Nedda El-Asmar: “Je moet je blijven profileren, tonen wie je bent en wat je doet. Dat houdt nooit op”

29/08/2016

Juweelontwerp? Geneeskunde? Nog wat anders? Toen ze 18 was, twijfelde Nedda El-Asmar over enkele heel verschillende studierichtingen. Intussen is ze een gevierd designer-zilversmid met ontwerpen op haar naam voor uiteenlopende bedrijven als Hermès, Eternum, Robbe & Berking en Villeroy & Boch. Ze is nog altijd tevreden over de keuze die ze als tiener maakte. “Hoewel ik ook best graag dokter had willen zijn”, zegt ze.

“Ik heb eerst in Antwerpen en daarna in Londen gestudeerd. In Londen heb ik begrepen dat je niet enkel unieke stukken moet creëren, maar ook kleine producties kunt maken of voor bedrijven kunt werken. Wie koopt er ook een pièce unique van een beginnende zilversmid? Je hebt er weken aan gewerkt, het kost heel veel geld, je hebt nog geen naam opgebouwd… Ik heb dan het geluk gehad om vrij snel voor Puiforcat en Hermès te kunnen ontwerpen en die bal is blijven rollen.”

Hoe heb je hem aan het rollen gekregen?

“Ik ben meer dan 20 jaar geleden afgestudeerd en toen gingen de dingen heel anders dan nu. Internet hadden we bijvoorbeeld nog niet. Ik ben dus bij een vriendin in Parijs gaan logeren, heb alle telefoonnummers die ik nodig had in het telefoonboek opgezocht en ben met een grote zak vol munten naar een telefooncel getrokken. Ik belde alle mogelijke interessante bedrijven op om te vragen of ik mijn portfolio mocht komen tonen. Nadien liet ik dan dia’s achter en hoopte ik dat er een opdracht uit zou volgen. Het is een heel andere manier van werken dan tegenwoordig.
Wat uiteraard wel nog altijd hetzelfde is, is dat je zelf op zoek moet naar opdrachtgevers. Als je blijft zitten wachten tot ze naar jou toe komen, zal er niet veel gebeuren. Hoewel er nu wel bedrijven zijn die ons weten te vinden, doen we nog altijd prospectie. Je moet je blijven profileren, tonen wie je bent en wat je doet. Dat houdt nooit op.”

Zijn uit die eerste belronde ook effectief opdrachten voortgekomen?

“Ja, maar de opdrachten komen in het begin mondjesmaat. Daarvan kun je natuurlijk niet meteen leven. Om mijn brood te verdienen, heb ik dus een aantal jaren in de alarmcentrale van EuroCross gewerkt. Ik zeg tegen mijn studenten ook altijd dat ze zichzelf tien jaar moeten gunnen om een volwaardig inkomen uit hun ontwerpen te kunnen putten. Er zijn uiteraard uitzonderingen, maar voor veel ontwerpers gaat het heel traag in het begin. En daarna schommelt het vaak nog. Ik heb het bijvoorbeeld in 2002-2003 heel moeilijk gehad. In de nasleep van 9/11 raakte de economie in het slop en zat ik opeens zonder opdrachten. Ik stond op het punt om elders werk te gaan zoeken, toen er plots toch een grote opdracht binnen liep die me financieel heeft voortgeholpen tot alles weer begon te draaien.”

Lees het hele artikel: www.kunstenloket.be


20 jaar Theater aan zee, 20 jaar ontmoeting: ‘Het wordt een feestje’

07/06/2016

Theater aan zee belooft nog meer dan andere jaren een feest voor oor, oog en te brein te worden. Het Oostendse festival viert zijn 20ste verjaardag. Zoals altijd krijgen jonge makers een belangrijk platform op TAZ. De programmatoren schuimden het afgelopen seizoen zoals vanouds het land af op zoek naar het interessantste prille talent van nu. Maar op de affiche prijken evengoed de groentjes van toen: namen die nauwelijks nog weg te denken zijn uit het theaterlandschap. Marc Lybaert, oprichter van TAZ, en Sophie De Somere, huidig programmator jong theater, lichten een en ander toe.

‘Waarom ik in 1997 met Theater aan zee begonnen ben, is simpel’, glimlacht Marc Lybaert. ‘Ze hebben het me gevraagd. Ik was aan de slag als regisseur voor theater en film en Oostende was net een theater rijker: de Illusie, een zaal waar amateurgezelschappen een speelplek vonden, maar waar ook Arca een platform kreeg. En daar lag op een dag een bierviltje op me te wachten. De toeristische dienst van Oostende wilde een theaterfestival oprichten en vroeg of ik daarover wou komen praten.’ Aanvankelijk hield Lybaert de boot af. Theater in Oostende? In de zomermaanden? ‘Ik zag het niet onmiddellijk’, zegt hij. Maar uiteindelijk kwam hij met drie voorstellen op de proppen over hoe volgens hem zo’n festival eruit kon zien. ‘Een ervan nam de theaterstudent als basis. Het festival moest een ontmoetingsplaats worden voor die jonge spelers en makers, een plek waar ze met elkaar, met het publiek, met het hele theaterscala in aanraking zouden komen.’ Op dat idee pikte Oostende in. De kiem was gelegd. ‘Intussen was het februari 1997. Ik dacht aan een eerste editie in de zomer van ‘98. Maar nee, het moest datzelfde jaar nog gebeuren. Het was gekkenwerk, maar wel plezant gekkenwerk.’

Ontmoeting
Lybaert liep de theaterscholen af, op zoek naar de interessantste jonge theatertalenten. Zijn neus bleek scherp. Ze pikte dat eerste jaar onder meer Stefan Perceval, Pieter Embrechts en Geert Vanrampelberg op. Makers die intussen een behoorlijk indrukwekkend parcours hebben afgelegd. ‘Ik ben toen niet naar de beste voorstellingen van studenten beginnen speuren’, legt Marc Lybaert uit. ‘Ik zocht liever naar de interessantste persoonlijkheden, degenen die iets te vertellen hadden. Het gebeurde dat ik een voorstelling niet bijzonder goed vond, maar wel iets zag in de mensen erachter. Hun stelde ik dan voor om met wat anders naar Oostende te komen.’ Eind jaren 90 verschilden de theateropleidingen nog heel erg van elkaar. Wie van de Studio Herman Teirlinck kwam ging anders om met theater dan een student van het RITS of het Conservatorium bij Dora Van der Groen. ‘Ik vond het belangrijk dat die grote diversiteit ook op TAZ aan bod kwam. Ik vond ze interessant en nodig, en ik vind het daarom ook jammer dat de opleidingen de laatste jaren zozeer naar elkaar toe gegroeid zijn. Het was mijn doel om studenten vanuit hun verschillende opleidingen bij elkaar te brengen en te kijken wat uit die variëteit kon ontstaan. De ontmoeting is er altijd geweest bij Theater aan zee.’
En die ontmoeting heeft het festival ook altijd ruim genomen. Makers vers uit het ei kwamen er in contact met elkaar, maar – minstens zo belangrijk – evenzeer met namen uit de hoogste pikorden van de kunsten. Gesprekken leidden naar samenwerking. Niet alleen tussen makers en generaties, ook met schrijvers en muzikanten ontstonden kruisbestuivingen. ‘En laat ons vooral de technici niet vergeten’, stipt Marc Lybaert aan. ‘Wat dat betreft was het gebrek aan infrastructuur in de beginjaren soms een groot voordeel. Technici en makers moesten dan samen de locatie aanpassen aan hun voorstelling en er samen iets van zien te maken. Dat soort dingen vind ik een van de grootste leerscholen die TAZ kan bieden. Een opleiding reikt zo ver niet.’

Gul en genereus
Theater aan zee is in de loop van de jaren ook voor heel wat toeschouwers uitgegroeid tot een vaste zomerafspraak. De hele theatersector lijkt er samen te troepen, op zoek naar nieuw en boeiend. Liefhebbers van theater en muziek richten er hun vakantie naar in. Toevallige toeristen smukken hun verblijf aan zee al eens graag op met een voorstelling hier of daar. De smeltkroes van makers en toeschouwers maakt Theater aan zee uniek en geliefd. Sophie De Somere: ‘Er wordt veel nagekeuveld, onder het publiek én met de makers, want ook met hen wordt er zonder schroom contact gelegd. Theater aan zee heeft geen backstage, dus alles loopt sowieso door elkaar. Zowel de kijkervaring van het publiek als de maakervaring van de makers wint er enorm door.’
‘De confrontatie met een publiek is belangrijk voor een jonge maker’, vult Marc Lybaert aan. Tijdens je opleiding speel je toch meestal voor eigen volk: medestudenten, vrienden, de mama en de papa. Leren omgaan met kritiek – zowel van het reguliere als het professionele publiek – is een van de eerste dingen die een maker moet leren. Ik nodigde daarom graag personen met wie ik het vaak oneens was uit naar de voorstellingen: dat levert de interessantste discussies op.’
De grote diversiteit in het publiek is er niet zonder slag of stoot gekomen, dixit Marc Lybaert. ‘Een deel van het minder geroutineerde publiek hebben we wat moeten opvoeden. We moesten bijvoorbeeld geregeld aan iemand duidelijk maken dat je niet zomaar een voorstelling kunt binnenwandelen als die al begonnen is – zelfs niet als je een ticket hebt.’ Hij herinnert zich zo’n voorval uit zijn tweede of derde jaar als programmator. ‘Ik heb die man dan achterop mijn brommer laten plaatsnemen en heb hem naar een andere voorstelling gebracht die nog niet begonnen was.’ Later die avond kwam hij diezelfde toeschouwer opnieuw tegen: ‘Ik heb al drie voorstellingen gezien!’ riep hij enthousiast uit. Marc Lybaert: ‘Dan betekent het iets, ja.’

Meer over de selectie, over het jonge talent van nu en dat van toen, over hoe de noden van jonge makers geëvolueerd zijn, lees je in Staalkaart#33.


Elvis Peeters: ‘Je plaats kennen in de kosmos’

03/06/2016

Auteur Elvis Peeters tekent de krijtlijnen voor een nieuwe roman. Intussen beweegt er nog heel wat: vertalingen, verfilmingen, een animatieserie … ‘Het fijne daaraan is dat je er als auteur zelf niets meer voor hoeft te doen.’

Achter de nom de plume Elvis Peeters gaan auteur-muzikant Jos Verlooy en zijn echtgenote Nicole van Bael schuil. ‘We schrijven al onze romans en theaterteksten samen. De gedichten en songs zijn van mij alleen. Sommige mensen vinden dat verwarrend, of ze denken dat ik Nicole heb uitgevonden om interessant te doen. Maar ze bestaat dus echt. Alleen staat ze niet graag in de belangstelling. Daarom geeft ze ook nooit interviews.’ De naam ontstond toen Verlooy in 1982 met zijn punkgroep Aroma di Amore meedeed aan Humo’s Rock Rally. ‘Er waren in de popmuziek twee Elvissen: Presley en Costello. En aangezien Presley was overleden, was er eentje vacant.’

2077_20160427_elvispeeters_5531-2Punk
‘Ik luisterde als tiener vooral naar David Bowie, Deep Purple, Slade. Daarna kwam de punk. De doe-het-zelfgedachte, de energie en de maatschappelijke betrokkenheid ervan spraken me aan. Ik heb eerst een punkblad opgericht en vervolgens een muziekgroep. Het voelde evident om dat te doen, zelfs al konden we toen nog niet spelen. Nu nog voel ik me eigenlijk meer een rocker dan een auteur.’

Schrijven is er dan ook haast toevallig bijgekomen. ‘De man die de belichting deed van Aroma di Amore wou een muziektheatervoorstelling maken. Jij kunt toch al songs schrijven, zei hij. Kun je er geen theaterstuk bij doen? Dat stuk heb ik meteen samen met Nicole geschreven. Er volgde een tweede, dat verscheen in een tijdschrift en opeens trokken er vijf-zes uitgeverijen aan onze mouw: of we soms nog wat hadden. En dus zijn we maar blijven schrijven.’

Relevant
De genres, onderwerpen en thema’s in het oeuvre van Elvis Peeters waaieren alle kanten uit. ‘Alleen de taal en de stijl zijn herkenbaar. Voor uitgevers is dat lastig, maar wij houden van de afwisseling.’ Nog een constante is maatschappelijke betrokkenheid. ‘We vinden dat een boek relevant moet zijn in de tijd waarin het verschijnt. Ik wil ook een mens zijn die zijn plaats kent in de kosmos. Het is bijvoorbeeld niet omdat iets kan, dat je het ook moet doen. Nicole en ik denken en praten veel over de samenleving. Dat sijpelt uiteraard door in de boeken die we schrijven.’

Zo lijkt het alsof de actualiteit De ontelbaren uit 2005 wil inhalen. In de roman overspoelen miljoenen vluchtelingen het Westen. ‘We zijn onlangs de Turkse vertaling gaan voorstellen in Izmir, de plek van waaruit zoveel vluchtelingen de oversteek naar Griekenland wagen. Dat was frappant’, zegt hij. ‘Weet je, ze noemen het boek profetisch, maar in onze roman is de situatie véél erger dan wat we vandaag meemaken. Als je het zo bekijkt, is er dus nog voldoende tijd om ervoor te zorgen dat de voorspelling niet uitkomt. Maar dan zal iedereen toch anders moeten reageren… We zijn zo bang voor de vluchtelingenstroom, maar als je alle mensen telt die in 2015 naar Europa gevlucht zijn, dan zijn dat er een pak minder dan het publiek van een festival als Werchter! We hebben De ontelbaren geschreven nadat we een studie hadden gelezen die stelde dat als we de hele wereldbevolking dezelfde welvaart wilden schenken als die van de gemiddelde Belg, we vier wereldbollen nodig hadden om in alle behoeften te voorzien. Als je zoiets leest, lijkt het niet meer dan logisch dat wie helemaal niks heeft, het wil halen waar het wel is. We zijn binnenkort met 9 miljard mensen. Denk je dat die allemaal lijdzaam gaan toezien hoe rijk wij zijn en zichzelf laten verhongeren? Met hardnekkig beschermen wat we hebben, gaan we het niet redden. De solidariteitsgedachte zal veel sterker moeten worden. Maar je hebt weinig maatschappelijk draagvlak om dingen te veranderen. Politici denken niet verder dan de volgende verkiezingen, terwijl de problemen die we vandaag hebben – denk ook aan de klimaatverandering – zich over generaties uitstrekken. En dus schrijven wij boeken als De ontelbaren in de hoop dat ze kunnen bijdragen tot een andere zienswijze.’

Stukje werkelijkheid
Toen in 2009 de roman Wij verscheen, ontstond een hetze. Het boek werd geprezen, maar evengoed immoreel bevonden. Een groepje jongeren verdrijft de verveling met almaar perversere spelletjes. ‘We kregen er haatmails over’, vertelt Peeters. ‘En ja, het is een hard boek, maar 95% van wat erin staat, hebben we uit de krant of van het internet geplukt: het is een literaire versie van een stukje werkelijkheid.’
De aanleiding van de roman was een samenloop van twee dingen. Op weg naar een vakantiebestemming in Italië zag het schrijversduo enkele meisjes op een brug over de snelweg staan. Ze tilden hun rokjes op en droegen er niets onder… ‘Het gaat snel, je vraagt je af of je het wel goed gezien hebt…’ De beginscène van de roman lag vast: de meisjes veroorzaken bewust een ongeval. Het paste perfect bij het idee dat het echtpaar op dat moment aan het ontwikkelen was. ‘We hadden een reportage gezien waarin wetenschappers nagingen wat voor persoonlijkheden bedrijven zouden hebben als het echte mensen waren. Het bleken stuk voor stuk gewetenloze psychopaten die aan niets anders denken dan winst. Daarop hebben wij doorgedacht: wat als jonge mensen vanuit zo’n filosofie worden opgevoed? Hoe zouden ze in het leven staan? We hebben dat uitgangspunt nergens als een pamflet geponeerd, maar het speelt wel mee.’

Rotte appel
Intussen broedt in de hoofden van het schrijversechtpaar een nieuwe roman. ‘Ik speel met het idee van de rotte appel in de mand. Hij steekt de andere aan en het rotte wordt de norm. Zo gaat het in de maatschappij ook: terroristen veroorzaken een onveilig gevoel, er komen meer camera’s, meer controle, de democratie kalft af. Dat mechanisme houdt me bezig: waarom gebeurt het omgekeerde niet? Waarom maakt de gezonde appel de rotte niet beter? Ik heb geen benul of er iets uit zal voortkomen, want ik weet niet wat Nicole aan het bedenken is. We schrijven altijd eerst een aantal hoofdstukken apart. Vervolgens leggen we alles samen en trekken we naar een koffiehuis om erover te discussiëren. Dat doen we nooit thuis: we kunnen bikkelhard zijn voor elkaar en in het openbaar moet je de discussie toch wat temperen. Soms is het slikken: je ideeën worden al eens afgeslacht. Maar we hebben de afspraak dat we nooit teksten uitbrengen waar we niet allebei 100% achter staan.’ De auteur besluit met een knipoog: ‘Zo komen we dus aan een digitale vergaarbak van onaffe teksten. Ongetwijfeld worden die na onze dood gigantisch succesvol.’

Lees het hele artikel in RandKrant, juni 2016.


Fikry El Azzouzi: “Schrijver ben je heel de dag door”

26/05/2016

Fikry El Azzouzi besloot van de ene dag op de andere dat hij schrijver wou worden. Beginnen en volhouden, dan zou het wel lukken. Tien jaar later is hij volop bezig aan zijn vierde roman en geldt hij als een van de meest beloftevolle stemmen in de huidige theaterliteratuur. “Maar al wat naar zakelijk ruikt, zorgt voor stress.”

_MG_0304-2“Mijn nieuwe roman is het derde deel van de trilogie die begonnen is met mijn debuut, Het Schapenfeest. Ik heb de eerste versie volledig af, maar ben nu alles aan het herschrijven om er de juiste toon en het goede ritme in te krijgen. Dan vertrekt hij naar de uitgeverij en in oktober verschijnt hij.”

Wanneer wist jij eigenlijk dat je schrijver wou worden?

“Zo’n 10 jaar geleden kreeg ik opeens een ingeving: Ik wil schrijver worden. En ik dacht er onmiddellijk bij: Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? Noem het arrogantie of een manier om mezelf op te peppen, want uiteraard besefte ik wel dat ik niet zomaar even een roman uit mijn mouw zou schudden. Ik wist dat ik er hard voor zou moeten werken en dat ik niet te snel zou mogen opgeven als ik er iets mee wilde bereiken. Literatuur interesseerde me al langer. Ik las veel boeken en las ook graag verhalen over de werkroutine van schrijvers. Waarschijnlijk borrelde het dus al wel even, maar het echte plan is er heel spontaan gekomen. Ik had in mijn familie of wijdere omgeving ook geen voorbeelden die me stimuleerden om te gaan schrijven of zo. Ik ben er puur op mezelf mee begonnen.”

Hoe redde je het in die beginjaren financieel?

“Een schrijver ben je heel de dag door, niet zomaar even tussendoor. Ik wou dus hele dagen kunnen schrijven, maar moest intussen wel mijn brood verdienen. Daarom ben ik aan de slag gegaan als bewakingsagent voor een energiebedrijf: je zit aan een bureau en zolang er niets gebeurt, heb je behoorlijk wat tijd om te lezen en te schrijven. Die job heeft me heel hard geholpen om mijn eerste roman tot stand te brengen. Ik ben er pas mee gestopt na Drarrie in de nacht, mijn derde. Het bedrijf had het moeilijk, waardoor er geregeld periodes van economische werkloosheid waren. Omdat ik ook almaar meer opdrachten voor theaterteksten kreeg, heb ik toen ontslag genomen. Dankzij het theater en een column hier of daar lukt het me tegenwoordig om van mijn pen te leven.”

Première Alleen, tg Stan, dinsdag 14 juni, Monty
Roman Alleen zij, verschijnt in oktober bij Uitgeverij Vrijdag.

Lees de volledige Kanttekening op www.kunstenloket.be


Beeldend kunstenaar Andres Serrano: ‘Mijn taal bestaat niet uit woorden’

23/05/2016

De beelden van de New Yorkse kunstenaar Andres Serrano schudden de toeschouwer wakker. Ze zijn esthetisch, ze schokken en provoceren, ze vertellen je precies hoe de wereld in elkaar zit.

2017_kalender-expo-andres-serrano

Noem Andres Serrano geen fotograaf. ‘Ik ben een kunstenaar met een fototoestel’, zegt hij. De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel tonen de grootste overzichtstentoonstelling van zijn werk tot nu toe. ‘Europa begrijpt mijn werk’, vertelt hij. ‘Ik heb al 12 of 13 museumtentoonstellingen gehad in Europa, waarvan dit absoluut de indrukwekkendste is. In mijn eigen land is er zo nog maar eentje geweest, en dat was meer dan 20 jaar geleden. Europa omarmt mijn werk, Amerika vergeet me graag.’

Provocerend
Geef de naam van de kunstenaar in op een zoekmachine en de woorden ‘provocerend’ en ‘controversieel’ vliegen je om de oren. Die epitheta heeft hij te danken aan werken zoals het legendarisch geworden Piss Christ (1987). Je ziet een kruisbeeld ondergedompeld in een rood-gele substantie. Een mooi beeld. Het is maar door de expliciete titel dat je ook beseft om wat voor vloeistof het precies gaat. Met deze foto vestigde Serrano zijn reputatie als provocatief kunstenaar. Waarom die expliciete titel, kun je je afvragen. Waarom de toeschouwer niet in zijn esthetische bubbel laten? ‘Net omdat ik foto’s maak, vind ik dat ik precies moet vertellen waar de toeschouwer naar kijkt. Zie je, ik bewerk achteraf niks. Mijn beelden zijn wat ze zijn. Als ik mijn publiek dus een volledig rood beeld voorzet en het is in realiteit een monochroom van bloed, dan vertel ik dat in de titel. Ik heb zo bijvoorbeeld ook beelden gemaakt van melk. In het geval van Piss Christ was het net hetzelfde: het ging om urine, het ging om een christusbeeld. Het was niet provocatief bedoeld. Het was wat het was.’

Piss Christ - serrano_site_3_large@2x

Alles beter dan onverschilligheid
De ene noemde het werk godslasterlijk, de ander plaatste het liever in de lange traditie van christelijk geïnspireerde kunst. De discussies laaiden hoog op. Exemplaren van dit en andere van Serrano’s werken kregen in het verleden meer dan eens te maken met vandalisme. Vier van zulke ‘kapotte’ werken maken deel uit van de Brusselse tentoonstelling. ‘Ik vind dat een sterk statement’, zegt de kunstenaar. ‘Het toont aan hoe mijn werk soms opzettelijk verkeerd begrepen wordt. Tegelijk kun je zeggen dat mijn beelden altijd iets losmaken bij mensen. Je kunt ze op verschillende manieren interpreteren – dat vind ik belangrijk – en natuurlijk vind ik het prettiger als je ze positief interpreteert. Maar uiteindelijk is alles beter dan onverschilligheid.’

Taal van het hart
‘Mijn taal bestaat niet uit woorden, is niet intellectueel. Ze komt uit het hart, uit mijn ziel, mijn geweten.’ Hoewel zijn voornaamste bekommernissen esthetisch en artistiek van aard zijn, hoef je geen kunstkenner te zijn om de krachtige verhalen achter zijn beelden te kunnen lezen. Zo fotografeerde hij – zelf een New Yorker met hispanic roots – enkele leden van de Ku Klux Klan. Hij trok naar het dodenhuis en maakte confronterende beelden van personen die een veelal gewelddadige dood waren gestorven. Zijn recentste werk draait om uiteenlopende vormen van foltering. ‘Politieke of sociale analyses van de wereld zijn zeker niet mijn eerste prioriteit als kunstenaar, maar mijn werk reflecteert wel veel van wat er in die wereld gebeurt. Soms loopt het zelfs voorop op zijn tijd.’

Menselijkheid
Erg sprekend in dat opzicht is de gelijktijdige tentoonstelling Denizens of Brussels, die staat opgesteld in de straten van Brussel. Daarvoor fotografeerde Serrano de daklozen van onze hoofdstad. ‘Dat thema gaat al meer dan 20 jaar mee’, legt hij uit. ‘Voor mijn toenmalige reeks Nomads fotografeerde ik daklozen in de metro, met flash en een achtergrond, waardoor het net leek of de foto’s in een studio waren genomen. In 2013 ging ik opnieuw de straat op en kocht ik meer dan 100 van die typische borden waarop daklozen op de een of andere manier om geld vragen. Daarvan heb ik geen foto’s gemaakt, maar een installatie: elk bord is een apart verhaal. Vervolgens maakte ik de reeks Residents of New York en nu dus Denizens of Brussels, waarvoor ik telkens de daklozen van de stad fotografeerde. Ik wil die mensen erkennen als volwaardige inwoners van de stad. Ze hebben misschien geen huis, maar ze wonen er wel. We negeren ze meestal, maar ze zijn er. Beide reeksen gaan in se over menselijkheid – altijd een goed onderwerp voor kunst.’

Dit artikel verscheen eerder in RandKrant, mei 2016. De gepubliceerde versie kan lichtjes verschillen van deze.

www.fine-arts-museum.be


Illustrator Jurgen Walschot: ‘Elke tekst vraagt een ander soort beeld’

18/05/2016

Wanneer illustrator-vormgever Jurgen Walschot een stapel van zijn boeken en schetsen op tafel legt, heb je meer dan één blik nodig om zijn stijl te vatten. ‘Ik hou van afwisseling’, zegt hij. ‘Elke opdracht vraagt een andere aanpak.’

Hij neemt prentenboeken voor kinderen, geïllustreerde verhalen voor eerste lezers en bundels voor volwassenen uit zijn rek. Daarin staan prenten in uitbundige kleuren, ingetogen tekeningen, collages, werk in houtskool… ‘Het lijkt misschien gek dat die uiteenlopende dingen allemaal van één persoon zijn. Maar volgens mij vraagt elke tekst een ander soort beeld. Ik leef me in een opdracht in en amuseer me. Zo kom ik aan die uiteenlopende resultaten.’

211_ran16-04_jg20_04_cover_lrBovenaan de stapel ligt de recentste boekenbaby: De ster, de god, de vleugels en de ster. De tekst is van An Willaert, Jurgen Walschot tekende. ‘An is mijn collega aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas Brussel. Zoals dat gaat onder collega’s, waren we eens aan het babbelen over dingen waar we zoal mee bezig waren. Ze liet me de tekst lezen en onmiddellijk kreeg ik zin om er prenten bij te maken. Hij is fantasierijk, poëtisch en uitgepuurd. Daardoor is het een boek geworden waar je in twee minuten door kunt bladeren. Maar je kunt het ook telkens opnieuw oppakken en zult er elke keer weer nieuwe dingen in ontdekken.’ Dat geldt zowel voor de illustraties als voor de tekst. ‘Het boek doet je nadenken’, vindt Walschot. ‘Over het leven, de dood, de dingen waar we allemaal mee bezig zijn.’ Het verhaal begint met een ster die ontploft. Er verschijnen vleugels die op zoek gaan en zich voeden met wat ze tegenkomen. Een walvisgod duikt uit het water op en meet zich de vleugels aan… In twee minuten kun je onmogelijk de vele lagen van het boek vatten. De oerknal kun je herkennen, maar je denkt ook aan engelen en scheppingsverhalen, aan de cyclus van het leven. ‘Veel lezers vinden het boek donker’, vertelt de illustrator. ‘Akkoord, er komt dood in voor en ik gebruik veel zwart in de prenten, maar ik vind dat er ook hoop uit spreekt.’

Persoonlijke details
Hoe begint een illustrator aan zo’n boek? Na de instantklik die Jurgen Walschot voelde toen hij de tekst van An Willaert las, begon hij te schetsen.
Hij pakt het juiste schetsboek van de stapel en bladert er even door, tot hij bij een tekening van een explosie komt. ‘Dit was mijn eerste idee. Het sterrenthema dat ik uiteindelijk heb uitgewerkt, was er toen nog niet bij. Ik las het eerste stuk van de tekst en dacht: de tekeningen moeten knallen.’
Walschot werkt niet graag lukraak. Als hij prenten tekent, kijkt de vormgever in hem constant mee. ‘En dan maak ik vrij snel een kleine maquette die aantoont hoe de vormgeving van het hele boek er moet uitziet. Voor De ster dacht ik onmiddellijk aan een liggend boek. Ik wou ook dat er grote dingen in voorkwamen: een walvis, bergen… Ik hou zelf heel erg van de bergen. Zodra ik wat tijd heb, trek ik er graag in mijn eentje naartoe. Ik kom er tot mezelf. Daarom vond ik bergen perfect bij dat uitgepuurde, filosofische verhaal passen.’ Op die manier verwerkt Jurgen Walschot telkens een aantal persoonlijke details in zijn werk. ‘Een lezer merkt zoiets misschien niet op, maar het zit er wel.’
Zo zul je niet gauw een werk van Jurgen Walschot vinden waar nergens een vogel in figureert. ‘Als de grote lijnen van een tekening klaar zijn, begin ik ze te stofferen met details.’ Hij wijst er enkele aan in verschillende van zijn boeken. ‘Hier zie je twee duiven, daar kruipt een eekhoorn in een boom, hier zit een ekster. Vogels zijn er altijd. Je hoeft maar even naar buiten te kijken en je ziet er wel eentje. Daarom horen ze ook in mijn boeken thuis. Ik hou heel erg van de vrijheid waar die beestjes symbool voor staan.’

Tekenfilms in schoolboeken
Als kind tekende Jurgen Walschot zijn schoolboeken vol. ‘Ik had een lekker dik boek van Frans: daar maakte ik graag van die flip-over tekenfilmpjes in. Het gevolg was wel dat ik mijn schoolboeken op het eind van het schooljaar nooit doorverkocht kreeg. Iedereen wou een volledig blanco exemplaar, terwijl zo’n geïllustreerd boek toch veel interessanter is, niet?’ lacht hij. Op zijn achttiende leek een tekenopleiding hem wel iets, dus hij trok met een klasgenoot naar de eindejaarstentoonstelling van Sint-Lukas in Brussel. ‘Die tentoonstelling heeft me toen zo afgeschrikt, dat ik de studie aanvankelijk niet aandurfde. Ik vreesde dat ik zoiets nooit zou kunnen en koos voor de ‘veiligere’ lerarenopleiding.’ Als eindwerk stak Walschot een kunstproject met illustraties in elkaar. ‘Mijn promotor vond die zo goed dat hij me aanraadde er iets mee te gaan doen.’ En zo trok hij uiteindelijk toch nog naar Sint-Lucas, in Gent. ‘Het gekke is dat ik nu zelf lesgeef aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas in Brussel. Telkens als ik daar tentoonstellingen bouw met werken van de leerlingen, denk ik terug aan die keer dat ik daar zelf zo door overdonderd was. Daarom toon ik altijd graag meer dan de allerbeste eindresultaten. Ik laat ook graag iets zien van het proces dat tot dat resultaat heeft geleid.’

Lees het volledige artikel in RandKrant, mei 2016.


Beeldend kunstenaars Tinka Pittoors en Kris Fierens: “Koppig zijn en doorgaan”

13/05/2016

Een zomertentoonstelling in Belgisch-Luxemburg, een kunstveiling voor Ringland in mei, solotentoonstellingen in verschillende galeries, een handvol groepstentoonstellingen en eigen evenementen: het is druk voor beeldend kunstenaars Tinka Pittoors en Kris Fierens. Drie jaar geleden nam het koppel zijn intrek in een oude kopergieterij. Ze beschikken er elk over een indrukwekkend atelier en hebben er plaats om volk te ontvangen. “Omdat we weten dat we het nu aankunnen, organiseren we geregeld atelierbezoeken. Deze plek is onze ambassadeur geworden”, vindt Fierens.

P1190524_1024

Kris Fierens: “We nodigen mensen uit, geven diners en feestjes voor vrienden, bieden mensen atelierbezoeken aan. Een kunstenaar mag niet op zijn mansarde blijven zitten: als de mensen je niet zien, besta je niet.”

Tinka Pittoors: “Kunst is communicatie. Soms vragen we ons zelf af hoe we vroeger overleefd hebben, toen we niet de ruimte hadden om evenementen te organiseren of zelfs maar om ons werk op een degelijke manier tot stand te brengen.”

KF: “Tinka heeft ooit een sculptuur in stukken moeten zagen omdat ze te groot was om ze uit haar mini-atelier te krijgen. We leven hier misschien niet in de grootst denkbare materiële weelde, maar hier kunnen wonen en werken is luxe op zich.”

TP: “Er zijn twee dingen onbetaalbaar in het leven: tijd en ruimte. Wij hebben ervoor gezorgd dat we die hebben. Als je dan met de rest soms wat minder moet doen, dan is dat maar zo.”

KF: “In de kunst gaat het vaak zo: de ene dag eet je droog brood met water, morgen kun je de champagne opentrekken en de dag erna is het weer wat anders. De meeste mensen nemen zulke risico’s niet in het leven en kiezen voor veiligheid. Maar onze grootste rijkdom is dat we kunnen doen wat we doen.”

Wanneer hebben jullie beseft dat de kunst jullie die rijkdom kon brengen?

TP: “Ik zat als kind op de tekenacademie, maar na het middelbaar onderwijs voelde ik me wat schoolmoe, dus toen ik 18 was, wist ik het niet zo meteen. Na een jaar ben ik dan regentaat plastische opvoeding gaan studeren en pas daarna ben ik op de academie terechtgekomen: ik heb schilderkunst en mixed media gestudeerd aan het KASK. Toen heb ik echt alles op alles gezet, want ik besefte heel goed dat ik mijn richting gevonden had en het nu niet mocht verprutsen.”

KF: “Mijn vader zaliger vertelde graag een bepaalde anekdote over mij. Toen ik van mijn eerste dag in het eerste leerjaar thuiskwam, vroeg hij me of ik een lieve juf had. Ik moet daarop geantwoord hebben: Ze heeft een beetje een fout blauw in haar kleedje. Daarmee is veel gezegd. Ik was een dromer en ik zat met een esthetiek die ik wou ontwikkelen, maar ik wist niet hoe. Er leefde bij ons thuis geen cultuur voor dat soort dingen. Tekenschool volgen zat er bijvoorbeeld niet in. Ik was op mezelf wel altijd een beetje creatief bezig, maar niet echt uitgesproken. Wat wel een verschil heeft gemaakt, is dat de beeldhouwer Bert De Leeuw vijf straten verderop woonde. Hij had zijn atelier in een groot, modernistisch gebouw en ik mocht hem af en toe gaan helpen. Dat interesseerde me enorm. Maar voor de rest bleef het vooral zoeken: ik hield vast aan iets wat ik verder niet kon duiden. Uiteindelijk ben ik dan toch naar de academie gegaan, maar ook daar vonden de leraren me onhandelbaar en maakte ik dingen die ze niet echt konden smaken. Het bleef dus een zoektocht. Na veel vijven en zessen ben ik afgestudeerd en dan heb ik de Jeune peinture gewonnen. Op dat ogenblik was ik nog te jong om zo’n prijs aan te kunnen, dus het is erna eerst even bergaf met me gegaan, en daarna weer bergop. Zo, met ups en downs, heb ik stilaan wat respect vergaard.”

Tinka, hoe is de overgang naar het professionele leven bij jou verlopen?

TP: “Ik heb het geluk gehad dat ik onmiddellijk heb kunnen tentoonstellen en enkele verzamelaars heb gevonden die mijn werk begonnen te kopen. Het is eigenlijk allemaal heel natuurlijk gelopen. Mijn eerste tentoonstelling was in café De Geus van Gent. Meteen daarna ben ik opgepikt door het S.M.A.K. voor Coming People. Op financieel vlak hebben mijn ouders in de beginperiode heel goed voor me gezorgd. Ze hadden een huisje met een klein atelier voor me gekocht in Gent, waar ik dus gratis kon wonen en werken. Dat heeft me veel vrijheid gegeven.”

Lees meer via Kunstenloket.

www.krisfierens.eu
http://tinkapittoors.com
www.facebook.com/tinka.pittoors