijnlijk zelfs op 1. Een seizoen later zag ik de voorstelling opnieuw vanuit de stalles. Die keer rechts vanuit de zaal gezien. Hoewel Stefan Perceval tijdens zijn donderspeech als Minister van Propaganda letterlijk boven me uit torende en ik daardoor verwachtte dat ze een nog meer verpletterende indruk op me zou maken, leek de afstand integendeel groter. Ik dacht toen dat het misschien kwam omdat het de tweede keer was dat ik het stuk zag. Ik wist toch al wat er zou komen?

Nu ben ik ervan overtuigd dat dat niet zo is. Een voorstelling kan je een tweede keer even hard raken. En een derde. Met film en muziek is dat toch precies hetzelfde? Blijkbaar heb ik het nodig om een personage recht tegenover me te zien staan. Een zijdelings kikkerperspectief plaatst een hoge muur tussen mij en het stuk. Het maakt mijn kijkervaring afstandelijk.

Klaag ik nu het Toneelhuis aan dat het de plaatsen in de stalles in eerste rang (dus: in de duurste categorie) verkoopt? Dat niet. Je hebt er wel degelijk een vrij zicht op de scène. Voor iemand van mijn niet bepaald indrukwekkende lichaamslengte is dat alleen maar een groot voordeel.

Vind ik dat Stijn Van Opstal zijn blik ook al eens op een ander plekje had moeten laten rusten? Evenmin. Wie weet had hier dan een stuk gestaan over het belang van de kijkrichting van een acteur.

Mijn plekje in de zaal. Het moet als iets heel sterks zijn waar ik dat voor wil opgeven. Maar de positie van de toeschouwer ten opzichte van het podium en de personages/acteurs heeft dus wel degelijk een groot belang. Dat bewijzen voorstellingen die met de positionering van het publiek spelen al door hun loutere bestaan. Waarom zou Inne Goris in haar nieuwe productie Muur acteurs en toeschouwers laten rondlopen over een braakliggend terrein en rond een cirkelvormige muur? Toch niet als het precies hetzelfde stuk zou zijn in een klassiek zwartedoostheater? Waarom zou dan een plaats in de stalles hetzelfde zijn als middenin de parterre, pal op het eerste balkon of in een hoekje van het tweede?

In de strafkolonie/Het hol is een meer dan waardevolle voorstelling en een lovenswaardig Toneelhuisdebuut voor Bart Meuleman. Iets minder respect voor de literatuur en iets meer voor de eigenheid van het theater had misschien een nog indringender resultaat kunnen opleveren, maar an sich was het een stuk dat achteraf in de foyer voor gestoffeerde gesprekken zorgde. Gesprekken over theater, maar ook over de wereld erbuiten. Over ons, onze way of life en onze verantwoordelijkheid daarin. Zo heb ik het theater graag. Maar hoe vurig waren de gesprekken misschien geworden als wij in de stalles die blik wel hadden gehad? Het blijft een hypothese, maar wel eentje die ik graag in het achterhoofd wil houden en onderzoeken bij volgende toneelervaringen.

www.toneelhuis.be

Recensie – Bruggen naar een eiland

Revue #1: de vernissage uit Revue van het ontembare leven van MartHa!tentatief

Het Antwerpse collectief MartHa!tentatief wil theater maken in, met en vanuit de stad. Het project Revue van het ontembare leven neemt dat uitgangspunt heel letterlijk. Met ‘anderhalf jaar lang berichten, feestavonden en acht toneelstukken over het leven in de stad aan het begin van de 21ste eeuw’ wil het bruggen slaan tussen de inwoners van de stad, die het (te) gewend zijn geraakt om elk op hun eigen eiland te leven. Revue #1: de vernissage is de eerste voorstelling uit de rij.

Lees de hele recensie op www.theatermaggezien.net
Je kunt Theatermaggezien nu ook volgen op Facebook.

Recensie ’25 minutes to go’ – De wurgende eenzaamheid voor de dood

Na de aankondiging, de recensie:

‘Het Brusselse multiculturele en expliciet tweetalige gezelschap Union Suspecte begint met 25 minutes to go aan een nieuw hoofdstuk. Regisseur Ruud Gielens hield begin maart de KVS voor bekeken en wil zijn aandacht de komende tijd volledig op zijn eigen dwarse collectief richten. Meer nog dan een startschot is 25 minutes echter een sluitstuk van de trilogie die begon met het overdonderende We People en voortgezet werd met de politieke pastiche They Eat People. Vooral de band met We People blijkt meer dan cruciaal om de woordarme voorstelling over de laatste momenten van een gebroken vader ten volle te kunnen smaken.’

Lees de hele recensie op www.theatermaggezien.net

Of volg Theatermaggezien op Facebook.

’25 minutes to go’ – De vaderzelfmoord van Union Suspecte

Voor www.theatermaggezien.net experimenteer ik met beeld en geluid. Naar aanleiding van de Belgische première van 25 minutes to go van Union Suspecte (5 mei) heb ik mijn allereerste audioslideshow gemaakt. Hopelijk kunnen we binnenkort meer van dit soort vormen in de website integreren.

25 minutes to go is het sluitstuk van de trilogie die begon met de voorstellingen We People en They Eat People. Tegelijk luidt ze voor het Brusselse gezelschap Union Suspecte een nieuw tijdperk in. Regisseur Ruud Gielens verliet in maart de KVS om zich voltijds op zijn eigen project te kunnen concentreren. De familie is nu weer helemaal samen, laat het gezelschap weten. Het wil zich profileren als tweetalig collectief dat thema’s die de leden bezighouden met het nodige lef op de speelvloer brengt. 25 minutes to go is een woordarme voorstelling over teleurstelling, niet-ingeloste verwachtingen en gekrenkte trots. Ruud Gielens, Mourade Zeguendi en Zouzou Ben Chikha lichten eerst de titel en dan de hele voorstelling toe.

Belgische première: 5 mei 2010, Zuiderpershuis, Antwerpen
Deze audioslideshow werd gemaakt voor www.theatermaggezien.net
De recensie verschijnt heel binnenkort.

Specific Objects Without Specific Form – Wat als de verbeelding blanco blijft?

In Wiels loopt de tentoonstelling Specific Objects Without Specific Form van de Cubaans-Amerikaanse kunstenaar Felix Gonzalez-Torres (1957-1996) nog tot en met zondag 2 mei, een week langer dan voorzien. Het was de tweede versie van een ‘veranderlijke’ tentoonstelling. Curator Elena Filipovic curateerde de eerste versie in januari. Zij maakte een overzichtstentoonstelling met 46 werken. Vervolgens nodigde ze de Vietnamees-Duitse kunstenaar Danh Vo, voor wie Gonzalez-Torres een belangrijke invloed is geweest, uit om zijn interpretatie van de expositie weer te geven. Hij deed dat erg sober, met slechts 17 werken. Met het concept van veranderlijkheid spelen de organisatoren rechtstreeks in op een principe dat belangrijk is in heel het oeuvre van de kunstenaar. Door bijvoorbeeld van een kunstwerk dat uit een berg snoepjes bestaat een handjevol mee te nemen, draagt de bezoeker er zelf toe bij. Gonzalez-Torres toonde daarmee aan dat kunst onstabiel is en ‘fragiel, zoals het leven zelf’.

Danh Vo wil de kunst van zijn voorbeeld zelf laten spreken. Hij koos daarom voor een tentoonstelling ‘zonder specifieke narratief verloop.’ Verwacht dus geen panelen met uitleg bij elke installatie. De verbeelding van de bezoeker moet zelf het werk doen. Op zich is dat een mooi uitgangspunt. Zeker in een tijdperk waarin de informatieovervloed van het internet bijna continu binnen handbereik is, brengt het een belangrijke functie van kunst onder de aandacht. Maar wat als de kunst de verbeelding te weinig prikkels geeft?

In de eerste zaal van de tentoonstelling trekt een snoer met gloeilampen de aandacht. De installatie is in een boogje aan het plafond bevestigd en hangt langs twee kanten naar beneden. Ze roept onmiddellijk de sfeer op van een tuinfeest. De titel, Untitled (Summer), suggereert een interpretatie in die richting, maar laat inderdaad ook veel aan de verbeelding over. Het onderdeel zonder titel mag de bezoeker zelf invullen. In contrast met deze installatie, plaatste Danh Vo in de hoek rechts van de ingang Untitled 1998 (een intrigerende datum na de dood van de kunstenaar). Het is een muurbrede posterinstallatie van een grijs luchtruim waarin een vogel vliegt. In de hoek loopt het beeld uit in een diep zwart dat de bezoeker de oneindigheid in lijkt te lokken.

Ook Untitled (Passport) 1991 en Untitled (Passport II) 1993 redden het best zonder al te veel uitleg. Het eerste Passport bestaat uit een stapel losse witte bladen van 59,9 bij 59,9 centimeter. Passport II bestaat uit kartonnen boekjes, in vijf keer vijf stapeltjes gerangschikt. Ze zijn iets groter dan een doorsnee internationaal paspoort en laten het vogelthema terugkeren. Een paspoort als onbeschreven blad, een paspoort dat het thema van vrijheid opvoert, maar dan wel onder dreigende grijze wolken… Gonzalez-Torres zelf wou eveneens dat zijn werken open bleven voor interpretatie, zodat ze de verbeelding van de bezoeker zouden prikkelen. Het lijkt dus of Danh Vo met zijn opstelling dicht bij de intentie van de kunstenaar blijft. Bovendien mag de bezoeker een stuk van het werk mee naar huis nemen. Het was voor Gonzalez-Torres de ultieme manier om zijn werk en visie te verspreiden. Op zich is het bovendien een mooi idee rond democratisering van de kunst.

Andere werken zijn echter iets moeilijker te lezen zonder specifieke voorkennis over het oeuvre van Felix Gonzalez-Torres. Wanneer de bezoeker via de trap van de bovenste verdieping weer naar beneden spiraalt, krijgt hij een almaar duidelijkere blik op de installatie Placebo. Iets vaag zilverigs onderaan de trap blijkt uiteindelijk een dik tapijt van snoepjes in glinsterende papiertjes. Het lijkt niets meer dan een sympathieke geste van de kunstenaar: vlak voor je het pand verlaat, krijg je nog snel wat zoets toegestopt. De leek die met het muntje in de mond de tentoonstelling verlaat, houdt er in het beste geval een goed gevoel aan over. Maar kan hij het oeuvre van de kunstenaar dan ook genoeg op waarde schatten?

Wat bijvoorbeeld als je beneden aan de trap in een groepje kunstkenners belandt, die over de achtergrond van Placebo aan het keuvelen zijn? Je pakt een snoepje uit de hoop en stelt vast dat het niet bijzonder veel smaak heeft. Is het een placebo voor iets lekkers? Je vangt flarden van het gesprek op. De installatie bestaat uit een specifiek gewicht aan snoepjes. Elke curator mag die naar eigen goeddunken opstellen: in een hoek, als een tapijt, hoe hij maar vindt dat het werk het best tot zijn recht komt. Het gewicht is gelijk aan het gewicht van Gonzales-Torres en zijn vriend Ross samen. Toen de kunstenaar Placebo samenstelde, was Ross al overleden aan aids en de kunstenaar zelf wist dat hij eveneens aan de ziekte leed. De titel verwijst naar de inefficiënte aidsmedicatie uit de vroege jaren negentig. Felix Gonzalez-Torres zag het werk als een manier om de nagedachtenis aan zijn relatie in ere te houden. Iedereen die een snoepje neemt, neemt een stukje van hun liefde met zich mee. Een muntje dat beladen is met zoveel betekenis krijgt onherroepelijk een andere smaak dan een zoethoudertje voor de brave bezoeker. Opeens wordt het zwaar persoonlijk, emotioneel en pakkend. Er schemert zelfs een stuk christelijke symboliek in door (neem en eet gij allen en gaat en vermenigvuldigt deze liefde), waardoor er weer een volledig nieuwe historische betekenislaag bij komt. Hoed af voor de verbeelding die zozeer geprikkeld raakt dat ze zonder voorkennis over leven en werk van Gonzalez-Torres ook maar iets van zulke betekenislagen weet te vatten.

Ja toch? Wordt het werk niet dubbel zo interessant als je weet wat er achter schuilt? Of raak je net aan de kern van Gonzales-Torres’ oeuvre als je er zo’n specifieke betekenis op plakt? Sluit je het kunstwerk dan af en maak je het zo per definitie star en dood?

Zulke vragen raken een belangrijke paradox in de hedendaagse kunsten. Openheid voor interpretatie is belangrijk. Niemand spreekt dat tegen. Een kunstwerk moet voor zichzelf kunnen spreken, de toeschouwer moet voor zichzelf een antwoord kunnen formuleren. Omgekeerd kun je echter evenzeer argumenteren dat het gebrek aan uitleg van Wiels en Danh Vo bij Specific Objects Without Specific Form de volledige expositie net sluit voor een ruimer publiek dan dat van de geprivilegieerde kunstkenner. De geïnteresseerde leek kan dan weliswaar huiswaarts keren met een handvol snoepjes en een poster hier en daar, maar hoeveel heeft hij dan echt mee van waar Felix Gonzalez-Torres voor staat? Het is en blijft een heikele kwestie, maar voor een kunstenhuis dat zich specifiek tot doel stelt ‘het publiek in permanent contact en dialoog te brengen met de recente ontwikkelingen en de debatten in de kunstwereld’ lijkt de openheid in dit geval toch wat te ver doorgetrokken. Als de verbeelding op bepaalde vlakken blanco blijft, zullen dialoog noch debatten die de grenzen van de enge kunstwereld overschrijden snel op gang komen. En in dat geval ruimt het betoog voor openheid baan voor een lamento over gemiste kansen.

www.wiels.org

Lees meer over Felix Gonzalez-Torres op Wikipedia.