Een verdacht adjectief – op zoek naar de juiste balans tussen sociaal en artistiek

29/12/2010

De vernissage – MartHa!tentatief
Karamazov – De Figuranten

INES MINTEN

‘Sociaal-artistiek’ theater. De term blijft iets verdachts hebben. Het koppelteken suggereert gelijkwaardigheid tussen beide delen van het woord. Een sociaal-artistieke productie is net zo artistiek als sociaal. Maar klopt dat zomaar? Wordt theater niet altijd verondersteld artistiek te zijn? Dient het pleonasme misschien als camouflage voor een al dan niet misplaatst minderwaardigheidsgevoel? In de praktijk draait het hem om het vinden van een juist evenwicht tussen de twee leden van het adjectief.

Intussen wordt de sociaal-artistieke praktijk al tien jaar erkend door het cultuurbeleid, en heeft dit veld voortaan zelfs een eigen festival: het allereerste Enterfestival vond van 10 tot 14 november 2010 plaats in Brugge. Er beweegt dus heel wat. Dat is ongetwijfeld mee de verdienste van een aantal producties die dat heikele evenwicht tussen sociaal en artistiek behoorlijk goed hebben weten te vinden. Toch blijft sociaal-artistiek theater vaak het verwaarloosde broertje van het theater-dat-het-redt-zonder-expliciterend-adjectief: het Theater waarvan men het artistieke gehalte nooit in vraag stelt. Sociaal theater, daar zou toch geen hond naar willen kijken? Maar ook mét de toevoeging ‘artistiek’ hebben veel van dergelijke projecten het moeilijk om een regulier theaterpubliek te bereiken, terwijl het doorgaans wel beoogt om uit de cirkel van vrienden, kennissen en sympathisanten te breken. Alleen mankeert nog de reputatie. De titel ‘sociaal-artistiek’ wordt dubieus bevonden. Men wil het echte werk zien. Echte acteurs. Professionals. Die vooroordelen zijn niet altijd onterecht. Een maker moet uit het juiste hout gesneden zijn om met verre van professionele acteurs – vaak mensen met een problematisch privéleven – een kwaliteitsvol artistiek product te maken. Soms mislukt dat grandioos, met een vervelende tot ronduit gênante kijkervaring als resultaat. Producties die de gelijkwaardigheid in hun adjectief bereiken, zetten voluit in op de sterke punten van hun spelers en laten de minder overtuigende spelkwaliteiten in de schaduw. In het beste geval maken ze hun adjectief overbodig.

KIJKEN NAAR, NIET NAAST

De vernissage, een samenwerking van het theatercollectief MartHa!tentatief en enkele lokale sociale partners, kun je onderbrengen onder de noemer van ‘het betere sociaal-artistieke werk’. Bart Van Nuffelen en co deden interviews met de mensen die dag in dag uit rondhangen op het beruchte Antwerpse De Coninck-plein: straatbewoners, (ex-)drugs- en alcoholverslaafden, personen die niet goed weten waar naartoe en hun leven dus maar een tijdje op het plein parkeren. Drie maanden hebben de ‘mensen van het plein’ allerhande workshops gevolgd en kunstwerken gemaakt. De vernissage uit de titel slaat onder meer op de tentoonstelling van die werken, een prelude tot de voorstelling. Op basis van alle verhalen die Van Nuffelen intussen verzamelde, schreef hij een nieuw geheel. Het is een beproefde en verdedigbare manier van werken. Van Nuffelen is dicht bij de realiteit van zijn spelers gebleven. Hij vertelt een sociaal verhaal, hun verhaal, dat de stem van Gert Jochems door koptelefoons in de oren van de toeschouwers giet. Toch krijgen de pleinbewoners een prominente rol in de uitvoering. Ze zijn allen mee aanwezig, helpen de avond in goede banen leiden, rollen en slepen met decorstukken, illustreren live hun eigen of elkaars verhaal. Voor één keer kijkt het publiek naar en niet naast de mensen van het plein. Sociaal opzet geslaagd. En door de pleinbewoners te laten doen wat ze konden en niet meer van hen te vragen dan dat, heeft MartHa!tentatief tegelijk zijn professionele kwaliteit bewaakt. Artistiek opzet net zo geslaagd.

ZAPPEN DOOR DOSTOJEVSKI
De voorstelling Karamazov van De Figuranten zet het sociaal-artistieke adjectief op een andere manier in praktijk om. Hier slaat de sociale poot niet op de inhoud, noch dient het artistieke als schaamlap voor het eerste deel van het woord. Bij deze voorstelling is het uitgangspunt sociaal, het resultaat echter, is puur artistiek. De Figuranten is een sociaal-artistiek gezelschap uit Menen, de West-Vlaamse grensstad met een hoger percentage historisch gegroeide kansarmoede dan het Vlaamse gemiddelde. De Figuranten werken al tien jaar met hun doelgroep en wisten zich met hun producties al meer dan eens in de kijker te plaatsen. Karamazov is een project van gastregisseur Ivan Vrambout. Veel meer dan het MartHa!tentatief zet hij zijn spelers in als spelers. Gewaagd, maar met resultaat. De Figuranten zetten een opmerkelijke bewerking neer van De broers Karamazov. Een kleine duizend pagina’s had Fjodor Dostojevski nodig om het relaas van het ontwrichte gezin Karamazov te vertellen. Hij stapelt verhaal op verhaal, uitweiding op uitweiding, personage op personage. Genadeloos fileren De Figuranten die dikke Dostojevski nu, tot er niet meer overblijft dan dat wat de makers en spelers als de essentie beschouwen. Hun essentie, welteverstaan. Die geven ze weer in zo’n 45 minuten uiterst gebald theater, met of zonder adjectief. Acht personages en achttien korte scènes. Meer hebben ze niet nodig om recht in het hart van de roman te priemen.

Wanneer, pakweg, Guy Cassiers een literaire klepper ensceneert (we noemen lukraak: Onder de vulkaan van Malcolm Lowry of De man zonder eigenschappen van Robert Musil), dan is de eerste opdracht voor de acteurs: ‘lees het boek’. Komt Ivan Vrambout met zo’n vraag bij zijn spelers, dan lachen ze hem onomwonden het podium af. De Figuranten vragen een andere benadering. Toch twijfelde Vrambout geen seconde aan de geschiktheid van het materiaal. Hij vond in het boek een aantal thema’s waarvan hij de relevantie voor een sociaal-artistiek project hoog achtte: eergevoel, het recht om het lot in eigen handen te nemen, de zoektocht naar en het recht op vrijheid, het geloof, de schuld… Al die thema’s komen aan bod in de zoektocht van de personages naar hun eigen positionering tegenover de bullebak in vader Karamazov (een sterke vertolking van Mathieu Tierrie). ‘Pjotr Karamazov leeft zonder enige zelfkritiek en met de nodige wil tot provocatie. De zonen en de hele entourage zoeken een antwoord op zijn gedrag’, zegt Vrambout. Een belangrijke spil in die zoektocht is zoon Ivan (Karel Vanaudenaerde). Hij heeft gestudeerd en zijn atheïstisch-filosofische theorieën hebben grote invloed op de rest van de familie. ‘O de mensen niet by machte zyn vo elkander te beoordelen, en o er geen God es, ton es olles veroorloofd’, luidt er de gevulgariseerde versie van. Alosja (Patrick Van Kerckhove) zet zich tegen de filosofie van zijn broer af door zijn heil te zoeken in religie. De meeste anderen incorporeren Ivans theorie, maar zetten ze wel naar hun hand. Voor de knecht annex bastaardzoon (Olivier Dewiest) is het simpel: alles is geoorloofd, zelfs moord. Punt. Dimitri (Pieter Vanaudenaerde) oreert dan weer dat je provocatie mag tegengaan met geweld. Het immorele karakter van zijn vader haalt hij aan als extra excuus. Groesjenka, de vriendin van de vader die het tevens aanlegt met Dimitri (Tamara Seynhaeve), bepleit een radicale vrijheid van meningsuiting. Het bizarre personage Muis (compleet met muizenkostuum) besluit het pand te verlaten: ze heeft al te veel gezien en is van mening dat je confrontaties sowieso het best uit de weg gaat. Ivan zelf krijgt het laatste woord. Maar in plaats van oplossingen te bieden, zoals iedereen dat van hem verwacht, laat hij als een ware filosoof de antwoorden in het midden. ‘Wuk doe je nu met (…) zo’ne provocateur. Neerslaan? Zouden we em neerslaan? Nere knallen?’ Hij richt zijn slotmonoloog rechtstreeks naar het publiek. Iedereen moet zichzelf naar eer en geweten een mening vormen.

De eigenlijke thema’s waren voor Vrambout de belangrijkste aanleiding om met De Karamazovs aan de slag te gaan. ‘Ik ben van mening dat een regisseur het best zelf een inhoud meeneemt in het werkproces’, zegt hij. ‘Op die manier kunnen spelers binnen een sociaal-artistieke organisatie zich volledig engageren in het spel, waarin ze als speler en als persoon kunnen evolueren.’ Vier maanden lang hebben makers en spelers rond Dostojevski’s roman samengewerkt. Spelend en improviserend tastten ze de thema’s af. ‘Op zo’n verkennende manier kiezen we de personages. Nadien spelen we enkele scènes en interview ik de spelers over de thema’s die relevant zijn voor hun personage.’ Met al die informatie in het achterhoofd begon Ivan Vrambout vervolgens te schrijven. De spelers zetten de tekst van Vrambout nadien weer om in eigen woorden, hun eigen dialect. Dankzij de naturel die ze op die manier bereiken, loopt de voorstelling nergens in de val van stuntelig, amateuristisch spel. Hoewel de uit de roman gedistilleerde thema’s aansluiten bij wat de spelers in het dagelijks leven belangrijk vinden, zit het sociale luik in deze voorstelling nergens het artistieke in de weg. Het resultaat van deze manier van werken is een spitse, snelle en brutale bewerking die erin slaagt om dicht
bij de geest van Dostojevski te blijven en de spelers toch dicht op de huid te zitten. Karamazov biedt een scherpe, zij het ontzettend uitgezuiverde eenentwintigste-eeuwse blik op Dostojevski’s materiaal. Theater zoals Karamazov heeft geen adjectieven nodig. De voorstelling is onverdacht en evenwichtig artistiek, met een gezonde sociale reflex als uitgangspunt.

Het woord sociaal-artistiek zal zijn dubieuze connotatie misschien nooit volledig kwijtraken. Je kunt dat jammer vinden voor producties die een betere reputatie verdienen. Maar je kunt het ook anders zien. Zolang gezelschappen door de term uitgedaagd worden en er nieuwe en boeiende invullingen aan weten te geven, kan hij het theaterlandschap ook net verrijken. Die groepen mogen hun adjectief dragen als een geuzennaam.

De vernissage, gezien op 14 april 2010 op locatie in Antwerpen. Karamazov, gezien op 20 juni 2010 in CC De Steiger, Menen.

Deze tekst kwam tot stand in het kader van Corpus Kunstkritiek, een initiatief van VTi – Vlaams Theater Instituut, met steun van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. http://www.vti.be/corpuskunstkritiek

De teksten van het Corpus Kunstkritiek vallen onder de licentie Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 2.0 Belgium, wat betekent dat de teksten verspreid, maar niet veranderd mogen worden. Elke vorm van verkoop of betalende distributie is apart te onderhandelen, contacteer VTi.

Advertenties

Nick Ervinck en de grens tussen virtueel en reëel

18/12/2010

De sculpturen van de jonge kunstenaar Nick Ervinck springen in het oog. Dat is wel het minste dat je ervan kunt zeggen. Ervinck is bezeten van de kruisbestuiving tussen het virtuele en het reële. Hij benut het bodemloze vat van mogelijkheden dat in de digitale technologie besloten ligt om geijkte kunstvormen en -technieken te herinterpreteren. Precies dat is volgens hem dé uitdaging van de hedendaagse beeldhouwkunst. Voor zijn eigen werk vertrekt Nick Ervinck altijd vanuit driedimensionale modellen in softwareprogramma’s, vervolgens schakelt hij over naar tastbare materie – de start van een continue wisselwerking tussen virtueel en reëel.

Een tijd terug nodigde oogarts Fernand De Wilde de kunstenaar uit om een sculptuur te ontwerpen voor de rotonde aan zijn woning in Sint-Martens-Latem. PRAHIARD wordt vandaag – 18 december – ingehuldigd.

Ook deze monumentale buitensculptuur is het resultaat van een digitaal ontwerpproces. “Maar niettemin ambachtelijk vervaardigd uit polyester”, zegt Nick Ervinck. “De basisvorm bestaat uit polyruthaanschuim dat ik handmatig uitgesneden heb. Daar bovenop zitten drie tot vier lagen met glasvezel versterkte polyester, die uitvoerig geschuurd en geplamuurd is. De afwerking gebeurde met verschillende lagen lakverf in het voor mijn werk typerende ‘signaalgeel’ (RAL 1003), dat ook gebruikt wordt in verkeerssignalisatie. Zo krijgt de uiteindelijke vorm een vloeibaar aandoende textuur die aanleunt bij die van het digitale ontwerp.”

Het is precies die voortdurende slingerbeweging tussen het reële en het virtuele die voor een interessante dynamiek zorgt in het werk van Nick Ervinck. Waar eerder (o.a. bij Michelangelo) het beeldhouwen werd gezien stelselmatige, subtractieve bevrijding van de figuur die verborgen ligt in het marmer, wordt de virtualiteit bij Ervinck een constructief principe of een kracht (Lat. virtus) op zich. Daarom kunnen we strikt genomen niet spreken van een sculptuur, maar eerder van een nieuw soort ‘plastiek ‘ die oprijst vanuit de digitale wereld.

PRAHIARD ligt grotendeels in dezelfde lijn van eerdere werken als NIEBLOY (2009), dat te zien was in Museum M te Leuven, of IKRAUSIM, een 3D-print. Historisch ent het werk zich bijvoorbeeld op het (latere) werk van beeldhouwer Henry Moore, waar een abstracte esthetiek en een herkenbare sensualiteit of intimiteit zich met elkaar verstrengelen. Ook het concept van ‘negatieve ruimte’, dat zo cruciaal is bij Moore, vind je terug in een werk als PRAHIARD. Het beeld lijkt een innige omhelzing van de lege tussenruimte, die zich zo transformeert tot een sculpturaal gegeven.

Meer?
www.nickervinck.com
Bron: persbericht
Foto’s: (c) Nick Ervinck.


Flattr this


Kunstenaar Pierre Devreux betuigt steun aan Liu Xiaobo

16/12/2010

Er valt geregeld een persbericht in mijn inbox over iets wat mij boeit, maar waar ik niet onmiddellijk iets over kwijt kan in de media waar ik voor schrijf. Op zulke momenten is een blog niet slecht, natuurlijk.

(c) Pierre Devreux

Zo meldt de Waalse beeldend kunstenaar Pierre Devreux hoe hij zijn steun betuigt aan Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo. Tot 31 december loopt zijn tentoonstelling Human Rights in het stadhuis van Luik. “In het midden van de kerstmarkt tegenover het stadhuis heb ik een lege stoel op een sokkel geplaatst”, vertelt hij. “Daarop staan de naam van Liu Xiaobo en een uitnodiging om de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens te tekenen. Die heb ik op mijn doeken gedrukt die in het oude politiecommissariaat van het Luikse Stadhuis hangen.”

Elke bezoeker krijgt ook een speciale krant – gedrukt op 100 000 exemplaren – waarop de 30 artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (Engels/Frans) staan.

Waar? Stadhuis, oud politiecommissariaat, Rue de la Violette, Luik.
Wanneer? Nog tot 31 december 2010, di-za, 13-18 uur; zondag van 11-16.30 uur, behalve 25 december.
Gratis toegang.

www.devreux.com


‘Variété met dansende poppen’

06/12/2010

Stukken van mensen van Ultima Thule

Figurentheater Ultima Thule tourt opnieuw met Stukken van mensen. De voorstelling vertelt verhalen over eenvoudige mensen die vat proberen te krijgen op hun eigen bestaan, maar daar niet of nauwelijks in slagen. ‘Ze kijken verwonderd naar de wereld en slaan in paniek als daar ook maar één schakel in verandert’, zegt Wim De Wulf, auteur en regisseur van het stuk.

‘De personages uit Stukken van mensen hanteren een kromme logica die ik heel mooi vind’, legt Wim De Wulf uit. ‘Er schuilt een soort tragiek in al wat ze doen en zeggen.’ Een tragische voorstelling is het nochtans niet. De Wulf baseerde zich op de sketches van Karl Valentin, een Duitse cabaretier die vooral in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw veel succes kende. De auteur-regisseur kwam met het materiaal in contact in het begin van de jaren tachtig, toen hij met het gezelschap Mannen van den Dam een Valentin-voorstelling maakte. ‘We hebben dat stuk 120 keer gespeeld en ik heb me er toen ongelooflijk mee geamuseerd. De liefde voor Valentins groteske humor ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Omdat we met Ultima Thule vaak de poëtische kant opgaan, vond ik een variétéstuk een leuke afwisseling. Variété met poppen die aan het dansen slaan, zie je ook niet elke dag.’

De rest van het artikel lees je in RandKrant van december 2010.
De speellijst van Stukken van mensen vind je op www.ultima-thule.be


Flattr this


‘Schilderen met een fototoestel’

01/12/2010

Zondag opent in Galerij De Ziener in Asse een tentoonstelling met werk van fotograaf Julien Coulommier (°1922), de nestor van de Belgische kunstzinnige fotografie. Zijn immense archief bevat tijdloze beelden waarvan de poëtische zeggingskracht voorop staat en het oorspronkelijke onderwerp naar de achtergrond verschuift.

Een tijd terug interviewde ik hem bij hem thuis in Wezembeek-Oppem en gaf hij me een kleine rondleiding in zijn bijzondere archief.

Het artikel staat in het huidige nummer van RandKrant. Een fragment:

Tegen de traditionele fotografie
In 1949 kocht Julien Coulommier zijn eerste echt goede fototoestel. ‘Het was een Rolleicord, een goedkopere versie van de professionele Rolleiflex. Het kostte nog meer dan 3000 frank, wat veel geld was in die tijd, maar op afbetaling ging dat nog net’, glimlacht hij. In de vroege jaren 50 ontdekte Coulommier nieuwe manieren van fotograferen. ‘Tot dan was er vooral aandacht voor traditionele landschaps- en reportagefotografie. Die beviel me niet: ik vond ze saai en academisch. Om daartegenin te gaan, begon ik kunstkritieken te schrijven in gespecialiseerde tijdschriften. Ik brak de traditionele fotografie af en kreeg daar van de hoofdredactie ook de ruimte voor, zelfs als er al eens abonnementen werden opgezegd door wat ik schreef.’ Onder meer door ontmoetingen met de Duitse avant-gardefotograaf Otto Steinert, begon Coulommier zelf meer met zijn toestel te experimenteren. De subjectieve fotografie werd in bepaalde kringen de hemel in geprezen, in andere met de grond gelijk gemaakt. ‘Naar aanleiding van een tentoonstelling in Amsterdam noemden de meeste kranten en tijdschriften, met uitzondering van de Groene Amsterdammer, mijn werk zinloos. De fotografie werd nog niet ten volle als kunst gezien’, zegt Julien Coulommier. Een ijkpunt was de tentoonstelling Images inventées die hij in 1957 samen met collega-kunstenaar Serge Vandercam or- ganiseerde in het Paleis voor Schone Kunsten. Het was een van de vroegste exposities rond creatieve, niet-figuratieve fotografie in onze contreien. ‘Die tentoonstelling veroorzaakte een schok in de kunstwereld.’

Een wereld in een wereld
Julien Coulommier toont zijn voorraad ingelijste foto’s, waarvan geregeld selecties naar tentoonstellingen reizen. Het valt op dat vooral de natuur veelvuldig voorkomt. ‘Een van mijn hoofdthema’s is de groeikracht van de natuur’, vertelt hij. ‘Het boeit me mateloos hoe sterk die kan zijn. Ga maar na: zelfs in een landschap dat gedomineerd wordt door steen en beton zie je in spleten en kieren kleine plantjes woekeren. Dat soort dingen probeer ik uit te beelden.’ Vier jaar geleden liep in Charleroi de overzichtstentoonstelling Entre Mondes. Die titel zegt veel over de visie van Coulommier en was ontleend aan de Franse surrealistische dichter Paul Eluard, die stelde: ‘Il y a un autre monde, mais il est dans celui-ci’. Ook Coulommier put zijn beelden uit de werkelijkheid om zich heen, maar vindt daarin een net iets ander perspectief, een lichtjes vervormde blik, een vervreemdingseffect, dat per foto of fotoreeks een nieuw universum opent.
Hij toont een aantal voorbeelden uit zijn reeks Antropologie. Bomen en planten spelen steevast de hoofdrol, hoewel het beeld nooit echt om hen draait. Een foto van een varen roept associaties met een danseres op. Een boom wordt een heksachtig personage. ‘Op zo’n manier laat ik de werkelijkheid en mijn verbeelding samenkomen’, legt Julien Coulommier uit. We komen voorbij een van zijn bekendste foto’s, De tuin van de gevangenis uit 1954. ‘In werkelijkheid is het een foto van een reeks spruitkolen voor een bakstenen muur, maar het beeld roept een heel ander verhaal op. Je kunt er palmbomen in zien die in de tuin van een gevangenis groeien. Voor de gevangenen staan ze symbool voor hun hang naar vrijheid.’ Hij schakelt over op de volgende foto, maar onderbreekt zichzelf snel: ‘Je hoeft ook niet alles te geloven wat ik zeg’, lacht hij. ‘Ik laat graag ruimte voor de eigen interpretatie van de toeschouwer. Het liefst leg ik niks uit en laat ik de beelden voor zich spreken.’

Meer lezen kan hier.
Een aantal werken van de fotograaf vind je op zijn website.


Flattr this