Klankman Pascal Braeckman: ‘Alles wat je filmt, maak je mee’

30/09/2015

Klankmannen werken gewoonlijk in de luwte van een televisieprogramma: buiten beeld, anoniem en onbekend. Sinds Pascal Braeckman voor het programma Tomtesterom in zee ging met Tom Waes, is daar verandering in gekomen. ‘Goh ja’, zegt hij. ‘Het is soms vervelend als mensen me aanklampen terwijl ik aan het werk ben. Aan de andere kant is het een teken dat mensen het leuk vinden wat je doet. En daar maak je tenslotte televisie voor.’

Pascal Braeckman (c) Filip Claessens

Sumoworstelaars en cowboys
Zijn leraren in het middelbaar onderwijs stuurden erop aan dat hij ingenieur zou worden, maar zo’n toekomst zag Pascal Braeckman niet zitten. ‘Dat interesseerde me geen zak. Ik wou naar de filmschool.’ Hij trok naar het Brusselse Rits, maar de finesses van de job leerde hij toch al doende, zegt hij. ‘Nu zijn die opleidingen erg veranderd, maar in die tijd stonden ze zo ver nog niet. Je had al eens een camera vastgehouden, maar veel meer hield het niet in. Het belangrijkste wat ik aan mijn studie heb overgehouden, zijn de contacten die ik er gelegd heb. Die hebben me later geholpen toen ik met klank voor televisie begon.’ Zijn eerste opdracht als klankman pur sang was een reclamefilmpje over schokdempers, in regie van Stijn Coninx. ‘Mijn tweede was een reportage over Tram 12 in Hoboken. We hebben toen van 4 uur ’s morgens tot 1 uur ’s nachts op diezelfde tram gezeten om verhalen te verzamelen. Dat was boeiend. Zoiets doe je anders nooit.’ Sindsdien heeft Pascal Braeckman wel meer dingen op zijn palmares die een doorsnee sterveling nooit doet. Zo logeerde hij dankzij het programma Goed volk van Jeroen Meus twee weken bij een groep Japanse sumoworstelaars in Tokio en bij onvervalste 21ste-eeuwse cowboys in Texas. ‘Al wat je filmt, maak je mee. Dat is het unieke aan de job: ik heb al ontzettend veel gezien. Onlangs vulde ik op Facebook alle landen in waar ik al ooit geweest was. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar het waren er 116. Dat is veel, hè… En binnenkort ga ik met Koen Wauters naar Cambodja voor zijn nieuwe programma Project K. Weer een nieuw land. Ja’, zegt hij, ‘programma’s zoals ik ze heb gemaakt met Tom Waes, Koen Wauters en Jeroen Meus zijn fantastisch om te doen. Je slaapt soms in erbarmelijke omstandigheden, hoor. Zoals met die reeks van Jeroen Meus over de patat: toen sliepen we met onze ploeg van zes man in openlucht achter een muurtje. Het was vreselijk koud, maar we kropen kort bij elkaar en dan ging het wel. Je bent in zo’n kleine ploeg op elkaar aangewezen en je moet er samen door. Dat maakt het tof: achteraf onthoud je alleen de goeie dingen.’

Klankman in de koffer
Zijn rol in de schijnwerpers kreeg Pascal Braeckman eigenlijk per toeval. ‘We zaten met de ploeg van Tomtesterom te brainstormen over hoe we het programma zouden aanpakken’, vertelt hij. ‘En de allereerste opdracht die Tom moest uitvoeren, was overleven in een bos. Hij merkte terecht op dat je niet echt in je eentje bent als je een cameraploeg meezeult. Vandaar dat hij ons bij het programma heeft betrokken: zo klopte het beter – we waren er samen, dus de kijker mocht dat zien.’ Toch zal Braeckman misschien nog het meest de geschiedenis in gaan als de-klankman-in-de-koffer. Iedereen kent het fragment: om uit beeld te blijven tijdens auto-opnames voor Wauters vs. Waes was hij in de kofferbak geklommen. Uitgerekend dan hield een Oostenrijkse politiepatrouille de televisiemakers tegen. ‘Guten Morgen, wie spät ist es?’ vroeg Braeckman toen hij uit de koffer klom. Het fragment werd een gigahit op Facebook. ‘Toen was het helemaal niet gepland dat ik in beeld zou komen, maar die beelden waren te mooi om te laten liggen’, zegt hij. ‘Zo uitzonderlijk is het niet, hoor, dat een klankman de koffer in moet. Voor beelden van autoscènes plaatsen ze kleine cameraatjes op het dashboard, maar het geluid kun je moeilijk automatisch regelen. Rijden ze over kasseien, bijvoorbeeld, dan versta je niets meer van wat ze zeggen en dan heb je een klankman nodig die ingrijpt. Voor de opnames van Crimi Clowns heb ik hele dagen in de koffer gelegen. Het hoort er gewoon bij.’

Lees het volledige artikel op pagina’s 10-11 van RandKrant, oktober 2015.

Advertenties

Choreograaf Helder Seabra over zijn crowdfundingproject: “Alle kleine beetjes helpen”

29/09/2015

Het zijn geen vanzelfsprekende tijden om kunst te maken. Ook de podiumsector kraakt in zijn voegen. Nu de subsidiekraan op druppelmodus staat, zoeken veel jonge makers noodgedwongen naar nieuwe wegen om hun werk bij het publiek te brengen. “Ik ben optimistisch en ontzettend koppig”, zegt choreograaf Helder Seabra. “Ik laat me niet zomaar stoppen.” Hij financiert zijn volgende productie gedeeltelijk met crowdfunding. Nog tot 6 oktober kun je daartoe je steentje bijdragen. Voor elke bijdrage krijg je bovendien iets in ruil.

Helder Seabra groeide op in Portugal. Als tiener wou hij architect worden. Tot een vriendin hem meesleepte naar haar dansschool. ‘Vanaf de eerste les was ik verkocht: ik had mijn biotoop gevonden.’ Met amper anderhalf jaar danservaring werd hij toegelaten tot PARTS, de dansopleiding van Anne Teresa De Keersmaeker in Brussel. Vervolgens danste hij vijf jaar voor Wim Vandekeybus/Ultima Vez en nog eens vijf voor Sidi Larbi Cherkaoui/Eastman. Wie die drie namen op zijn cv heeft, mag spreken van een uitzonderlijk dansparcours.

Succesvol debuut
Vorig jaar maakte hij met zijn eigen compagnie HelKa zijn debuut als choreograaf: When The Birds Fly Low The Wind Will Blow is een theatrale en fysieke performance, tegelijk melancholisch, poëtisch en onstuimig. De livemuziek van de Gentse band Maya’s Moving Castle maakt de beoogde sfeer compleet.

De voorstelling begint in oktober aan een tournee. Tegelijk werkt de jonge compagnie aan een tweede choreografie: In Absentia, een
voorstelling over verlies. Ze gaat op 15 oktober in première in de Warande in Turnhout.

Geen beloning voor goed rapport
Eigenlijk zou er een andere productie komen: Lore, over bijgeloof en mystiek. Seabra diende daarvoor een dossier voor projectsubsidie in bij de minister van Cultuur, Sven Gatz. Net als 78 andere – veelal jonge – kunstenaars en organisaties gaven de beoordelingscommissie en de administratie hem een dubbel positief advies. Desondanks kregen ze alle 79 dit antwoord in de maag gesplitst: “Hierbij melden we u de beslissing om uw project niet te ondersteunen. Het zakelijk advies van de afdeling Kunsten en het artistiek advies van de bevoegde beoordelingscommissie, die u als bijlage bij deze mail vindt, waren nochtans positief. De resterende budgetten lieten echter jammer genoeg slechts ruimte om een beperkt aantal aanvragen in te willigen.”

De projectsubsidies zijn weer de pineut“, schrijft theatercriticus Wouter Hillaert in Rekto:Verso. “Zo’n lage toekenningsgraad is nooit eerder vertoond.” Hillaert maakt de terechte vergelijking: “Stel je een prof voor die zegt: je bent geslaagd voor je examens, maar we laten je er niet door.”

Crowdfunding met fijne return
Ja, wat dan? Je kunt er het bijltje bij neergooien, de repetitie- en speelzalen leeg laten. Of je kunt doorgaan. Helder Seabra maakte de moeilijke keuze om zijn grote project even in de koelkast te stoppen en een nieuw, low-budgetproject op te zetten. Voor In Absentia werkt de choreograaf met een uitsluitend mannelijke cast. Met hen onderzoekt hij alle hoeken en kanten van het thema verlies – een thema dat niet toevallig is gekozen: het is direct geïnspireerd op de verschraling van het kunstenlandschap die de choreograaf zelf ervaart. Verlies voelen, zien, dragen, erom huilen of lachen – het mag allemaal. Seabra: “Doorgaans kroppen mannen meer op dan vrouwen: ze uiten hun emotie minder direct. Wat doet dat met ze? Uiteindelijk draait het niet om wat je verliest of hoe dat gebeurt, maar om hoe je ermee omgaat.”

Het crowdfundingproject dat de voorstelling moet helpen voltooien, loopt nog tot 6 oktober. In totaal zoekt het gezelschap via die weg 10.500 euro bij elkaar. Een week voor de deadline stond de teller al op 6924. “Alle beetjes helpen”, zegt de choreograaf. Op de webpagina van het project leest de bereidwillige financierder wat hij of zij voor de gegeven steun in de plaats krijgt. Enkele voorbeelden. Vanaf 2 euro? Een persoonlijk mailtje van de choreograaf om je te bedanken. Vanaf 10? Een foto in je inbox, speciaal voor jou genomen tijdens het creatieproces. Vanaf 35 euro: een workshop of dansles van de choreograaf. Vanaf 100 euro? Een borrel met het volledige team van de voorstelling. Vanaf 500 euro? Het team maakt een traditionele Portugese maaltijd klaar voor jou en maximaal 5 vrienden.

“De kunsten lijken in een vacuüm terecht te zijn gekomen”, besluit Helder Seabra. “Iedereen vraagt zich af wat de toekomst brengen zal. Volgens mij zitten we op een keerpunt dat ons dwingt na te denken over een nieuw soort creativiteit, die we met zo weinig mogelijk middelen moeten ontwikkelen. Je merkt ook hoe kunstenaars elkaars projecten ondersteunen. Mijn muzikanten maken muziek voor de voorstelling. Ik zal in ruil een choreografie maken voor een van hun volgende videoclips. Ik blijf dus positief: optimisme brengt optimisme voort en dat zorgt voor een goede bodem om ideeën te laten kiemen en bloeien.”

https://www.facebook.com/helkavzw
Lees ook het artikel dat ik over Helder Seabra schreef in RandKrant, en waaruit ik fragmenten geplukt heb voor deze post (blader naar pagina 22).


Lies Pauwels: “Ik geef geen antwoorden met mijn voorstellingen, ik stel liever vragen”

24/09/2015

Tot eind november reist theatermaakster Lies Pauwels door Vlaanderen, Nederland en een heel klein stukje Frankrijk met Het Hamiltoncomplex, een filosofische en visuele 13+-voorstelling met woord en beweging. Ze broedde al enkele jaren op het idee: een stuk over keerpunten en kenteringen moest het worden, over grote omwentelingen op individueel niveau en op wereldvlak. Ze koos daarvoor een cast van 13 meisjes van 13 jaar en een bodybuilder.

Ik interviewde haar voor Staalkaart over het maakproces van de productie. Een fragment.

hamiltons090
“13 is een symbolische leeftijd”, vindt theatermaakster Lies Pauwels. “Het is het kantelmoment tussen kind zijn en volwassen worden. Je draagt alles wat je al was en alles wat je nog zult worden in je.” De bodybuilder staat voor veiligheid en geborgenheid. “Ik wou die bende opgroeiende meisjes iemand geven van wie je verwacht dat hij je letterlijk en figuurlijk kan dragen. Zo kan hij ook symbool staan voor de maatschappij, die het individu al dan niet voldoende onderstut. Tegelijk kun je achter die grote spiermassa veel leegte vermoeden. Onder al dat uiterlijk vertoon is hij ook maar een mens met zijn eigen mogelijkheden en mankementen.” In die korte uitleg gaan Lies Pauwels’ voornaamste thema’s schuil: identiteit (wat is dat precies, wat vormt of misvormt haar?), individu versus maatschappij (waar eindigt noodzakelijk conformisme en waar begint beknotting van vrijheid?), façade (en wat overblijft wanneer die langzaam afbrokkelt). Ze komen in de loop van het gesprek aan de oppervlakte drijven, in stukjes en brokjes, maar tekenen zich uiteindelijk overduidelijk af in het geheel. Het is kenmerkend voor hoe Lies Pauwels spreekt, en evenzeer voor hoe ze werkt. De gedachten waaieren uit, komen weer samen, verspreiden zich opnieuw, en toch is er samenhang op het eind van de rit. “Ik kies niet snel voor één onderwerp en een gestructureerde verhaallijn. Ik hou van fragmentarische stukken, maar dan wél met een compleet emotioneel verloop.”

Uit de chaos, de verbanden
We lijken op allerlei vlakken op een groot kantelmoment te staan. De technologie, het milieu, de economie… alles lijkt hard te evolueren of anders wel aan verandering toe te zijn. “Is het no way back of zal alles toch gewoon blijven doorgaan?” vraagt Lies Pauwels zich af. Wordt het het soort keerpunt dat je in heel de geschiedenis terugvindt? De Franse revolutie, de industriële revoluties, de Renaissance. Noem maar op. Ze zetten alles op losse schroeven en de individuen die zulke historische kenteringen ondergaan, moeten zich er maar toe zien te verhouden. Lies Pauwels spreekt voorzichtig en zoekend, geeft voorbeelden en neemt ze meteen weer terug. Het gesprek vindt middenin het repetitieproces plaats en veel materiaal moet nog een plekje krijgen in de voorstelling. Welke bron zal het halen en welke niet? Als iets erin zit, welke vorm krijgt het dan? Ze heeft het meest uiteenlopende materiaal verzameld en heeft haar ploeg daarmee aan het improviseren gezet. “Ik vertrek vanuit grote chaos: alles ligt naast en door elkaar. Al die dingen beginnen zich vervolgens in verschillende lagen in mijn hoofd te nestelen en uiteindelijk begin ik verbanden te zien. Zo krijgt een idee stilaan vorm. Op dit ogenblik onderzoek ik bijvoorbeeld een idee rond een schilderij van een jonkvrouw die met de Dood danst.” Dat soort iconische beelden wil ze zeker in de voorstelling verwerken – als clichés die ze dan vervolgens wil overstijgen. Toch aarzelt ze weer om door te gaan. “Ik vind het altijd moeilijk om ideeën die ik nog niet ten volle heb kunnen onderzoeken al vastgelegd te zien in een artikel”, zegt ze. “Als ik ze lees als feiten, ben ik onmiddellijk geneigd ze niet langer te gebruiken, omdat het dan lijkt alsof ze hun bestaan al gehad hebben…”
De spelers krijgen evenmin alle details van Pauwels’ hersenspinsels te horen: “Hoewel het belangrijk is voor hen om de oorspong van hun materiaal te kennen, zal ik ze nooit dat schilderij tonen en vragen om eens eventjes allemaal dansende jonkvrouwen te spelen. In plaats daarvan probeer ik hen te injecteren met allerlei opdrachten, op zo’n manier dat ik iets van hen terugkrijg wat mijn thema voedt, maar wat ik niet in mijn eentje had kunnen verzinnen.”

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Baldadig en frontaal
Zodra een idee dan effectief op de speelvloer wordt gelegd, is alle voorzichtigheid zoek en wordt het compleet binnenste buiten gekeerd. “Op dat moment ga ik allerminst nog heilig met mijn bronnen om”, legt de theatermaakster uit. “Dan benader ik ze baldadig en frontaal, zodat het resultaat absurd en surrealistisch wordt.” Ze worden uitgepuurd tot vingerknippen en zijn dan weer weg, om later in de voorstelling weer terug te komen. Of net niet. “Middenin een improvisatiesessie laat ik de meisjes dan ineens een bepaald rekwisiet gebruiken: een kapje, een rokje of een ander kledingstuk. Zo transformeren ze. Dat is iets helemaal anders dan iets spelen. Snap je?”
De grote schare snelle kostuumwissels die op die manier ontstaat, ligt wél al vast. Ze moeten het hele transformatie-idee achter de voorstelling extra in de verf zetten. Een resem hoofddeksels verschijnt en wordt weer afgeworpen. De meisjes doen iets met schoenen en zwieren ze weer uit. “Doordat de meisjes zichzelf continu transformeren, transformeert ook de scène onophoudelijk. Al wat ze wegwerpen, blijft gewoon liggen. De façade brokkelt af en uiteindelijk zitten we op de brokstukken die overblijven: van de wereld of ons eigen leven… dat mag iedere toeschouwer voor zichzelf invullen.”
Lies Pauwels geeft niet graag antwoorden met haar voorstellingen. Ze stelt veel liever vragen. “En ik schuw het mechanisme van de contradictie daarbij niet. Ga je na afloop met al die vragen naar huis of formuleer je al tijdens het kijken een eigen antwoord? Misschien heb je er volstrekt geen boodschap aan – ook dat kan en mag. Het is eigen aan mijn creaties: omdat er veel lagen in zitten, is de kans groot dat jij er dingen in ziet die de persoon naast je niet ziet en omgekeerd. Veel hangt af van wie je bent en wat je al hebt meegemaakt. Zo gebruik ik allerlei muziek van vroeger: klassieke muziek, maar ook protestsongs uit de jaren 60. Wie de muziek kent, hangt er een andere betekenis aan vast dan jonge mensen die hem voor het eerst horen.”

De rest van het artikel kun je lezen in Staalkaart #30, de dikste Staalkaart ooit.

Speeldata:
www.hetpaleis.be


“De beste liefdesgedichten gebruiken het woord ‘liefde’ niet” – Wim Vandekeybus over Speak Low if you Speak Love

23/09/2015

Het zijn – zoals gewoonlijk – hectische tijden voor Wim Vandekeybus. Eerder deze maand ging zijn eerste langspeelfilm, Galloping Mind, in première.

Tegelijk begint zijn recentste dansproductie aan een uitgebreide tournee door België, Europa en ver daarbuiten. Speak Low if you Speak Love. Het is een quote die Vandekeybus leende bij Shakespeare, maar die een heel eigen leven leidt in de wereld van de jazz. Typisch Vandekeybus: ook bij hem bestaat niets uit één laag. “Misschien combineer ik soms zelfs te veel ideeën, maar ik hou ervan om alles te contextualiseren. Een dansduet kan prima op zich staan, maar dan denk ik: Dat idee van dat bos! Dat past hier prima bij!”

“Elko, you can start the music!” roept hij. Even later komt een danser op met een lang, dik touw in de handen. Over zijn gezicht is een dun sjaaltje geknoopt. “Zoals de Lovers van Magritte”, vertrouwt Vandekeybus ons toe. “Ik vond dat altijd al een sterk beeld.” Ook in de voorstelling bereiken de bedekte gezichten het beoogde effect. Acht performers bewegen door elkaar: ze zien er hulpeloos en verloren uit, geïsoleerd van de wereld en van elkaar. “En ze verlangen”, voegt de choreograaf eraan toe. “Het niet-zien, het verbergen, het niet-tonen is soms belangrijker dan het tonen. Zoals Baudrillard het ook zei: La séduction est beaucoup plus immense que la satisfaction. Zodra iets ingevuld is, stort er ontzettend veel in elkaar. ‘Houden van’ heeft nooit een resultaat, het heeft geen gewicht, het moet bijna een zijden doekje zijn dat voor iets hangt.”
Tussen de dansers loopt één figuur met onbedekt gezicht: de Zuid-Afrikaanse zangeres Tutu Puoane, die het volle gewicht van het zicht doet voelen op scène. Als een mythologische godin bekijkt ze het gekronkel van de hulpeloze blinden en ze fluistert en zingt hen onverstaanbare, onheilspellend klinkende boodschappen toe. “Alles vertrekt van haar: zij kan de liefde incorporeren. Dat geeft haar personage een zekere macht.”
Eén van de performers doet uiteindelijk de sjaal van zijn gezicht en er ontstaat een duet met een meisje. “Hij speelt met haar”, legt Vandekeybus uit. “Maar zodra hij heeft wat hij wil, is het al meteen too much en wordt hij erdoor opgegeten.”

UV_SLSL©DannyWillems_4_SLSL-363
Leeg en puur
“Mensen vragen me welke boodschap over de liefde ik met mijn voorstelling wil uitdragen”, zegt Wim Vandekeybus. “Maar dan denk ik direct: nee, dat is net niet wat we moeten doen…” In se grijpt de choreograaf met Speak Low terug naar zijn beginpunt. In zijn allereerste productie, What the Body does not Remember uit 1986, schuwde hij elke referentie. “Wat ik nu doe, is vergelijkbaar. Natuurlijk was What the Body veel abstracter, harder en dierlijker, maar toch zat er ook al een en ander in over de liefde. Ook Speak Low mag absoluut niet intellectualistisch overkomen door ze met referenties te stofferen. Ik wilde zo leeg en puur mogelijk beginnen.”
Hoe heeft hij zich dan op de productie voorbereid? “Chaotisch en parallel met veel andere dingen”, zegt hij. “Ik ben niet de persoon die 20 boeken over zijn onderwerp zal zitten lezen. Pas op, ik héb wel gelezen – filosofische beschouwingen over de liefde vooral. Maar ik had dat allemaal al ooit gehoord en vond het behoorlijk boring. Ik heb die boeken dus weggelegd en ben wat andere dingen beginnen lezen, waarin ik dan iets over de liefde probeerde te vinden. De Grieken, bijvoorbeeld: die kenden vijf gigantische thema’s over de liefde en wij gebruiken er daar maar één van. Denken we aan de liefde, dan denken we automatisch aan een koppel en hartjes en op restaurant gaan met Valentijn om je liefde te bewijzen en dat soort quatsch. Zo hebben we de liefde gereduceerd tot iets als Sinterklaas voor kinderen, iets materieels ook. Instant gratification. Zo denken over de liefde is limiterend en het zou heel stom zijn om alleen maar dat aspect op scène te zetten. De Grieken hebben het evenzeer over liefde tussen ouder en kind, voor het universele, het goddelijke… Liefde is inherent aan alles wat er gebeurt: het is zo ruim en tegelijk zo klein, dat je er wel allerlei bij moet betrekken als je het erover wil hebben. En dat heb ik heel intuïtief gedaan. Ik wou vooral vanuit het mysterie vertrekken, de emotie zelf proberen te pakken. Daarom gebruiken we in deze voorstelling geen tekst. Ik wil niks uitleggen: de voorstelling mocht geen woorden nodig hebben. De beste liefdesgedichten gebruiken het woord ‘liefde’ niet. Snap je?”

Meer? Staalkaart #30.

www.ultimavez.com


Jeroen Jaspaert, animator en regisseur van animatiefilms: “Het is niet omdat je van je job geniet, dat mensen daar misbruik van mogen maken”

18/09/2015

Br7JveeIgAAzmFj.jpg large

Heb je kleine kinderen in huis? Toon ze dan zeker eens een paar filmpjes van Bing Bunny. We moeten nog even wachten op de Nederlandstalige versie die op Ketnet zal lopen, maar de kleintjes (en hun ouders) vinden het Engelstalige origineel net zo leuk. Ik hou zelf vooral van het rustige tempo, de herkenbare verhalen, de héérlijke Engelse vertelstemmen en de giga-aaibaarheidsfactor van de figuren.

Onlangs interviewde ik de regisseur van de Bing-serie, Jeroen Jaspaert, voor een nieuwe Kanttekening.

Zes middelbare schooljaren lang riep hij van de daken dat hij leraar zou worden. Maar toen puntje bij paaltje kwam, bedacht hij zich: animatie zou het worden. “Ik was als kind al altijd artistiek bezig”, vertelt animator Jeroen Jaspaert. “Ik tekende, schilderde, speelde toneel… Maar ik had er nooit bij stilgestaan dat ik van iets creatiefs ook mijn beroep kon maken.”

BAFTA_BING (1)“In de zomer voor ik zou beginnen voortstuderen, hoorde ik per toeval een radio-interview met Raoul Servais, de pionier van de Belgische animatiefilm. Toen besefte ik dat in animatie mijn liefde voor tekenen en die voor acteren samenvielen. Zo ben ik op het laatste nippertje – en zonder er al te veel over te weten – dus toch in een creatieve richting terechtgekomen. Ik volgde de vierjarige opleiding in Genk. In het eerste jaar leerde je daar ook heel veel over algemene filmtechnieken: hoe werken cameralenzen, hoe zit een goede lay-out of een verhaalstructuur in elkaar… Nu ik als regisseur werk, heb ik daar nog veel aan.”

Hoe vlot heb je nadien de stap naar het professionele leven gezet?

“Het zag er eerst naar uit dat het vrij moeilijk zou verlopen. Het laatste jaar in Genk was erg zwaar. We kregen geen lessen meer, maar moesten twee animatiefilmpjes maken. Toen die af waren, wou ik even niet meer aan animatie denken. Ik heb die zomer daarom voor de Tiense bietencampagne gewerkt. En terwijl ik bietenplantjes zat te zaaien en zo, besefte ik plotseling dat ik helemaal niet wist hoe je professioneel animator moest zijn. Hoe goed moest je zijn en hoe snel moest je kunnen werken om in de industrie aan de bak te komen? En waren er überhaupt wel animatiestudio’s in België? Daarom heb ik me ingeschreven voor een bijkomende opleiding van een half jaar in Londen. Elke maandagochtend kregen we een opdracht, elke vrijdag presenteerden we het resultaat. We waren met 30 studenten die alle 30 even gedreven waren en allemaal de besten wilden worden in ons vak. Ook dat maakte het tot een fantastisch semester. Door onze geestdrift stuwden we elkaar vooruit: jij kunt dit? Dan wil ik ook beter doen! In die zes maanden ben ik écht animator geworden. Ik kreeg meer zelfvertrouwen om oprecht trots te zijn op mijn teken- en animatiewerk en ermee naar buiten te komen. Zo kon ik eigenlijk vrij snel sollicitatiegesprekken krijgen in enkele grote Engelse animatiestudio’s. Een week na de diploma-uitreiking kon ik aan mijn eerste opdracht beginnen. Ik ben dus in Londen blijven hangen en 14 jaar later ben ik hier nog.”

Lees meer.


Keramisch ontwerpster Ilona Vandenbergh: “Als je goed en professioneel advies krijgt, voel je je minder alleen in je ondernemerschap”

11/09/2015

Allerhande praktische bezwaren stonden haar creatieve carrière jaren in de weg. Maar begin dit jaar hakte Ilona Van den Bergh de knoop definitief door: “Andere keramisten die ik ken, verklaren me gek als ik zeg dat ik van mijn ontwerpen wil kunnen leven. Toch ga ik ervoor. Het is het juiste moment.” Op het ogenblik van ons gesprek is de ontwerpster overstelpt door het werk. Er is net een grote bestelling binnengelopen, waarvan ze de productie volledig zelf verzorgt. “Voorlopig ziet het er alvast goed uit”, besluit ze.

“Veertien jaar geleden ben ik afgestudeerd als keramist aan het IKA in Mechelen. Door een samenloop van omstandigheden ben ik er dan een hele tijd niet meer mee bezig geweest. Ik nam een vaste baan, maar na verloop van tijd voelde ik me daar niet langer prettig bij. Nochtans had ik een goed loon, veel vrijheid en fijne collega’s. Het bedrijf lag bovendien in een mooie en vlot bereikbare omgeving. Ik was echter op een punt in mijn leven gekomen waarop je de balans opmaakt, en de slotsom was dat ik mijn keramiek te erg miste. We verhuisden en in dit nieuwe huis heb ik een atelier kunnen inrichten. Zo ben ik stilaan begonnen met nieuwe ontwerpen maken, die vrij snel door de buitenwereld zijn opgepikt.”

“Ik heb in een ver verleden plastische opvoeding gestudeerd aan het regentaat. We kregen er veel verschillende disciplines aangereikt, en toen al had ik een voorliefde voor driedimensionale opdrachten. Jaren later ben ik dan aan een avondopleiding keramiek begonnen en dat beviel me enorm. Het is een heel direct medium: je pakt klei in je handen en je hebt onmiddellijk resultaat van wat je doet. Je moet natuurlijk de kunst beheersen om het idee dat je in je hoofd hebt, te vertalen naar een vorm, maar dat proces verloopt bij mij altijd heel organisch en vloeiend. Ik denk er meestal niet te veel over na: op de meest onverwachte momenten zie je iets voorbijkomen waarvan je in een flits weet wat je ermee kan doen. En dan ga je aan de slag.”

www.ilonavandenbergh.be

Lees het hele artikel.


Matterhonger – een culinair-artistieke avond bij Muziektheater Transparant

10/09/2015

MATTERHONGER is een gloednieuw project van Muziektheater Transparant. Het geeft je een inkijk in het repetitieproces van een nieuwe voorstelling. Een kok, de betrokken artiesten en deskundigen geven toelichting, trakteren op een preview en laten je genieten van een lekker en gezellig diner. Klinkt goed.

De eerste editie vindt morgen (11 september 2015) plaats.

Een tijdje terug interviewde ik artistiek leider Wouter Van Looy en de jonge operazangeres Naomi Beeldens voor Staalkaart over een ander interessant project van het muziektheaterhuis: TRANSLAB. Dat geeft jongeren kansen, verkent hun passie voor muziek en zang en diept die uit. Transparant neemt zijn jongerenwerking uitermate ernstig: “Omdat het zo ontzettend belangrijk is”, vindt Van Looy.

Ik herneem een stukje.

“Het zit in je systeem”

Mensen met een specifieke passie kunnen vaak heel precies vertellen waar, wanneer en hoe die passie kiem heeft geschoten. Voor Naomi Beeldens begon het met een verhaaltje voor het slapengaan. Voor Wouter Van Looy met een gebarsten viool.

“Ik kwam in aanraking met klassieke muziek, omdat mijn ouders het opzetten”, vertelt Naomi Beeldens. “Zo simpel was het. Maar heel specifiek is mijn liefde voor klassiek begonnen met het verhaal dat mijn meter me altijd voorlas voor het slapengaan: De toverfluit. Ik vond het zo mooi, dat ik de cd met de muziek ook ben gaan kopen. Zo zat ik dus als kind in mijn kamer naar Mozart te luisteren. Pas later ben ik erachter gekomen dat het verhaal eigenlijk veel langer was dan ik vroeger dacht – blijkbaar viel ik altijd ergens halfweg in slaap.” Later sloot ze zich aan bij een koor, ging ze op zangles en rolde ze de jongerenopera in. Toen ze 18 was, besloot ze om niet rechtstreeks naar het conservatorium te gaan. “Ik heb eerst taal- en letterkunde gestudeerd”, vertelt ze. “Hoewel ik nu geregeld te horen krijg dat ik met 27 toch al aan de oude kant ben om nog aan een operacarrière te beginnen, ben ik blij dat ik voor dit parcours heb gekozen. Aan de universiteit vorm je je identiteit. Toen ik nadien aan het conservatorium belandde, was ik blij met de buffer die ik aan de unief al had opgebouwd. Anders is het wel heel moeilijk om tegen de traditionele verwachtingen op te boksen.”

Kapotte viool
Een magisch moment – zo noemt Wouter Van Looy zijn eerste aanraking met de wereld van de muziek. “Mijn vader was fabrieksarbeider in de haven van Antwerpen. Een vriend van hem had een viool met een barst erin, die hij wilde weggooien. Geef maar mee, zei mijn vader. Wie weet kan ik er nog iets mee.” Zo belandde de viool bij het gezin Van Looy op zolder. “Op een dag was ik daar een beetje aan het rondsnuffelen en vond ik de kist met het instrument erin. Ik wist onmiddellijk dat ik er ooit iets mee wilde doen.” Het heeft dan nog vier jaar geduurd voor de viool hersteld was en hij aan zijn eerste les mocht beginnen. “Je moest 8 zijn voor je naar de muziekschool mocht gaan. Dan volgden twee jaar notenleer en pas daarna mocht je spelen – dat was echt een ramp.” In de tussentijd redde hij zich met de kleine platencollectie van zijn ouders. “Daar zaten misschien 10 klassieke platen in, onder meer enkele symfonieën van Beethoven, waar ik helemaal gek van was. Ik zette ze op, kroop op een bolletje tegen de box aan en ging helemaal op in de muziek. Daarom denk ik dat gevoeligheid voor muziek toch iets aangeboren moet zijn. Het zit in je systeem.”

www.transparant.be
www.staalkaart.be