Guy Cassiers en Tom Lanoye maken Hamlet vs Hamlet: ‘Shakespeare moet smoorverliefd geweest zijn op theater’

08/05/2014

Voor hun vijfde samenwerking zetten Guy Cassiers en Tom Lanoye hun tanden in Hamlet – het stuk der stukken. Een negenkoppige cast (samengesteld uit de verenigde Toneelhuis- en Toneelgroep Amsterdam-stallen), een vrouw in de hoofdrol, Lanoyes bevlogen vijfvoetige jamben en Cassiers’ multidisciplinaire Fingerspitzengefühl: voer voor een Hamlet die de confrontatie met alle voorgaande ensceneringen aandurft. En laat dat net het opzet zijn…

Ik herneem hier een deel van het artikel dat ik over de productie geschreven heb in Staalkaart. Resterende speeldata vind je op www.toneelhuis.be

Shakespeare heeft Hamlet – net als zoveel andere verhalen uit zijn portfolio – niet zelf verzonnen. Vandaag gaan literatuurwetenschappers ervan uit dat Thomas Kyd de oerversie heeft geschreven. Guy Cassiers: ‘Shakespeares teksten hebben ook lang niet allemaal een perfecte schriftuur of dramaturgische opbouw. Maar hij heeft ze wel in een vorm weten te gieten die vandaag nog altijd fascineert. De liefde voor het theater zit een stuk als Hamlet in de genen: Shakespeare moet smoorverliefd zijn geweest op het theater. Hij wou zijn acteurs laten schitteren. En dat deed hij in een taal en stijl waar we vandaag nog altijd jaloers op mogen zijn. Bovendien bevatten veel van zijn stukken mysterie: niet alles wat hij vertelt, wordt verklaard. Precies daardoor blijft zo’n werk mij en vele anderen stimuleren om almaar nieuwe betekenissen tussen die lijnen te ontdekken. En precies daardoor blijft Shakespeare ook het publiek boeien.’

Ontsporende verbeelding
Toch lag Hamlet niet al jaren op Guy Cassiers’ kast te wachten om afgestoft te worden. ‘Het idee begon pas echt te gisten nadat ik de roman Heart of Darkness van Joseph Conrad had bewerkt. Dat hoofdpersonage, kolonel Kurtz, heeft afstand genomen van de realiteit. In zijn verbeelding genereert hij een heel eigen universum. Dat thema vind ik bij Shakespeare terug in Macbeth en Hamlet. Het leek me interessant om me er nog wat meer in te verdiepen door die twee generaties in hetzelfde seizoen op de planken te brengen. Macbeth staat voor de oudere generatie, Hamlet voor de jongere en bij allebei draait het erom hoe je je verbeelding kunt benutten om – dikwijls op een indirecte manier – de realiteit beter te begrijpen. Sla je daarin een verkeerde weg in, dan dreig je verloren te lopen.’
Zowel bij Hamlet als bij Macbeth bevinden we ons onder machthebbers en laat het mechanisme van de macht nu net een van Guy Cassiers’ hardnekkigste thematische stokpaardjes zijn. In beide stukken verliezen de personages grip op de werkelijkheid. ‘Maar er is een groot verschil in maturiteit tussen beiden: Macbeth is een volwassen man, terwijl Hamlet op de drempel van de volwassenheid staat – hij moet nog helemaal gekneed worden.’

Halfwas
Tom Lanoye zette zijn tanden in de tekstbewerking. Het werd de vierde samenwerking met Guy Cassiers, na Mefisto for ever, Atropa. De wraak van de vrede en Bloed & rozen. Het lied van Jeanne en Gilles. In de eerste gesprekken tussen Cassiers en Lanoye was Hamlets status als halfbakken mens een van de belangrijkste kapstokken. Beide makers waren het er roerend over eens dat de Deense prins al te vaak door te oude acteurs wordt neergezet (denk aan Laurence Olivier, Richard Burton of Kenneth Branagh). En zo’n keuze maakt bepaalde scènes en daden in hun ogen ongeloofwaardig. ‘De felle dadendrang én de verlamming door faalangst — allebei eigen aan jonge idealisten — die Hamlet zo typeren, passen niet bij een man die evengoed 35 zou kunnen zijn als 45’, stelt Tom Lanoye. Maar té jong mag hij ook weer niet zijn. ‘Romeo en Julia waren prille pubers, slachtoffers van hun allereerste en dus tomeloze kalverliefde. Zij zijn zich wel bewust van de tegenkanting van hun families, en van de vendetta tussen beide, maar niet van de details, de werking, de historie, de hele politiek van de machten die daarachter schuilgaan. Hun drijfveer blijft zuiver romantisch, van de wereld weg.’ Dat is bij Hamlet al anders. Hij is oud en wijs genoeg om dat soort mechanismen en verhoudingen te vatten. Lanoye: ‘Hij bezit de intelligentie om machiavellisme te detecteren. Maar evenzeer bezit hij nog de jeugdige drang tot zuiverheid, waardoor hij zich daar bij voorbaat en principieel tegen verzet. Hij wordt voortgestuwd door de hooggestemde Sturm und Drang van iedere brandnieuwe generatie, maar — anders dan Romeo en Julia — geeft hij zich rekenschap van álle gevolgen van zijn daden.’ Zodoende wordt Hamlet verscheurd door vertwijfeling. Verontwaardiging, vrees, overmoed, onmacht, zelfhaat, maar ook melancholie en cynisme vechten in hem om de overhand. ‘Dat maakt Hamlet – in tegenstelling tot Romeo en Julia – verwarrend veelzijdig.’
Guy Cassiers ziet dan weer een parallel tussen het personage Hamlet en Europa vandaag. ‘De Europese identiteit is behoorlijk schizofreen’, vindt hij. ‘We dreigen met zijn allen het geloof in de politiek te verliezen. Toch blijft Europa vasthouden aan een tomeloze ambitie: het probeert zich een geloofwaardige identiteit aan te meten en het wereldbeeld mee te bepalen. Maar als er dan iets gebeurt vlak buiten onze grenzen, waar de Arabische lente is ontaard in een Syrische nachtmerrie, staan we er met onze mond vol tanden naar te kijken. Je voelt gewoon de onbeholpenheid van zo’n entiteit die zich groots en stevig voordoet, maar bij de eerste de beste confrontatie in immobiliteit verzandt. Onze Hamlet is als Europa: hij raakt verlamd door alle emoties die in hem woeden.’
‘Alleen zijn verbale energie blijft onverminderd sprankelen’, besluit Tom Lanoye. Om dat te onderstrepen, heeft de auteur de vijfvoetige jambe van Shakepeare behouden. Sinds hij die versvoet eind jaren 90, tijdens zijn bewerking van Shakespeares koningsdrama’s voor Luk Perveval en de Blauwe Maandag Compagnie in de vingers kreeg,laat hij geen kans onbenut om hem nog eens uit de kast te halen. Het metrum vloeit tegenwoordig schijnbaar moeiteloos uit zijn pen.

Theater = mensen
Theater maken is samenwerken. En voor Guy Cassiers en Tom Lanoye draait samenwerken allereerst om de mensen die je daarvoor bij elkaar brengt. Een andere regisseur en auteur komen vanzelfsprekend met een totaal verschillende productie op de proppen. Maar ook de keuze van de acteurs drukt een wezenlijke stempel op het eindresultaat. Bij een Hamlet geldt dat zo mogelijk nog meer dan bij andere stukken. Tom Lanoye: ‘Hamlet ensceneren en interpreteren lijkt me, gek genoeg, hiermee te beginnen: wie speelt die rol? Wie bezit zowel de technische bravoure als de nodige ambivalentie? De maturiteit én de frisheid, de gekte én de helderheid? Elke interpretatie wordt mee bepaald door die keuze, omdat de rol zulke hoge en specifieke eisen stelt. Enkel iemand die sterk van geest is maar nog jong oogt, en die frêler is dan de volwassenen die hij aanwrijft alle zuiverheid te hebben verloren, kan deze Hamlet geloofwaardig belichamen.’ Wie, o wie? Voor de auteur stond het snel vast. Abke Haring moest de hoofdrol spelen: ‘Haar androgynie, haar kwetsbaarheid en innerlijke kracht zullen ons schimmenspel van zijn en wezen, van zien en zijn, dat hele spiegelpaleis van hartstocht en paranoia alleen maar vergroten.’
Guy Cassiers was het onmiddellijk met hem eens, hoe onvanzelfsprekend het ook lijkt om een vrouw Hamlet te laten spelen. ‘In het verleden hebben al heel wat vrouwen de rol vertolkt’, zegt hij. Naar verluidt zette Sarah Bernhardt in 1899 een ronduit schitterende Hamlet neer. Ook Asta Nielsen, dé ster van de stomme film, nam de rol met veel bravoure op zich. In haar enscenering bleek Hamlet geen prins, maar een prinses: juist omdat ze een vrouw was, werd Hamlet als troonopvolgster geboycot. Een affaire met Horatio mocht in zo’n interpretatie uiteraard niet ontbreken.
In die val willen Cassiers en Lanoye hoegenaamd niet trappen. ‘Onze Hamlet is geen vrouw’, benadrukt Tom Lanoye. ‘Abke speelt een jongeman zoals ten tijde van Shakespeare alle vrouwenrollen werden gespeeld door jongens: niet als travestieten, maar als acteurs die vrouwen belichaamden.’
Wanneer Lanoye theater schrijft, doet hij dat met welbepaalde acteurs voor ogen. Daarom was het voor hem niet alleen belangrijk te weten naar wie de rol van Hamlet zou gaan. ‘Net zoals bij Shakespeare is bij Tom de liefde voor het theater groot’, vertelt Guy Cassiers. ‘Dat is volgens mij zijn grote kracht als theaterauteur: hij schrijft voor de acteurs. Hij hoort hen de teksten uitspreken terwijl hij schrijft, hij ziet hen spelen in zijn hoofd.’

Fragiel
De wederzijdse beïnvloeding van Lanoye en Cassiers blijkt eveneens bijzonder groot. Ze hebben stilaan een geolied mechanisme ontwikkeld om hun beide stemmen optimaal tot hun recht te laten komen. ‘Je hebt veel schrijvers en componisten die slordig met tijd omspringen, maar Tom doet dat niet’, vertelt Guy Cassiers. ‘Hij is heel praktisch ingesteld. Ik ben daar soms best jaloers op. Hij weet maanden vooraf precies wanneer hij wat zal doen. Voor veel auteurs bestaat dan het gevaar dat het schrijven niet wil lukken op het geplande moment, maar Tom heeft daar blijkbaar nog nooit last van gehad. Hij doorloopt ook altijd een heel lang voortraject: welke personages behouden we, welke schrappen we en waarom, hoe komen ze elkaar tegen… Pas als het allemaal glashelder in zijn hoofd zit, begint hij te schrijven. Ik zit dan soms al te denken: O-oh, gaan we het wel halen? Maar als hij eenmaal begint, gaat het schijnbaar vanzelf: hij schrijft even snel als hij praat’, lacht de regisseur. Vervolgens legt Lanoye Cassiers een veel te lange eerste versie voor. En dan begint de wisselwerking. ‘Een auteur die theater schrijft, is erg bekommerd om duidelijkheid. Hij wil dat alle beweegredenen van alle personages duidelijk zijn. Maar tijdens de repetities blijkt dan vaak dat je al die dialogen met achterliggende gedachten niet per se nodig hebt. En dus kun je schrappen. Tom heeft daar ook nooit problemen mee. Er is meestal een groot verschil tussen de eerste versie die hier op tafel komt en de uiteindelijke speeltekst op de première. De repetities dienen er in principe voor om te ontdekken wat we niet nodig hebben. Daarom ook is Tom er altijd bij tijdens de laatste repetitieweken.’ Hoewel het een vertrouwde manier van werken is geworden, waar Guy Cassiers ook blindelings op vertrouwd, blijft het moment waarop hij die allereerste versie open klikt toch altijd razend spannend. ‘Het eigenaardige aan theater is dat de première, de speelreeks en alle contracten al vastliggen vóór het artistieke werk van start gaat. Zelfs na zoveel jaren blijft elke voorstelling weer opnieuw beginnen. Je vertrekt vanuit niets en moet ontdekken. Je ontwikkelt daar na verloop van tijd een zekere rust in, maar toch besef je heel goed dat je je telkens opnieuw in een situatie zet die je weinig biedt om op terug te vallen. Je probeert tenslotte telkens nieuwe paden te bewandelen: dat maakt het net zinvol voor jezelf en alle andere betrokkenen, maar het maakt theater ook heel fragiel.’

Hamlet vs Hamlet
Coproductie tussen Toneelhuis en Toneelgroep Amsterdam

Advertenties

De laatsten der onverstandigen (De Roovers): laatste voorstellingen!

07/05/2014

Wanneer De Roovers een voorstelling willen maken, kiezen ze doorgaans eerst een thema – in de Dollarcyclus, waarvan De laatsten der onverstandigen het tweede deel is, is dat ‘geld’ en wat geld hebben of niet hebben met een mens doet. Vervolgens slepen ze alles wat ze over dat thema kunnen vinden mee naar de repetitieruimte. Ze lezen, ze lezen aan elkaar voor, ze zoeken favoriete toneelstukken en/of andere teksten en proberen de anderen dan te overtuigen dat de tekst van hun keuze de meest fantastische is die ze kunnen brengen. Na een tijdje valt dan het verdict: die tekst of dat materiaal zullen ze gebruiken.

Dit keer was het Luc Nuyens die met De laatsten der onverstandigen van de Oostenrijkse theaterauteur Peter Handke op de proppen kwam. Het thetercollectief zocht een geschikt tweede deel voor hun Dollarcyclus, een serie over de financiële en morele crisis van het moderne kapitalistische systeem. Vorig seizoen speelden de Roovers al Shakespeares Timon van Athene, een minder bekende Shakespearetekst uit 1607, als eerste deel van de reeks. Daarover zegt Robby Cleiren: “Timon van Athene is helemaal niet populair en is zeker niet Shakespeares meest gepolijste, virtuoze of zelfs afgewerkte stuk. Maar er zit volgens ons toch iets heel interessants in: een ruwe kern die we wilden tonen aan de mensen.” In zijn recensie na die voorstelling schreef criticus Tuur Devens in De Theaterkrant dat De Roovers erin geslaagd waren om van ‘die draak van een toneelstuk’ toch een ‘zeer genietbare voorstelling’ te maken. Dat zegt veel, maar toch vooral ook dat De Roovers taai, weerbarstig en niet voor de hand liggend tekstmateriaal niet schuwen.

Nu dus, voor deel 2 van de Dollarcyclus, doken de makers opnieuw in al het vindbare materiaal waarin geld van ver of dichtbij een rol speelt. En uiteindelijk viel het verdict: Peter Handke zou het worden.

Peter Handke is een van de belangrijkste en tegelijk ook meest controversiële na-oorlogse Oostenrijkse auteurs. Al meteen met zijn eerste toneelstuk, Publikumsbeschimpfung, deed hij fel over zich praten. De laatsten der onverstandigen schreef Handke in 1974. Met dat stuk nemen De Roovers hun publiek mee naar de gouden jaren 60. Een clubje topondernemers komt samen om prijsafspraken te maken en zo de concurrentie definitief een kopje kleiner te maken. Een van hen breekt echter zijn belofte, waardoor de anderen al snel vervallen in twijfel en achterdocht.

Zo simpel klinkt het verhaal. Maar er zitten veel meer lagen onder die dunne plot dan dat. Robby Cleiren vertelt dat hij eerst vrij sceptisch stond tegenover het stuk. De Roovers waren er niet allemaal vanaf het begin voor gewonnen. Hij vond de tekst wel heel erg weerbarstig en hij vroeg zich af of het publiek zo’n stuk wel zou accepteren. Het is inderdaad geen tekst waarmee een gezelschap tegen het publiek zegt: “Leun nu maar even gezellig achterover en maak het uzelf comfortabel.” Het is geen evident stuk en daarvan waren de makers zich heel goed bewust. Toch zijn ze ervoor gegaan, precies omdat ze het thema zo sterk vonden. Ook Robby Cleiren moet toegeven dat het stuk prima aansluit bij de opzet van hun Dollarcyclus: “De personages zijn stuk voor stuk vermogende mensen die hun identiteit gekoppeld hebben aan wat ze bezitten: hun grote auto, hun villa, hun buitenverblijf, hun dure kleren, hun geld. Je kunt je voorstellen wat er gebeurt als er barsten in de weelde komen: als je zo iemand zijn materiële goederen afneemt, dan pak je ineens ook zijn identiteit af. En vervolgens ontstaat er een identiteitscrisis. Zo zegt een van de mannelijke personages in het stuk op een gegeven ogenblik: Wie ben ik eigenlijk?”

Nu is er een centraal personage: Herman Quitt (gespeeld door gastacteur Jurgen Delnaet). Quitt is een ondernemer, zoals de anderen, maar hij is bijzonder zwartgallig en neerslachtig. Hij is het enige personage van wie de psychologie de karikatuur echt overstijgt – Handke heeft hem beter uitgewerkt dan de personages die rond hem cirkelen. Hij heeft een vrouw (gespeeld door Sofie Sente) die doelloos door het huis dwaalt, een minnares (Sara De Bosschere) waar eigenlijk ook niks mee lijkt te lukken, en al de rest is hij eigenlijk ook kotsbeu. Hij beslist op een gegeven moment om de hele boel kapot te maken: hij valt en hij zal de rest met zich meesleuren.

In de jaren 70, toen Handke dit stuk heeft geschreven, was politiek, actualiteitsgebonden theater heel erg in, zeker in linkse intellectuele kringen. Handke, die dus al op jonge leeftijd behoorlijke faam had verworven, kreeg geregeld de commentaar dat hij met zijn stukken niet genoeg in het werkelijke leven stond. De laatsten der onverstandigen is daarop een reactie. Hij geloofde heel vast dat mensen zoals zijn ondernemers de laatsten waren van hun soort. De laatsten der onverstandigen, de laatsten die nog vasthielden aan het geloof in de zeepbel die kapitalisme heette. Op een gegeven ogenblik zouden de mensen er wel achter komen dat het kapitalistische systeem onhoudbaar was en dan zou heel de mensheid het over een andere boeg gooien. Ook dat vonden De Roovers interessant: zij spelen het stuk wanneer het 40 jaar oud is en we met zijn allen kunnen vaststellen dat die ‘onverstandigen’ uit het stuk nog lang niet uitgestorven zijn. We zitten alweer met een zeepbel die op knappen staat, zonder dat er al te vaste conclusies aan worden vastgeknoopt: iedereen blijft maar voortdoen en blijft maar in datzelfde systeem zitten.

De Roovers brengen 80% van wat Handke bij elkaar gepend heeft. De rest hebben ze geschrapt, omdat ze het niet nodig vonden. Zo is er een personage gesneuveld dat voor de rijkdom van de clerus stond. Dat paste immers minder goed in de boodschap die ze wilden brengen. Je hebt wel nog Herman Quitt, de centrale figuur, Lütz (gespeeld door Luc Nuyens) die staat voor het nieuwe geld, en Von Müllnow, die staat voor de oude adel en het oude kapitaal. De vrouwelijke onderneemster en tevens minnares van Quitt heet mevrouw Taks en wordt gespeeld door Sara De Bosschere. De dolende echtgenote is Sofie Sente. Tot slot zijn er nog twee personages: Hans, een soort van knecht van Quitt (gespeeld door Frank Dierens), een personage dat nogal met de voeten op de grond staat en het leven veel meer neemt zoals het komt. En dan heb je nog het personage dat Wouter Hendrickx voor zijn rekening neemt: de kleine aandeelhouder. “Je kunt hem zien als een soort verzetsfiguur, de man die op een aandeelhoudersvergadering van een grote bank met zijn schoen naar het hoofd van de voorzitter gooit”, legt Robby Cleiren uit.

De Roovers voelden zich nog gesterkt in hun voornemen om een beetje in de tekst te schrappen door de auteur zelf. Tegen een ander gezelschap dat ooit een andere tekst van hem onder handen heeft genomen, zei hij namelijk ooit: heel fijn dat jullie mijn tekst willen spelen, maar maak het vooral niet te lang. Alsof hij zelf inzag dat een auteur vaak veel meer woorden nodig heeft om zijn verhaal te vertellen dan een acteur op een podium, voor een zaal vol mensen.

Robby Cleiren vertelt waarom hij denkt dat er tegenwoordig vrij veel theatermakers bezig zijn met banken, de crisis en geld: “Je hoort op radio en tv niks anders dan dingen over de crisis. Wij kunnen ons dan afvragen of we de mensen daar dan ook nog eens mee lastig moeten vallen in het theater.” Maar zijn antwoord is heel duidelijk: “Ja, dat moeten we. Theater belicht een thema toch altijd vanuit een andere invalshoek, waardoor het niet alleen interessant wordt voor acteurs om over te vertellen, maar ook voor een publiek om naar te kijken. De laatsten der onverstandigen gaat over de wereld in het groot”, zegt hij, “maar het gaat tegelijk over eenzame mensen.” Inderdaad, al die personages zijn op hun eigen manier fundamenteel eenzaam. “Je ziet het misschien nog het best aan de relatie tussen meneer en mevrouw Quitt: zij leven volledig naast elkaar. Er hangt een enorme tristesse over dat huwelijk.” Door zulke personages neer te zetten, spreek je in één klap natuurlijk over veel meer dan over geld en wat het met je doet. Je spreekt over de mens. De mens nu, maar ook de mens tout court, de mens van alle tijden. Dat is wat theater kan doen, volgens De Roovers.

Ik vroeg Robby Cleiren tot slot of het met de jaren ook gemakkelijker wordt om tijdens de repetities al in te schatten of een stuk bij het publiek in de smaak zal vallen of niet. Hij vertelde dat het op een bepaalde manier eigenlijk alleen maar moeilijker wordt, net omdat ze zichzelf als spelers ook willen blijven verrassen. “Na een tijdje weet je hoe je een komedie kunt aanpakken, een Griekse tragedie… we hebben dat allemaal gedaan. En dus blijf je op zoek gaan naar materiaal dat ook voor jezelf als maker nog nieuw en verrassend is. Als je telkens hetzelfde laatje opentrekt, waarvan je weet dat je best wel kunt wat eruit komt, wordt het voorspelbaar en saai wat je doet. Ik heb dus het gevoel dat we de lat voor onszelf telkens maar weer hoger leggen, omdat we telkens een moeilijkere kaap willen halen.”

Ze spelen nu, na 20 jaar, helemaal anders dan toen ze pas afgestudeerd waren, zegt hij nog. “Als jonge speler vertrek je vanuit een grote onbevangenheid: Romeo en Julia? Geweldig! Shakespeare heeft dat geschreven en nu is het aan ons! Daaruit kunnen heel mooie dingen tevoorschijn komen. Een doorgewinterde acteur heeft al 20 versies van Romeo en Julia gezien, waarvan 10 heel goeie, en vraagt zich dus sneller af wat hij daar nog in godsnaam aan toe kan voegen. En dus gaat hij op zoek naar iets anders. Maar, zegt hij, hij wil zich er wel op elk moment bewust van zijn dat bij hem de onbevangen blik van de beginnende acteur verdwenen is en die zoveel mogelijk weer opzoeken als het kan. “Ik werk met studenten van het conservatorium samen, of ik maak een stuk met kinderen, of ik neem mijn eigen kinderen mee om een stuk te bekijken: hun blik is fris, ze hebben een totaal andere bril waardoor ze de wereld zien: zoiets hernieuwt ook mijn blik en laat me toch ook weer op een andere manier naar de dingen kijken. En dat is heel goed. Dat heb je nodig als speler. Anders worden we van die mensen die het allemaal al gezien hebben en dat is op een toneelvloer verschrikkelijk saai: je kunt er niks mee. Je moet je eigen bril kunnen weggooien, om dan weer onbevangen de ring in te kunnen en van daaruit te spelen.”

Deze tekst is een fragment uit de inleiding die ik heb gegeven bij de voorstelling op 29 maart in CC Westrand, Dilbeek. De laatsten der onverstandigen heeft nog enkele voorstellingen te gaan. De speelreeks vind je hier.


Kunst voor het goede doel: ‘Ode aan Floortje’

06/05/2014

Johan Nootens over kunstveiling De Eglantier

Tervurenaar Johan Nootens is een doorgewinterd Germanist en met de jaren gemilderd taalzuiveraar. Hij was taaladviseur en eindigde zijn loopbaan als communicatiemedewerker van de Vlaamse Ombudsdienst. Zijn vrije tijd wijdde hij jarenlang volledig aan De Eglantier, een dagcentrum voor kinderen met een ernstig meervoudige beperking. Zo zet hij, samen met een tiental andere vrijwilligers, al 27 jaar zijn schouders onder de driejaarlijkse kunstveiling van het centrum. Op 17 mei vindt daarvan de negende editie plaats.

Een klein en kwetsbaar meisje vormt de kiem van De Eglantier: Floortje, het dochtertje van Johan Nootens. Floortje werd geboren in 1976. In haar eerste levensjaar leek ze een heel gewone, gezonde baby. Maar daarna werd al snel duidelijk dat er iets ernstig mis was. Na een calvarietocht langs dokters en ziekenhuizen bleek dat ze leed aan het syndroom van Cockayne. ‘In die tijd wist men daar nog niks over: in heel de wereld waren er nog maar drie of vier gevallen beschreven. Wel beseften we meteen dat het een zwaar probleem was: ze kwam niet aan, verouderde razendsnel, was niet beschermd tegen UV-stralen, had microcefalie (een te kleine schedelomvang) – het hield niet op.’ Tot overmaat van ramp vonden haar ouders nergens geschikte opvangmogelijkheden voor haar. ‘Ik leerde iemand kennen van de huidige Gezinsbond en nodigde hem samen met enkele vrienden en lokale politici van diverse zuilen uit voor een vergadering bij me thuis. Die avond is het verhaal van De Eglantier begonnen: halsoverkop, niet gehinderd door veel kennis van zaken, maar vol enthousiasme hebben we ons erin gegooid. We kochten een pand op de grens tussen Bertem en Tervuren en begonnen dat tijdens de weekends te verbouwen. Onze avonden gebruikten we om de wetgeving te bestuderen. Die eerste periode had het centrum het moeilijk. Op een gegeven ogenblik zaten we zelfs te rekenen of we nog genoeg geld hadden om de opzegvergoeding van het personeel te betalen. Het was een totaal onverantwoorde start. Eigenlijk is het verbazingwekkend dat we het gehaald hebben, maar dat maakt het natuurlijk bijzonder hartverwarmend om te zien wat voor een bloeiend centrum De Eglantier vandaag is.’



Veiling

‘Een dagcentrum als De Eglantier heeft veel geld nodig. Ze werken hier tegenwoordig heel intensief met kleine groepjes van telkens vijf kinderen. Uiteraard krijgt het centrum subsidie voor zijn werking, maar toch moet het jaarlijks nog een 50.000 euro zelf ophalen.’ De kunstveiling is nu al 27 jaar een vaste extra bron van inkomsten voor De Eglantier. Ze wordt om de drie jaar georganiseerd en mag rekenen op de hulp van een almaar groter wordend aantal kunstenaars. ‘Een kunstenaar als Ward Lernout schenkt bijvoorbeeld al jaren schilderijen voor onze veiling. We zijn daar erg erkentelijk voor: we beseffen immers ook wel dat zulke mensen aan de lopende band vragen krijgen om iets gratis weg te geven. Maar De Eglantier kan al sinds zijn beginfase rekenen op een groot draagvlak van lokale sympathisanten. Zoiets is fijn om vast te stellen.’ Dit jaar kan het publiek werken van meer dan 100 verschillende kunstenaars met de meest uiteenlopende stijlen op de kop tikken. ‘Er zijn zelfs twee werken van Roger Raveel bij, een groot werk van Rudi Pillen en een ontroerende ‘Maurice’ van Ingrid Godon. Ik denk dat het weer een heel mooie veiling zal worden’, zegt Johan Nootens.

Broodnodige ademruimte
De opbrengst van de veiling gaat integraal naar Huis 20, het nieuwe zorginitiatief met hotelfunctie dat De Eglantier binnenkort opent. Ouders die voor De Eglantier kiezen, willen zoveel mogelijk zelf voor hun kind zorgen. Eenvoudig is dat niet. Het gaat stuk voor stuk om kinderen met een ernstig meervoudige beperking. Zulke kinderen vragen ontzettend veel zorg. ‘Het wordt er niet eenvoudiger op wanneer ze ouder worden’, legt Johan Nootens uit. ‘Til maar eens een jongen van 16 om hem een nieuwe luier om te doen. Je laat zo’n kind ook niet zomaar achter bij de grootouders of een externe babysit. In veel gevallen is dat zelfs helemaal niet mogelijk.’ Veel van de ouders zijn dan ook dringend op zoek naar wat respijt. Een avond uit eten, een weekend weg met zijn tweeën, een zondag nietsdoen – het zit er nooit in voor hen. Dus toen aan de overkant van de straat een huis te koop kwam, greep de leiding van De Eglantier die kans met beide handen: na een grondige renovatie kan in Huis 20 overdag een extra groepje kinderen terecht. Tijdens de weekends kunnen ouders hun kind er af en toe laten logeren. Het krijgt er alle zorgen die het nodig heeft en de ouders kunnen even op adem komen.

Onbegrip
‘De kinderen die naar De Eglantier komen, leven in een totaal andere en voor buitenstaanders onbegrijpelijke wereld’, zegt Johan Nootens. Met zulke zwaar gehandicapte kinderen ga je als ouder of begeleider ook niet zomaar op stap. Ze hebben er zelf meestal niets aan. En soms is de zorgbehoefte zo groot dat je onmogelijk alles wat het kind nodig heeft mee op verplaatsing kunt nemen. ‘Zelfs als het wel kan, raak je het als ouder ook beu om constant een bezienswaardigheid te zijn. Sommige mensen blijven maar staren.’ Nootens heeft ooit geprobeerd om uit te leggen hoe het is om zo’n kind te hebben, maar het bleek een onmogelijke opdracht. ‘Het contrast met een gezond kind is te groot’, zegt hij. ‘Wie niet in die situatie zit, kan gewoon niet bevatten hoe zwaar het is om je aparte kind een plaats in je leven te geven.’
Floortje stierf in 1982. Ze was toen zes jaar oud en woog vijf kilo. ‘Ze was zo tenger, zo kwetsbaar… Een kind verliezen is en blijft het allerergste wat er bestaat. Het is als een scheur in je lijf die nooit geneest.’

Hoewel hij begin jaren 2000 wat meer afstand van De Eglantier heeft genomen, is zijn engagement nooit volledig verdwenen. ‘Je kent de wereld van de kinderen, je weet wat de ouders elke dag meemaken, dus het blijft een deel van mijn leven. Alleen wou ik me er niet meer zo totaal door laten opslorpen als voorheen. Wel krijg ik nog telkens een warm gevoel als ik hier binnenkom. De Eglantier doet het goed, Huis 20 komt er nu bij – dat is allemaal zo ontzettend belangrijk… Als ik het op die manier bekijk, heeft Floortjes korte leven toch iets heel moois nagelaten.’

Lees ook het vervolg van het artikel in RandKrant, mei 2014.

17 mei: kunstveiling De Eglantier
www.eglantierkunst.be
www.huis20.be
Vrijdag 16 mei, 16-20 uur, en zaterdag 17 mei, 10-18 uur: tentoonstelling van de werken
Zaterdag 17 mei, 19 uur: start veiling onder leiding van veilingmeester Mon Bernaerts. Ook online kopen is mogelijk.