The Ministry of Operatic Affairs: “Het feilbare van het bovenmenselijke”

21/08/2013

Vandaag viel de nieuwe Staalkaart in de bus, met daarin alweer een hele schare aan schone letters. Mijn bijdrage aan dit nummer is gewijd aan het gloednieuwe reizende operagezelschap The Ministry of Operatic Affairs van drijvende krachten Korneel Hamers en Bart van Reyn. Op 6 oktober gaat hun eersteling in première: Don Giovanni van Mozart.

Ik was erg blij met dit gesprek. Ik ben namelijk altijd geïntrigeerd door mensen die nieuwe gezelschappen oprichten: waarom doen ze het? En vooral: om wat te bereiken en wat toe te voegen (dat er nog niet was)? Hamers en Van Reyn blijken dat bijzonder goed te weten. Hun goesting is eindeloos. Hun ambitie niet minder. Ze ergerden zich blauw aan bestaande reizende operagezelschappen van Nooit-van-Gehoord die in onze contreien de culturele schouwburgen bestormen met producties van middelmatig tot verbazend laag allooi. Precies het type opera waarvan ik zelf ook altijd met een moedeloze zucht onder mijn schouwburgstoel pleeg te glijden. Het hele opzet, de aanpak, de ergernissen, het enthousiasme en de zenuwachtigheid over de nieuwigheid lees je in Staalkaart #21. Ik trakteer u hier op een fragment.

*

In 2012 pakten de twee een pint in een Berlijns café. Ze zetten een boom op over opera en hoe graag ze zich in het genre verdiepten. Ze wonden zich ook op in oubollige, fantasieloze of gewoon slechte uitvoeringen. “Laten we het zelf gaan doen”, besloten ze. Beter. Anders. Nieuw, maar zonder aan de kern te raken. “We brengen Mozart pur sang. Laat dat duidelijk zijn. We maken géén bewerking, we hebben geen noot aan de muziek veranderd. Dat is heel belangrijk.”

*

Van Reyn en Hamers willen met hun gezelschap het beste van drie werelden samenbrengen. Een muzikale uitvoering op hoog niveau, de grootsheid en het oneindig fascinerende van opera en de codes en werkwijzen van hedendaags theater. Dat zou de sleutel moeten zijn tot ‘opera vandaag’.
“Wij vormen een vast operacollectief”, legt Bart Van Reyn uit. “Dirigent, regisseur en vormgever werken vanaf het begin intensief samen. Dat klinkt misschien logisch, maar in opera heb ik het nog nooit weten gebeuren. Meestal zet een intendant een regisseur en een dirigent samen, omdat hij ze apart van elkaar aan het werk heeft gezien en interessant vond. Maar dikwijls pakt die mayonaise niet. In het ergste geval kunnen ze elkaar niet luchten of lopen hun visies zo sterk uit elkaar dat ze zwaar met elkaar in de clinch gaan. Dat zal met ons niet voorvallen. We zijn dit proces al zo lang met elkaar aan het doorspreken en we waarderen elkaar heel erg als artiest. Dat moet wel een meerwaarde opleveren.”

*
Hun eigen fascinatie voor opera begon al vroeg. Korneel Hamers kreeg het zwaar te pakken toen hij een jaar of 13 was. “Ik had in de muziekacademie een fantastische leraar muziekgeschiedenis. Met hem ben ik voor het eerst in Antwerpen naar de opera gegaan, naar de Puccini-cyclus van Robert Carsen. Hij was toen nog de grote minimalist van de opera. Ik herinner me dat er een gigantische kast op scène stond, en een dito bed en stoel. Dat was alles. Daarmee vertelde hij het hele verhaal. Ik vond dat onwaarschijnlijk fascinerend en ik weet nog dat ik toen dacht: Dat moet ik ooit gaan doen.” Hij noemt opera een perfect-imperfect medium. “Een van de voornaamste redenen waarom mensen naar de opera gaan, is omdat de zangers er iets bijna bovenmenselijks presteren met hun stem, iets wat je alleen bereikt door een soort topsporttraining. Maar tegelijk voel je dat het medium eigenlijk te groot is voor de mens. Het is heel moeilijk om het er als maker zonder kleerscheuren vanaf te brengen. En dit klinkt wellicht heel raar, maar je komt vaak een operazaal buiten met het gevoel dat de productie het alweer net niet heeft gehaald: de muziek is zo groot, de machine zo moeilijk te vatten – er is altijd wel ergens een radertje dat niet naar behoren draait. Precies dat spreekt mij aan. Het feilbare van het bovenmenselijke, zeg maar.”
Bart Van Reyn raakte zo door opera geïntrigeerd dat hij al in zijn studententijd per se deel van de machine wou uitmaken. Hij ging aanvankelijk bij de dienst Boventiteling werken in de Vlaamse Opera. Later werd hij assistent-dirigent. “Ik wilde het apparaat van binnenuit leren kennen”, vertelt hij. “Ik heb intussen toch al een 60-tal opera’s op de een of andere manier van dichtbij kunnen meemaken. En het is cliché, maar het idee van het Gesammtkunstwerk speekt mij hard aan. De wederzijdse beïnvloeding van het auditieve en het visuele, dat is gewoon super aan opera.”

Première 6 oktober.
Speelreeks, plaatsen en data.
www.ministryofoperaticaffairs.be

Advertenties