Illustrator Jurgen Walschot: ‘Elke tekst vraagt een ander soort beeld’

Wanneer illustrator-vormgever Jurgen Walschot een stapel van zijn boeken en schetsen op tafel legt, heb je meer dan één blik nodig om zijn stijl te vatten. ‘Ik hou van afwisseling’, zegt hij. ‘Elke opdracht vraagt een andere aanpak.’

Hij neemt prentenboeken voor kinderen, geïllustreerde verhalen voor eerste lezers en bundels voor volwassenen uit zijn rek. Daarin staan prenten in uitbundige kleuren, ingetogen tekeningen, collages, werk in houtskool… ‘Het lijkt misschien gek dat die uiteenlopende dingen allemaal van één persoon zijn. Maar volgens mij vraagt elke tekst een ander soort beeld. Ik leef me in een opdracht in en amuseer me. Zo kom ik aan die uiteenlopende resultaten.’

211_ran16-04_jg20_04_cover_lrBovenaan de stapel ligt de recentste boekenbaby: De ster, de god, de vleugels en de ster. De tekst is van An Willaert, Jurgen Walschot tekende. ‘An is mijn collega aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas Brussel. Zoals dat gaat onder collega’s, waren we eens aan het babbelen over dingen waar we zoal mee bezig waren. Ze liet me de tekst lezen en onmiddellijk kreeg ik zin om er prenten bij te maken. Hij is fantasierijk, poëtisch en uitgepuurd. Daardoor is het een boek geworden waar je in twee minuten door kunt bladeren. Maar je kunt het ook telkens opnieuw oppakken en zult er elke keer weer nieuwe dingen in ontdekken.’ Dat geldt zowel voor de illustraties als voor de tekst. ‘Het boek doet je nadenken’, vindt Walschot. ‘Over het leven, de dood, de dingen waar we allemaal mee bezig zijn.’ Het verhaal begint met een ster die ontploft. Er verschijnen vleugels die op zoek gaan en zich voeden met wat ze tegenkomen. Een walvisgod duikt uit het water op en meet zich de vleugels aan… In twee minuten kun je onmogelijk de vele lagen van het boek vatten. De oerknal kun je herkennen, maar je denkt ook aan engelen en scheppingsverhalen, aan de cyclus van het leven. ‘Veel lezers vinden het boek donker’, vertelt de illustrator. ‘Akkoord, er komt dood in voor en ik gebruik veel zwart in de prenten, maar ik vind dat er ook hoop uit spreekt.’

Persoonlijke details
Hoe begint een illustrator aan zo’n boek? Na de instantklik die Jurgen Walschot voelde toen hij de tekst van An Willaert las, begon hij te schetsen.
Hij pakt het juiste schetsboek van de stapel en bladert er even door, tot hij bij een tekening van een explosie komt. ‘Dit was mijn eerste idee. Het sterrenthema dat ik uiteindelijk heb uitgewerkt, was er toen nog niet bij. Ik las het eerste stuk van de tekst en dacht: de tekeningen moeten knallen.’
Walschot werkt niet graag lukraak. Als hij prenten tekent, kijkt de vormgever in hem constant mee. ‘En dan maak ik vrij snel een kleine maquette die aantoont hoe de vormgeving van het hele boek er moet uitziet. Voor De ster dacht ik onmiddellijk aan een liggend boek. Ik wou ook dat er grote dingen in voorkwamen: een walvis, bergen… Ik hou zelf heel erg van de bergen. Zodra ik wat tijd heb, trek ik er graag in mijn eentje naartoe. Ik kom er tot mezelf. Daarom vond ik bergen perfect bij dat uitgepuurde, filosofische verhaal passen.’ Op die manier verwerkt Jurgen Walschot telkens een aantal persoonlijke details in zijn werk. ‘Een lezer merkt zoiets misschien niet op, maar het zit er wel.’
Zo zul je niet gauw een werk van Jurgen Walschot vinden waar nergens een vogel in figureert. ‘Als de grote lijnen van een tekening klaar zijn, begin ik ze te stofferen met details.’ Hij wijst er enkele aan in verschillende van zijn boeken. ‘Hier zie je twee duiven, daar kruipt een eekhoorn in een boom, hier zit een ekster. Vogels zijn er altijd. Je hoeft maar even naar buiten te kijken en je ziet er wel eentje. Daarom horen ze ook in mijn boeken thuis. Ik hou heel erg van de vrijheid waar die beestjes symbool voor staan.’

Tekenfilms in schoolboeken
Als kind tekende Jurgen Walschot zijn schoolboeken vol. ‘Ik had een lekker dik boek van Frans: daar maakte ik graag van die flip-over tekenfilmpjes in. Het gevolg was wel dat ik mijn schoolboeken op het eind van het schooljaar nooit doorverkocht kreeg. Iedereen wou een volledig blanco exemplaar, terwijl zo’n geïllustreerd boek toch veel interessanter is, niet?’ lacht hij. Op zijn achttiende leek een tekenopleiding hem wel iets, dus hij trok met een klasgenoot naar de eindejaarstentoonstelling van Sint-Lukas in Brussel. ‘Die tentoonstelling heeft me toen zo afgeschrikt, dat ik de studie aanvankelijk niet aandurfde. Ik vreesde dat ik zoiets nooit zou kunnen en koos voor de ‘veiligere’ lerarenopleiding.’ Als eindwerk stak Walschot een kunstproject met illustraties in elkaar. ‘Mijn promotor vond die zo goed dat hij me aanraadde er iets mee te gaan doen.’ En zo trok hij uiteindelijk toch nog naar Sint-Lucas, in Gent. ‘Het gekke is dat ik nu zelf lesgeef aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas in Brussel. Telkens als ik daar tentoonstellingen bouw met werken van de leerlingen, denk ik terug aan die keer dat ik daar zelf zo door overdonderd was. Daarom toon ik altijd graag meer dan de allerbeste eindresultaten. Ik laat ook graag iets zien van het proces dat tot dat resultaat heeft geleid.’

Lees het volledige artikel in RandKrant, mei 2016.

Advertenties

Ateliers in de Rand 2: ‘Het mooiste is beginnen’

Oktober 2012. Schuif mee aan aan de tekentafel van illustratrice An Candaele…

Enkele boekenrekken propvol boeken, een computertafel en voor het raam een reusachtige tekentafel met daarop een groot dienblad vol potten met penselen, potloden, pennen en stiften. Dat zijn de voornaamste ingrediënten van An Candaeles atelier in Tervuren. (…)

De illustratrice pakt een boek van haar rek: Springdag, waarvoor Anne Provoost de tekst heeft geschreven en dat verschenen is in februari 2012. ‘Dit is (…) een filosofisch getint boek voor mensen van 6 tot 100 jaar. Daarvoor heb ik onder meer met Photoshop gewerkt.’ Ze toont een hele hoop papiertjes met diverse motiefjes, structuren en kleuren. ‘Ik heb een hele databank van die dingen’, zegt ze. Ingescand in het computerprogramma Photoshop kun je er mee knutselen, schuiven en ze in laagjes leggen tot je figuren perfect zijn aangekleed en ingekleurd. ‘Het was chaotisch werken. Bovenop de papiertjes heb ik nog geschilderd met olieverf en pastel. Er zit krijt in, rietpen, ik heb gekrast en gescheurd… Het is een beetje zoals ik kook, een beetje van dit, nog iets van dat… wat heb ik hier nog… ?’

Hoeveel boeken ze al getekend heeft, kan An zelfs bij benadering niet zeggen. ‘Ik zou ze dringend eens moeten tellen.’ Maar wat ze het leukst vindt aan haar werk, weet ze heel precies te duiden. ‘Het mooiste is beginnen. Je krijgt de tekst van de auteur – vaak niet meer dan enkele A4’tjes – en je moet daar iets bijzonders mee doen. Ik werk dan al mijn huisgenoten de deur uit en teken, teken, teken. In dat stadium ben je nog niet bezig met het verhaal. Je ontwikkelt je personages (en dat) is echt zwoegen. Ik stel het ook lang uit. Je weet dat je je eraan moet zetten, je voelt het borrelen. Je bent nog met 100 andere dingen bezig, maar het verhaal sluimert al, je neemt het overal mee naartoe. Intussen pik je kleine dingen op: op school (ik geef les aan de academie van Overijse), in de supermarkt, in de file… Dat is de chemie die begint. En dan komt het er dus op aan te gaan zitten en te tekenen. Dat is een verrukkelijk moment. Al helemaal als je ’s avonds naar je werk van die dag kijkt en kunt zeggen: Yes! Ik zit op de goede weg!’

Het volledige artikel verscheen in RandKrant, oktober 2012.