Fikry El Azzouzi: “Schrijver ben je heel de dag door”

26/05/2016

Fikry El Azzouzi besloot van de ene dag op de andere dat hij schrijver wou worden. Beginnen en volhouden, dan zou het wel lukken. Tien jaar later is hij volop bezig aan zijn vierde roman en geldt hij als een van de meest beloftevolle stemmen in de huidige theaterliteratuur. “Maar al wat naar zakelijk ruikt, zorgt voor stress.”

_MG_0304-2“Mijn nieuwe roman is het derde deel van de trilogie die begonnen is met mijn debuut, Het Schapenfeest. Ik heb de eerste versie volledig af, maar ben nu alles aan het herschrijven om er de juiste toon en het goede ritme in te krijgen. Dan vertrekt hij naar de uitgeverij en in oktober verschijnt hij.”

Wanneer wist jij eigenlijk dat je schrijver wou worden?

“Zo’n 10 jaar geleden kreeg ik opeens een ingeving: Ik wil schrijver worden. En ik dacht er onmiddellijk bij: Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? Noem het arrogantie of een manier om mezelf op te peppen, want uiteraard besefte ik wel dat ik niet zomaar even een roman uit mijn mouw zou schudden. Ik wist dat ik er hard voor zou moeten werken en dat ik niet te snel zou mogen opgeven als ik er iets mee wilde bereiken. Literatuur interesseerde me al langer. Ik las veel boeken en las ook graag verhalen over de werkroutine van schrijvers. Waarschijnlijk borrelde het dus al wel even, maar het echte plan is er heel spontaan gekomen. Ik had in mijn familie of wijdere omgeving ook geen voorbeelden die me stimuleerden om te gaan schrijven of zo. Ik ben er puur op mezelf mee begonnen.”

Hoe redde je het in die beginjaren financieel?

“Een schrijver ben je heel de dag door, niet zomaar even tussendoor. Ik wou dus hele dagen kunnen schrijven, maar moest intussen wel mijn brood verdienen. Daarom ben ik aan de slag gegaan als bewakingsagent voor een energiebedrijf: je zit aan een bureau en zolang er niets gebeurt, heb je behoorlijk wat tijd om te lezen en te schrijven. Die job heeft me heel hard geholpen om mijn eerste roman tot stand te brengen. Ik ben er pas mee gestopt na Drarrie in de nacht, mijn derde. Het bedrijf had het moeilijk, waardoor er geregeld periodes van economische werkloosheid waren. Omdat ik ook almaar meer opdrachten voor theaterteksten kreeg, heb ik toen ontslag genomen. Dankzij het theater en een column hier of daar lukt het me tegenwoordig om van mijn pen te leven.”

Première Alleen, tg Stan, dinsdag 14 juni, Monty
Roman Alleen zij, verschijnt in oktober bij Uitgeverij Vrijdag.

Lees de volledige Kanttekening op www.kunstenloket.be

Advertenties

Beeldend kunstenaar Andres Serrano: ‘Mijn taal bestaat niet uit woorden’

23/05/2016

De beelden van de New Yorkse kunstenaar Andres Serrano schudden de toeschouwer wakker. Ze zijn esthetisch, ze schokken en provoceren, ze vertellen je precies hoe de wereld in elkaar zit.

2017_kalender-expo-andres-serrano

Noem Andres Serrano geen fotograaf. ‘Ik ben een kunstenaar met een fototoestel’, zegt hij. De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel tonen de grootste overzichtstentoonstelling van zijn werk tot nu toe. ‘Europa begrijpt mijn werk’, vertelt hij. ‘Ik heb al 12 of 13 museumtentoonstellingen gehad in Europa, waarvan dit absoluut de indrukwekkendste is. In mijn eigen land is er zo nog maar eentje geweest, en dat was meer dan 20 jaar geleden. Europa omarmt mijn werk, Amerika vergeet me graag.’

Provocerend
Geef de naam van de kunstenaar in op een zoekmachine en de woorden ‘provocerend’ en ‘controversieel’ vliegen je om de oren. Die epitheta heeft hij te danken aan werken zoals het legendarisch geworden Piss Christ (1987). Je ziet een kruisbeeld ondergedompeld in een rood-gele substantie. Een mooi beeld. Het is maar door de expliciete titel dat je ook beseft om wat voor vloeistof het precies gaat. Met deze foto vestigde Serrano zijn reputatie als provocatief kunstenaar. Waarom die expliciete titel, kun je je afvragen. Waarom de toeschouwer niet in zijn esthetische bubbel laten? ‘Net omdat ik foto’s maak, vind ik dat ik precies moet vertellen waar de toeschouwer naar kijkt. Zie je, ik bewerk achteraf niks. Mijn beelden zijn wat ze zijn. Als ik mijn publiek dus een volledig rood beeld voorzet en het is in realiteit een monochroom van bloed, dan vertel ik dat in de titel. Ik heb zo bijvoorbeeld ook beelden gemaakt van melk. In het geval van Piss Christ was het net hetzelfde: het ging om urine, het ging om een christusbeeld. Het was niet provocatief bedoeld. Het was wat het was.’

Piss Christ - serrano_site_3_large@2x

Alles beter dan onverschilligheid
De ene noemde het werk godslasterlijk, de ander plaatste het liever in de lange traditie van christelijk geïnspireerde kunst. De discussies laaiden hoog op. Exemplaren van dit en andere van Serrano’s werken kregen in het verleden meer dan eens te maken met vandalisme. Vier van zulke ‘kapotte’ werken maken deel uit van de Brusselse tentoonstelling. ‘Ik vind dat een sterk statement’, zegt de kunstenaar. ‘Het toont aan hoe mijn werk soms opzettelijk verkeerd begrepen wordt. Tegelijk kun je zeggen dat mijn beelden altijd iets losmaken bij mensen. Je kunt ze op verschillende manieren interpreteren – dat vind ik belangrijk – en natuurlijk vind ik het prettiger als je ze positief interpreteert. Maar uiteindelijk is alles beter dan onverschilligheid.’

Taal van het hart
‘Mijn taal bestaat niet uit woorden, is niet intellectueel. Ze komt uit het hart, uit mijn ziel, mijn geweten.’ Hoewel zijn voornaamste bekommernissen esthetisch en artistiek van aard zijn, hoef je geen kunstkenner te zijn om de krachtige verhalen achter zijn beelden te kunnen lezen. Zo fotografeerde hij – zelf een New Yorker met hispanic roots – enkele leden van de Ku Klux Klan. Hij trok naar het dodenhuis en maakte confronterende beelden van personen die een veelal gewelddadige dood waren gestorven. Zijn recentste werk draait om uiteenlopende vormen van foltering. ‘Politieke of sociale analyses van de wereld zijn zeker niet mijn eerste prioriteit als kunstenaar, maar mijn werk reflecteert wel veel van wat er in die wereld gebeurt. Soms loopt het zelfs voorop op zijn tijd.’

Menselijkheid
Erg sprekend in dat opzicht is de gelijktijdige tentoonstelling Denizens of Brussels, die staat opgesteld in de straten van Brussel. Daarvoor fotografeerde Serrano de daklozen van onze hoofdstad. ‘Dat thema gaat al meer dan 20 jaar mee’, legt hij uit. ‘Voor mijn toenmalige reeks Nomads fotografeerde ik daklozen in de metro, met flash en een achtergrond, waardoor het net leek of de foto’s in een studio waren genomen. In 2013 ging ik opnieuw de straat op en kocht ik meer dan 100 van die typische borden waarop daklozen op de een of andere manier om geld vragen. Daarvan heb ik geen foto’s gemaakt, maar een installatie: elk bord is een apart verhaal. Vervolgens maakte ik de reeks Residents of New York en nu dus Denizens of Brussels, waarvoor ik telkens de daklozen van de stad fotografeerde. Ik wil die mensen erkennen als volwaardige inwoners van de stad. Ze hebben misschien geen huis, maar ze wonen er wel. We negeren ze meestal, maar ze zijn er. Beide reeksen gaan in se over menselijkheid – altijd een goed onderwerp voor kunst.’

Dit artikel verscheen eerder in RandKrant, mei 2016. De gepubliceerde versie kan lichtjes verschillen van deze.

www.fine-arts-museum.be


Illustrator Jurgen Walschot: ‘Elke tekst vraagt een ander soort beeld’

18/05/2016

Wanneer illustrator-vormgever Jurgen Walschot een stapel van zijn boeken en schetsen op tafel legt, heb je meer dan één blik nodig om zijn stijl te vatten. ‘Ik hou van afwisseling’, zegt hij. ‘Elke opdracht vraagt een andere aanpak.’

Hij neemt prentenboeken voor kinderen, geïllustreerde verhalen voor eerste lezers en bundels voor volwassenen uit zijn rek. Daarin staan prenten in uitbundige kleuren, ingetogen tekeningen, collages, werk in houtskool… ‘Het lijkt misschien gek dat die uiteenlopende dingen allemaal van één persoon zijn. Maar volgens mij vraagt elke tekst een ander soort beeld. Ik leef me in een opdracht in en amuseer me. Zo kom ik aan die uiteenlopende resultaten.’

211_ran16-04_jg20_04_cover_lrBovenaan de stapel ligt de recentste boekenbaby: De ster, de god, de vleugels en de ster. De tekst is van An Willaert, Jurgen Walschot tekende. ‘An is mijn collega aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas Brussel. Zoals dat gaat onder collega’s, waren we eens aan het babbelen over dingen waar we zoal mee bezig waren. Ze liet me de tekst lezen en onmiddellijk kreeg ik zin om er prenten bij te maken. Hij is fantasierijk, poëtisch en uitgepuurd. Daardoor is het een boek geworden waar je in twee minuten door kunt bladeren. Maar je kunt het ook telkens opnieuw oppakken en zult er elke keer weer nieuwe dingen in ontdekken.’ Dat geldt zowel voor de illustraties als voor de tekst. ‘Het boek doet je nadenken’, vindt Walschot. ‘Over het leven, de dood, de dingen waar we allemaal mee bezig zijn.’ Het verhaal begint met een ster die ontploft. Er verschijnen vleugels die op zoek gaan en zich voeden met wat ze tegenkomen. Een walvisgod duikt uit het water op en meet zich de vleugels aan… In twee minuten kun je onmogelijk de vele lagen van het boek vatten. De oerknal kun je herkennen, maar je denkt ook aan engelen en scheppingsverhalen, aan de cyclus van het leven. ‘Veel lezers vinden het boek donker’, vertelt de illustrator. ‘Akkoord, er komt dood in voor en ik gebruik veel zwart in de prenten, maar ik vind dat er ook hoop uit spreekt.’

Persoonlijke details
Hoe begint een illustrator aan zo’n boek? Na de instantklik die Jurgen Walschot voelde toen hij de tekst van An Willaert las, begon hij te schetsen.
Hij pakt het juiste schetsboek van de stapel en bladert er even door, tot hij bij een tekening van een explosie komt. ‘Dit was mijn eerste idee. Het sterrenthema dat ik uiteindelijk heb uitgewerkt, was er toen nog niet bij. Ik las het eerste stuk van de tekst en dacht: de tekeningen moeten knallen.’
Walschot werkt niet graag lukraak. Als hij prenten tekent, kijkt de vormgever in hem constant mee. ‘En dan maak ik vrij snel een kleine maquette die aantoont hoe de vormgeving van het hele boek er moet uitziet. Voor De ster dacht ik onmiddellijk aan een liggend boek. Ik wou ook dat er grote dingen in voorkwamen: een walvis, bergen… Ik hou zelf heel erg van de bergen. Zodra ik wat tijd heb, trek ik er graag in mijn eentje naartoe. Ik kom er tot mezelf. Daarom vond ik bergen perfect bij dat uitgepuurde, filosofische verhaal passen.’ Op die manier verwerkt Jurgen Walschot telkens een aantal persoonlijke details in zijn werk. ‘Een lezer merkt zoiets misschien niet op, maar het zit er wel.’
Zo zul je niet gauw een werk van Jurgen Walschot vinden waar nergens een vogel in figureert. ‘Als de grote lijnen van een tekening klaar zijn, begin ik ze te stofferen met details.’ Hij wijst er enkele aan in verschillende van zijn boeken. ‘Hier zie je twee duiven, daar kruipt een eekhoorn in een boom, hier zit een ekster. Vogels zijn er altijd. Je hoeft maar even naar buiten te kijken en je ziet er wel eentje. Daarom horen ze ook in mijn boeken thuis. Ik hou heel erg van de vrijheid waar die beestjes symbool voor staan.’

Tekenfilms in schoolboeken
Als kind tekende Jurgen Walschot zijn schoolboeken vol. ‘Ik had een lekker dik boek van Frans: daar maakte ik graag van die flip-over tekenfilmpjes in. Het gevolg was wel dat ik mijn schoolboeken op het eind van het schooljaar nooit doorverkocht kreeg. Iedereen wou een volledig blanco exemplaar, terwijl zo’n geïllustreerd boek toch veel interessanter is, niet?’ lacht hij. Op zijn achttiende leek een tekenopleiding hem wel iets, dus hij trok met een klasgenoot naar de eindejaarstentoonstelling van Sint-Lukas in Brussel. ‘Die tentoonstelling heeft me toen zo afgeschrikt, dat ik de studie aanvankelijk niet aandurfde. Ik vreesde dat ik zoiets nooit zou kunnen en koos voor de ‘veiligere’ lerarenopleiding.’ Als eindwerk stak Walschot een kunstproject met illustraties in elkaar. ‘Mijn promotor vond die zo goed dat hij me aanraadde er iets mee te gaan doen.’ En zo trok hij uiteindelijk toch nog naar Sint-Lucas, in Gent. ‘Het gekke is dat ik nu zelf lesgeef aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas in Brussel. Telkens als ik daar tentoonstellingen bouw met werken van de leerlingen, denk ik terug aan die keer dat ik daar zelf zo door overdonderd was. Daarom toon ik altijd graag meer dan de allerbeste eindresultaten. Ik laat ook graag iets zien van het proces dat tot dat resultaat heeft geleid.’

Lees het volledige artikel in RandKrant, mei 2016.


Beeldend kunstenaars Tinka Pittoors en Kris Fierens: “Koppig zijn en doorgaan”

13/05/2016

Een zomertentoonstelling in Belgisch-Luxemburg, een kunstveiling voor Ringland in mei, solotentoonstellingen in verschillende galeries, een handvol groepstentoonstellingen en eigen evenementen: het is druk voor beeldend kunstenaars Tinka Pittoors en Kris Fierens. Drie jaar geleden nam het koppel zijn intrek in een oude kopergieterij. Ze beschikken er elk over een indrukwekkend atelier en hebben er plaats om volk te ontvangen. “Omdat we weten dat we het nu aankunnen, organiseren we geregeld atelierbezoeken. Deze plek is onze ambassadeur geworden”, vindt Fierens.

P1190524_1024

Kris Fierens: “We nodigen mensen uit, geven diners en feestjes voor vrienden, bieden mensen atelierbezoeken aan. Een kunstenaar mag niet op zijn mansarde blijven zitten: als de mensen je niet zien, besta je niet.”

Tinka Pittoors: “Kunst is communicatie. Soms vragen we ons zelf af hoe we vroeger overleefd hebben, toen we niet de ruimte hadden om evenementen te organiseren of zelfs maar om ons werk op een degelijke manier tot stand te brengen.”

KF: “Tinka heeft ooit een sculptuur in stukken moeten zagen omdat ze te groot was om ze uit haar mini-atelier te krijgen. We leven hier misschien niet in de grootst denkbare materiële weelde, maar hier kunnen wonen en werken is luxe op zich.”

TP: “Er zijn twee dingen onbetaalbaar in het leven: tijd en ruimte. Wij hebben ervoor gezorgd dat we die hebben. Als je dan met de rest soms wat minder moet doen, dan is dat maar zo.”

KF: “In de kunst gaat het vaak zo: de ene dag eet je droog brood met water, morgen kun je de champagne opentrekken en de dag erna is het weer wat anders. De meeste mensen nemen zulke risico’s niet in het leven en kiezen voor veiligheid. Maar onze grootste rijkdom is dat we kunnen doen wat we doen.”

Wanneer hebben jullie beseft dat de kunst jullie die rijkdom kon brengen?

TP: “Ik zat als kind op de tekenacademie, maar na het middelbaar onderwijs voelde ik me wat schoolmoe, dus toen ik 18 was, wist ik het niet zo meteen. Na een jaar ben ik dan regentaat plastische opvoeding gaan studeren en pas daarna ben ik op de academie terechtgekomen: ik heb schilderkunst en mixed media gestudeerd aan het KASK. Toen heb ik echt alles op alles gezet, want ik besefte heel goed dat ik mijn richting gevonden had en het nu niet mocht verprutsen.”

KF: “Mijn vader zaliger vertelde graag een bepaalde anekdote over mij. Toen ik van mijn eerste dag in het eerste leerjaar thuiskwam, vroeg hij me of ik een lieve juf had. Ik moet daarop geantwoord hebben: Ze heeft een beetje een fout blauw in haar kleedje. Daarmee is veel gezegd. Ik was een dromer en ik zat met een esthetiek die ik wou ontwikkelen, maar ik wist niet hoe. Er leefde bij ons thuis geen cultuur voor dat soort dingen. Tekenschool volgen zat er bijvoorbeeld niet in. Ik was op mezelf wel altijd een beetje creatief bezig, maar niet echt uitgesproken. Wat wel een verschil heeft gemaakt, is dat de beeldhouwer Bert De Leeuw vijf straten verderop woonde. Hij had zijn atelier in een groot, modernistisch gebouw en ik mocht hem af en toe gaan helpen. Dat interesseerde me enorm. Maar voor de rest bleef het vooral zoeken: ik hield vast aan iets wat ik verder niet kon duiden. Uiteindelijk ben ik dan toch naar de academie gegaan, maar ook daar vonden de leraren me onhandelbaar en maakte ik dingen die ze niet echt konden smaken. Het bleef dus een zoektocht. Na veel vijven en zessen ben ik afgestudeerd en dan heb ik de Jeune peinture gewonnen. Op dat ogenblik was ik nog te jong om zo’n prijs aan te kunnen, dus het is erna eerst even bergaf met me gegaan, en daarna weer bergop. Zo, met ups en downs, heb ik stilaan wat respect vergaard.”

Tinka, hoe is de overgang naar het professionele leven bij jou verlopen?

TP: “Ik heb het geluk gehad dat ik onmiddellijk heb kunnen tentoonstellen en enkele verzamelaars heb gevonden die mijn werk begonnen te kopen. Het is eigenlijk allemaal heel natuurlijk gelopen. Mijn eerste tentoonstelling was in café De Geus van Gent. Meteen daarna ben ik opgepikt door het S.M.A.K. voor Coming People. Op financieel vlak hebben mijn ouders in de beginperiode heel goed voor me gezorgd. Ze hadden een huisje met een klein atelier voor me gekocht in Gent, waar ik dus gratis kon wonen en werken. Dat heeft me veel vrijheid gegeven.”

Lees meer via Kunstenloket.

www.krisfierens.eu
http://tinkapittoors.com
www.facebook.com/tinka.pittoors


Mario De Koninck: “Ik wil vooral grappen maken”

13/05/2016

“Niemand zit op jou en je werk te wachten. Met hopen dat je op een dag ontdekt zult worden, kom je dus niet ver”, vindt cartoonist, tekstschrijver en performer Mario De Koninck. Onder de nom de plume AAaRGh tekent hij al 15 jaar cartoons voor kranten, tijdschriften, uitgeverijen, reclamebureaus en bedrijven. Daarnaast schrijft hij teksten voor het programma Komen Eten, is hij deel van een improvisatietheatergroep en doet hij aan cartoon comedy. “Je moet je werk weten te verkopen.”

Ik en mijn potlood

“Als je wil publiceren, moet je zelf de eerste stappen zetten: mensen lastigvallen met je werk, zeg maar. Ik ben op redacties langsgegaan, heb ontelbare tekeningen opgestuurd, bleef bellen tot ik de juiste hoofdredacteur of grafisch vormgever aan de lijn kreeg. En nee, het is niet makkelijk om iemand te overtuigen, maar je moet blijven zoeken en volhouden tot je ergens een opening vindt. Bij mij kwam die er dankzij TeVeBlad. Op een gegeven ogenblik moet daar iemand gedacht hebben: laten we het een keer proberen. TeVeBlad was mijn eerste klant en ik teken zoveel jaren later nog altijd voor hen.
En zodra je enkele geloofwaardige referenties kunt voorleggen, rijf je merkbaar vlotter nieuwe klanten binnen.”

Je moet dus wel tot op zekere hoogte een ondernemer zijn?

“Dat moet, ja. Op de site van de VDAB zul je niet snel vacatures voor cartoonisten vinden. Je moet je dus zelf ergens zien binnen te werken, je plek opeisen. En ik denk dat het voor veel creatieve beroepen op die manier werkt.”

Hoe ben je cartoonist geworden?

“In het middelbaar had ik 8 uur wiskunde en op het eind was ik dat vak zo beu dat ik liefst iets totaal anders wou doen. Ik schreef graag en ik hield van sport, dus ging ik communicatiewetenschappen studeren met de bedoeling om sportjournalist te worden. Sportjournalistiek evolueerde naar algemene journalistiek en toen ik pas was afgestudeerd, kon ik freelance aan de slag als columnist voor het roddelblad Blik. De vrijheid die ik in dat genre had, beviel me. Maar naarmate er meer algemeen journalistieke opdrachten binnenliepen, werd ik minder enthousiast. Ik wou nog wel iets doen met de actualiteit, maar ik hield er niet van dat je telkens moest springen als er ergens iets gebeurde.
In de tussentijd was ik ook veel met tekenen bezig – iets wat ik altijd al veel had gedaan. Ik heb mezelf een jaar gegeven om een eigen stijl te ontwikkelen en te onderzoeken of je wel degelijk als cartoonist aan de bak kunt komen. In cartoons ontdekte ik eenzelfde vrije manier om met de actualiteit om te gaan als in mijn columns. Het bleek een logische keuze voor me.”

Lees meer via Kunstenloket.