20 jaar Theater aan zee, 20 jaar ontmoeting: ‘Het wordt een feestje’

07/06/2016

Theater aan zee belooft nog meer dan andere jaren een feest voor oor, oog en te brein te worden. Het Oostendse festival viert zijn 20ste verjaardag. Zoals altijd krijgen jonge makers een belangrijk platform op TAZ. De programmatoren schuimden het afgelopen seizoen zoals vanouds het land af op zoek naar het interessantste prille talent van nu. Maar op de affiche prijken evengoed de groentjes van toen: namen die nauwelijks nog weg te denken zijn uit het theaterlandschap. Marc Lybaert, oprichter van TAZ, en Sophie De Somere, huidig programmator jong theater, lichten een en ander toe.

‘Waarom ik in 1997 met Theater aan zee begonnen ben, is simpel’, glimlacht Marc Lybaert. ‘Ze hebben het me gevraagd. Ik was aan de slag als regisseur voor theater en film en Oostende was net een theater rijker: de Illusie, een zaal waar amateurgezelschappen een speelplek vonden, maar waar ook Arca een platform kreeg. En daar lag op een dag een bierviltje op me te wachten. De toeristische dienst van Oostende wilde een theaterfestival oprichten en vroeg of ik daarover wou komen praten.’ Aanvankelijk hield Lybaert de boot af. Theater in Oostende? In de zomermaanden? ‘Ik zag het niet onmiddellijk’, zegt hij. Maar uiteindelijk kwam hij met drie voorstellen op de proppen over hoe volgens hem zo’n festival eruit kon zien. ‘Een ervan nam de theaterstudent als basis. Het festival moest een ontmoetingsplaats worden voor die jonge spelers en makers, een plek waar ze met elkaar, met het publiek, met het hele theaterscala in aanraking zouden komen.’ Op dat idee pikte Oostende in. De kiem was gelegd. ‘Intussen was het februari 1997. Ik dacht aan een eerste editie in de zomer van ‘98. Maar nee, het moest datzelfde jaar nog gebeuren. Het was gekkenwerk, maar wel plezant gekkenwerk.’

Ontmoeting
Lybaert liep de theaterscholen af, op zoek naar de interessantste jonge theatertalenten. Zijn neus bleek scherp. Ze pikte dat eerste jaar onder meer Stefan Perceval, Pieter Embrechts en Geert Vanrampelberg op. Makers die intussen een behoorlijk indrukwekkend parcours hebben afgelegd. ‘Ik ben toen niet naar de beste voorstellingen van studenten beginnen speuren’, legt Marc Lybaert uit. ‘Ik zocht liever naar de interessantste persoonlijkheden, degenen die iets te vertellen hadden. Het gebeurde dat ik een voorstelling niet bijzonder goed vond, maar wel iets zag in de mensen erachter. Hun stelde ik dan voor om met wat anders naar Oostende te komen.’ Eind jaren 90 verschilden de theateropleidingen nog heel erg van elkaar. Wie van de Studio Herman Teirlinck kwam ging anders om met theater dan een student van het RITS of het Conservatorium bij Dora Van der Groen. ‘Ik vond het belangrijk dat die grote diversiteit ook op TAZ aan bod kwam. Ik vond ze interessant en nodig, en ik vind het daarom ook jammer dat de opleidingen de laatste jaren zozeer naar elkaar toe gegroeid zijn. Het was mijn doel om studenten vanuit hun verschillende opleidingen bij elkaar te brengen en te kijken wat uit die variëteit kon ontstaan. De ontmoeting is er altijd geweest bij Theater aan zee.’
En die ontmoeting heeft het festival ook altijd ruim genomen. Makers vers uit het ei kwamen er in contact met elkaar, maar – minstens zo belangrijk – evenzeer met namen uit de hoogste pikorden van de kunsten. Gesprekken leidden naar samenwerking. Niet alleen tussen makers en generaties, ook met schrijvers en muzikanten ontstonden kruisbestuivingen. ‘En laat ons vooral de technici niet vergeten’, stipt Marc Lybaert aan. ‘Wat dat betreft was het gebrek aan infrastructuur in de beginjaren soms een groot voordeel. Technici en makers moesten dan samen de locatie aanpassen aan hun voorstelling en er samen iets van zien te maken. Dat soort dingen vind ik een van de grootste leerscholen die TAZ kan bieden. Een opleiding reikt zo ver niet.’

Gul en genereus
Theater aan zee is in de loop van de jaren ook voor heel wat toeschouwers uitgegroeid tot een vaste zomerafspraak. De hele theatersector lijkt er samen te troepen, op zoek naar nieuw en boeiend. Liefhebbers van theater en muziek richten er hun vakantie naar in. Toevallige toeristen smukken hun verblijf aan zee al eens graag op met een voorstelling hier of daar. De smeltkroes van makers en toeschouwers maakt Theater aan zee uniek en geliefd. Sophie De Somere: ‘Er wordt veel nagekeuveld, onder het publiek én met de makers, want ook met hen wordt er zonder schroom contact gelegd. Theater aan zee heeft geen backstage, dus alles loopt sowieso door elkaar. Zowel de kijkervaring van het publiek als de maakervaring van de makers wint er enorm door.’
‘De confrontatie met een publiek is belangrijk voor een jonge maker’, vult Marc Lybaert aan. Tijdens je opleiding speel je toch meestal voor eigen volk: medestudenten, vrienden, de mama en de papa. Leren omgaan met kritiek – zowel van het reguliere als het professionele publiek – is een van de eerste dingen die een maker moet leren. Ik nodigde daarom graag personen met wie ik het vaak oneens was uit naar de voorstellingen: dat levert de interessantste discussies op.’
De grote diversiteit in het publiek is er niet zonder slag of stoot gekomen, dixit Marc Lybaert. ‘Een deel van het minder geroutineerde publiek hebben we wat moeten opvoeden. We moesten bijvoorbeeld geregeld aan iemand duidelijk maken dat je niet zomaar een voorstelling kunt binnenwandelen als die al begonnen is – zelfs niet als je een ticket hebt.’ Hij herinnert zich zo’n voorval uit zijn tweede of derde jaar als programmator. ‘Ik heb die man dan achterop mijn brommer laten plaatsnemen en heb hem naar een andere voorstelling gebracht die nog niet begonnen was.’ Later die avond kwam hij diezelfde toeschouwer opnieuw tegen: ‘Ik heb al drie voorstellingen gezien!’ riep hij enthousiast uit. Marc Lybaert: ‘Dan betekent het iets, ja.’

Meer over de selectie, over het jonge talent van nu en dat van toen, over hoe de noden van jonge makers geëvolueerd zijn, lees je in Staalkaart#33.

Advertenties

Elvis Peeters: ‘Je plaats kennen in de kosmos’

03/06/2016

Auteur Elvis Peeters tekent de krijtlijnen voor een nieuwe roman. Intussen beweegt er nog heel wat: vertalingen, verfilmingen, een animatieserie … ‘Het fijne daaraan is dat je er als auteur zelf niets meer voor hoeft te doen.’

Achter de nom de plume Elvis Peeters gaan auteur-muzikant Jos Verlooy en zijn echtgenote Nicole van Bael schuil. ‘We schrijven al onze romans en theaterteksten samen. De gedichten en songs zijn van mij alleen. Sommige mensen vinden dat verwarrend, of ze denken dat ik Nicole heb uitgevonden om interessant te doen. Maar ze bestaat dus echt. Alleen staat ze niet graag in de belangstelling. Daarom geeft ze ook nooit interviews.’ De naam ontstond toen Verlooy in 1982 met zijn punkgroep Aroma di Amore meedeed aan Humo’s Rock Rally. ‘Er waren in de popmuziek twee Elvissen: Presley en Costello. En aangezien Presley was overleden, was er eentje vacant.’

2077_20160427_elvispeeters_5531-2Punk
‘Ik luisterde als tiener vooral naar David Bowie, Deep Purple, Slade. Daarna kwam de punk. De doe-het-zelfgedachte, de energie en de maatschappelijke betrokkenheid ervan spraken me aan. Ik heb eerst een punkblad opgericht en vervolgens een muziekgroep. Het voelde evident om dat te doen, zelfs al konden we toen nog niet spelen. Nu nog voel ik me eigenlijk meer een rocker dan een auteur.’

Schrijven is er dan ook haast toevallig bijgekomen. ‘De man die de belichting deed van Aroma di Amore wou een muziektheatervoorstelling maken. Jij kunt toch al songs schrijven, zei hij. Kun je er geen theaterstuk bij doen? Dat stuk heb ik meteen samen met Nicole geschreven. Er volgde een tweede, dat verscheen in een tijdschrift en opeens trokken er vijf-zes uitgeverijen aan onze mouw: of we soms nog wat hadden. En dus zijn we maar blijven schrijven.’

Relevant
De genres, onderwerpen en thema’s in het oeuvre van Elvis Peeters waaieren alle kanten uit. ‘Alleen de taal en de stijl zijn herkenbaar. Voor uitgevers is dat lastig, maar wij houden van de afwisseling.’ Nog een constante is maatschappelijke betrokkenheid. ‘We vinden dat een boek relevant moet zijn in de tijd waarin het verschijnt. Ik wil ook een mens zijn die zijn plaats kent in de kosmos. Het is bijvoorbeeld niet omdat iets kan, dat je het ook moet doen. Nicole en ik denken en praten veel over de samenleving. Dat sijpelt uiteraard door in de boeken die we schrijven.’

Zo lijkt het alsof de actualiteit De ontelbaren uit 2005 wil inhalen. In de roman overspoelen miljoenen vluchtelingen het Westen. ‘We zijn onlangs de Turkse vertaling gaan voorstellen in Izmir, de plek van waaruit zoveel vluchtelingen de oversteek naar Griekenland wagen. Dat was frappant’, zegt hij. ‘Weet je, ze noemen het boek profetisch, maar in onze roman is de situatie véél erger dan wat we vandaag meemaken. Als je het zo bekijkt, is er dus nog voldoende tijd om ervoor te zorgen dat de voorspelling niet uitkomt. Maar dan zal iedereen toch anders moeten reageren… We zijn zo bang voor de vluchtelingenstroom, maar als je alle mensen telt die in 2015 naar Europa gevlucht zijn, dan zijn dat er een pak minder dan het publiek van een festival als Werchter! We hebben De ontelbaren geschreven nadat we een studie hadden gelezen die stelde dat als we de hele wereldbevolking dezelfde welvaart wilden schenken als die van de gemiddelde Belg, we vier wereldbollen nodig hadden om in alle behoeften te voorzien. Als je zoiets leest, lijkt het niet meer dan logisch dat wie helemaal niks heeft, het wil halen waar het wel is. We zijn binnenkort met 9 miljard mensen. Denk je dat die allemaal lijdzaam gaan toezien hoe rijk wij zijn en zichzelf laten verhongeren? Met hardnekkig beschermen wat we hebben, gaan we het niet redden. De solidariteitsgedachte zal veel sterker moeten worden. Maar je hebt weinig maatschappelijk draagvlak om dingen te veranderen. Politici denken niet verder dan de volgende verkiezingen, terwijl de problemen die we vandaag hebben – denk ook aan de klimaatverandering – zich over generaties uitstrekken. En dus schrijven wij boeken als De ontelbaren in de hoop dat ze kunnen bijdragen tot een andere zienswijze.’

Stukje werkelijkheid
Toen in 2009 de roman Wij verscheen, ontstond een hetze. Het boek werd geprezen, maar evengoed immoreel bevonden. Een groepje jongeren verdrijft de verveling met almaar perversere spelletjes. ‘We kregen er haatmails over’, vertelt Peeters. ‘En ja, het is een hard boek, maar 95% van wat erin staat, hebben we uit de krant of van het internet geplukt: het is een literaire versie van een stukje werkelijkheid.’
De aanleiding van de roman was een samenloop van twee dingen. Op weg naar een vakantiebestemming in Italië zag het schrijversduo enkele meisjes op een brug over de snelweg staan. Ze tilden hun rokjes op en droegen er niets onder… ‘Het gaat snel, je vraagt je af of je het wel goed gezien hebt…’ De beginscène van de roman lag vast: de meisjes veroorzaken bewust een ongeval. Het paste perfect bij het idee dat het echtpaar op dat moment aan het ontwikkelen was. ‘We hadden een reportage gezien waarin wetenschappers nagingen wat voor persoonlijkheden bedrijven zouden hebben als het echte mensen waren. Het bleken stuk voor stuk gewetenloze psychopaten die aan niets anders denken dan winst. Daarop hebben wij doorgedacht: wat als jonge mensen vanuit zo’n filosofie worden opgevoed? Hoe zouden ze in het leven staan? We hebben dat uitgangspunt nergens als een pamflet geponeerd, maar het speelt wel mee.’

Rotte appel
Intussen broedt in de hoofden van het schrijversechtpaar een nieuwe roman. ‘Ik speel met het idee van de rotte appel in de mand. Hij steekt de andere aan en het rotte wordt de norm. Zo gaat het in de maatschappij ook: terroristen veroorzaken een onveilig gevoel, er komen meer camera’s, meer controle, de democratie kalft af. Dat mechanisme houdt me bezig: waarom gebeurt het omgekeerde niet? Waarom maakt de gezonde appel de rotte niet beter? Ik heb geen benul of er iets uit zal voortkomen, want ik weet niet wat Nicole aan het bedenken is. We schrijven altijd eerst een aantal hoofdstukken apart. Vervolgens leggen we alles samen en trekken we naar een koffiehuis om erover te discussiëren. Dat doen we nooit thuis: we kunnen bikkelhard zijn voor elkaar en in het openbaar moet je de discussie toch wat temperen. Soms is het slikken: je ideeën worden al eens afgeslacht. Maar we hebben de afspraak dat we nooit teksten uitbrengen waar we niet allebei 100% achter staan.’ De auteur besluit met een knipoog: ‘Zo komen we dus aan een digitale vergaarbak van onaffe teksten. Ongetwijfeld worden die na onze dood gigantisch succesvol.’

Lees het hele artikel in RandKrant, juni 2016.