‘Op de rand van Nero’s bed’

31/05/2011

Peter Verhelst en Wim Opbrouck

Nero, een monoloog geschreven door Peter Verhelst en gespeeld door Wim Opbrouck, heeft er zijn eerste speelreeks opzitten. Wie hem nog wil zien, moet wachten tot volgend seizoen. Vanaf november toert Nero door Vlaanderen en Nederland. Voor Staalkaart van mei-juli 2011 interviewde ik auteur en acteur.

Decor als dictator

Het decor waar Verhelst zijn keizer Nero in plaatst, wordt bepalend voor de voorstelling. ‘Het decor dicteert veel’, vertelt Wim Opbrouck. ‘Daardoor moeten elk woord en elke handeling bewijzen of ze recht hebben op een plaats in het stuk.’ Peter Verhelst beaamt: ‘Eigenlijk gedraagt het decor zich als een halve dictator die zegt: Nee, sorry, dit kan niet. Als maker moet je er als een riviertje je weg door zien te banen. Dat is ongelooflijk plezant om te doen, want het wordt juist daardoor ook helder. We willen geen gedoe, alles moet klein blijven.’

Klein blijven – dat geldt ook voor het personage Nero. De voorstelling begint wanneer hij een jongetje van vier is en loopt tot het einde van zijn leven. Verhelst: ‘Je ziet Nero in de loop van de monoloog groeien tot keizer, met alles wat daarbij komt kijken. Ik heb ervoor gekozen om geen wilde zot neer te zetten. Je krijgt een jongetje te zien in al zijn breekbaarheid. Hij heeft dromen en is bang. Hij heeft behoefte aan iemand die hem vastpakt. Zijn papa is dood, hij heeft alleen zijn mama en zijn leraar, Seneca, die hem leert hoe hij goed moet leven. En Nero is een ventje dat goed luistert, veel over de dingen nadenkt en op de duur zelf met ideeën begint te komen. Hij zou willen dat alles lief en mooi is en hij drijft die wil tot het uiterste door. Zulke mensen zijn altijd gevaarlijk.’ Die aanpak heeft natuurlijk gevolgen voor de manier van spelen. ‘Wim houdt alles klein en delicaat, waardoor de toeschouwer bij wijze van spreken op de rand van Nero’s bed komt te zitten.’

Als er iets niet relevant is voor zijn stuk, vindt de auteur, is het het loutere monster Nero, dat iedereen in zijn omgeving ombrengt en Rome in brand steekt. Zoals hij bij NTGent op het podium komt, doet de keizer Verhelst erg aan zichzelf denken. ‘Dat is de enige manier waarop het kan werken: je moet het gevoel krijgen dat hij je zoontje kon zijn.’

Het volledige artikel lees je in Staalkaart mei-juli 2011.

Advertenties

Reeks vrijwilligerswerk: ‘De overtocht van 1000 amfibieën’

30/05/2011

Voor het vierde artikel in de reeks vrijwilligerswerk trokken fotograaf Filip Claessens en ik naar de Ipsvoordestraat, op de grens tussen de gemeenten Grimbergen en Kapelle-op-den-Bos. We hebben er afspraak met Daniël Smets, één van de vrijwilligers die er al jaren amfibieën overzet. Hij toont vandaag hoe je dat doet aan een enthousiast klasje van een plaatselijke lagere school.

Een fragment:

Elk voorjaar na hun winterslaap gaan kikkers, padden en salamanders terug naar de poel waar ze geboren zijn om zich op hun beurt voort te planten. Tijdens die trek sneuvelen bedroevend veel dieren. Daniel Smets: ‘Je hoeft niet eens met je wiel over een kikker te rijden om hem te doden. Zodra je meer dan 30 kilometer per uur rijdt, zuigt de snelheid het dier van de grond en smakt het te pletter.’

In de verte horen we opgewonden gejoel naderen. De verwachtingen van de kinderen zijn hoog gespannen. Ze zwaaien met kaartjes die ze onderweg verzameld hebben. Daarop staan voorwerpen zoals een emmer, een terrarium, een stokje. ‘Weten jullie waarvoor het stokje in de emmer dient?’ Enkele kinderen suggereren iets.
‘Om ze eruit te halen?’
‘Zo verdrinken ze niet’, legt Daniel uit. ‘Ze kunnen erop kruipen als er te veel regen in de emmer valt.’ De eerste emmer blijkt leeg en daardoor klinkt het gejuich extra blij als in de volgende een pad en een paar kikkers blijken te zitten. De durvers mogen er eentje uitnemen. ‘Hij voelt glibberig en raar’, zegt een meisje met een twijfelend lachje.

Kikkerprinses
‘Wie wil de kikker een kusje geven?’, vraagt Wim. ‘Ik’, antwoordt een jongen stoer. ‘Dan verandert hij misschien in een prinses!’

Verschenen in RandKrant, mei 2011. De versie in de krant kan afwijken van deze.


‘Herinnering is cruciaal, maar altijd onbetrouwbaar’

29/05/2011

Josse De Pauw herneemt Weg

Dertien jaar na de première herneemt Josse De Pauw zijn succesvoorstelling Weg. Hij speelt ze nog met evenveel plezier als in het begin. Jeugdherinneringen haken er naadloos in filosofische bespiegelingen over leven en dood. Drie muzikanten kleden de monoloog aan met een verrassende soundtrack. ‘De herinneringen aan mijn eigen jeugd in Asse zijn belangrijk geweest voor de tekst. Ik ben vanuit mijn eigen verleden beginnen te schrijven.’

Verwacht geen historische waarheden in Weg. ‘Ik heb de feiten natuurlijk gefictionaliseerd’, legt Josse De Pauw uit. ‘Maar mijn familieleden herkennen wel nog de basisverhalen waaruit de tekst is ontstaan.’ Herinnering en geheugen vormen ook een cruciaal thema in de voorstelling. ‘We zijn opgetrokken uit onze herinneringen. Kijk maar naar mensen die aan geheugenverlies lijden, bijvoorbeeld na een ongeval. In één klap valt (een deel van) je verleden weg. Dat is pure foltering. Waar moet je in zo’n geval nog op steunen? We gommen er trouwens ook onbewust bepaalde stukken uit weg, louter om te overleven.’ Dat alles maakt het geheugen tot een ontzettend boeiende constructie, die je leven grotendeels bepaalt. ‘Herinnering is belangrijk, maar ook altijd onbetrouwbaar’, gaat Josse De Pauw door. Ze raakt immers altijd gekleurd en dus vervormd.’ Ga maar eens na hoezeer de herinnering van twee mensen aan één feit uiteen kunnen lopen… ‘Als die geheugenconstructie solide in elkaar zit, zul je wellicht een vlotter, comfortabeler leven leiden dan wanneer ze wankel is. Mensen die een ongelukkige jeugd hebben gehad, rekenen daar vaak de rest van hun leven mee af.’ Gelukkig heeft De Pauw zelf een heel aangename jeugd gehad, vertelt hij nog. ‘Ik kom uit een stevig gezin, met zes kinderen. Het was een heel gewoon, kleinburgerlijk gezin, waarin wel grote aandacht voor de dingen bestond. We hebben alle zes genoeg van onze ouders meegekregen om elk onze eigen weg te kunnen gaan. De opvoeding was nooit dwingend, we zijn nooit in een specifieke richting gestuurd. Dat zie ik ook bij mijn broers en zussen: we doen allemaal wat we graag willen, en het zijn heel uiteenlopende dingen.’

Fragment uit een artikel verschenen in RandKrant, juni 2011. De versie in de krant kan verschillen van deze.

Speeldata juni: www.kvs.be


Wim Vandekeybus over ‘Radical wrong’: ‘Een voorstelling die geen voorstelling is’

11/05/2011

Vanavond om 20.15 uur kun je in De Warande in Turnhout naar de laatste voorstelling uit de huidige tournee van Radical Wrong gaan kijken. In Radical Wrong werkt regisseur-choreograaf Wim Vandekeybus (Ultima Vez) voor het eerst voor jongeren. Ik heb een van de eerste voorstellingen in Hasselt gezien en was ervan onder de indruk. Ik vraag me af wat voor sporen ze zou nagelaten hebben als ik ze op mijn zestiende had gezien. Het lijkt me geen productie die je licht vergeet als ze een introductie in de dans voor je betekent. Ze speelt expliciet in op de leefwereld van de jongeren, maar schudt diezelfde jongeren er nu en dan ook bruusk even uit. Heerlijk.

‘Ik wil een voorstelling maken die geen voorstelling is of toch niet wil zijn, een voorstelling die zich niet wil inpassen in de gangbare normen, die constant op zoek is naar een identiteit en niet bang is om fouten te maken, maar die juist om al die redenen interessant of sterk kan worden.’

Dat vertelde Wim Vandekeybus me toen ik hem goed anderhalve maand voor de première voor Staalkaart interviewde. Hij is daarvoor vertrokken, zei hij, van een worst case scenario: een zaal vol tieners die in se geen bal om een dansvoorstelling geven en als enige voordeel zien dat ze geen les hebben op dat moment.

‘Als scholier ben ik zelf naar Moeder courage gaan kijken in de KNS. In die voorstelling had je zo’n paard dat ter plaatse stapte omdat het podium draaide. Achteraf ging ik weer naar de klas en gingen de lessen gewoon door. Dat was het. Geen uitleg, geen gezaag. Maar ik vroeg me wel af: Wat moet ik hier nu mee? Tieners die naar Radical Wrong komen, hoeven niet blij te zijn omdat ze naar het theater moeten. Ik heb liever dat ze zich, net als ik toen, beginnen af te vragen wat zo’n voorstelling nu eigenlijk betekent. Of wat het eventueel zou kunnen zijn. Als je dat bereikt, ben je al ver. Het wordt jonge mensen ingepompt dat ze de gevestigde waarden moeten respecteren. What the fuck!? Ze mogen het allemaal slecht vinden! Het rebelse in tieners is me veel meer waard dan de opinie van de gevestigde waarde, die hen nog eens precies komt vertellen hoe het moet en wat ze ervan moeten vinden. In die zin leg ik mezelf met deze voorstelling zwaar op de rooster. Ik vernietig mezelf erin – het wordt een voorstelling waarin ik niet meer besta.’ Vandekeybus maakt Radical Wrong voor jonge mensen, maar hoedt zich voor een kinderlijke productie. ‘Je moet jongeren van 12 tot 18 ook niet onderschatten – je kunt er best al eens een klets aan geven. Onderschat de wereld van een tiener niet. Die kan keihard zijn.’

Het volledige artikel staat in Staalkaart, maart-april 2011.

www.ultimavez.com


Reeks vrijwilligerswerk: ‘Leuk om met de kinderen mee te genieten’

10/05/2011

De derde halte in onze reeks over vrijwilligerswerk is Alsemberg. We spreken af met Noëla Stubbe, die elke woensdag en donderdag een handje helpt met de kinderwerking van het opvangcentrum voor asielzoekers.

O p woensdag help ik met de kinderanimatie, op donderdag vind je me in het huistakenklasje’, zegt ze. Wanneer wij op bezoek gaan, staat er een puzzelspeurtocht op het programma. Het centrum verandert in één klap in een vrolijke boel vol rennende en joelende 6- tot 12-jarigen. Het is half drie. Over een half uur begint de speurtocht en de kinderen zijn al niet meer te houden. Een meisje steekt haar hoofd naar binnen. Of er een activiteit is, wil ze weten. Achter haar verschijnt een hele drom nieuwsgierige ogen die op een blik door de kier hopen. ‘Nog even wachten’, antwoordt Noëla. ‘Ga al maar in de theaterzaal kijken.’ De enthousiaste decibels verdwijnen in de gangen en gunnen Noëla zo nog enkele minuten om uit te leggen hoe ze bij dit vrijwilligerswerk terecht is gekomen. ‘Ik kom hier nu iets langer dan een jaar’, zegt ze. ‘Enkele maanden daarvoor zag ik op een plein een Afrikaanse vrouw met een klein kind. De moeder was totaal over haar toeren. Ze huilde en tierde. Ik heb geprobeerd om haar te kalmeren. Ik ben zo moe! Zo moe! riep ze. Ze stond er helemaal alleen voor en sliep ’s nachts slecht omdat haar kind haar wakker hield. Er was niemand die de zorgen af en toe eens kon overnemen. Ik was er de verdere dag niet goed van.’ Stilaan rijpte bij Noëla het plan om zich vanaf haar nakende pensioen vrijwillig voor kinderen in te zetten. ‘Ik las een paar artikelen over het asielcentrum en heb dan schoorvoetend de telefoon genomen. Ik ben scheikundige, dus ik had geen werkervaring met kinderen en ik vreesde dat ze mijn hulp niet zouden kunnen gebruiken.’ Maar de begeleiders waren juist ontzettend blij met haar spontane aanbod. ‘Ze zijn voortdurend op zoek naar vrijwilligers: voor de kinderwerking, de kledingshop, om Nederlandse les te geven. Alle hulp is welkom.’

Lees het volledige artikel in RandKrant april.


Reeks vrijwilligerswerk: ‘Je steekt er zelf ook heel wat van op’

09/05/2011

Dit jaar schrijf ik voor RandKrant een artikelenreeks over vrijwilligerswerk. Een stukje uit het tweede artikel.

In maart namen we met Marc Van der Auwera uit Groot-Bijgaarden plaats achter de microfoon. Elke week leest hij als vrijwilliger boeken voor in de inleesstudio van Progebraille-Helen keller (PHk) in Zellik. De voorgelezen boeken komen in de luisterpuntbib terecht, een langeaftsandsbibliotheek voor blinden, slechtzienden en mensen met een leesbeperking.

Dinsdagochtend, 9 uur. Vrijwilliger Marc Van der Auwera komt de studio binnen waaien. Hij begroet technicus Luc Roelant hartelijk, tankt een kopje koffie en gaat met zijn boek de kleine studio in. ‘Momenteel lees ik een inleiding tot de mythologie’, legt hij uit. ‘Elke vrijwilliger kiest zijn boeken zelf. Er is altijd een stapeltje voorhanden waarin je beslist je gading vindt.’ De leraar Engels wisselt graag af tussen fictie en non-fictie. ‘Ik pik er boeken uit die ik anders ook met plezier uit de bib zou meenemen. Met dit type vrijwilligerswerk heb je misschien wat minder sociale contacten dan met andere, maar je steekt er veel van op. Dit boek geeft me een betere kijk op hoe mythologie ontstaan is. Mijn vorige boek ging over de tijd na de bevrijding, toen de Britse en Amerikaanse soldaten nog in België waren. Zulke dingen maken het inlezen boeiend. Bovendien vraagt het weinig tijd. Met een uurtje per week kom je er al. Zeker als je graag leest, is zo’n uur snel voorbij.’

Verstoppertje tussen de deuren
Marc Van der Auwera fronst het voorhoofd wanneer we hem vragen hoe lang hij al boeken inleest voor PHK. Hij wendt zich tot de technicus: ‘Luc, hoe lang kom ik hier al? Vijftien jaar? Twintig?’ Ze berekenen dat het zoiets moet
zijn. ‘Ik bracht in de zomervakanties mijn jongste zoon mee naar hier. Hij was vier of vijf toen ik er pas mee begon en vond het prettig om zich tussen de dubbele deuren van de studio te verstoppen. Ja, dat moet in 1995 of 1996 zijn geweest.’ Marc begint te lezen met een aangename, warme stem. Aan de andere kant van het raam volgt Luc nauwgezet op wat hij doet. Bij een occasionele verspreking zegt Marc vanaf welke zin hij wil hernemen, Luc zoekt het juiste moment in de opname en klikt; ze kunnen weer voort. ‘De digitale technieken betekenen een hele vooruitgang, zowel voor de inlezers en technici als voor de mensen die de boeken beluisteren’, zegt Mia Engels, directeur van PHK. ‘We maken lectuur en informatie toegankelijk voor alle mogelijke mensen met een leesbeperking’, vertelt ze. ‘En dat doen we zowel met brailleboeken, grootletterdruk als inleesboeken.’ De organisatie heeft behalve in Zellik ook afdelingen in Hasselt, Leuven en Mechelen. ‘Als je steunt op vrijwilligers is het belangrijk dat je makkelijk bereikbaar bent’, vindt ze. ‘PHK kan rekenen op 160 tot 180 vrijwilligers in het hele land. In Zellik zijn dat er nu 36.’

Lees de rest van het artikel in RandKrant maart.


Reeks vrijwilligerswerk: ‘Ik zou het niet meer willen missen’

07/05/2011

Dit jaar schrijf ik voor RandKrant een artikelenreeks over vrijwilligerswerk. Fijne dingen om te schrijven, want je ontmoet er uitsluitend enthousiaste, geëngageerde mensen door. Een stukje uit het eerste artikel.

In februari hielpen we Michèle Colpaert uit Dilbeek een handje in het Dagcentrum Topaz in Wemmel. Daar kunnen ongeneeslijk zieke mensen terecht voor verzorging en ontspanning. Elke maandagochtend klopt Michèle aan bij het dagcentrum. Wanneer de eerste gasten en de rest van de vrijwilligers binnen druppelen, heeft zij haar keukenschort al omgeknoopt. ‘Ik maak chocoladepudding voor het dessert’, zegt ze en ze brokkelt grote stukken chocolade in een kookpot met melk. Ze is nu precies een jaar als vrijwilliger aan de slag bij Topaz. ‘Ik heb altijd in de bedrijfswereld gewerkt. Toen ik daarmee stopte, wou ik graag iets helemaal anders doen. Iets wat niet draait om cijfers en winst. Ik dacht onmiddellijk aan vrijwilligerswerk in de palliatieve zorg. Toen mijn papa ziek werd, heb ik daar het nut van ingezien.’

Verslavend

Dagcentrum Topaz is drie dagen in de week open en draait op de inzet van een handvol professionele medewerkers en een ploeg van 35 vrijwilligers. Het is in 1997 opgericht onder impuls van kankerspecialist Wim Distelmans (UZ Brussel). ‘We zien in het UZ veel patiënten die blij zijn dat ze weer naar huis mogen, maar die toch ook de veiligheid van het ziekenhuis willen behouden’, zegt hij. ‘Het dagcentrum vormt de brug tussen thuis en het ziekenhuis. Onze gasten krijgen hier medische en paramedische verzorging, ze ontmoeten lotgenoten en ze kunnen allerlei activiteiten doen. Alles gebeurt in een aangename sfeer. Dat vinden we enorm belangrijk.’

Aan het kookeiland zit de sfeer er ondertussen goed in. De chocoladepudding staat te pruttelen en ook vrijwilligster Marie-Jeanne De Paepe heeft de mouwen opgestroopt. ‘Ik ben vandaag verantwoordelijk voor het middagmaal’, zegt ze. ‘We eten juliennesoep en farfalle met ham, spek en roomsaus.’ Zij komt al bijna negen jaar twee keer per week als vrijwilliger naar Topaz. Ze haalt haar schouders op: ‘Ik ben hier terechtgekomen zoals iedereen. Je wilt iets doen voor een ander, je hoort van het centrum en je komt een kijkje nemen. Anders zit je alleen thuis en wat heb je daar aan? Als je hier één keer komt, ben je verslaafd.’ De andere vrijwilligers beamen. Michèle Colpaert: ‘Ik zou Topaz niet meer kunnen missen. De mensen appreciëren wat je doet en de sfeer onder de vrijwilligers is goed. Iedereen doet zijn best en we hebben hier niets te verwachten, geen promoties, geen evaluaties. Er is geen onderlinge concurrentie. We plagen elkaar zo nu en dan een beetje, dat wel. Eigenlijk hebben we veel plezier, ook met de gasten.’

Lees de rest van het artikel in RandKrant februari.