‘Een voorstelling start bij de locatie’ – terugblik op TAZ#11

26/09/2011

Het eerste nummer van de eerste jaargang van STEPP is verschenen – het magazine voor de producerende, ontwerpende, en technische krachten van de brede culturele sector. In die hoedanigheid vervangt het het oude Proscenium.

In dat eerste nummer, op pagina 34 vind je een artikel dat terugblikt op Theater aan zee 2011, en wel vanuit het perspectief van de locaties.

Ik interviewde daarvoor Waas Gramser van Comp. Marius, dat al twaalf jaar gepokt en gemazeld is in openluchttheater. Lawaai noemde zij de grootste moeilijkheid bij theater op een buitenlocatie: ‘Soms kiezen we in de winter een rustige plek die tegen de zomer, wanneer we er moeten spelen, razend druk blijkt. Ook vervelend is als je de speelrichting verkeerd kiest: dan schijnt de zon recht in de ogen van het publiek of blaast de wind al je woorden weg. Al wat je dan kan doen, is harder brullen.’

Vervolgens liet ik Sophie De Somere aan het woord, coördinator jong theater op TAZ:

Niet zomaar mooie plaatjes
Wanneer Sophie De Somere op zoek gaat naar een locatie, let ze vooral op één ding: ‘Ik ga niet op zoek naar een mooi plaatje, maar naar een ruimte die aansluit bij de inhoud van de voorstelling. Voorts heeft de locatie natuurlijk in het algemeen veel impact op hoe je je als toeschouwer voelt. Een voorstelling start bij de locatie: nog voor er een woord is gesproken, laat ze al een indruk na.’ Met dat in het achterhoofd ging Sophie – samen met programmator jong theater Liv Laveyne – vanaf januari van dit jaar op tocht. ‘We trokken er met de fiets of te voet op uit, klopten op deuren waar we interessante ruimtes achter vermoedden en volgden tip na tip. Je weet nooit wat er achter een grote gesloten poort schuilgaat – daarvoor heb je het advies van bewoners nodig.’

Voor De val van Laurens Krispijn de Boer stelde Sophie De Somere zo een hoge hangar voor. De Boer inspireerde zich op de monoloog van Risjaar Modderfokker den Derden uit Tom Lanoyes Ten oorlog. ‘Die locatie klopte heel erg met de inhoud’, vindt ze. ‘De acteur stond er geïsoleerd, alsof hij alleen was achtergebleven in een bunker, maar was wel nog altijd overtuigd dat hij kon winnen.’ Even tevreden was ze over het aftandse stationsbuffet waar Thee van Poolse vis te zien was. ‘Thee gaat over twee vriendinnen die na lange tijd bij elkaar op visite komen. Het begint hartelijk, maar krijgt snel iets wrangs. Dat in onbruik geraakte buffet met zijn mooie plafonds paste perfect. We hebben ook manieren gezocht om toevallige passanten bij de voorstelling te betrekken. De actrices speelden met open deur en algauw kwamen er mensen door de opening piepen. Op de ramen kleefden ze plastic met openingen in kantvorm – lekker ouderwets. Ook daardoor kwamen mensen gluren.’ Dat soort trucjes pasten Sophie De Somere en de jonge makers op zoveel mogelijk plekken toe. ‘We wilden de stad laten binnendringen in de voorstellingen en vice versa. Daar willen we volgend jaar nog meer mee experimenteren.’”

En het volledige artikel kun je dus lezen in STEPP#01, september 2011.

www.theateraanzee.be
www.marius.be

Advertenties

Jef Neve: ‘Jazz, dat is olijven leren eten’

19/09/2011

Het Jef Neve Trio zit tussen twee cd’s in. Dat zal zich laten horen op Jazz Hoeilaart, waar de muzikanten op 24 september te gast zijn. ‘Het repertoire van Imaginary Road, onze vorige cd, spelen we nu twee jaar. Die muziek hebben we al binnenste buiten gekeerd op het podium. We voelen ons er helemaal vrij in. Tegelijk zullen we al wat nummers oppikken die voor de volgende cd bedoeld zijn. Ik mik op een ambitieus project met vijf blazers – voor we die erbij halen, willen we de muziek zelf helemaal in de vingers hebben.’

Imaginary Road gaat over het leven van gedachten en ideeën dat parallel loopt aan het gewone leven. Jef Neve: ‘Mensen interpreteren je karakter door wat je doet en zegt. Zo ontstaat er in ieders hoofd een totaal ander beeld van wie jij bent. Dat is voor mij de imaginary road. Hetzelfde gebeurt na je dood. Geestelijk en fysiek ben je er niet meer, maar toch laat je iets na. Ik vergelijk het met het witte spoor dat een vliegtuig tekent in de lucht. Het vliegtuig zelf is al lang weg, maar er is nog bewijs dat het er geweest is.’

Respect
De nieuwe nummers horen bij een project dat nu nog de werktitel Songs of the New World draagt. Voor de composities inspireert Jef Neve zich op de recente Arabische revolutie en andere mondiale gebeurtenissen. (…)
‘Het is moeilijk om uit te leggen hoe zo’n idee zich omzet in muziek’, zegt Jef Neve. ‘Het is niet zo dat een specifieke toespraak van een minister zich nadien reflecteert in een bepaald nummer. Al die informatie komt op me af, ik voel me erdoor geraakt en de muziek is er een logisch gevolg van. Soms is het ook een beetje de kip of het ei: ik kan een muziekstuk schrijven waarin ik achteraf een bepaald beeld herken.’

Meer? RandKrant, september 2011.

www.jazzhoeilaart.be


Oedipus/bêt noir: ‘Aards en zonder vernis’

15/09/2011

Vanavond première van Oedipus/bêt noir van Ultima Vez en KVS. De trailer ziet er alvast bijzonder intrigerend uit.

Nog voor de repetities begonnen, heb ik Wim Vandekeybus en Jan Decorte geïnterviewd over de productie (in opdracht van Ultima Vez). Je vindt de volledige tekst op de site van de KVS, onderaan bij ‘pers en extra’s’. En hier lees je alvast een fragment:

Na het jongerenproject Bêt noir en de Zweedse gastchoreografie Black Biist gaat Wim Vandekeybus voor de derde keer aan de slag met Jan Decortes Oedipusbewerking uit 1999. Wat is er zo dringend aan die tekst dat hij bij Ultima Vez steeds opnieuw op tafel komt? Om daar achter te komen, spreken we met de twee makers af in een Brussels bruin café, bij een glas wijn. ‘Eigenlijk is Bêt noir een perfect filmscript, dus misschien komt er ooit zelfs nog een vierde versie.’

Vandekeybus en Decorte praten zoals ze voorstellingen maken. De ene wild enthousiast en energetisch uitwaaierend – elke zin onderstreept hij met beweging. De ander afwachtend – Decorte luistert vooral en vult het gesprek nu en dan aan, alleen als hij vindt dat een uitspraak er echt toe doet.

Een heel stuk in één zin
‘Ikebbet altijt noch chezecht – zo begint Bêt noir en eigenlijk zit het hele stuk al in die ene zin’, vindt Wim Vandekeybus. ‘Ikebbet altijt noch chezecht – daarmee alleen al kun je een heel stuk maken.’
In Black biist, de choreografie die hij in 2009 voor het Göteborg Ballet maakte, krijgt die eerste zin een kwartier om de zaal te vullen, legt hij uit. ‘Ik gaf in het eerste kwartier niet meer dan dat. En nu heb ik opnieuw goesting om eerst en vooral met die zin aan de slag te gaan.’
Jan Decorte knikt: ‘In het begin van het stuk is alles eigenlijk al gebeurd. Er moet alleen nog verder gestrompeld worden. Zo gaat het altijd met Griekse tragedies. Je weet dat het slecht afloopt, dat de held alle mogelijke fouten zal maken. Oedipus is in die zin het ultieme tragische personage: hij begint met alles, maakt dan de grootste vergissingen die een mens kan maken – je vader vermoorden en je moeder in je bed – en eindigt met niks. Hij is dus een held met grote valhoogte, zoals we vroeger op school geleerd hebben. Dat maakt hem spannend. Dat, en de waanzin die uit zijn hele figuur spreekt. De waanzin is trouwens ook wat mij bevalt aan het werk van Wim: het is waanzinnig wild en dat maakt mij weliswaar een beetje bang, maar toch zie ik het graag.’
Vandekeybus ziet Oedipus dan weer vooral als een antiheld. ‘Een antiheld die in Bêt noir nog extra als een antiheld wordt afgeschilderd. King Lear, dat is in mijn ogen een echte koning. Oedipus is meer een dommige kwajongen die opeens koning wordt en er dan ongevraagd de koningin bij krijgt. In se is hij van goede wil, maar omdat hij zo hardnekkig de juiste beslissingen wil nemen, maakt hij nog meer fouten.’
Decorte: ‘Dat is de definitie van de tragedie, natuurlijk: iedereen wil aan zijn lot ontkomen, maar het lot pakt je uiteindelijk toch. In de gekuiste versie heet het dat de goden dat allemaal beslissen, maar in werkelijkheid doet de mens zichzelf zijn tragedies aan.’ Net dat maakt de mens volgens Vandekeybus zo’n mooi schepsel. Zodra er iets fout gaat in zijn leven, zoekt hij daarvoor een reden buiten zichzelf. ‘De mens is continu bezig met zingeving en met oplossingen zoeken voor wat hij niet begrijpt. Daarom zijn de goden uitgevonden, daarom gingen de Grieken naar het orakel, daarom bestaat bijgeloof. Sommige mensen geloven dat zwarte katten ongeluk brengen, maar die kat weet niet dat ze zwart is, snap je? Het is de mens die die betekenis daarin legt. Oedipus kan aan zijn lot niet ontsnappen, omdat het zogezegd vast ligt en dus onontkoombaar is. Maar eigenlijk hebben de Grieken juist het toeval gecreëerd.’

www.kvs.be


Reeks vrijwilligerswerk: ‘Niet alles hoeft om centen te draaien’

12/09/2011

Er is ook heel wat jong volk dat vrijwilligerswerk doet. Denk maar aan de vele jongeren die zich inzetten voor jeugdbewegingen of speelpleinwerkingen. Of neem de Vilvoordse Sofie Bots (19), die zich nu al meer dan een jaar inzet voor de vereniging Jeugd, Cultuur en Wetenschap (JCW). Ik interviewde haar als zesde vrijwilliger in de reeks vrijwilligerswerk voor RandKrant.

Een fragment.

“JCW is een Vilvoordse vereniging die in het hele land cultureel-wetenschappelijke activiteiten voor 8- tot 16-jarigen organiseert. Een heus ruimtekamp, een workshop waarin je zelf tandpasta leert maken, een dagtrip naar de tijd van de Galliërs? Kan allemaal. Alle activiteiten worden begeleid door vrijwilligers, die de dag, het weekend, de workshop of het kamp ook helpen voorbereiden. We namen een kijkje tijdens de dolle JCW-dagen in Vilvoorde. Op het programma stond de archeologieworkshop ‘Graven om te weten’, een samenwerking tussen JCW, de kunstacademie Portaelschool en de K.U.Leuven.

Spijkerschrift en DNA-onderzoek
De kinderen hebben er al verscheidene knutselactiviteiten en een bezoek aan het archeologische depot in Zellik opzitten. Deze namiddag komt een Leuvense archeoloog langs. Hij heeft een kist bij zich met daarin een nauwkeurige reconstructie van een eeuwenoud opgegraven graf: botten van een volwassen persoon en een baby, intacte potten en kruiken, beenderen van dieren en nog wat andere voorwerpen. De kinderen krijgen uitleg, stellen een heleboel geïnteresseerde vragen, en kunnen dan zelf aan de slag. Ze mogen met de hulp van tekeningen bepalen van welk dier een bepaald bot afkomstig is, ze ontcijferen spijkerschrift en met een klein, maar volledig echt DNA-onderzoek bepalen ze of de volwassene en het kind in het graf familie van elkaar waren. ‘Jouw DNA lijkt voor de helft op dat van je moeder en voor de helft op dat van je vader’, krijgen ze te horen. ‘En meisjes hebben een tikje meer DNA dan jongens.’ De meisjes gniffelen, de jongens reageren verontwaardigd: ‘Dat kan niet!’

Intussen houden Sofie en haar Brugse collega-vrijwilligster Ann-Sofie Anseeuw (16) een oogje in het zeil. ‘Ik doe vrijwilligerswerk voor JCW omdat ik graag met kinderen omga. Ook de workshopformule spreekt me aan: de kinderen vervelen zich nooit’, zegt Sofie.”

Meer? RandKrant september 2011.


‘Een nieuwe diersoort ontdekken geeft een kick’

05/09/2011

Wandelende takken – ik geef toe dat het dieren zijn die nooit echt tot mijn verbeelding gesproken hebben. Tot de dag dat ik leraar dierkunde en taxonomist Joachim Bresseel interviewde. Er zijn wandelende takken waarvan nooit een mannetje gevonden is, zo vernam ik. De vrouwtjes planten zich parthenogenetisch voort, wat wil zeggen dat de kleintjes identieke kopieën van de moeders zijn en er dus geen bevruchting van de eitjes aan te pas komt. Interessant. Ik zag met eigen ogen hoeveel verschillende types en groottes wandelende takken er bestaan en ik ontdekte de wondere wezens die bekend staan onder de noemer ‘wandelende bladeren’. Verder aaide ik een baby-emoe en sloeg ik het vriendelijke aabod af om hetzelfde te doen met een slang en een vogelspin. Een gemiste kans? Een boeiende dag…

Een fragment.

Nachtelijke tochten en elfjes
Joachim Bresseel legt zich vooral toe op de taxonomie, de studie van nieuwe soorten. Er zijn momenteel ongeveer 4000 verschillende soorten wandelende takken bekend en per reis die hij onderneemt, vindt hij nog types die tot dan toe niet ontdekt waren. ‘Tot nu toe ben ik vooral op de Filippijnen gaan zoeken’, legt hij uit. ‘Ik had via internet iemand van daar leren kennen die ook met wandelende takken bezig was. Hij nodigde me uit en toen ik 21 was, nu vijf jaar geleden, ben ik er voor het eerst naartoe gereisd. ‘We trekken er altijd ’s nachts op uit, want wandelende takken zijn nachtdieren, dus overdag vind je ze niet. Hoe diverser de vegetatie, hoe groter de kans dat je er zult tegenkomen. Ik ken intussen alle reeds ontdekte soorten van de Filippijnen, dus als ik een nieuwe zie, weet ik het onmiddellijk. En zo’n diersoort voor het eerst in het wild aantreffen, geeft echt een kick.’

Maar hoe vind je, in een wirwar van planten, dieren die op takjes lijken? ‘We zoeken meestal eerst naar vraatsporen’, zegt Bresseel. ‘Alle wandelende takken zijn pure herbivoren en ze bijten heel specifieke gaatjes in een blad. Wandelende takken zijn geen zeldzame dieren, dus we vinden er wel wat op een nacht. Alleen stel ik me altijd de vraag hoeveel ik er niet voorbij moet lopen op zo’n tocht – dat moet echt enorm zijn.’ Joachim Bresseel toont ons een aantal glazen kastjes met opgezette wandelende takken erin. Er zijn er van zo’n zes centimeter lang, maar er zit er ook eentje tussen van een goeie 25 centimeter. ‘De grootste wandelende takken moeten iets meer dan een halve meter lang zijn’, vertelt hij. ‘Dat is meteen het grootste insect ter wereld.’ De verschillende soorten zien er ook heel anders uit, zowel van kleur als van vorm. De mannetjes en vrouwtjes van eenzelfde soort lijken evenmin op elkaar. ‘Vroeger zijn er daarom wel eens fouten gemaakt. Iemand vond een mannetje, maar besefte niet dat het dezelfde soort was als een vrouwtje dat al beschreven stond. Er zijn ook soorten die onder zes verschillende namen bekendstaan. Daarom is je eerste taak als je begint te beschrijven, een grondige literatuurstudie. Je wil geen soort als nieuw aandragen die eigenlijk al bestudeerd is.’

In een volgend kastje bewaart Joachim Bresseel enkele wonderlijke wezentjes. ‘Wandelende bladeren’, legt hij uit. In een oogopslag begrijpen we hoe de verhalen over elfjes ooit ontstaan zijn. De fijne blaadjes lijken wel van kleurige, doorschijnende stofjes in elkaar geknutseld. ‘Bij levende exemplaren zijn de kleuren nog veel mooier’, zegt hij. Hij voegt eraan toe dat hij de eerste Belg is die een nieuwe soort wandelend blad heeft beschreven. ‘Daar ben ik wel trots op. Ze zijn in het wild heel moeilijk te vinden. Zelf heb ik er ook ooit maar eentje gevonden. De andere zijn in gevangenschap gekweekt.’

Meer? Het hele artikel staat in het septembernummer van RandKrant.


Hoe Braakland/ZheBilding het Leuvense culturele braakland stap na stap heeft volgebouwd

01/09/2011

In het kraakverse nummer van Staalkaart, dat een week of twee geleden van de persen is gerold, open ik mijn artikel over Braakland/ZheBilding met deze waarachtige zinnen: ‘Dat het goed gaat met muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding staat buiten kijf. Het kreeg de afgelopen jaren twee keer de toneelschrijfprijs, werd officieel stadsgezelschap van Leuven, sleepte de cultuurprijs van de KULeuven in de wacht en zocht intussen gestaag voort naar het ideale evenwicht tussen muziek, tekst en spel.’ En op dat moment was nog niet eens bekend dat het gezelschap ook nog eens de prestigieuze Vlaamse Cultuurprijs Podiumkunsten in de wacht sleept.

Intussen denkt het gezelschap extra diep na over zijn naam. Bij zijn oprichting, nu meer dan tien jaar geleden, stelden de eerste Braaklanders tussen pot en pint vast dat hun hometown Leuven een behoorlijk bedroevend cultureel braakland was. Wél een opleiding theaterwetenschappen aan de universiteit, wél een praktijkinstelling als het Lemmensinstituut. Maar geen professioneel theatergezelschap. Daar kon aan gebouwd worden, vonden ze, en zo ontstond Braakland/ZheBilding. De jaren daarop bouwde het gezelschap vastberaden aan zijn geheel eigen theatertaal en zo raakte het braakland stilaan bebouwd. Kunnen ze zich anno 2011 dan nog wel Braakland noemen, vragen ze zich daar in Leuven af. We vernemen er ongetwijfeld meer over zodra de makers zijn uitgevierd. Want feest is het dubbel en dik: de champagne van de cultuurprijs is nauwelijks leeggetoost of ze kunnen zich al klaarmaken voor het officiële openingsweekend van OPEK, het Openbaar Entrepot voor de Kunsten (10 en 11 september). OPEK wordt een ontmoetingsplek voor kunst en talent waar zeven professionele culturele organisaties zullen samenhuizen.

In het openingsweekend valt er allerlei te beleven in OPEK. Neem dus zeker een kijkje in het programma. Eén van die dingen is de première van Luide muziek, een sociaal-artistiek project van BZB en De Figuranten uit Menen. Een fragment daarover uit het interview dat ik voor Staalkaart afnam van Adriaan Van Aken en Stijn Devillé, die het stuk samen regisseren:

Het is de eerste keer dat Braakland zich op het sociaal-artistieke spoor waagt en het gezelschap doet dat met evenveel enthousiasme als zenuwachtigheid. ‘Hein Mortier, het opperhoofd van De Figuranten, is een vroegere klasgenoot van ons’, zegt Adriaan Van Aken. ‘Hij had al eerder gepolst of we een samenwerking zagen zitten, maar tot nu hadden we nog geen geschikt project gevonden.’ Stijn Devillé: ‘Anderzijds zaten we met een ei. Sociaal-artistiek werk is Heins biotoop – hij heeft een natuurlijke slag om met jongeren met een kwetsbare achtergrond theaterprojecten op te zetten. Onze manier van theatermaken is helemaal anders… nogal saai, als je wil. We proberen met taal en muziek een heel fijne puzzel in elkaar te steken. Het is nauwgezet, geconcentreerd werk. En dus vreesden we een beetje dat we die jongeren onmogelijk konden boeien met onze manier van werken.’ Tot uit een heftige brainstorm het concept voor Luide muziek tevoorschijn kwam.

Sinds de productie Dansen drinken betalen uit 2006 speelde Adriaan Van Aken met het idee om ooit te onderzoeken welke impact luide muziek op acteurs heeft. ‘In die voorstelling komt een drietal echt luide, dynamische muziekmomenten voor, waar Sara (Vertongen, red.) heel hard in meegaat. Ook het effect op de zaal is altijd verrassend – zeker als je in klassieke theaterzalen speelt. Kun je een volledige voorstelling maken die zo ruw, dynamisch en gechargeerd is? Hoe lang hou je dat vol? Wat doet het met de spelers? Daar wil ik graag achter komen. En tijdens het gesprek met De Figuranten vonden we dan eindelijk de inhoud die erbij zou kunnen passen.’

(einde fragment)

Luide Muziek from DE FIGURANTEN on Vimeo.

Meer weten? Lees dan het artikel in Staalkaart en/of ga zelf naar de voorstelling kijken, natuurlijk…