“Wie op een podium klimt, moet iets te zeggen hebben” – Stijn Devillé fileert de gevolgen van de crisis

16/01/2014

Vanavond, 16 januari 2014, gaat Angst in (avant)première, een coproductie van muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding en De Queeste. Voor de gelegenheid: een fragment uit mijn artikel in Staalkaart.

*

In 2008 brak de bankencrisis in alle hevigheid los. Een globale financiële crisis volgde. Theatermaker Stijn Devillé, die vindt dat theater met beide voeten in de maatschappij moet staan, gooide zich op het thema en puurt er zowaar een drieluik uit. Na Hebzucht uit 2012 gaat nu Angst in première. ‘Ik ben er zelf wel banger door geworden, ja.’

(c) Stephan Vanfleteren

‘Toen ik met de research van Hebzucht bezig was, besefte ik al snel dat ik al dat materiaal niet in één voorstelling gepropt kreeg. Ik moest ergens een keuze maken. Daarom heb ik het in dat eerste luik over de kiem van de crisis: hoe is het begonnen? Wat waren de oorzaken?’, vertelt auteur-regisseur Stijn Devillé. Maar zodra hij die beslissing had genomen, merkte hij dat het verhaal daarmee nog maar net begonnen was. ‘De crisis duurt voort. Mensen verliezen hun baan, hun huis, enzovoort. Ze worden bang. Over dat aspect hebben we het in Angst.’ Hij verdiepte zich nog meer in het thema en hij voelde dat hij er cynisch van dreigde te worden. ‘Je ziet wat er gebeurt en dat het systeem zichzelf eigenlijk alleen maar blijft herhalen. Daarop reageer je uiteindelijk bijna alleen nog met schouderophalen. Of je wordt zelf bang.’ Hij vond het een beetje té om zijn publiek met zo’n brok in de maag achter te laten. ‘Na de crisis en de angst hebben we absoluut hoop nodig’, vindt hij. ‘En dus zal het uiteindelijk een drieluik worden: Hebzucht, Angst en Hoop.’ Hoe dat laatste deel er precies uit zal zien, zijn zorgen voor later, want vaste vorm heeft het plan nog niet. Devillé: ‘Je kunt hoop putten uit kleine initiatieven die her en der opduiken. Die zijn nu nog bijzonder marginaal, maar ik denk echt dat we het daarvan zullen moeten hebben. De voorstelling zal draaien rond vragen als: waar vinden we hoop en wat kunnen we er zelf voor doen? Kunnen we er überhaupt zelf iets voor doen?’ Misschien wordt die derde een call for action, misschien ook niet. Daarvoor is de hoop nog te pril. ‘Ik ben tijdens mijn onderzoek op een aantal hoopvolle dingen gestoten, maar voorlopig vraag ik me nog te veel af of het niet al te naïef is om te verwachten dat daarin dan de redding zal schuilen.’ Het kiemt nog wel. Voorlopig hebben we genoeg aan (onze) Angst.

Groeidenken is voorbij
‘Ik ben zelf best bang geworden tijdens mijn research voor dit stuk.’ Stijn Devillé lacht met zijn uitspraak, maar de uitleg die volgt is bloedserieus. ‘Er gaan tegenwoordig meer en meer bijzonder pessimistische stemmen op, zoals die van Joris Luyendijk, die stelt dat er helemaal niks veranderd is. Iedereen blijft doen wat hij voor de crisis deed, terwijl dat absoluut niet houdbaar is.’ Tegenstanders zetten de journalist Luyendijk weg als een onheilsprofeet. Maar Stijn Devillé is het grotendeels met hem eens: ‘Als je je wat beter in de materie verdiept, merk je dat het probleem veel meer omvat dan een puur financiële kant. Ik las een rapport van het Britse beursbedrijf Tullett Prebon, dat is zo’n bedrijf dat advies verleent over beursgang en investeringen – het harde geld – en ik schrok van hun analyse, omdat ze naadloos aansloot bij de opinie van zogenaamd linkse transitiedenkers zoals ecologisch economist Tim Jackson of sociaal psycholoog Harald Welzer. Die pleiten ervoor om het hele groeidenken waarop onze economie is gebaseerd te herdenken. Ze worden door velen voor naïevelingen versleten en als je hun werk leest, krijg je dat soort twijfels snel. Er zijn zoveel belangen mee gemoeid, je moet zoveel mensen en systemen meekrijgen in een totaal nieuwe richting… Dan is het behoorlijk choquerend om precies hetzelfde te horen van zo’n keihard beursbedrijf, dat geen rekening houdt met ethische standaarden. Tullett Prebon concludeerde eveneens dat het groeidenken eindig is. Analist Tim Morgan gaf daarvoor een heel simpele reden: onze economie is geen financiële constructie, maar drijft puur op energie. De economie is maar ontstaan zodra de mens energie wist om te zetten in werkkracht. Voordien was een uur werk een uur werk. De ene mens kon misschien wat harder werken dan de andere, of was een tikje sneller of handiger, maar grosso modo was het dat. Je kon het werkproces op die manier niet optimaliseren. Hoogstens zette je een paard of een os in of zo. Dat is allemaal veranderd toen er machines kwamen. In 1770 vond James Watt de stoommachine uit, daarna volgde de verbrandingsmotor. Vanaf dan kreeg je een almaar grotere output uit een kleine input. Toen ontstond de economie. Die is dus volledig gebaseerd op fossiele brandstoffen. En dan krijg je die hele discussie over de eindigheid van de brandstoffen, die door evenveel mensen ontkend wordt. In dit rapport werd het eindelijk een keer volledig genuanceerd uitgelegd. Er zijn inderdaad, zoals tegenstemmen beweren, nog behoorlijk wat reserves. Maar daar gaat het helemaal niet om. De vraag is hoeveel energie we spenderen aan het winnen van energie. Vroeger hoefden we maar een heipaal in de grond te slaan en de olie spoot eruit. Per liter olie die je in de motor goot om olie op te pompen, haalde je 100 liter boven. Die verhouding van 100 tegen 1 is de laatste jaren stelselmatig naar beneden gegaan. In de Verenigde Staten of in de Noordzee halen we nog maar 5 liter tegen 1. En op een gegeven ogenblik komen we tot stilstand: dan spendeer je een liter om een liter te winnen. Dat is ook het probleem met veel alternatieve energiesoorten, zoals biobrandstoffen, bio-ethanol of schaliegas: die hebben zelfs een negatief rendement. Het is dus gekkenwerk om daarop in te zetten. De enige bronnen die nog relatief goed zitten, zijn de zon en de wind: daar halen we 17 tegen 1, wat nog een pak minder oplevert dan de 100 tegen 1 waarop onze huidige economie en welvaart gestoeld zijn. Morgan voorspelt dus dat dat systeem volledig in elkaar gaat klappen, omdat onze energiekosten veel groter gaan worden dan onze groei ooit nog kan zijn. En dus concludeert hij – net zoals de linkse transitiedenkers – dat we fundamenteel zullen moeten nadenken over hoe we met de overgebleven grondstoffen zullen omgaan, met energie in het algemeen en met ons financieel verkeer, dat onlosmakelijk met die energie verbonden is. Toen ik dat las, vroeg ik me af waarom de ecologische bewegingen die argumenten nog nooit zo duidelijk op tafel hebben gelegd. Hun zwart-witanalyses over de brandstoffen die op raken worden met even grote zwart-witargumenten van tafel geveegd door de olielobby. Hier kreeg ik eindelijk het hele verhaal. Het was bijzonder verhelderend, maar niet bepaald geruststellend.’

www.braaklandzhebilding.be

Advertenties

Valentijn Dhaenens, DeKleineOorlog: “De zinloze zucht naar strijd”

07/01/2014

Hoe zet je oorlog op een podium? Alvast niet door een paar loopgraven na te bouwen of een gevecht te ensceneren, vindt theatermaker Valentijn Dhaenens. In zijn succesvolle monoloog DeGroteMond liet hij speeches van wereldleiders met elkaar resoneren tot één grote ode aan de – vaak gevaarlijke – kracht van het woord. In DeKleineOorlog laat hij de gewone mens antwoorden. De soldaat die ja knikt en naar het front trekt. De verpleegster of dokter die kapotgeschoten levens probeert te lappen. Eerst was er het woord. Toen kwam er een daad. Nu zijn er enkel nog gevolgen.

DeKleineOorlog van en met Valentijn Dhaenens nog niet gezien? De monoloog is anders een prima begin om aan een jaar vol herdenkingen aan de Eerste Wereldoorlog te beginnen. Kijk hier voor speeldata. Ook nu nog niet vastgelegde hernemingen zullen daar verschijnen.

Ik interviewde Valentijn Dhaenens twee maanden voor de première voor Staalkaart. Hieronder: een fragment waarin hij het heeft over het creatieproces. Via de website van Skagen vind je een volledig archief van artikelen, recensies en radio-interviews over de voorstelling. In dat overzicht staat ook mijn tekst volledig.

“Twee maanden voor de première is Valentijn Dhaenens nog overstelpt door interessant en bruikbaar materiaal. Stapels boeken met reepjes papier als geheugensteuntjes tussen de bladzijden. Notities. Flarden tekst. Video en geluidsopnamen. Langzaam beginnen zich in die chaos de contouren van een voorstelling af te tekenen. ‘Eigenlijk hou ik niet zo van chaos’, zegt Valentijn Dhaenens. ‘Ik vloek geregeld dat ik gestructureerder tewerk moet gaan, al helemaal wanneer ik weer eens op een perfect bruikbaar tekstfragment stuit dat ik in de veelheid helemaal uit het oog dreigde te verliezen. Maar uiteindelijk levert die moeizame, zoekende weg voor mij toch de grootste rijkdom op. Ik pluk overal stukjes uit en leg dingen samen in de hoop dat ze op een gegeven ogenblik zullen beginnen te communiceren, wat ook vaak gebeurt. Het is een avontuurlijke manier van werken. Als je bij het begin al een structuur vastlegt, maak je één beslissing en is er daarna geen weg meer terug. Nu kan ik veel open houden en gaandeweg nog dingen aanpassen, of zelfs heel het ding compleet omgooien, precies omdat ik niet naar één specifiek punt toe werk. Dat is ook het voordeel van alleen werken: je kunt heel intuïtief beslissingen nemen, omdat je de keuzes die je wil maken niet aan anderen hoeft uit te leggen en niet hoeft te verdedigen. Er is zo’n quote van Wittgenstein: Die Grenzen meiner Sprache bedeuten die Grenzen meiner Welt. Bij mij is dat echt zo. Als ik iets uitleg – zoals ik ook nu zit te doen – heb ik het gevoel dat jij je er een beeld van vormt, maar dat beeld stemt niet overeen met het mijne. In de communicatie verliezen we veel. Daarom wil ik ook echt dat het een solotrip blijft – een confrontatie met mezelf en mijn gedachten. Dat levert al eens scherpere of extremere beslissingen op, ook al omdat je je niet kunt laten beïnvloeden door wat anderen van jouw ideeën vinden.’
Op zijn laptop heeft Valentijn Dhaenens een mapje met de titel ‘Scherven’. Daarin verzamelt hij ook weer fragmenten, stukjes die hij zelf heeft geschreven, ideeën. Zin per zin vormt zich zo een tekst. ‘De heftigste periode moet nog komen, zegt hij. ‘Mijn monoloog DeGroteMond heb ik op dezelfde manier gemaakt en die heeft pas in de laatste week voor de première zijn definitieve vorm gekregen.’

De keerzijde
In de aanloop naar de DeKleineOorlog heeft de maker halve bibliotheken vol oorlogsboeken gelezen. ‘Die concentreerden zich voornamelijk rond de Eerste Wereldoorlog’, legt hij uit. Volgend jaar is het een eeuw geleden dat die oorlog uitbrak, dus daarvoor alleen al leek het een logische keuze om hem als vertrekpunt te nemen. ‘Maar die Eerste Wereldoorlog staat ook symbool voor ‘de oorlog’’, vindt Valentijn Dhaenens. ‘Het was de eerste geïndustrialiseerde oorlog, het eerste mondiale conflict. En hij was totaal zinloos: hij ging over niets en heeft uiteindelijk ook niets veranderd. Ik zie de Eerste Wereldoorlog dan ook als hét symbool voor de zinloze zucht van de mens naar strijd. Dat wordt het hart van de voorstelling.’ Maar de boeken en documenten bleven zich ophopen. Zucht naar strijd en zinloosheid beperken zich nu eenmaal niet tot 1914-1918. ‘Ik heb ook veel gelezen over Irak en Afghanistan, en dan terug in de geschiedenis, tot en met de oorlogen van de Spartanen, helemaal in het begin. Welk materiaal nu wel of niet de uiteindelijke voorstelling zal halen, is nog niet duidelijk, maar ik weet wel al wat ik ermee wil vertellen. Er gaat in 2014 heel wat rond de Eerste Wereldoorlog gebeuren en veel van die projecten zullen wellicht het leven van één persoon centraal stellen. Daarom wil ik de anekdote graag overstijgen en veel verschillende stemmen aan bod laten komen, om zo een universeel verhaal te verkrijgen. Daarbij wil ik vooral de gewone man niet uit het oog verliezen. De verleiding is groot om er hier en daar nog een speech tussen te steken die oproept tot oorlog. Ik heb er nog een aantal goeie liggen die de vorige voorstelling niet hebben gehaald’, lacht hij. ‘Maar ik hou me in: DeKleineOorlog moet de keerzijde van de medaille tonen. DeGroteMond concentreerde zich op de woorden van grote mannen die zich God wanen en met een vingerknip hele massa’s de oorlog in sturen. Nu wil ik de stemmen laten horen die uit die massa’s klinken. Het slachtoffer. De gewone mens die zich niet kan weren tegen die grote ideeën, die niet in staat is om te zeggen: Ik doe hier niet aan mee.’”