Anne De Smedt (Lily-Balou): “Gewoon doén”

27/04/2015

Het is altijd fijn als je mensen mag interviewen met wie je een grote affiniteit hebt. Gelukkig is dat bij mij heel vaak het geval. Nu ik erover nadenk, komt het omgekeerde wel héél erg zelden voor. Nog eentje waar ik bijzonder blij mee was, is Anne De Smedt, ontwerpster en zaakvoerster van het kinderkledingmerk Lily-Balou. De affiniteiten swingden de pan uit. Design en creativiteit? Check! Supertoffe kinderkleding? Check! Najaagster en realisator van dromen? Check, check, check!

Anne De Smedt studeerde Romaanse talen en ging nadien aan de slag als consultant, voornamelijk in de bankensector. Na de geboorte van haar dochter, nu 7 jaar geleden, besloot ze leuke, kleurrijke draagdoeken zonder geitenwollensokkengehalte op de markt te brengen. Wat later voegde ze er een collectie basic kinderkleding aan toe. Lily-Balou bestaat in 2015 zes jaar en is uitgegroeid tot een trendy kledingmerk voor kinderen. “Het is geen eenvoudige sector en rijk ben ik er zeker nog niet van geworden, maar ik hou ontzettend van de variëteit die de job brengt.”

IMG_5280
“Ik ben heel klein begonnen, met alleen een webshop voor mijn draagdoeken. Op dat moment werkte ik ook nog parttime als consultant. Toen mijn zoontje twee jaar later geboren werd, begonnen er nieuwe ideeën te kriebelen. Ik had voor hem wat kleertjes cadeau gekregen, zoals een jeansbroek in verschrikkelijk stug en hard stof. Dat vond ik niet kunnen: kinderen moeten kind kunnen zijn en hebben daarvoor comfortabele kleding nodig die hén aanspreekt en niet in de eerste plaats hun ouders. Ik vond het vooral voor jongens moeilijk om zachte, speelse dingen te vinden. Dankzij mijn draagdoeken had ik al contacten in de textielsector en die heb ik aangesproken om mijn eerste collectie op de sporen te zetten. Het was een collectie van tien basic stuks in verschillende kleuren. Oorspronkelijk was het mijn bedoeling om het daarbij te houden en alleen af en toe de kleuren te veranderen. Maar de collectie verkocht goed: er was blijkbaar nood aan wat ik maakte. En dus ben ik beginnen uitbreiden: eerst T-shirts met opdruk, nadien gedrukte stofjes die ik puur voor Lily-Balou liet ontwerpen. Zo is het merk stilaan uitgegroeid tot een volwaardige lijn voor baby’s en kinderen tot 8 jaar. Komende zomer breng ik ook een pyjamalijn uit: Libou, een woordspeling op Lily-Balou en het Franse woord voor uil, een nachtdier. Die collectie loopt tot 12 jaar.”

Lees de rest van het artikel!

Ontdek, bekijk, koop Lily-Balou.

Advertenties

Kristien Bonneure en Lucas Vanclooster kiezen kunst voor het stilste plekje van Vilvoorde

23/04/2015

Kunst in de Troost, 24-26 april 2015

“Eén keer per jaar…
Eén keer per jaar de rust ervaren van het stilste plekje van Vilvoorde…
Eén keer per jaar achter de muren kijken van het karmelietessenklooster Onze-Lieve-Vrouw-van-Troost.”

Dat stilste plekje van Vilvoorde is een kolfje naar de hand van VRT-journaliste Kristien Bonneure, die de laatste tijd van stilte een van haar belangrijkste thema’s maakt. Voor de zestiende editie van ‘Kunst in de Troost’, in de kloostertuin en conventsgebouwen van ‘Den Troost’ in Vilvoorde, kozen zij en haar echtgenoot Lucas Vanclooster de kunstenaars uit. “Het zijn er 26 geworden, uit Vilvoorde, Vlaams-Brabant en ver daarbuiten. Ze werken in uiteenlopende materialen en met verschillende thema’s.”

Ik interviewde Kristien Bonneure onlangs over het belang van rust en stilte. Het was een boeiend en inspirerend gesprek, met stof tot denken voor iedereen die af en toe het gevoel heeft dat het eventjes genoeg is geweest. Met het lawaai. De drukte. Het te veel aan alles.

Het artikel verscheen in het magazine van gehoorspecialist Lapperre. Ik herneem hier een goed deel ervan.

Kristien Bonneure: ‘Stilte is essentieel democratisch’

Kristien Bonneure hield altijd al van rust en stilte. Een boek lezen. Een wandeling in de natuur. Even de tijd nemen voor kleine dingen. Ze kwam terecht op de radionieuwsdienst van de VRT. Een droomjob die ze 20 jaar met verve uitoefende. Tot het genoeg was. Genoeg lawaai. Genoeg hectiek. Ze ruilde de jachtige en immer rumoerige nieuwsdienst in voor de redactie van Cobra.be. Ook in haar privé-leven maakte ze meer ruimte voor al wat onder de noemer ‘stil’ kan vallen. Van de weeromstuit werd stilte een thema.

Ze zocht haar eigen rust op, sprak met stiltezoekers, las boeken, schreef blogposts, opiniestukken en uiteindelijk Stil leven. Een stem voor rust en ruimte in drukke tijden. “Ik heb me op alle mogelijke manieren verdiept in het thema, maar fundamenteel veranderd heeft het me niet. Het heeft me eerder bevestigd in wie ik ben”, zegt ze. “Ik heb altijd een grote liefde gehad voor stilte. En dan niet zozeer voor de absolute akoestische stilte, maar voor rust en het kunnen onderscheiden van verschillende geluiden. Zelfs als student hield ik al niet van die soep van geluiden die ons vaak omringt. Na 20 jaar in de media merk je dat die omgeving toch bijzonder lawaaierig is geworden. En dat heeft vooral te maken met de ontzettende versnelling van informatie die op je af komt. Ik verhuisde naar Cobra om in een kleiner team en een kleinere ruimte te kunnen werken. Ik wou ook graag diepgravende stukken schrijven, die misschien niet helemaal los stonden van de actualiteit, maar er toch iets meer afstand van namen.” In haar vrije tijd volgde ze dezelfde beweging. “Ik ben weer meer beginnen wandelen en ik doe een paar keer per week aan yoga: heilige momenten.”

Prikkeldraad
In de loop van haar stiltezoekende traject, is Kristien Bonneure – tot haar eigen verrassing – toleranter geworden voor bepaalde vormen van geluidsoverlast. “We leven nu eenmaal in een wereld vol geluid. Je kunt niet vanuit een extreem egocentrisme je stilte opeisen en bewaken met prikkeldraad.” Dat wil nog niet zeggen dat de knoppen onbegrensd naar rechts mogen worden gedraaid. “Ik ben absoluut voorstander van regelgeving en sensibilisering”, zegt ze. “Met de huidige geluids- en isolatienormen zijn we op de goede weg, maar het kan beter. En daarnaast is het natuurlijk vooral een kwestie van geven en nemen. Ik heb mijn stilte nodig en op sommige momenten of plaatsen is die er niet. Dan stel ik mijn behoefte even uit of ik ga het lawaai uit de weg.”

Reservoir
“Het zou erg zijn als rust en stilte werden weggezet als een trendy bezigheid. Dan dreigen ze koopwaar te worden en uiteindelijk iets exclusiefs voor wie het betalen kan”, legt Kristien Bonneure uit. “Stilte is essentieel democratisch, omdat het er altijd is.” En ja, ze is soms schaars, maar als je wat moeite doet, stuit je altijd wel op een reservoir ervan. “Het is helemaal niet moeilijk om in dat reservoir te zwemmen, maar het kan moeilijk zijn om de eerste stap te zetten: je smartphone uit te zetten of die veelheid aan geluidsbronnen even bewust te mijden.”

Een sluitende definitie van stilte bestaat niet, vindt Bonneure. Stilte is voor iedereen anders. “Voor mij is het een mogelijkheid om de dingen wat rustiger en met meer afstand te bekijken. Daardoor leer je alles beter in perspectief te plaatsen. Uiteindelijk geeft het je een blik op waar het echt om draait in het leven.”

Dingen tijd geven
Kristien Bonneure is optimistisch. “We zitten wel degelijk zelf aan de knoppen en je ziet ook hoe meer en meer mensen naar eigen vermogen meer rust in hun leven proberen te sluizen. “Hoe moeilijk het soms dus ook lijkt: stel je grenzen, denk na, probeer dingen uit en laat ze voortduren als ze werken voor jou.”

De journaliste gaat nu en dan echt op retraite. Maar op doordeweekse dagen zoekt ze het in kleine dingen. Dan gaat de televisie na het Journaal bijvoorbeeld resoluut uit. “Je zou er versteld van staan hoeveel tijd dat creëert om te lezen.” Verder staat ze elke ochtend een uur vroeger op dan haar man en kinderen. “Ik zet geen radio op, bekijk de kranten alleen van op een afstand. Dat zijn mooie momenten van stilte voor de herrie van de dag begint.” Ook een activiteit de tijd geven die ze nodig heeft, creëert rust. “Zelfs bij iets banaals als aardappelen schillen, krijg je veel meer het gevoel dat je kunt ademen als je het niet op een drafje doet. Ik probeer ten slotte altijd één ding tegelijk te doen: als je vijf taken ineens aanvat, heb je uiteindelijk nooit het gevoel dat iets af is.”

www.kristienbonneure.wordpress.com

www.kunstindetroost.be


Tornar van choreograaf Seppe Baeyens: “Zet een 80-plusser en een kind samen op de vloer en er ontstaat een nieuwe taal”

17/04/2015

Een intergenerationeel onderzoek in de hedendaagse dans

Première: 17 april 2015

Een 9-jarig meisje hangt rond de nek van de enige echt professionele danser van het gezelschap. Een 91-jarige man ligt plat op zijn buik op de zwarte vloer wat tips te noteren. Naast hem doet een tienermeisje hetzelfde. Een jongen van 8 draait radslag na radslag in een cirkel om hen heen. Welkom in de repetitieruimte van Tornar, het intergenerationele project van choreograaf Seppe Baeyens en Ultima Vez. Een jaar lang deed hij onderzoek: hoe interageren mensen van de meest uiteenlopende leeftijden met elkaar op de dansvloer? Hoe gaan ze de niet-talige dialoog met elkaar aan? Raken ze verlost van vooroordelen? Wie inspireert wie? Welk materiaal komt uit de interactie te voorschijn en is dat kneedbaar tot een avondvullende voorstelling voor een al even multigenerationeel publiek?

Intergenerationaliteit in de hedendaagse dans fascineert Seppe Baeyens al lang. Zelfs in het allereerste dansproject waar hij ooit aan deelnam, zat het ingebakken. Hij was toen 16, ging naar het vierde middelbaar in het Sint-Jozefcollege van Aarschot en nam deel aan een choreografisch project waarvoor leerlingen en leerkrachten samenwerkten. Later raakte hij via fABULEUS en Kopergietery betrokken bij Kabinet K van Joke Laureyns en Kwint Manshoven, die eveneens graag verschillende generaties bij elkaar brengen. “Intergenerationaliteit is dus een thema waar ik zo’n beetje ingerold ben, maar waarvan ik beseft heb dat het enorme mogelijkheden creëert. Door intergenerationeel samen te werken in de dans ontstaat er een soort pure taal die niet technisch is, maar juist op een heel natuurlijke manier vorm krijgt.”

Afbrokkelende solidariteit
Terwijl hij in zijn dansprojecten boeiende dingen zag ontstaan tussen mensen van uiteenlopende leeftijden, ervoer Seppe Baeyens in zijn directe omgeving hoe de solidariteit tussen de verschillende generaties afbrokkelde. “Ik zie het al met mijn eigen grootmoeder”, legt hij uit. “Ze woont ver weg en er is weinig contact. Ik ken haar dus niet echt, zij kent mij niet. Praat ik met haar over dans, dan vraagt ze me of dat nu wel werk is, of het me genoeg zekerheid biedt en of ik er een pensioen mee opbouw. Komt ze naar een voorstelling kijken, dan vindt ze dat allemaal wel tof, maar diezelfde vragen duiken weer op: Wat is dan eigenlijk je wérk?” Omgekeerd geldt hetzelfde. Ik ben best benieuwd naar haar leven, maar op de een of andere manier krijgen we de kloof tussen ons niet overbrugd.”

Workshoptraject: ontmoetingen
In Ultima Vez vond Seppe Baeyens een partner die zijn interesse in de generaties deelde. Onder de vleugels van het dansgezelschap en in samenwerking met Kopergietery, MUS-E, Brede School Molenbeek, Centrum West – D’broej en het Brussels Ouderenplatform kreeg zijn onderzoek concreet vorm. In de zomer van 2014 werkte hij vier maanden lang met almaar wisselende groepen kinderen, jongeren, volwassenen en senioren – alle leeftijden door elkaar. Hij nodigde hen uit op dansworkshops in de studio’s van Ultima Vez in Molenbeek. Het publiek dat erop af kwam was op alle vlakken divers en dat maakte het onderzoek extra interessant voor hem. Het hele traject leverde hem een hoop inzichten, verhalen en ander bruikbaar materiaal op. Hij selecteerde een groep van tien dansers en creëert nu in samenwerking met Ultima Vez en BRONKS Tornar, een voorstelling waarin hij alle bevindingen van zijn onderzoek verwerkt. Het belangrijkste doel van het hele traject? Een platform creëren dat uiteenlopende generaties toelaat om een creatieve dialoog met elkaar aan te gaan. Seppe Baeyens: “Ontmoetingen kunnen leiden tot leren kennen, beïnvloeden, emotionele binding, samenwerking en de bereidheid om zich niet alleen in te zetten voor, maar zich ook te herkennen in de ander. Ik ben ervan overtuigd dat zulke ontmoetingen op de dansvloer de basis kunnen vormen voor een meer algemene solidariteit.”

Tornado
Vandaag staan er tien dansers op de vloer van de studio. Ze hebben er al een voormiddag repeteren opzitten en ze maken zich klaar voor meer. Emile, 8 jaar, lijkt nog het minst te stuiten van allemaal. Hij heeft zijn radslag volledig onder de knie en kan er maar niet genoeg van krijgen. Het zijn vooral de anderen die er duizelig van worden. De volwassen dansers doen wat opwarmingsoefeningen en de meisjes Leonie (9) en Oihana (16) kroelen nog even door de haren van Seppes baby Isaac, die over de middag even op bezoek is geweest. Tot slot komt de nestor van het gezelschap de vloer op gewandeld. Hij woont vlakbij, dus hij verkoos even de stilte van zijn eigen huis op te zoeken voor een rustige lunch.
“Is het niet bizar dat we er hier op de vloer wél in slagen om banden te smeden tussen de generaties?” vraagt Seppe Baeyens zich af. “Léon is 91. Hij kon mijn overgrootvader zijn. Waarom voel ik een band met hem ontstaan en lukt me dat niet in diezelfde mate met eigen grootmoeder? Misschien ben ik via mijn werk ook wel op zoek naar verbindingen met anderen?”
Het is kerstvakantie en de groep is aan die typische set moeilijke repetities gekomen waarin een tsunami aan boeiend improvisatiemateriaal stilaan herleid moet raken tot een voorstelling met vorm en structuur. “Dit stadium betekent vooral zoeken”, geeft Seppe Baeyens toe.

Het hele intergenerationele traject, vanaf de eerste workshop tot de laatste voorstelling, heeft één thematische rode draad. Een kleine gemeenschap wordt teruggebracht naar een absoluut nulpunt. Zij zijn de overlevenden van een allesverwoestende tornado. “Een tornado is een fenomeen waar jong en oud zich iets bij kan voorstellen. De snelheid en dynamiek, het spel met de wind en het destructieve karakter vormden inhoudelijke inspiratiebronnen om mee aan de slag te gaan tijdens de workshops. De idee dat een ramp mensen, ongeacht hun leeftijd, verplicht om samen te werken, intrigeerde mij”, zegt Baeyens. “De deelnemers moesten samen op zoek naar oplossingen. Het was een noodgedwongen dialoog, getekend door angst, verlies, hoop en wederopbouw. Via dans onderzocht ik drie fasen: de stilte voor de storm, het razen van de tornado en het verwerken van een gedeeld trauma.”
Bovendien is een tornado een sterke metafoor voor allerhande turbulenties in het leven. “Iedereen heeft zijn eigen kleine tornado’s. Van daaruit kon ik op zoek gaan naar relaties tussen mensen: wie of wat is belangrijk in mijn leven? Wat zou mijn grootste verlies kunnen zijn?”

Paradijs in de hel
Parallel aan het workshoptraject voerde Seppe Baeyens een intensief literatuuronderzoek. Bevindingen daaruit nam hij weer mee naar de werkvloer. “Beeld- en tekstmateriaal waren belangrijke visuele prikkels om de creativiteit en verbeelding van de deelnemers te stimuleren.” Het werk van Francis Alÿs is zo’n belangrijke inspiratiebron. “In zijn videowerk Tornado 2000-10 zie je hem keer op keer naar het oog van een tornado lopen. Dat vind ik een mooi idee: rust vinden te midden van totale chaos. Met dat soort bronnen kun je rechtstreeks aan de slag. Je laat de deelnemers lopen, springen en wervelen. Omdat ik ook in de workshops vertrok vanaf een nulpunt – vanaf de individuele dansers die ik voor me heb en hun geïmproviseerde bewegingen – kon je dan plots iets heel interessants zien ontstaan. Zo zag ik opeens Léon, die in het midden van al dat razende geweld stil stond. Het was een prachtig beeld: de oude man voor wie het allemaal zo niet meer hoeft. Hij kent de onrust van de jongere generaties niet meer. Voor hem is het oké, die tornado. Hij accepteert de gevolgen, want hij heeft rust gevonden. Hij kan zijn ogen dicht doen en er haast van genieten.”

Theatermaakster Inne Goris, die de dramaturgie van Tornar verzorgt, haalt een tweede bron aan die cruciaal is gebleken: A Paradise Built in Hell: The Extraordinary Communities That Arise in Disaster. Daarin toont auteur Rebecca Solnit aan hoe mensen in de nasleep van een ramp vaak bijzonder solidair zijn met elkaar. Inne Goris: “Volgens Solnit zou daar wel eens de kern kunnen schuilen van wat een ideale maatschappij kan zijn. Met zo’n boek zit je heel dicht bij wat Seppe met Tornar wil vertellen.”

En zo kwam de choreograaf in de loop van 2014 bij nog veel meer materiaal dat hij mee kon nemen in zijn praktische onderzoek. “Ik las bijvoorbeeld over een project van studenten die op kot gaan bij senioren thuis. De student doet boodschappen voor de oudere en kan zelf goedkoop wonen. Maar het gaat verder: er ontstaan relaties. De betrokkenen beseffen dat er dingen zijn die hen binden. Dat wil ik in dans en beweging opzoeken. Het gaat hem steeds over ontmoetingen. Zonder ontmoetingen blijft ieder in zijn eigen denkkader vastzitten. Dankzij de ontmoeting trek je de dingen open.”

Enculturatie
Ontmoetingen en dialogen creëren was belangrijk in het Tornar-traject. Improvisatie-opdrachten waren de middelen om dat te bereiken. Seppe Baeyens geeft een voorbeeld. “Als je een 80-plusser samen zet met een kind, dan ontstaat er bijna altijd iets. Misschien komt het omdat zij zich automatisch spiegelen aan een grootouder-kleinkindrelatie, waarin altijd minder spanning zit dan in de opvoedkundige relatie tussen ouders en kinderen?” vraagt hij zich af. “Wat in elk geval meespeelt, is de ongeremdheid van het kind versus de veel grotere nood van een oudere persoon om alles te begrijpen: Wat zijn we aan het doen? Doe ik het goed? Een kind stelt zich zulke vragen misschien ook, maar veel minder. Waar ik dan benieuwd naar ben, is of de oudere persoon die remming kan loslaten. Met Léon heb ik dat proces heel goed kunnen opvolgen. Hij woont vlakbij Ultima Vez. Ik kwam hem geregeld tegen op straat en dan sloegen we een praatje. Ik vertelde hem waar ik mee bezig was en nodigde hem uit om eens te komen kijken. Die eerste dag kwam hij heel aarzelend bij ons over de vloer. Een uurtje kijken, dat wou hij wel. De volgende dag kwam hij terug en hij bleef de hele middag plakken. De keer erop had hij zijn trainingspak aan en deed hij mee. Je merkt dat hij het soms moeilijk heeft met improviseren. Hij heeft graag de houvast van iemand die hem zegt wat hij moet doen. Maar in de loop van het traject merk ik dat er iets verandert bij hem. Een mooi moment vond plaats tijdens het workshoptraject. Divine, een jongen met Afrikaanse roots uit de kinderwerking van Centrum West, was heel ritmisch, vanuit de heupen, aan het bewegen. Hij vormde een duo met Léon en dus begon Léon de jongen te kopiëren. Dat soort bewegingen was compleet nieuw voor hem, maar je zag gaandeweg het plezier groeien. Er ontstond een vrijheid – opeens had hij het niet meer nodig om vanuit zijn passen te denken, zoals bij dans die hij wel van vroeger kende.”

Dingen oppikken van elkaar en leren door imitatie is een proces dat bekend staat onder de naam enculturatie. Het is een belangrijke basis én een doel van het onderzoek. “Dat voorbeeld van Léon en Divine is geen geïsoleerd geval”, vertelt Seppe Baeyens. “Tijdens het onderzoek groeide voortdurend een wederzijdse enculturatie. We vinden het logisch dat kinderen volwassenen imiteren. Maar de omgekeerde beweging ontstond even spontaan. Volwassenen en senioren werden geprikkeld en beïnvloed door de ongeremdheid, spontaniteit en oprechtheid van de kinderen. Zo groeiden de groepen gestaag naar elkaar toe en begonnen ze elkaar op een natuurlijke manier te versterken.”

Even mooi als de geslaagde voorbeelden, zijn vaak de gevallen waarin de enculturatie niet lukt, juist omdat daar spanning ontstaat. “Aan een van de workshops nam een vrouw van middelbare leeftijd deel die de neiging had om te sturen. Ze wou altijd de controle behouden en had het dan ook vooral moeilijk om een kind te volgen. Op een gegeven moment maakte ze een duet met een jongen, die het duidelijk enorm op zijn heupen kreeg van haar betutteling. Alles aan hem straalde uit dat hij met rust gelaten wilde worden. Hier werkte het dus niet, maar het leverde ook goed materiaal. Om tussen die twee de dialoog toch te laten slagen, moest ik er iets op vinden om haar naar haar jonge danspartner te laten luisteren. Dit is iets wat volwassenen moeten inzien: kinderen hébben iets te vertellen. En in wat ze zeggen, vind je vaak een heel mooie onbewaaktheid terug die de meeste volwassenen al lang kwijt zijn. Volwassenen zijn al gevormd, hebben allerhande soorten ervaring die ze meenemen in alles wat ze doen. Vaak maakt hen dat minder creatief, omdat ze veel te gemakkelijk terugvallen op een techniek of iets anders wat ze al weten. Aan de andere kant zorgt dat wel voor een zeker kader en ook dat heb je nodig. Laat je kinderen volledig hun gang gaan, dan eindig je in complete chaos. Een geslaagde enculturatie tussen de generaties geeft daarom een grote kracht. Vind de symbiose tussen al wat de verschillende leeftijden te bieden hebben en er ontstaat een nieuwe taal.”

De symbiose dan wel het conflict opzoeken, is waar het in de repetitie van vandaag ook nog altijd om draait. De dansers cirkelen in duo’s om elkaar heen. Ze exploreren diverse emoties en zien welke reacties eruit voortkomen. Vervolgens gaat de hele groep met elkaar in interactie. Een individu doet iets, lokt iets uit, de anderen reageren. Zo zie je stilaan effectieve relaties ontstaan op de vloer. Een jonge vrouw zoekt wanhopig naar intimiteit, maar ze wordt keer op keer bot afgewezen. Zijn de mannen bij wie ze ze zoekt er niet langer toe in staat? Afgestompt door wat ze hebben meegemaakt? We zien fricties, woede, verdriet, maar ook mensen die elkaar wél vinden. Een kind hangt als een klein aapje rond de nek van een andere, volwassen danser. Ze zoeken warmte bij elkaar en lijken die te vinden. Elders gaat het met ups en downs. Wat als je op elkaar bent aangewezen, maar de ander echt niet kunt uitstaan? Is er een leider in de groep? En wie mag dat wel zijn? Bij wie voel je je veilig? Voor wie ben je bang? De minigemeenschap krijgt langzaam maar zeker vorm. De improvisaties leiden naar personages en situaties, de repetities monden uit in een voorstelling. Doen is belangrijk. Kijken naar elkaar evenzeer. Ook zo werkt enculturatie.

“We hebben nu twee middagen gewerkt rond hetzelfde subthema: er gebeurt een ramp en je kunt één persoon redden. Wie wordt dat? Je kreeg verschillende antwoorden: mijn lief, mijn moeder, mijn broer… Daar gaan we dan mee spelen. In een volgende opdracht is de gekozen persoon er niet meer, maar moeten de dansers naar hem of haar op zoek gaan. De 16-jarige Oihana gaat dan bijvoorbeeld op zoek naar haar broer, maar omdat ze dat doet bij de net iets oudere mannen van de groep, sluipt er vanzelf een nieuwe verhaallijn binnen. Als je ernaar kijkt, zie je immers veeleer een verleidster aan het werk”, legt Seppe Baeyens uit. “Dat soort interpretaties die uit het improvisatiemateriaal zelf naar boven komen, vind ik interessant. Zulke lijnen bewaar ik voor de voorstelling.”

Een ander voorbeeld komt zelfs uit een lichtjes verkeerd begrepen opdracht voort. De deelnemers moesten improviseren rond de vraag welk object ze bij een ramp uit hun huis zouden redden. “Léons antwoord was prachtig: Ma solitude, zei hij. Eenzaamheid is een zwaar thema in het maatschappelijke debat over hoe we met oude mensen omgaan. Maar iemand als Léon geeft zelf aan dat zijn eenzaamheid ook waardevol is voor hem. De wereld draait keihard door en af en toe vindt hij het prima om er even geen deel van uit te maken.”

Deze definitieve groep brengt louter door zijn samenstelling al interessante verhoudingen met zich mee. Je ziet een oude man, je ziet volwassenen, jong-volwassenen, tieners en kinderen. Maar waar is de moederfiguur? “Die is er niet”, glimlacht Seppe. “En ook dat wordt een boeiend gegeven om mee verder te gaan.”

Puur
Seppe Baeyens is overtuigd van de waarde van heterogene groepen. “Heel het traject lang zag ik hoe de grenzen tussen generaties vervaagden en zag ik uitkomsten of invalshoeken die door verschillende generaties gesterkt werden. De interessantste kruisbestuivingen ontstonden telkens wanneer ik de groepen niet per leeftijd opdeelde, maar juist mensen van de meest uiteenlopende leeftijden samen opdrachten liet uitwerken. Wanneer ze elkaar ruimte lieten om vanuit zichzelf en het eigen leeftijdsniveau de opdracht te interpreteren, wanneer ze samen op zoek gingen naar oplossingen, wanneer ze op gelijkwaardig niveau naar elkaar luisterden en een volwaardige dialoog met elkaar aanknoopten – dan ontstond de synergie waarnaar ik zocht.”

Het verzamelde bewegingsmateriaal had vanzelfsprekend heel uiteenlopende bewegingskwaliteiten. “Ik heb zelf geen dansopleiding gevolgd in de klassieke zin van het woord”, legt Seppe Baeyens uit. “Ik heb al doende geleerd en dat heb ik altijd als een groot voordeel beschouwd. Ik had weinig alternatieven binnen mijn dans, ik kon er niets mee verbergen. En juist daarvan heb ik mijn danstaal gemaakt: ik toon wat er zit, ik vertrek van de personen op de vloer en wat zij te bieden hebben. Ik nodig weliswaar geregeld dansers van Ultima Vez uit om met mijn groepen te werken en dan merk ik dat zij het verzamelde materiaal naar een hoger niveau kunnen tillen. Maar het vertrekpunt is puur, techniek altijd bijzaak. Mijn dansers hebben geen façade. Ik voel dat heel goed bij Manu, de enige danser in de huidige groep die wél een echte dansopleiding heeft genoten. Hij is goed, hij beheerst de techniek, maar hij heeft al eens de neiging om zich achter de dans te verbergen. Bij hem is de opdracht om dat eruit te krijgen. Als je die technische achtergrond niet hebt, kun je op niets terugvallen. Dan wordt het echt.”

Bij elke leeftijdsgroep ziet die echtheid, dat pure, er anders uit. Elke leeftijd heeft zijn troeven en zijn beperkingen. De spontaniteit en de beperkte controle van kinderen, waarover we het eerder hadden. De vastberadenheid en koppigheid van volwassenen. De rust en geremdheid van senioren. “Door de grote fysiologische diversiteit en het verschil in ervaring en ingesteldheid benadert iedereen de opdrachten anders. Luisteren en kijken naar elkaar, rekening houden met elkaars beperkingen en daar geduld mee hebben: het zijn maar enkele elementen die het bewegingsmateriaal gedurende het hele traject enorm hebben beïnvloed. De groepsdynamiek en elkaars sterke kanten benutten primeerden op de juiste passen of de mooiste solo. Het was vooral een zoektocht naar een verhaal dat de deelnemers samen kunnen vertellen.”

Verder perspectief
Voor zijn onderzoek kreeg Seppe Baeyens de steun van verschillende artistieke en sociale instellingen en verenigingen. Niet alleen Ultima Vez was erbij betrokken, maar ook BROM, MUS-E, Centrum West, één van de Brusselse werkingen voor maatschappelijk kwetsbare jongeren, en de basisscholen Vier Winden en Windroos. Die laatsten zorgden ervoor dat het project ook een intercultureel karakter kreeg. “Gaandeweg voelde ik dat mijn onderzoek ook voor hen een meerwaarde was. Ik bracht verschillende domeinen met elkaar in contact, legde verbindingen tussen het sociale en het artistieke en zette langdurige samenwerkingen op poten.” Hoewel het niet direct zijn bedoeling was om met zijn onderzoek een heus maatschappelijk discours op gang te brengen of een of andere grote waarheid te poneren, vindt de choreograaf dit soort perspectieven op langere termijn mooi meegenomen. “Ik zou het ook fijn vinden als iedereen die – als deelnemer dan wel als toeschouwer – met het project te maken krijgt even stilstaat bij onze manier van leven tegenwoordig. Wat zijn jouw relaties? Wat vind jij belangrijk? Hoe kijk jij naar je vader, je kleinzoon, je grootmoeder? Dat zijn volgens mij vragen naar de essentie.”

Deze tekst schreef ik in opdracht van Ultima Vez en Seppe Baeyens.

Bio

Seppe Baeyens (° 1981) startte als jonge danser bij fABULEUS (Ego sublimo, Baken) om later opgepikt te worden als danser/performer bij o.a. Kopergietery (Beuysband), Kabinet k (Dromen hebben veters, Questo Ricordo, Einzelgänger), Productiehuis Brabant (LaLa4 Bubbelissues), Ontroerend Goed (Under the Influence) en Miet Warlop (Springville, Mystery Magnet).

Sinds 2011 is hij nauw verbonden met de kinder- en jongerenwerking van Ultima Vez. In zijn werk kiest hij er bewust voor om in dialoog te gaan met zowel kinderen, jongeren als volwassenen. Zijn eerste voorstellingen ‘Wij’, ‘Huis’ (Hartbeats) en ‘De (on)mogelijke vriendschap van Stef en Augustijn’ (Kopergietery) oogstten lof in binnen- en buitenland. Onder de vleugels van Ultima Vez en Wim Vandekeybus creeërt Seppe Baeyens in 2015 zijn eerste grootschalige dansvoorstelling Tornar.


Ish Ait Hamou: ‘Zolang ik iets te vertellen heb, zal ik dat doen’

01/04/2015

Verhalen vertellen. Dat is wat Vilvoordenaar Ish Ait Hamou wil doen. Dat is wat hij tenslotte al doet van toen hij een jaar of 13 was. Hij vertelt verhalen in dans, in filmbeelden en in woorden.

Binnenkort verschijnt Cécile, de tweede roman van Ish Ait Hamou, vooral bekend als choreograaf en supersympathiek jurylid van het tv-programma So You Think You Can Dance. Kort na de publicatie van zijn debuut interviewde ik hem. Ik herhaal een paar interessante fragmenten.

Over verhalen vertellen, bijvoorbeeld:

‘Verhalen vertellen is de rode draad door alles wat ik doe’, zegt hij. ‘Ik denk sowieso eerst in beelden en probeer die dan zo goed mogelijk om te zetten in dans, film of tekst. Maar uiteindelijk draait het om verbeelding en de verhalen die daaruit voortkomen. Zolang ik iets te vertellen heb, zal ik dat doen, op welke manier dan ook.’

Of over talenkennis:

Taalrijkdom
Zijn broers (één van hen is acteur Mounir Ait Hamou, vooral bekend van de film Les Barons) gingen zoals de meeste jongeren uit hun buurt naar een Franstalige school in Haren. ‘Maar vlak voor ik naar school zou beginnen te gaan, werd de schoolbus afgeschaft’, legt Ish uit. ‘Mijn broers waren al oud genoeg om alleen naar Brussel te gaan, maar mijn zus en ik moesten naar de Nederlandstalige school in Vilvoorde.’ Ish deed het goed op school, maar hij vond het er saai. ‘Onlangs had ik het er met mijn moeder over. Tot dan realiseerde ik me niet hoe erg ik was geweest, maar ik verzon constant excuses om niet te hoeven gaan: hoofdpijn, buikpijn… alles probeerde ik uit. Op weg naar school liepen we voorbij het park en dan probeerde ik vaak weg te vluchten, zodat mijn moeder me moest achtervolgen… Op de schoolbanken zat ik vaak te dagdromen en zodra ik bezig was met breakdance en hiphop, probeerde ik zelf rapteksten te schrijven.’ Korte verzen werden zinnen en zinnen werden uiteindelijk verhalen. ‘Zo vond ik schrijven leuk, maar strafwerk of zelfs opstellen schrijven, vond ik nog altijd helse opdrachten.’ Vandaag is hij zijn moeder niettemin heel dankbaar voor haar schoolkeuze. ‘Thuis spraken onze ouders Frans en Marokkaans. Wij antwoordden meestal in het Frans. Maar dankzij de school ken ik nu ook heel goed Nederlands. Daarzonder had ik bijvoorbeeld nooit jurylid bij So You Think kunnen worden. Ik heb ook een jaar via een uitwisselingsproject in Amerika gestudeerd, wat mijn Engels dan weer enorm vooruit heeft geholpen. Mijn Duits klinkt momenteel wat à la Jean-Marie Pfaff, maar zet me een tijdje in Duitsland en het komt wel weer terug. Al die talen zorgen soms voor een raar accent en gekke zinnen (want soms gooi ik mijn talen een beetje door elkaar), maar veel van de jobs die ik ooit heb gekregen als choreograaf, kwamen er mede dankzij mijn talenkennis. Om interessante opdrachten te krijgen, moet je niet alleen goed zijn in wat je doet, ook het sociale aspect speelt een rol. Soms tippen mensen je bij anderen. Zulke gesprekken gaan niet uitsluitend over kwaliteit: Hij is ook een toffe en respectvolle kerel, zeggen ze erbij. En dat bereik je alleen door taal: je moet kunnen communiceren met de mensen.’

En over dans en bluffen:

Een beetje cool
Toen Ish 12 of 13 was, zag hij een clip van Run DMC op tv. ‘Van het nummer It’s Like That’, vertelt hij. Daarin probeert een groep meisjes-breakdancers een groep jongens te overtreffen en vice versa. ‘En dan zijn er zo van die dingen die je probeert na te doen en die meteen lukken. Bij mij ging dat zo met bepaalde bewegingen uit breakdance. Ik voelde me een beetje cool en wou er meer van.’ Hij ontdekte dat een familievriend ook breakdancete en dus richtten ze samen een crew op. ‘We kregen een zaaltje van de Stad waar we één keer per week mochten gaan dansen. We waren met zijn drieën en we probeerden van alles uit. Les hebben we nooit gevolgd. Het lijkt een gek idee: daar zit je met zijn drieën, je wil iets doen, maar je weet niet goed hoe. En dus keken we naar clips en naar video’s van breakdancekampioenschappen en imiteerden we wat we zagen. Zo leerden we bewegingen te analyseren: hoe breek je een beweging op in verschillende stukken die je nadien weer in elkaar zet? Daar heb ik heel veel van geleerd.’ Er volgden kleine optredens, bijvoorbeeld op de Vilvoordse Jeugddag. ‘Er kwam een reportage op Ring-tv, wat wij natuurlijk fantastisch vonden.’ En uiteindelijk vroeg de Stad of ze soms breakdancelessen wilden geven aan andere jongeren. ‘Ook dat waren heel mooie zaterdagen. We dansten heel de namiddag en kwamen ’s avonds lekker moe thuis – dan sliepen we gegarandeerd héél goed.’ Zijn ouders vonden het allemaal prima. ‘Stel dat ik op 17 had willen stoppen met school om danser te worden, dan had ik een probleem gehad. Maar ik ging naar school en deed het daar goed, dus lieten ze me in mijn vrije tijd mijn gang gaan. Ze zagen ook dat ik er verantwoordelijker door werd. De kassa, de inschrijvingen, de lessen, omgaan met anderen, besprekingen met de Stad… het hoorde er allemaal bij. Ik kreeg de sleutel van de school waar de danszalen lagen. Misschien besefte ik het toen zelf niet, maar van zulke verantwoordelijkheden leer je veel.’
Op 18 trok Ish als choreograaf naar Duitsland om voor Adidas te werken. ‘Dat was stressen’, lacht hij. ‘Een vriendin van me werkte voor het agentschap dat de ploeg mocht samenstellen. Ik ken een heel goeie choreograaf, zei ze. Hij is net terug uit Amerika. En dat terwijl ik superjong was, er nog veel jonger uitzag en puur voor mijn studie in Amerika was geweest…’ Eenmaal op locatie stond hij oog in oog met dansers van wie hij grote fan was en die hij nu leiding moest geven. ‘Doe je voor als de persoon die ze denken dat je bent en ga ervoor’, dacht hij.
‘Gelukkig werd het een succes en mocht ik nog meer shows voor hen maken. Je ziet, een beetje bluf op tijd en stond kan geen kwaad.’

Meer?
Hier!