In memoriam: componist Luc Brewaeys, vanavond op Klara

Op 18 december overleed componist Luc Brewaeys. Vanavond zendt Klara van 20 tot 24 uur een uitgebreid in memoriam uit. Het belooft een mooi portret te worden van ‘misschien wel de grootste componist uit onze geschiedenis’ (in de woorden van Philippe Herreweghe).

“De gids van het programma is de stem van Luc zelf en uiteraard zijn prachtige muziek, maar ook getuigenissen van zijn leraar André Laporte, van zijn studente Annelies van Parys, van musicoloog Maarten Beirens, van Jerry Aerts ven deSingel en van zijn vrienden-musici als Wibert Aerts en Dirk Brossé.”

Ik ontmoette Luc Brewaeys één keer, toen ik hem in 2013 interviewde voor RandKrant. Hij was de jaren daarvoor veel ziek geweest, maar voelde zich op dat ogenblik ‘top’. We hadden een fijn gesprek over componeren, het creatieve proces, en tuimelende klanken.

Ik herneem het artikel van toen hieronder.

Een hoofd vol klanken

Hij luisterde voor het eerst naar het legendarische muziekwerk Le sacre du printemps van Stravinski toen hij 13 was en hij wist het: componist wou hij worden. Luc Brewaeys is nooit meer van dat plan afgeweken. Vandaag (begin 2013, IM) heeft hij zeven symfonieën, een opera, een hele resem andere concert- en kamermuziek en zelfs bewerkingen van Frank Zappa-songs op zijn naam staan. Zijn internationale renommee is groot en laatst riep Klara hem nog uit tot musicus van het jaar.

Het gaat goed met de componist. ‘Ook mijn gezondheid is momenteel tiptop’, verklaart hij. Tot voor kort was dat anders. ‘Ik heb vier kankers overwonnen en vorig jaar nog was ik er bijna aan door een zware infectie. Maar sinds ze een aantal maanden terug nog enkele stents in mijn aders hebben gestoken, gaat het eigenlijk prima.’
Op tafel liggen enkele onafgewerkte partituren. In de loop van de maand mei zou hij daar graag klaar mee zijn. Het gaat om een concertwerk voor het Amsterdamse Concertgebouworkest, volgens vakbladen hét beste orkest ter wereld. ‘Termen als ‘beste’ en ‘grootste’ zijn altijd relatief’, vindt Brewaeys. ‘Maar eind vorig jaar hebben ze nog een stuk van me gespeeld en ik moet wel zeggen dat het formidabel klonk. Het is dus zeker plezant om voor zulke mensen te werken.’

Véél luisteren
Luc Brewaeys is ontegensprekelijk een van de meest vooraanstaande Belgische componisten. Hij schrijft hedendaagse, meer bepaald spectrale muziek. Het spectralisme baseert zich op de boventonen in de muziek, de tonen waaruit elke klank bestaat. Daardoor is harmonie belangrijk in zijn werk. ‘Voor veel mensen is de drempel naar hedendaagse muziek hoog, dat klopt. Maar wie geïnteresseerd is om er meer over te weten, kan ik maar één ding aanraden en dat is veel, veel luisteren. Zo ben ik er ook mee begonnen. Ik kan hier een hele uitleg afsteken over theorie en structuur, maar daar heeft niemand iets aan, tenzij een collega of een student compositie, natuurlijk.’ Toch geeft hij zijn studenten hetzelfde advies. Luisteren, liefst met de partituur erbij, om de compositie beter te leren begrijpen. Zo, partituur in de hand, heeft Luc Brewaeys een groot deel van zijn jeugd doorgebracht.

Véél doen
De componist komt niet echt uit een muzikaal nest, vertelt hij. ‘Voor mij waren er geen muzikanten in de familie.’ Maar er was wel altijd veel muziek in huis via radio, televisie en elpees. ‘Componeren ben ik rond mijn tien jaar beginnen doen en ik ben er nooit meer mee gestopt.’ Drie jaar later wist hij zeker dat hij van componeren zijn beroep wilde maken. ‘Ik heb ontzettend veel geschreven in mijn jonge jaren’, vertelt hij. ‘Aanvankelijk ging het om vrij traditionele melodieën. Gaandeweg leer je dan nieuwere en modernere dingen kennen en beïnvloeden die je ook weer. Uiteindelijk vallen er allerlei kleine stukjes van overal in je potje samen en daaruit ontstaat dan je eigen stijl.’ Naar die eerste partituren hoeft niemand op zoek te gaan. Hij heeft ze niet gehouden wegens ‘niet goed genoeg’. ‘Maar zo leer je het, natuurlijk. Het zijn stuk voor stuk goede oefeningen geweest. Het is ook niet erg als je nu en dan iets kopieert in het begin. Ook dat is een goede manier om de muziek beter te leren begrijpen.’

Een orkest in je hoofd
Na het werk voor het Concertgebouworkest wil Luc Brewaeys graag zijn achtste symfonie afwerken en daarna zal hij een aantal sonnetten van Shakespeare op muziek zetten. ‘Maar of ik nu een symfonie schrijf of een werk voor één instrument, de aanpak is altijd dezelfde’, vertelt hij. Er staat een piano in de woonkamer, maar die doet de laatste tijd vooral dienst als ornament. Schrijven doet Luc Brewaeys aan tafel. En het echte schrijfwerk, op papier of op computer, is ook altijd pas het laatste onderdeel van het proces. ‘Als ik een opdracht krijg, begin ik na te denken en op de duur ontstaan er dan klankideeën die ik probeer uit te werken. Dat doe ik in eerste instantie in mijn hoofd.’ Schrijft hij een symfonie, dan hoort hij de lijnen van elk instrument apart in zijn hoofd weerklinken, tot er een heel orkest in zit. ‘Pas als een werk voor 70 tot 80 procent af is, zet ik me daadwerkelijk aan tafel.’

Hij werkt zijn opdrachten af volgens de deadlines die hij aanvaardt, maar dat wil niet zeggen dat een volgend stuk pas ontstaat als het vorige is afgeleverd. ‘Er broeien meestal verscheidene werken tegelijk in mijn hoofd. En die lopen elkaar niet in de weg, nee, ik kan ze perfect gescheiden houden.’

Vroeger was een stuk zelfs volledig af voor hij één noot neerpende. Daar heeft zijn zesde symfonie verandering in gebracht. ‘Ik weet altijd graag vooraf waar ik naartoe wil. Er zijn collega’s die anders tewerk gaan. Ze beginnen en ze zien wel waar ze uitkomen. Voor die zesde symfonie heb ik het ook zo geprobeerd en inderdaad, dat werkte eveneens. Dus sindsdien laat ik nog een beetje ruimte voor mijn intuïtie om kleine veranderingen aan te brengen in het oorspronkelijke plan. Maar meestal zijn er dat effectief niet meer zo heel veel.’

Wiskunde
Het gebeurt dat een componist iets moet berekenen. ‘Als je akkoorden wil opbouwen die te ingewikkeld zijn om het even in je kop te doen, bijvoorbeeld. Dan neem ik er al eens een rekenmachine bij. Muziek en wiskunde liggen dicht bij elkaar’, legt Luc Brewaeys uit. ‘Ik hou ook echt van wiskunde. De overeenkomsten zitten hem vooral in de verhoudingen. Dikwijls valt de climax van een stuk precies op de gulden snede van de duurtijd. Ik hoef dat zelfs niet meer te berekenen: poef! Het gebeurt gewoon. En ook mensen die totaal niks van wiskunde en zelfs niet van muziek afweten, voelen doorgaans dat zulke muziekstukken beter werken dan andere. Ik vermoed dus dat wiskunde niet zomaar is uitgevonden, maar rechtstreeks uit de natuur komt. Bekijk bijvoorbeeld hoe een vioolsnaar trilt. Dat mechanisme is zoals het is, het is niet de mens die het bepaalt. En ook die tonen verhouden zich op een perfect wiskundige manier tot elkaar.’

Wandelen
Luc Brewaeys lijkt niet echt in inspiratie te geloven. ‘Ongetwijfeld zijn er wel externe factoren die je beïnvloeden’, zegt hij. Maar aangezien zijn stukken niet echt een boodschap of verhaal hebben, blijven die altijd op de achtergrond. ‘Tegen dat een werk goed op dreef komt, ben ik de eventuele aanleiding al helemaal vergeten’, zegt hij. Opeens zijn de klanken er en beginnen ze te tuimelen tot ze allemaal hun plaats in het werk hebben gevonden.
Wandelen is dan wel weer een prima activiteit om dat tuimelen in gang te zetten. ‘Nu wandel ik met de hond’, legt Luc Brewaeys uit en hij wijst naar de Cavalier King Charles die in zijn mand naast de stoel van de componist ligt te soezen. ‘Maar voor ik een hond had, wandelde ik al evenveel. Beethoven kreeg ook altijd de beste ideeën terwijl hij aan het wandelen was. Mediteren kan eveneens helpen. Maar uiteindelijk krijg ik ideeën op de zotste momenten. Alleen als ik ze ’s nachts krijg, sta ik er niet voor op. Ik ga ervan uit dat ik het wel zal onthouden als het idee de moeite waard is. Als ik het tegen de ochtend vergeten ben, zal het wel niet goed genoeg geweest zijn. Het zou natuurlijk ook kunnen dat het mijn inherente luiheid is die hier de overhand krijgt’, lacht hij.

Vilvoordenaar, wereldburger
Luc Brewaeys en zijn vrouw wonen een kleine twintig jaar in Vilvoorde en voelen zich er thuis. Hun kinderen zijn geboren en getogen Vilvoordenaren. ‘En het huis is bijna afbetaald, dat is geen slecht gevoel.’
De keuze viel twintig jaar geleden op Vilvoorde uit praktische overwegingen. ‘We kwamen toen van het platteland, waar we altijd twee auto’s nodig hadden. Dat vonden we niet alleen duur, maar vooral ook ecologisch onverantwoord. Hier zitten we niet alleen vlakbij de Ring en de E19 naar Antwerpen (op twintig minuten bereiken we deSingel, waar we al eens naar concerten gaan), maar ook op een boogscheut van het station. We wonen bovendien in een rustige straat, maar gaan we de hoek om, dan liggen daar alle mogelijke winkels. Ik doe dus veel van de boodschappen te voet.’
Zelf is Brewaeys afkomstig uit Antwerpen. Hij is tweetalig opgevoed en spreekt intussen negen talen vlot. ‘Nederlands, Frans, Engels en Italiaans spreek ik bijna dagelijks’, zegt hij. ‘Maar ook in het Duits, Pools, Japans, Tsjechisch en Kroatisch kan ik me meer dan behoorlijk uit de slag trekken. Ik vind het prettig om de taal te kunnen spreken van de plaats waar ik kom. Muzikaal gevoel helpt trouwens enorm als je talen wil leren – al helemaal om een taal accentloos te leren spreken.’ Geen wonder dat Brewaeys zich ‘wel een beetje’ Vilvoordenaar voelt, ‘maar toch vooral wereldburger’. ‘Ik kan bijvoorbeeld begrijpen dat taal in deze contreien gevoelig ligt. Ik merk uiteraard ook op dat hier almaar meer Frans wordt gesproken. Maar in se vind ik al die communautaire perikelen toch vooral onzin. Ik heb er allemaal bijzonder weinig last van.’

www.klara.be

Advertenties

Lieve Blancquaert: ‘Je leert de wereld op een heel bijzondere manier kennen’

Twee jaar werkte fotografe Lieve Blancquaert aan Wedding day, de opvolger van het succesvolle Birth day. Ze reisde de wereld rond op zoek naar verhalen en naar het antwoord op haar ultieme vraag: wat betekent trouwen op al die verschillende plekken?


De televisiereeks van Wedding day loopt momenteel op Eén. Het gelijknamige boek ligt in de handel. Van januari tot maart trekt Lieve Blancquaert bovendien langs verscheidene culturele centra. ‘Daar heb ik de kans om mijn persoonlijke kijk op de reportages te geven’, vertelt ze. ‘In het boek en de tv-reeks blijf ik zoveel mogelijk de neutrale toeschouwer. In een theaterzaal hoeft dat niet. Ik geef vertel wat ik gevoeld heb bij de reportages, en geef er mijn mening over. Tijdens zo’n lezing kun je echt voluit gaan. Ik toon er ook beelden die ik zelf heel belangrijk vind, maar die om de een of andere reden toch niet in de televisiereeks pasten.’

Intriest
Elk verhaal dat ze tijdens de opnames hoorde en elke persoon die ze ontmoette, was op zijn eigen manier bijzonder. Er zijn dan ook veel mensen en dingen die de fotografe nog lang zullen bijblijven. Maar als er eentje uitspringt, dan zal het toch het Nepalese meisje Punam zijn. Ze wist niet precies hoe oud ze was, ze vermoedde ongeveer 15. Ze zou trouwen met een jongen van wie ze evenmin de leeftijd kende. ‘Hij zag er nog jonger uit dan zij’, zegt Lieve Blancquaert. ‘Punam wou echt niet trouwen. Ze voelde zich er niet klaar voor, maar ze had geen keuze. Haar ouders waren gestorven en in het huis van haar tante was geen plaats meer voor haar. Het was echt een intriest verhaal.’ De twee jonge mensen hadden elkaar nooit eerder ontmoet. Punam had enkel een fotootje van haar aanstaande echtgenoot. ‘Dat moet je je even inbeelden: je gaat trouwen met iemand van wie je nauwelijks weet hoe hij eruitziet, laat staan hoe hij spreekt en denkt. Het is een akelige gedachte, die voor ontzettend veel mensen realiteit is.’
De Nepalese kindhuwelijken waren voor Lieve een frappant fenomeen om bij te wonen. ‘Ik merkte dat die jongeren vaak totaal niet beseften wat hen te wachten stond. De meisjes wisten bijvoorbeeld niet hoe ze zwanger zouden worden.’ Als westerse, vrijgevochten vrouw kom je boordevol vooroordelen in zo’n situatie terecht, legt Blancquaert uit. Maar snel moest ze vaststellen dat je het niet redt met een opgeheven vinger. ‘Het zit zoveel complexer in elkaar dan je vermoedt’, zegt ze. ‘Die mensen zitten vast in hun tradities, in hun onwetendheid ook. Er heerst in de regio enorm veel analfabetisme en armoede. Je kunt dat allemaal niet oplossen in een vingerknip. Ik voelde me er totaal machteloos bij.’

Pure essentie
Lieve Blancquaert vertelt ook over Zaatari, een bomvol vluchtelingenkamp in Jordanië, op de grens met Syrië. Gemiddeld vinden er twee huwelijken per dag plaats. ‘In zo’n kamp staat de reden om te trouwen erg scherpgesteld. De mensen hebben er niets meer. Ze zijn hun thuis, hun geschiedenis, hun toekomst, soms hun hele familie kwijt. Elk mens geeft een reden nodig om te blijven bestaan en trouwen en kinderen krijgen is dan ook vaak de enige manier om te kunnen doorgaan met het leven. Dat heeft me erg ontroerd. Het huwelijk werd in Zaatari tot zijn pure essentie herleid. Voor veel mensen, vooral meisjes, betekende het ook echt overleven en veilig zijn. Er is niets gevaarlijkers dan als meisje in je eentje in zo’n vluchtelingenstroom onderweg te zijn: je wordt erg kwetsbaar voor mensenhandel en dergelijke. Het huwelijk wordt zo al snel de veiligste optie.’

Microscoop op een cultuur
Zomin als Birth day een project over bevallingen en blozende baby’s was, is Wedding day er eentje over trouwfeesten en witte jurken. ‘Ik gebruik die bepalende momenten in een leven om een andere cultuur in te stappen, er een microscoop op te leggen en te ontdekken wat er allemaal leeft. Om dat te doen, kijk je natuurlijk veel breder dan alleen dat ene koppel. De trouwers weten nog niet wat de toekomst zal brengen en daarom waren ze dikwijls niet de hoofdpersonen in mijn verhalen. Het kon de oma van de bruidegom zijn, de matchmaker, de wedding planner … Een goed verhaal kun je op de meest onverwachte plaatsen vinden. Ik ging bijvoorbeeld ook altijd op zoek naar personen die al 30, 40 of 50 jaar samen waren. Zo sprak ik in India met een superrijke oude man die vertelde dat hij al twee jaar met zijn vrouw getrouwd was toen hij verliefd op haar werd. En nu is de liefde er nog altijd, zei hij. Je valt telkens weer in nieuwe verhalen en zo leer je de wereld op een heel bijzondere manier kennen.’

Dit artikel verscheen eerder in RandKrant, december 2015.

Laatste kans op oogcontact van de eenzaamste soort – Het laboratorium van Spinvis

Begin 2016 duikt Erik de Jong alias Spinvis de studio in om een nieuwe plaat op te nemen. Deze maand krijg je nog welgeteld één kans om hem aan het werk te zien met het lichtgevoelige muziekprogramma Oogcontact van de eenzaamste soort: op 17 december in CC Westrand, Dilbeek.

Verhaal zonder woorden
De bezetting is klein, de sfeer intiem. De liedjes werden uitgekleed tot op het bot en noot voor noot weer uitgedost voor het theaterpodium. Erik de Jong en Saartje Van Camp bedienen met zijn tweeën een batterij instrumenten, elektronica én het licht. ‘Met schaduw en licht maken we een hele wereld.’

‘Hiervóór hebben Saartje en ik een opera gemaakt met dans en koor, met veel mensen en grote budgetten. Dat was fijn om te doen, en er komen nog zulke megaprojecten, maar nu wilden we eerst even iets kleins maken, alleen met ons tweeën’, vertelt De Jong. ‘Al snel dachten we: we maken de muziek en de teksten zelf, laten we dan ook maar het licht in eigen handen nemen.’ Op het podium staan allerlei verschillende soorten lampen. Terwijl ze spelen, bedienen de muzikanten die zelf. Zo wordt het licht een instrument op zich. ‘Doorgaans is het publiek zich nauwelijks bewust van de werking van het licht’, vertelt hij. ‘Het lijkt allemaal automatisch te gaan. In deze show zie je twee mensen met lampen aan de gang. Dat vind ik altijd erg mooi om te zien: iemand die gewoon iets aan het doen is. En door wat we met het licht doen, tonen we het publiek hoe je de ander daarmee in de kijker kunt zetten of net helemaal kunt uitwissen. Het licht vertelt een verhaal zonder woorden.’
Saartje Van Camp: ‘We doen echt alles zelf op het podium. We zijn maar met zijn tweeën, dus we kunnen ook elk maar één instrument tegelijk bespelen. Daarom gebruiken we allerlei loops die we live op het podium opnemen en weer afspelen. Je ziet alles gebeuren: je bent er als toeschouwer echt helemaal bij.’
De Jong: ‘En je ziet ons vooral ook proberen, want als er eens iets misgaat, merk je dat ook meteen. Je bent dus voor één keer ooggetuige van een muzikaal laboratorium dat meestal gesloten blijft.’

Troost door herkenning
De titel van de theatershow is een zinnetje uit een nummer van Spinvis’ vorige album. ‘Die regel is een eigen leven gaan leiden’, vertelt hij. ‘Voor oogcontact heb je twee mensen nodig, en licht. Het veronderstelt contact: je moet iemand kennen of herkennen. Bij oogcontact van de eenzaamste soort herken je vooral elkaars eenzaamheid. Je kunt die eenzaamheid misschien niet opheffen, maar het herkennen op zich biedt een zekere troost. Dat is de leidende idee van de voorstelling geworden.’ Meer dan een vaststaand verhaal, draagt de voorstelling een levensgevoel uit, waarin vertrouwen tussen artiesten en publiek bovengemiddeld belangrijk is. ‘Ga maar zitten en vertrouw maar op wat we doen’, zegt De Jong. ‘Dat is het startpunt. Van daaruit nemen we het publiek mee in onze wereld.’

www.spinvis.nl
www.randkrant.be

Jeroen Lemaitre (Animaux spéciaux): “Je moet ambassadeur worden van je werk”

Jeroen Lemaitre maakt treasures: opgezette insecten en andere dieren plaatst hij in een kunstige context, zoals onder een stolp of in een lijst tussen twee raampjes. Aankleding en compositie zetten hun natuurlijke schoonheid in de verf. Groene of gouden kevers, natuurlijk blauwe bijen, exotische vlinders… Ze hebben geen opsmuk nodig om mooi te zijn. Ze moeten enkel de blik van de toeschouwer trekken en vasthouden. Daarvoor zorgt Lemaitre. In de Mechelsestraat in Leuven opende hij recent zijn Wunderkammer, een winkel annex atelier waar bezoekers mogen binnenlopen om hem aan het werk te zien, zijn treasures te bewonderen en te kopen, zijn fantasiewereld te beleven. “Wat ik doe maakt veel los in mensen. Ik geef ze een tik en haal ze zo even uit de sleur van het dagelijks leven.”

Animaux Spéciaux

Animaux Spéciaux

“Het is ongelooflijk tof om van de platgetreden paden af te stappen en te beginnen ondernemen. Je bent naïef, je hebt een doel voor ogen en je krijgt de vrijheid om te doen wat je echt graag wil. Tegelijk is het natuurlijk heel akelig om de stap te zetten, want niemand houdt je handje vast. Je moet heel veel zelf ontdekken. Financieel ben ik puur gestart met mijn eigen bescheiden spaargeld – dus echt het geld dat ik als kind voor Kerstmis heb gekregen en zo. Geleend heb ik niet. Zoiets kan natuurlijk alleen als je je vaste kosten zo laag mogelijk houdt. Ik huur voorlopig bijvoorbeeld een studio-atelier in mijn ouderlijk huis voor 150 euro. Mijn webshop huur ik bij een Amerikaans bedrijf voor 20 euro per maand. Ik was in het begin heel voorzichtig met mijn kleine kapitaal. Ik deed alleen minieme aankopen, maakte objecten, verkocht ze, betaalde belasting en sociale zekerheid, en wat dan nog overbleef, investeerde ik opnieuw in mijn werk. Gemakkelijk was het niet. De huur voor een – nog altijd vrij goedkoop – pand zoals ik nu heb, kon ik me dat eerste jaar niet permitteren. Ik heb wel het geluk gehad dat ik de uitbaatster van kledingzaak Profiel in Leuven tegenkwam. Ze was meteen gefascineerd door mijn werk en bood me gratis een ruimte boven haar winkel aan: daar heb ik een aantal maanden mijn treasures verkocht. Haar heb ik trouwens ontmoet terwijl ik met mijn kraampje op een brocantemarktje stond. Dit is een tip die ik andere starters wil geven: zorg dat je werk op zoveel mogelijk plaatsen aanwezig is. Ik heb op markten en beurzen gestaan, ben naar winkels toe gestapt en hebt met ontzettend veel mensen gepraat. Je moet er alles aan doen om zichtbaar te worden en mensen een zaadje in het hoofd te planten, zodat ze meteen aan jou denken als ze een week later voor iemand een origineel cadeau willen kopen. Je moet ambassadeur worden van je werk.”

Lees meer op www.kunstenloket.be

Artikel uit de reeks Kanttekening voor Kunstenloket: het Kunstenloket krijgt creatieve geesten van alle mogelijke pluimage over de vloer en aan de telefoon. Allemaal hebben ze hun eigen vragen, allemaal volgen ze hun eigen parcours. In deze reeks plaatsen ze kanttekeningen bij het kunstenaarsbestaan. Wat drijft hen? Wat liep vlot voor ze en wat zorgde voor een worsteling? Waar overweegt de kunst en waar het ondernemerschap?

Componist Bram Van Camp: “Muziek is voor mij nooit een achtergrondgeluid”

Componist van hedendaagse muziek Bram Van Camp had als kleine jongen twee cassettespelers in huis. Ging daar een bandje met klassieke muziek in, dan hoorde hij meteen een verschil. “De ene speelde een tikje trager, en dus klonk hij lager dan de andere”, vertelt hij. “Wellicht heb ik zo ontdekt dat ik een absoluut gehoor heb, want ik was de enige in huis die dat opmerkte. Die moeten we niet hebben, dacht ik. Die klinkt verkeerd…

dezeIn het ouderlijk huis van Bram Van Camp werd veel gezongen en muziek gemaakt. “En toen ik 8 was, ben ik viool beginnen spelen”, vertelt hij. Al snel begon hij zelf stukjes muziek te schrijven. “Iedereen heeft al eens een melodietje dat hij niet uit zijn hoofd krijgt. Dat is vergelijkbaar met een componist die voor het eerst iets bedenkt: je hoort iets in je hoofd. Daar ga je dan mee verder. Je fantasie slaat op hol en het muziekstuk ontwikkelt zich langzaam maar zeker.” Het grote doel van componeren is om de muziek in je hoofd ook in realiteit te kunnen horen. “The proof of the pudding is in the eating: als ik een orkest mijn muziek hoor spelen, ben ik gelukkig. Hoewel zo’n uitvoering superspannend is voor een componist, bestaat er niets mooiers dan te merken dat muzikanten die je erg waardeert je muziek graag spelen en erin geloven.”

Absoluut versus relatief
Dankzij de kapotte cassettespeler ontdekte Bram van Camp hoe goed hij tonen kon horen en dat kwam van pas als hij viool speelde, maar verder stond hij er niet echt bij stil. “Pas toen ik op 18 naar het conservatorium trok, merkte ik dat niet al mijn medestudenten zo’n gehoor hadden. Voor een componist of muzikant is het natuurlijk erg handig om onmiddellijk een naam op een klank te kunnen plakken. Je hoort in een concertzaal een toon en je weet: het is een do of een mi. Maar ook de sirene van een ambulance herken je meteen als bijvoorbeeld een si en een sol. Als iemand met een stoel schuift, kan je er een toon op plakken. Zelfs als iemand een wind laat, kun je dat”, lacht hij. “Er zijn ook klanken zonder toon – de ruisklanken. Met een klap in de handen kan een absoluut hoorder bijvoorbeeld niets beginnen.”

Veel belangrijker voor een muzikant dan het absolute gehoor, is echter het relatieve. “Dat is de mogelijkheid om de relatie tussen tonen te herkennen. Je hoort een toon, weet niet welke het is, maar je hoort vervolgens een andere toon ernaast en weet dan wel dat ze samen een terts, een kwint of een kwart vormen. Dat gehoor kun je aanleren.” Er zijn muzikanten die zich zozeer op hun absolute gehoor beroepen, dat ze het relatieve verwaarlozen. “Zij zullen wellicht nooit grote muzikanten worden, want het relatieve gehoor is juist essentieel om de structuur van een muziekstuk te begrijpen.”

Volle aandacht
Veel mensen gebruiken muziek als behangpapier: de radio staat op, maar echt luisteren doen ze niet. Bij Bram Van Camp thuis gebeurt dat nooit. “Zodra ik muziek hoor, gaat al mijn aandacht ernaartoe. Muziek kan nooit zomaar een achtergrondgeluid zijn.” Vandaar dat stilte ook zo belangrijk voor hem is. “Als ik componeer, kan ik ’s avonds ook niet naar een concert gaan of zo. Ik zit zo diep in de muziek in mijn hoofd, dat ik mijn aandacht niet aan andere muziek kan geven. En als dat toch eens gebeurt, kost het me achteraf heel veel moeite om weer naar mijn eigen stuk te switchen.”

www.bramvancamp.com

Dit artikel verscheen eerder – en in lichtjes andere vorm – in Lapperre magazine. De foto is van fotograaf Filip Claessens.

Klankman Pascal Braeckman: ‘Alles wat je filmt, maak je mee’

Klankmannen werken gewoonlijk in de luwte van een televisieprogramma: buiten beeld, anoniem en onbekend. Sinds Pascal Braeckman voor het programma Tomtesterom in zee ging met Tom Waes, is daar verandering in gekomen. ‘Goh ja’, zegt hij. ‘Het is soms vervelend als mensen me aanklampen terwijl ik aan het werk ben. Aan de andere kant is het een teken dat mensen het leuk vinden wat je doet. En daar maak je tenslotte televisie voor.’

Pascal Braeckman (c) Filip Claessens

Sumoworstelaars en cowboys
Zijn leraren in het middelbaar onderwijs stuurden erop aan dat hij ingenieur zou worden, maar zo’n toekomst zag Pascal Braeckman niet zitten. ‘Dat interesseerde me geen zak. Ik wou naar de filmschool.’ Hij trok naar het Brusselse Rits, maar de finesses van de job leerde hij toch al doende, zegt hij. ‘Nu zijn die opleidingen erg veranderd, maar in die tijd stonden ze zo ver nog niet. Je had al eens een camera vastgehouden, maar veel meer hield het niet in. Het belangrijkste wat ik aan mijn studie heb overgehouden, zijn de contacten die ik er gelegd heb. Die hebben me later geholpen toen ik met klank voor televisie begon.’ Zijn eerste opdracht als klankman pur sang was een reclamefilmpje over schokdempers, in regie van Stijn Coninx. ‘Mijn tweede was een reportage over Tram 12 in Hoboken. We hebben toen van 4 uur ’s morgens tot 1 uur ’s nachts op diezelfde tram gezeten om verhalen te verzamelen. Dat was boeiend. Zoiets doe je anders nooit.’ Sindsdien heeft Pascal Braeckman wel meer dingen op zijn palmares die een doorsnee sterveling nooit doet. Zo logeerde hij dankzij het programma Goed volk van Jeroen Meus twee weken bij een groep Japanse sumoworstelaars in Tokio en bij onvervalste 21ste-eeuwse cowboys in Texas. ‘Al wat je filmt, maak je mee. Dat is het unieke aan de job: ik heb al ontzettend veel gezien. Onlangs vulde ik op Facebook alle landen in waar ik al ooit geweest was. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar het waren er 116. Dat is veel, hè… En binnenkort ga ik met Koen Wauters naar Cambodja voor zijn nieuwe programma Project K. Weer een nieuw land. Ja’, zegt hij, ‘programma’s zoals ik ze heb gemaakt met Tom Waes, Koen Wauters en Jeroen Meus zijn fantastisch om te doen. Je slaapt soms in erbarmelijke omstandigheden, hoor. Zoals met die reeks van Jeroen Meus over de patat: toen sliepen we met onze ploeg van zes man in openlucht achter een muurtje. Het was vreselijk koud, maar we kropen kort bij elkaar en dan ging het wel. Je bent in zo’n kleine ploeg op elkaar aangewezen en je moet er samen door. Dat maakt het tof: achteraf onthoud je alleen de goeie dingen.’

Klankman in de koffer
Zijn rol in de schijnwerpers kreeg Pascal Braeckman eigenlijk per toeval. ‘We zaten met de ploeg van Tomtesterom te brainstormen over hoe we het programma zouden aanpakken’, vertelt hij. ‘En de allereerste opdracht die Tom moest uitvoeren, was overleven in een bos. Hij merkte terecht op dat je niet echt in je eentje bent als je een cameraploeg meezeult. Vandaar dat hij ons bij het programma heeft betrokken: zo klopte het beter – we waren er samen, dus de kijker mocht dat zien.’ Toch zal Braeckman misschien nog het meest de geschiedenis in gaan als de-klankman-in-de-koffer. Iedereen kent het fragment: om uit beeld te blijven tijdens auto-opnames voor Wauters vs. Waes was hij in de kofferbak geklommen. Uitgerekend dan hield een Oostenrijkse politiepatrouille de televisiemakers tegen. ‘Guten Morgen, wie spät ist es?’ vroeg Braeckman toen hij uit de koffer klom. Het fragment werd een gigahit op Facebook. ‘Toen was het helemaal niet gepland dat ik in beeld zou komen, maar die beelden waren te mooi om te laten liggen’, zegt hij. ‘Zo uitzonderlijk is het niet, hoor, dat een klankman de koffer in moet. Voor beelden van autoscènes plaatsen ze kleine cameraatjes op het dashboard, maar het geluid kun je moeilijk automatisch regelen. Rijden ze over kasseien, bijvoorbeeld, dan versta je niets meer van wat ze zeggen en dan heb je een klankman nodig die ingrijpt. Voor de opnames van Crimi Clowns heb ik hele dagen in de koffer gelegen. Het hoort er gewoon bij.’

Lees het volledige artikel op pagina’s 10-11 van RandKrant, oktober 2015.

Choreograaf Helder Seabra over zijn crowdfundingproject: “Alle kleine beetjes helpen”

Het zijn geen vanzelfsprekende tijden om kunst te maken. Ook de podiumsector kraakt in zijn voegen. Nu de subsidiekraan op druppelmodus staat, zoeken veel jonge makers noodgedwongen naar nieuwe wegen om hun werk bij het publiek te brengen. “Ik ben optimistisch en ontzettend koppig”, zegt choreograaf Helder Seabra. “Ik laat me niet zomaar stoppen.” Hij financiert zijn volgende productie gedeeltelijk met crowdfunding. Nog tot 6 oktober kun je daartoe je steentje bijdragen. Voor elke bijdrage krijg je bovendien iets in ruil.

Helder Seabra groeide op in Portugal. Als tiener wou hij architect worden. Tot een vriendin hem meesleepte naar haar dansschool. ‘Vanaf de eerste les was ik verkocht: ik had mijn biotoop gevonden.’ Met amper anderhalf jaar danservaring werd hij toegelaten tot PARTS, de dansopleiding van Anne Teresa De Keersmaeker in Brussel. Vervolgens danste hij vijf jaar voor Wim Vandekeybus/Ultima Vez en nog eens vijf voor Sidi Larbi Cherkaoui/Eastman. Wie die drie namen op zijn cv heeft, mag spreken van een uitzonderlijk dansparcours.

Succesvol debuut
Vorig jaar maakte hij met zijn eigen compagnie HelKa zijn debuut als choreograaf: When The Birds Fly Low The Wind Will Blow is een theatrale en fysieke performance, tegelijk melancholisch, poëtisch en onstuimig. De livemuziek van de Gentse band Maya’s Moving Castle maakt de beoogde sfeer compleet.

De voorstelling begint in oktober aan een tournee. Tegelijk werkt de jonge compagnie aan een tweede choreografie: In Absentia, een
voorstelling over verlies. Ze gaat op 15 oktober in première in de Warande in Turnhout.

Geen beloning voor goed rapport
Eigenlijk zou er een andere productie komen: Lore, over bijgeloof en mystiek. Seabra diende daarvoor een dossier voor projectsubsidie in bij de minister van Cultuur, Sven Gatz. Net als 78 andere – veelal jonge – kunstenaars en organisaties gaven de beoordelingscommissie en de administratie hem een dubbel positief advies. Desondanks kregen ze alle 79 dit antwoord in de maag gesplitst: “Hierbij melden we u de beslissing om uw project niet te ondersteunen. Het zakelijk advies van de afdeling Kunsten en het artistiek advies van de bevoegde beoordelingscommissie, die u als bijlage bij deze mail vindt, waren nochtans positief. De resterende budgetten lieten echter jammer genoeg slechts ruimte om een beperkt aantal aanvragen in te willigen.”

De projectsubsidies zijn weer de pineut“, schrijft theatercriticus Wouter Hillaert in Rekto:Verso. “Zo’n lage toekenningsgraad is nooit eerder vertoond.” Hillaert maakt de terechte vergelijking: “Stel je een prof voor die zegt: je bent geslaagd voor je examens, maar we laten je er niet door.”

Crowdfunding met fijne return
Ja, wat dan? Je kunt er het bijltje bij neergooien, de repetitie- en speelzalen leeg laten. Of je kunt doorgaan. Helder Seabra maakte de moeilijke keuze om zijn grote project even in de koelkast te stoppen en een nieuw, low-budgetproject op te zetten. Voor In Absentia werkt de choreograaf met een uitsluitend mannelijke cast. Met hen onderzoekt hij alle hoeken en kanten van het thema verlies – een thema dat niet toevallig is gekozen: het is direct geïnspireerd op de verschraling van het kunstenlandschap die de choreograaf zelf ervaart. Verlies voelen, zien, dragen, erom huilen of lachen – het mag allemaal. Seabra: “Doorgaans kroppen mannen meer op dan vrouwen: ze uiten hun emotie minder direct. Wat doet dat met ze? Uiteindelijk draait het niet om wat je verliest of hoe dat gebeurt, maar om hoe je ermee omgaat.”

Het crowdfundingproject dat de voorstelling moet helpen voltooien, loopt nog tot 6 oktober. In totaal zoekt het gezelschap via die weg 10.500 euro bij elkaar. Een week voor de deadline stond de teller al op 6924. “Alle beetjes helpen”, zegt de choreograaf. Op de webpagina van het project leest de bereidwillige financierder wat hij of zij voor de gegeven steun in de plaats krijgt. Enkele voorbeelden. Vanaf 2 euro? Een persoonlijk mailtje van de choreograaf om je te bedanken. Vanaf 10? Een foto in je inbox, speciaal voor jou genomen tijdens het creatieproces. Vanaf 35 euro: een workshop of dansles van de choreograaf. Vanaf 100 euro? Een borrel met het volledige team van de voorstelling. Vanaf 500 euro? Het team maakt een traditionele Portugese maaltijd klaar voor jou en maximaal 5 vrienden.

“De kunsten lijken in een vacuüm terecht te zijn gekomen”, besluit Helder Seabra. “Iedereen vraagt zich af wat de toekomst brengen zal. Volgens mij zitten we op een keerpunt dat ons dwingt na te denken over een nieuw soort creativiteit, die we met zo weinig mogelijk middelen moeten ontwikkelen. Je merkt ook hoe kunstenaars elkaars projecten ondersteunen. Mijn muzikanten maken muziek voor de voorstelling. Ik zal in ruil een choreografie maken voor een van hun volgende videoclips. Ik blijf dus positief: optimisme brengt optimisme voort en dat zorgt voor een goede bodem om ideeën te laten kiemen en bloeien.”

https://www.facebook.com/helkavzw
Lees ook het artikel dat ik over Helder Seabra schreef in RandKrant, en waaruit ik fragmenten geplukt heb voor deze post (blader naar pagina 22).