Stefan Perceval: “Ik ben niet geïnteresseerd in acteurs. Ik wil mensen zien”

23/09/2014

Stefan Perceval is aan zijn eerste volledige seizoen als algemeen directeur van Het Gevolg uit Turnhout begonnen. Zonder blikken of blozen heeft hij alle voorstellingen voor volwassenen van het programma geschrapt: “Het Gevolg heeft een eigen smoel nodig. Het moet het episch centrum van het kinder- en jeugdtheater in de regio worden.” Dat wil Perceval niet bereiken door zich met zijn producties op te sluiten in het eigen huis en af te wachten wie een ticket koopt. De deuren gaan wijd open, voor iedereen. En al helemaal voor jongeren die niemand in een theaterzaal verwacht.

Voor het huidige nummer van Staalkaart interviewde ik Perceval over zijn plannen. Een fragment.

Tot voor kort fietste Stefan Perceval gezwind van project tot project. Een bejubelde productie bij Het Paleis volgde op een sociaal-artistiek project met ‘moeilijke jongeren’. Vervolgens maakte hij een voorstelling met mensen met een beperking of draaide hij als acteur mee in een toneelstuk of televisieserie. Perceval schreef, acteerde, regisseerde, begeleidde. “Ik heb altijd van die vrijheid gehouden – en nu nog”, legt hij uit. “Ik kom ergens aangefietst, ik zet het kot op stelten en ik fiets weer weg.” Nu verbindt hij zijn naam aan een enkele ploeg. Dat lijkt een heel ander soort rol, maar uiteindelijk vloeit er in zijn functie als algemeen directeur van uitgerekend Het Gevolg een en ander samen dat tot nu in aparte compartimenten van zijn rugzak zat. Stefan Perceval: “Ik heb vroeger twee locatievoorstellingen gemaakt bij Het Gevolg: Maria vaart en Hartekop. Sindsdien koesterde ik een bizarre liefde voor dit huis. Waarom bizar? Het Gevolg lag de laatste jaren serieus onder vuur. Al twee subsidierondes lang kreeg het negatieve commentaren. Het huis deed van alles wat – nu eens theater voor volwassenen, dan weer voor kinderen, vervolgens een locatieproject – en had daardoor geen eigen gezicht. Twee keer is het daardoor 200.000 euro kwijtgespeeld – dat is enorm veel.” Maar Perceval voelde het potentieel van het huis borrelen en hij bleef er terugkeren.
Vorig seizoen regisseerde hij nog Petrus en de doodendraad, een succesvoorstelling ‘over hoe zelfs 2000 volt de liefde niet kan stoppen’ (en die het komende seizoen hernomen wordt). “Tijdens de repetities hoorde ik dat het hier binnenshuis stevig aan het rommelen was, maar ik hield me daar ver van weg en at tijdens de pauzes rustig mijn boterhammetjes op”, zegt Stefan Perceval. Tot Ignace Cornelissen, oprichter van het gezelschap, plotseling opstapte. “Toen begon ik telefoontjes te krijgen van journalisten, die me feliciteerden met mijn nieuwe functie als directeur. Ik wist van niks, maar ik zei wel dat ik erover zou nadenken, mócht ik de vraag krijgen.” Die kwam er. En Perceval hapte toe. Op 1 februari van dit jaar is hij officieel van start gegaan. “Ik ben er onmiddellijk ingevlogen, want er stond nog helemaal niks op de planning voor volgend seizoen, we waren laat met alles.”

Pittig
Gelukkig kwam Stefan Perceval niet met lege handen in Turnhout aan. “Ik had niet zitten wachten op die functie, dus ik had al enkele eigen projecten in mijn rugzak zitten. De zwarte van Walcheren zat al klaar, De kleine koning december en Peter en de wolf ook. Petrus riep om hernemingen en Wortel van glas door Brent Vandecraen hadden we ook al. Daarmee zijn we begonnen. Ik heb er bijna allemaal coproducties van gemaakt: ook een goede manier om weer in beeld te komen. Het Gevolg krijgt daarmee een nieuwe dynamiek: tussen half augustus en half maart spelen we 167 keer, en vooral voorstellingen die vrij ongewoon zijn voor dit huis. Het wordt pittig, maar dat mag ook wel. Als ik Het Gevolg vergelijk met een wielerploeg, dan rijden we helemaal achteraan, nog achter de rode vlag, zelfs achter de Tik tak Pontiac. Dat moet veranderen. We moeten weer in het peloton terechtkomen: geregeld eens met de handjes op het stuur vooraan komen fietsen of al eens de demarrages leiden door met iets nieuws te komen. In een theaterhuis moet plaats zijn voor onderzoek en experiment. Maar momenteel is Het Gevolg nog een stille, verdrietige jongen. Ik wil hem weer leren spreken en hem laten doen waar hij goed in is: kinder- en jeugdtheater. Onder Ignace heeft Het Gevolg een sterke reputatie voor jongerentheater gehad – vooral in de jaren tachtig en negentig. Maar dan moesten er per se producties voor volwassenen bijkomen, waarschijnlijk omdat het huis dacht dat het dan ernstiger genomen zou worden. Op dat gebrek aan identiteit is het dus zwaar afgerekend. Daarom keer ik terug naar die kern. Geen voorstellingen voor volwassenen meer.”

Culturele woestenij
Het episch centrum van kinder- en jeugdtheater van de wijde regio rond Turnhout. Dat wil Stefan Perceval van zijn huis maken. “Geografisch heeft Het Gevolg een unieke positie. Turnhout heeft het cultureel centrum De Warande, maar voor de rest heb je in een straal van dertig kilometer rond dit huis een culturele woestenij. Het Gevolg is het enige theaterproductiehuis in de ruime omgeving. Vandaar dus: episch centrum. Met het gebied dat de trillingen van dat centrum voelt, kun je iets aanvangen. En neem Turnhout zelf”, gaat Perceval in één adem door. “Een stad van iets meer dan 41.000 inwoners, waar – hou je nu vast – 15% van de kinderen en jongeren in een gezin leven dat moet rondkomen met een inkomen onder het bestaansminimum. Dat wil dus zeggen – en ik kan het weten, want ik heb het als kind zelf meegemaakt – dat je soms geen boterhammen kunt meenemen naar school, hè. Turnhout komt met die cijfers op de derde plaats in de provincie Antwerpen, na de zoveel grotere steden Antwerpen en Mechelen. Dat is ronduit alarmerend. En ook op dat vlak zie ik een taak weggelegd voor Het Gevolg. Dit huis is niet klaar als het een mooi programma van sterke producties kan presenteren, waarop het steeds weer hetzelfde theaterpubliek kan verwelkomen. Ik zie het graag breder: wij moeten ook vollenbak inzetten op die sociale kant.”

Stille jongens laten praten
Geen speld is er tussen het betoog van Stefan Perceval te krijgen. Terwijl hij worstelt met termen als ‘strategisch plan’, die volgens hem te vaak gebruikt worden als dekmantel voor zaken die er niet écht toe doen, tekent zich in zijn hoofd almaar duidelijker de weg af die zijn theaterpeloton moet volgen. Al zijn stokpaardjes komen in Het Gevolg samen. Theater, zeker. Sterke producties maken, uiteraard. Maar daarmee is nog maar het begin gemaakt. De sociale poot – theater maken voor én met mensen voor wie een dergelijk parcours niet weggelegd lijkt, dat is de grote uitdaging voor Het Gevolg. “Noem dat gerust mijn voornaamste drijfveer”, zegt hij.
Het theaterhuis zelf is namelijk niet de enige stille jongen die hij aan het praten wil krijgen. Onze maatschappij zit er vol van en het liefst zou Perceval bij hen allemaal die cocon van stilte en non-communicatie openbreken.
(…)
Soms hebben stille jongens alleen maar een kans nodig. Een schop onder de kont. Iemand die tegen hen zegt: Jij kunt dat wél! Die iemand wil Stefan Perceval zijn. Want zelf zou hij niet staan waar hij stond als hij niet ook zulke mensen was tegengekomen. “Ik was namelijk ook zo’n stille jongen”, zegt hij.
(…)

Lees de rest van het artikel in Staalkaart #26

www.hetgevolg.be

Advertenties

Nele Van den Broeck: “Mijn instrument heet brein”

22/09/2014

De Standaard noemt It’s My Party, het debuut van Nele Needs a Holiday, “een van de geestigste, bitterzoetste albums in jaren”. En lo and behold: ik interviewde leading lady Nele Van den Broeck voor het recentste nummer van RandKrant.

Een fragment.

In het prille begin bestond de band alleen uit Nele Van den Broeck, haar ukelele en haar piano. “Ik trad op in onooglijke cafés en ik schreef liedjes met heel eenvoudige arrangementen”, vertelt ze. “In de loop van de jaren zijn er almaar meer groepsleden bijgekomen. In onze grootste bezetting staan we nu met 7 meisjes op het podium – heel cool! Dat we een pure meisjesgroep zijn, is historisch gegroeid. Maar nu wil ik het ook absoluut zo houden. Er is namelijk nog wat werk aan het muzikantenbestand. Er zijn nog veel te weinig meisjes die drum of basgitaar spelen. Traditioneel worden die nog altijd gezien als jongensinstrumenten en dat vind ik spijtig. Er bestaan nog te veel vooroordelen in de muziek. En trouwens”, voegt ze er grappend aan toe, “als ik met een mannelijke band zou werken, werd ik toch maar op al die muzikanten verliefd en dat is ook ellende gegarandeerd.”
It’s My Party is een zonnige plaat. “Zonder daarom wereldmuziek te zijn, heeft ze iets heel exotisch en vrolijks over zich gekregen. En die muzikale sfeer staat dan in contrast met mijn teksten, die ironisch zijn en de falende kant van het leven aanhalen. Noem het geheel dus maar vrolijke tristesse.”

Maatschappij van stoefen
Alledaagse tragedie verpakt in vrolijke noten, dat is het handelsmerk van Nele Needs a Holiday. “Ik kies niet bewust voor dat evenwicht. Als ik teksten schrijf, is het alsof ze in mijn hoofd komen gevallen, als een geschenk van elders. Noem het met een groot woord de muze. Of noem het mijn rechter hersenhelft”, lacht ze. “Maar meestal komen de liedjes vlotter als er in mijn leven dingen gebeuren waar ik niet zo best mee om kan. Op zulke momenten ligt de inspiratie voor het grijpen en moet ik er vooral voor zorgen dat ik mijn ideeën opschrijf voor ik ze vergeet. Zo kom ik aan mijn soort teksten. Ik ben nu al jaren bezig aan een liefdesliedje dat niet cynisch is en ik raak maar niet verder dan de eerste strofe.”
Toch is het allerminst haar bedoeling om haar publiek depressief naar huis te sturen. Daarom zoekt ze in haar thema’s altijd een relativerend element. “Vanaf mijn eerste optreden merkte ik dat de mensen daar vaak om moesten lachen. En dat vond ik wel iets. Ik schrijf over dingen die we allemaal wel eens meemaken, belicht ze op een andere manier en zet er een vrolijke melodie onder. Zo maak je de werkelijkheid draaglijk of kun je de kleine tragedies van elke dag beter relativeren. We leven ook in zo’n stoef-maatschappij. Zeker nu met de sociale media. Iedereen is bezig met zijn imago – ik ook hè: ik zet ook alleen maar foto’s online waar ik goed op sta. Als ik me slecht voel, zwijg ik daar in alle talen over en als het fantastisch goed gaat, smijt ik het ogenblikkelijk op Facebook. En iedereen doet het zo. Op de duur krijg je daarvan het gevoel dat jij de enige bent die soms een puinhoop van zichzelf maakt. Door net daarover te zingen, kelder ik het taboe dat er hangt over verdriet of het even niet meer weten. En zo hoop ik troost te bieden. Voilà.”

Brein
Nele Van den Broeck noemt zichzelf een kind van 12 instrumenten en 13 ongelukken. “Ik heb als kind elk mogelijk instrument uitgeprobeerd en niks kon echt mijn aandacht vasthouden. Ik zat in de jazzafdeling van de academie van Grimbergen en naar de theorielessen ben ik altijd blijven gaan. Daar heb ik bijvoorbeeld heel goed geleerd hoe akkoorden in elkaar zitten en als je dat onder de knie hebt, kun je op elk instrument op zijn minst een beetje je weg vinden. Zo heb ik mezelf dan uiteindelijk wat piano en ukelele leren spelen. Mijn instrument heet dus eigenlijk brein.”
Haar eerste liedjes schreef ze een kleine 10 jaar geleden, toen ze 20 was. “In die periode ging het echt niet goed met mij. In mijn derde jaar theater werd ik van het Rits gegooid. Ik zat in een rockband en werd daar ook uitgegooid. Op de koop toe raakte het uit met mijn lief. Toen zijn die liedjes beginnen borrelen.”