Filmmaker Rachida El Garani: ‘Een goed verhaal kruipt in mijn hoofd’

18/04/2016

Op 36 trok ze naar de filmschool. Vier jaar later stond haar film Into darkness op het grootste Europese documentairefestival en won ze de prestigieuze VAF Wildcard. ‘Het is nooit te laat om je dromen na te jagen.’

(c) Filip ClaessensRachida El Garani woont in Zaventem, maar groeide op in Genk. Haar vader was in de jaren 60 als mijnwerker naar België gekomen, altijd met het idee om ooit naar Marokko terug te keren. Dat nooit uitgevoerde plan van de vader zat de droom van de dochter in de weg. ‘Ik wou studeren, maar mijn vader dacht dat een beroepsopleiding me in Marokko beter van pas zou komen.’ Stiekem schreef ze zich toch in voor het ASO-onderwijs. Enkele maanden ging dat goed, tot haar vader erachter kwam en haar stante pede naar het BSO verhuisde. ‘Dat heeft me toen erg geraakt’, zegt El Garani. Op 18 jaar vond ze in Limburg alleen werk als schoonmaakster of aan de band van Ford. ‘En dat wou ik niet. Ik solliciteerde naar administratief werk en stapelde de weigeringen op.’ Ze is ervan overtuigd dat haar afkomst daar veel mee te maken heeft. ‘Ik heb het uitgetest. Ik belde in eigen naam en kreeg te horen dat een vacature was ingevuld. Vijf minuten later belde ik als Stefanie en kreeg ik meteen alle informatie. Dat frustreerde me enorm.’ Uiteindelijk trok ze richting Brussel. Dankzij haar kennis van Frans en Nederlands vond ze er vrijwel meteen werk als secretaresse.

Passie: film
De studiekriebel bleef, maar er leek nooit een moment te komen om zich deftig aan die ambitie te wijden. Tot in 2009. Door de crisis raakte El Garani even werkloos en ze besloot de vrijgekomen tijd nuttig te besteden aan haar grote passie: ze volgde een filmcursus. De reportage die zij en haar man Hamid daarvoor maakten over verdoofd slachten gooide hoge ogen. ‘Het Offerfeest kwam eraan. En Antwerpen stelde opeens verdoving op de slachtvloer voor. Dat schoot veel moslims in het verkeerde keelgat, vooral omdat onze gemeenschap niet gehoord was over de beslissing. In plaats van te feesten, zijn we drie dagen gaan filmen. We lieten alle betrokken partijen aan het woord: moslims, joden, dierenrechtenorganisatie GAIA en politici.’ Tijdens één van de vertoningen ontmoette ze VRT-journalist Rudi Vranckx. ‘Er zit iets in jou’, zei hij. ‘Waarom ga je niet professioneel?’

Doe het nu
Uiteindelijk spoorde haar man haar aan om naar het RITCS te gaan. Hij hoorde haar al zolang gepassioneerd over film spreken, hij wist hoe graag ze het wou. ‘Doe het nu’, zei hij. ‘Je bent 36: nu kan het nog.’ Een makkelijk parcours werd het niet: vaak was het goochelen met tijd en geld. Rachida ging halftijds werken en Hamid klopte extra uren om het inkomensverlies te compenseren. Zij holde van het RITCS naar de school van haar kinderen, van haar werk naar de filmset. In het laatste jaar zette ze alles op alles om een goed eindwerk af te leveren. ‘Het was mijn grootste angst dat ik na vier jaar knokken niets zou bereiken in de film.’ Nu kan ze op beide oren slapen. Into darkness oogst niets dan lof.
De camera volgt de 9-jarige Mohamed. Hij ziet heel slecht, maar hoopt dat hij nooit volledig blind zal worden zoals zijn vader en haast al zijn familieleden. El Garani vond het verhaal tijdens een vakantie in Taroudant, de geboortestreek van haar ouders. ‘Het nestelde zich in mijn dromen. Als dat gebeurt, weet ik dat ik goed zit: ik moest en zou dit verhaal filmen.’ De vrouwen van de familie had ze snel op haar hand, maar Achmed, de vader en de enige volwassen man in huis, had meer overtuiging nodig. ‘Vooral dat er een man achter de camera stond, vertrouwde hij niet. Hij ging overdag bedelen om een inkomen te vergaren. Hoe kon hij dat met een gerust hart doen, wetende dat hij een vreemde man had binnengelaten in zijn vrouwennest? Afwachtend en wantrouwig weigerde hij het huis te verlaten. Na drie dagen was het in orde. Hij was aan ons gewend geraakt, het vertrouwen was er en hij kon weer op pad.’
De ploeg begon te filmen zonder goed te weten wat ze precies zou vinden. ‘Wat we ontdekten, was die kleine jongen. Met het beetje zicht dat hij nog had, wilde hij constant naar mijn filmmateriaal kijken. Vooral de werking van een lens fascineerde hem: hoe je door simpel te draaien scherper of minder scherp kan kijken. Tijdens elke pauze zat Mohamed bij mij. Toon eens met de lens hoe slecht jij precies ziet, vroeg ik. Zo, spelenderwijs, leerde hij me zijn wereld zien.’ El Garani besloot hem als hoofdpersonage te kiezen en hem de rol van reporter te geven. Mohamed stelt zijn familieleden bijna en passant de vragen die een journalist normaal zou stellen. Die ingreep geeft de documentaire haar grote kracht. De jongen neemt de toeschouwer bij de hand. Hij laat je de hoop voelen wanneer de familieleden hun ogen voor het eerst grondig laten onderzoeken. Hij laat je voelen wat het is wanneer die hoop in één klap weer wordt weggeveegd. De documentaire – en zeker de overweldigend ontroerende climax – laat geen toeschouwer koud.

Lees het volledige artikel in RandKrant, april 2016.

Advertenties

‘Over vijf jaar’: Wim De Vilder vat de tijd

13/01/2016

Vanavond zendt de VRT de tweede aflevering van het nieuwe programma van Wim De Vilder uit. In de drie afleveringen van Over vijf jaar probeert de journalist de tijdgeest te vatten. Wat typeert onze dagen? Wie had de gebeurtenissen en thema’s zien aankomen? Hoe hard is de wereld de afgelopen vijf jaar veranderd en wat is hetzelfde gebleven?

Enkele maanden geleden interviewde ik Wim De Vilder en zijn vader Herman voor een uitgebreid artikel in RandKrant (verschenen in november 2015). We hadden het toen ook kort over het programma:

In 2010 heeft Wim De Vilder zeven vooraanstaande Vlamingen uitgebreid geïnterviewd. De hoofdvragen? ‘Hoe denk je dat je eigen leven, je omgeving en dat waarmee je bezig bent, er in 2015 uit zal zien? Hoe zal de wereld evolueren?’
‘Vijf jaar geleden hebben we daarvan niet meer dan heel korte fragmenten uitgezonden. De rest hebben we achter slot en grendel gestoken’, legt Wim De Vilder uit. ‘Dit jaar zoeken we die zeven opnieuw op en bekijken we of alles gelopen is zoals ze verwacht hadden.’

Rudi Vranckx liet zijn licht schijnen over de wereldconflicten en waar hij dacht dat die in vijf jaar naartoe zouden leiden. Monseigneur Léonard heeft het over de Kerk, Goedele Liekens over privacy, relaties en het schoonheidsideaal. Wouter Vandenhaute – die vijf jaar geleden nog geen eigen zender had – spreekt over de media. ‘Voorts spraken we met Alexander De Croo, toen vers voorzitter van Open VLD, nu vice-premier; met Marleen Temmerman, toen nog senator en verloskundige in Gent, die nu naar de Wereldgezondheidsorganisatie is overgestapt, en met advocaat Jef Vermassen, die in de tussentijd nog een aantal grote processen heeft gevolgd.’
‘Beweerde hij in die tijd trouwens niet dat hij de riem wat zou afwerpen?’ meent vader Herman De Vilder zich te herinneren.
‘Klopt’, lacht Wim. ‘Dat is absoluut een constante in het programma: als ik vroeg wat ik hen voor over vijf jaar mocht toewensen, zeiden ze alle zeven: een rustiger leven. En daar hebben ze geen van allemaal iets aan gedaan.’

Het is duidelijk dat Wim De Vilder veel plezier heeft beleefd aan het maken van het programma. ‘Een aantal dingen veranderen op vijf jaar tijd blijkbaar heel weinig, andere zijn juist razendsnel geëvolueerd. En het viel me tijdens de opnames vooral op dat verscheidene personen de tijdgeest vrij goed hebben kunnen vatten.’

Dit jaar interviewde De Vilder opnieuw zeven personen, en opnieuw gaan hun gesprekken vijf jaar lang de kast in, om er pas voor Over vijf jaar, editie 2020, weer uit te komen.

De hoofdbrok van het dubbelinterview ging natuurlijk over heel andere dingen. Ik herneem ook die tekst hieronder.

Wim en Herman De Vilder: ‘Onze karakters lijken op elkaar’

Wim De Vilder kent iedereen als sympathieke en charismatisch presentator van het VRT-journaal. Zijn vader Herman stond jaren in het onderwijs, schreef artikelen, kunstboeken, liedjes, ja zelfs enkele scenario’s voor het legendarische feuilleton Schipper naast Mathilde, en is een van de stuwende krachten achter de promotie van de School van Tervuren en het museum Hof van Melijn. ‘Vroeger was Wim mijn zoon, nu ben ik zijn vader, als je begrijpt wat ik bedoel’, zegt Herman met een kwinkslag.

Uiterlijk lijken vader en zoon niet bijzonder veel op elkaar, vinden ze. Maar ze horen geregeld dat hun karakters wel erg gelijk lopen. ‘We hebben een bepaalde manier van doen met elkaar gemeen’, vindt Herman De Vilder. Wim: ‘We hebben dezelfde interesses en de weinige talenten die we hebben, liggen ook in elkaars verlengde’, lacht hij.
‘Onze verstrooidheid delen we ook. En het altijd bezig zijn.’
Wim beaamt: ‘Mijn vader heeft ongelooflijk veel energie en dat herken ik inderdaad bij mezelf.’ Zo kunnen ze nog een tijd doorgaan. Taal, muziek, theater, schilderkunst, actualiteit, reizen… ‘Vroeger gingen we met het gezin al geregeld op reis’, vertelt Wim De Vilder. ‘Ik herinner me vooral onze reizen naar de historische kunststeden in Italië, of die naar Joegoslavië, lang voor de oorlog in de regio.’
Herman: ‘En de laatste jaren reizen we weer af en toe samen. We zijn bijvoorbeeld naar Istanboel gegaan, en binnenkort trekken we naar Londen. Ik vind dat heel fijn, die jonge mannen die zeggen: Ma, pa, we zijn nog eens weg! Vroeger was ik de organisator, nu heeft Wim het overgenomen.’
‘Ik zoek het liefst wat minder evidente landen en regio’s op’, zegt die, ‘zoals het Midden-Oosten. Nieuwsgierigheid naar wat er rondom je gebeurt, is een noodzakelijke basis voor een journalist. Vaak biedt het immers nieuwe inzichten, het relativeert bepaalde dingen, plaatst iets in een nieuwe context. Een journalist kan niet breed genoeg kijken. Ik ben me er ook van bewust dat bepaalde regio’s vrij eenzijdig in beeld komen, zeker als het gaat om geweld en hongersnood. Ik trek dan graag naar zo’n gebied om voor mezelf dat beeld bij te stellen. Ethiopië is daarvan een goed voorbeeld. De meeste mensen – en zeker wie al wat ouder is – denken bij dat land nog automatisch aan de beelden van de hongersnood in de jaren 80. Vandaag kun je je nog steeds ernstige vragen stellen bij het regime dat er aan de macht is, maar economisch gaat het Ethiopië voor de wind. Grappig genoeg is het ook een heel groen land, vooral de noordkant, dan. De hongersnood is lang vervlogen tijd, maar toch blijft die reputatie hangen.’

Het unieke licht van Tervuren
De De Vilders wonen al enkele generaties in Tervuren. Herman: ‘Mijn grootvader was hovenier. Hij kwam uit Oost-Vlaanderen, maar kreeg de kans om in Tervuren een groot domein van graaf de Grunne aan te leggen. ‘Mijn vader – de grootvader van Wim – was toen 15’, vertelt hij. ‘Hij is nog even naar Oost-Vlaanderen teruggegaan om mijn moeder te gaan vinden, die een vriendin was van zijn zus. Zo is zij uiteindelijk ook in de streek terechtgekomen. En sindsdien zijn de De Vilders Tervurenaren.’ De volgende generatie is dan wel uitgezwermd naar de streek rond Leuven, maar Wim is alleszins niet uit de gemeente weggetrokken omdat hij ze geen warm hart toe draagt. ‘Toen mijn man – op dat moment nog mijn partner, want we waren nog niet getrouwd – en ik een huis wilden kopen, bleek Tervuren gewoon heel erg duur voor ons. Aangezien Stefaan van Leuven afkomstig is en we heel veel vrienden hebben in de buurt, was die stad een logische keuze voor ons. Ik kom wel nog bijna wekelijks bij mijn ouders over de vloer’, zegt hij. ‘Ze wonen zo ongeveer tussen het Zoniënwoud en het park van Tervuren: een prachtige, groene omgeving. Als kind besef je niet wat een voorrecht het is om in zo’n buurt op te groeien, omdat je het vanzelfsprekend vindt. Het is pas achteraf dat je er echt oog voor krijgt. Momenteel is het park van Tervuren mooier en groter dan ooit. Ik ga er dan ook graag af en toe een rondje lopen.’
Herman De Vilder: ‘Auteur Marguerite Yourcenar schreef na een bezoek aan de familie de Ribaucourt ooit dat ze heel goed begreep waarom zoveel schilders in Tervuren willen werken. Ze vond dat het licht er uniek is. Als Tervurenaar zie je het wellicht zelf niet zo goed, maar er moet iets van aan zijn.’ Zelf heeft hij vooralsnog geen plannen om de gemeente te verlaten. ‘Mijn vrouw en ik hebben ons ooit voorgenomen om als we ouder werden ons huis te verkopen en iets compacters te zoeken in Leuven. Het plan was toen om dichter bij theater en musea te zitten, maar we hebben het nooit doorgevoerd. We zitten hier goed: er valt altijd wel iets te beleven. Neem nu de tentoonstelling Stars & strips, die nog tot 17 januari loopt in Galerij KIT: een hele expo rond strips en cartoons over Tervuren.’

‘Niet wat het lijkt’
Het gesprek komt op kunst terecht. In de Leuvense woonkamer van Wim De Vilder hangen een paar opvallende hedendaagse schilderijen. ‘Wims liefde voor kunst is ongetwijfeld bij mij begonnen’, zegt Herman De Vilder, die onder meer geschiedenis, Frans en Nederlands, woordkunst en dramatische kunsten studeerde, een carrière in het theater én bij de radio links liet liggen en het onderwijs in ging. In 1967 zag hij in het Afrikamuseum een uitzonderlijke tentoonstelling over de School van Tervuren. Als liefhebber van het impressionisme was zijn nieuwsgierigheid onmiddellijk geprikkeld: De Vilder dook in een gepassioneerd onderzoek dat bijna 50 jaar later nog altijd aan de gang is. ‘De School van Tervuren is een groep schilders die tussen 1860 en 1900 in onze streek heeft geschilderd. Voor 1967 wisten wij niet dat Tervuren zo’n belangrijke rol had gespeeld in de schilderkunst – die passage was nagenoeg vergeten geraakt.’ Kort nadien beslisten De Vilder, wijlen Maurits Wynants en een handvol anderen tussen pot en pint om de School van Tervuren uit de vergetelheid te halen. ‘De stroming bleek veel belangrijker dan ik voor mogelijk had gehouden’, vertelt hij. ‘Deze schilders hebben als eersten hun ateliers verlaten, de oude, strikte regeltjes overboord gegooid en zijn in de vrije natuur gaan schilderen. Wat zij deden is later geëvolueerd tot het impressionisme, dat vooral in Frankrijk belangrijk is geworden met Monet, Manet, Pissaro, Renoir… In onze contreien is het uitgemond in een ander type impressionisme, namelijk dat van de weersomstandigheden. Bij de Franse impressionisten lijkt het of het altijd schitterend weer was. Hier bij ons niet: een Guillaume Vogels en Lucien Frank schilderen ook het slechte weer. Dat, plus het realisme van de natuur, de kleuren, het licht, de omgeving, maakte hun werk erg bijzonder.’
‘Wie is eigenlijk je favoriete schilder uit de School van Tervuren?’ wil Wim weten. Zijn vader hoeft niet lang na te denken. ‘Dan kies ik toch voor Lucien Frank’, antwoordt hij, ‘Zijn werk is zeker zo sterk als dat van een Emile Claus. Het leunt ook het meest aan bij het impressionisme: hij heeft er zo’n beetje zijn eigen vorm van bedacht.’
Herman De Vilder legt uit hoe hij vroeger zijn twee zonen meesleepte naar musea en tentoonstellingen. ‘Maar ik zei ze ook dat zij, als jonge gasten, niet naar de 19de-eeuwse kunst moesten teruggrijpen. Ik probeerde ze wat meer in de richting van de hedendaagse kunst te schuiven.’
Als Wim De Vilder één favoriete stroming uit de hele kunstgeschiedenis moet pikken, dan noemt hij ogenblikkelijk de Cobrabeweging uit de jaren 50 van de 20ste eeuw. ‘Appel Corneille, Alechinsky… Ik droom er wel van om ooit een werk van een van hen te kunnen kopen. De vrolijkheid die van veel van die werken uitgaat, spreekt me aan. De felle kleuren, de uitbundigheid. Maar als je dan naar de dieperliggende betekenis gaat kijken, is die vaak helemaal niet zo positief. Cobra is niet altijd wat het lijkt.’
‘Vergeet ook Dotremont niet, hè’, voegt Herman toe. ‘Ook een Tervurenaar. We hebben afgelopen zomer op de Grote Markt nog een van zijn logogrammen laten plaatsen: zwart op een witte gevel, recht tegenover zijn geboortehuis. Daarmee zouden we graag nog doorgaan. Stel je voor: een gevel met een mooie tekening van Hippolyte Boulenger, boegbeeld van de School van Tervuren, of iets van Somville, ook iemand die in Tervuren heeft gewoond en gewerkt. We hebben nog een aantal gevels die we ervoor zouden kunnen gebruiken, hoor’, lacht hij, ‘maar zulke projecten zijn een kwestie van centen. En daarvoor beleven we momenteel niet de beste tijd…’

Onderwijsmicrobe
We bomen nog wat door over dingen die vader en zoon gemeen hebben. En vrij snel komen ze bij de onderwijsreflex. Hoewel Wim die carrièreoptie nooit echt heeft overwogen, moet hij toegeven dat het gen hem niet vreemd is. Herman: ‘Ik heb ooit nog Nederlandse expressie gegeven: interviewtechnieken, presentaties, dat soort dingen. En dat zet Wim nu in zekere zin voort.’
‘Klopt’, zegt die. ‘Vooral binnen de VRT geef ik geregeld opleidingen: presentatietrainingen, training van reporters-ter-plaatse, enzovoort. Die onderwijsmicrobe zit er ergens toch echt in. Uiteindelijk mag ik als nieuwsanker de mensen toch ook diets maken wat er die dag in de wereld is gebeurd en er wat context bij geven. Dat gebeurt in het Journaal natuurlijk niet met het belerende vingertje, maar dingen verhelderen ligt toch niet heel ver van onderwijzen vandaan.’ De roep van de media klonk voor Wim De Vilder echter altijd sterker. ‘Vrienden vertelden me dat we vroeger zelfs nieuwsbulletins schreven en inlazen op cassette. Zelf ben ik dat vergeten, maar blijkbaar zat die interesse er toch al vroeg in. Ik ben dan rechten gaan studeren, wel altijd met het idee om er nadien nog communicatiewetenschappen bij te nemen. Toen ik beide studies afgerond had, had ik drie opties: ik kon aan de slag als assistent aan de universiteit van Gent, ik kon naar de balie of ik kon bij de VRT beginnen, waar ik stage had gelopen. Ik koos voor de VRT: niet echt een moeilijke keuze – radio en vooral televisie was waar mijn hart lag.’


Lieve Blancquaert: ‘Je leert de wereld op een heel bijzondere manier kennen’

02/12/2015

Twee jaar werkte fotografe Lieve Blancquaert aan Wedding day, de opvolger van het succesvolle Birth day. Ze reisde de wereld rond op zoek naar verhalen en naar het antwoord op haar ultieme vraag: wat betekent trouwen op al die verschillende plekken?


De televisiereeks van Wedding day loopt momenteel op Eén. Het gelijknamige boek ligt in de handel. Van januari tot maart trekt Lieve Blancquaert bovendien langs verscheidene culturele centra. ‘Daar heb ik de kans om mijn persoonlijke kijk op de reportages te geven’, vertelt ze. ‘In het boek en de tv-reeks blijf ik zoveel mogelijk de neutrale toeschouwer. In een theaterzaal hoeft dat niet. Ik geef vertel wat ik gevoeld heb bij de reportages, en geef er mijn mening over. Tijdens zo’n lezing kun je echt voluit gaan. Ik toon er ook beelden die ik zelf heel belangrijk vind, maar die om de een of andere reden toch niet in de televisiereeks pasten.’

Intriest
Elk verhaal dat ze tijdens de opnames hoorde en elke persoon die ze ontmoette, was op zijn eigen manier bijzonder. Er zijn dan ook veel mensen en dingen die de fotografe nog lang zullen bijblijven. Maar als er eentje uitspringt, dan zal het toch het Nepalese meisje Punam zijn. Ze wist niet precies hoe oud ze was, ze vermoedde ongeveer 15. Ze zou trouwen met een jongen van wie ze evenmin de leeftijd kende. ‘Hij zag er nog jonger uit dan zij’, zegt Lieve Blancquaert. ‘Punam wou echt niet trouwen. Ze voelde zich er niet klaar voor, maar ze had geen keuze. Haar ouders waren gestorven en in het huis van haar tante was geen plaats meer voor haar. Het was echt een intriest verhaal.’ De twee jonge mensen hadden elkaar nooit eerder ontmoet. Punam had enkel een fotootje van haar aanstaande echtgenoot. ‘Dat moet je je even inbeelden: je gaat trouwen met iemand van wie je nauwelijks weet hoe hij eruitziet, laat staan hoe hij spreekt en denkt. Het is een akelige gedachte, die voor ontzettend veel mensen realiteit is.’
De Nepalese kindhuwelijken waren voor Lieve een frappant fenomeen om bij te wonen. ‘Ik merkte dat die jongeren vaak totaal niet beseften wat hen te wachten stond. De meisjes wisten bijvoorbeeld niet hoe ze zwanger zouden worden.’ Als westerse, vrijgevochten vrouw kom je boordevol vooroordelen in zo’n situatie terecht, legt Blancquaert uit. Maar snel moest ze vaststellen dat je het niet redt met een opgeheven vinger. ‘Het zit zoveel complexer in elkaar dan je vermoedt’, zegt ze. ‘Die mensen zitten vast in hun tradities, in hun onwetendheid ook. Er heerst in de regio enorm veel analfabetisme en armoede. Je kunt dat allemaal niet oplossen in een vingerknip. Ik voelde me er totaal machteloos bij.’

Pure essentie
Lieve Blancquaert vertelt ook over Zaatari, een bomvol vluchtelingenkamp in Jordanië, op de grens met Syrië. Gemiddeld vinden er twee huwelijken per dag plaats. ‘In zo’n kamp staat de reden om te trouwen erg scherpgesteld. De mensen hebben er niets meer. Ze zijn hun thuis, hun geschiedenis, hun toekomst, soms hun hele familie kwijt. Elk mens geeft een reden nodig om te blijven bestaan en trouwen en kinderen krijgen is dan ook vaak de enige manier om te kunnen doorgaan met het leven. Dat heeft me erg ontroerd. Het huwelijk werd in Zaatari tot zijn pure essentie herleid. Voor veel mensen, vooral meisjes, betekende het ook echt overleven en veilig zijn. Er is niets gevaarlijkers dan als meisje in je eentje in zo’n vluchtelingenstroom onderweg te zijn: je wordt erg kwetsbaar voor mensenhandel en dergelijke. Het huwelijk wordt zo al snel de veiligste optie.’

Microscoop op een cultuur
Zomin als Birth day een project over bevallingen en blozende baby’s was, is Wedding day er eentje over trouwfeesten en witte jurken. ‘Ik gebruik die bepalende momenten in een leven om een andere cultuur in te stappen, er een microscoop op te leggen en te ontdekken wat er allemaal leeft. Om dat te doen, kijk je natuurlijk veel breder dan alleen dat ene koppel. De trouwers weten nog niet wat de toekomst zal brengen en daarom waren ze dikwijls niet de hoofdpersonen in mijn verhalen. Het kon de oma van de bruidegom zijn, de matchmaker, de wedding planner … Een goed verhaal kun je op de meest onverwachte plaatsen vinden. Ik ging bijvoorbeeld ook altijd op zoek naar personen die al 30, 40 of 50 jaar samen waren. Zo sprak ik in India met een superrijke oude man die vertelde dat hij al twee jaar met zijn vrouw getrouwd was toen hij verliefd op haar werd. En nu is de liefde er nog altijd, zei hij. Je valt telkens weer in nieuwe verhalen en zo leer je de wereld op een heel bijzondere manier kennen.’

Dit artikel verscheen eerder in RandKrant, december 2015.


Klankman Pascal Braeckman: ‘Alles wat je filmt, maak je mee’

30/09/2015

Klankmannen werken gewoonlijk in de luwte van een televisieprogramma: buiten beeld, anoniem en onbekend. Sinds Pascal Braeckman voor het programma Tomtesterom in zee ging met Tom Waes, is daar verandering in gekomen. ‘Goh ja’, zegt hij. ‘Het is soms vervelend als mensen me aanklampen terwijl ik aan het werk ben. Aan de andere kant is het een teken dat mensen het leuk vinden wat je doet. En daar maak je tenslotte televisie voor.’

Pascal Braeckman (c) Filip Claessens

Sumoworstelaars en cowboys
Zijn leraren in het middelbaar onderwijs stuurden erop aan dat hij ingenieur zou worden, maar zo’n toekomst zag Pascal Braeckman niet zitten. ‘Dat interesseerde me geen zak. Ik wou naar de filmschool.’ Hij trok naar het Brusselse Rits, maar de finesses van de job leerde hij toch al doende, zegt hij. ‘Nu zijn die opleidingen erg veranderd, maar in die tijd stonden ze zo ver nog niet. Je had al eens een camera vastgehouden, maar veel meer hield het niet in. Het belangrijkste wat ik aan mijn studie heb overgehouden, zijn de contacten die ik er gelegd heb. Die hebben me later geholpen toen ik met klank voor televisie begon.’ Zijn eerste opdracht als klankman pur sang was een reclamefilmpje over schokdempers, in regie van Stijn Coninx. ‘Mijn tweede was een reportage over Tram 12 in Hoboken. We hebben toen van 4 uur ’s morgens tot 1 uur ’s nachts op diezelfde tram gezeten om verhalen te verzamelen. Dat was boeiend. Zoiets doe je anders nooit.’ Sindsdien heeft Pascal Braeckman wel meer dingen op zijn palmares die een doorsnee sterveling nooit doet. Zo logeerde hij dankzij het programma Goed volk van Jeroen Meus twee weken bij een groep Japanse sumoworstelaars in Tokio en bij onvervalste 21ste-eeuwse cowboys in Texas. ‘Al wat je filmt, maak je mee. Dat is het unieke aan de job: ik heb al ontzettend veel gezien. Onlangs vulde ik op Facebook alle landen in waar ik al ooit geweest was. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar het waren er 116. Dat is veel, hè… En binnenkort ga ik met Koen Wauters naar Cambodja voor zijn nieuwe programma Project K. Weer een nieuw land. Ja’, zegt hij, ‘programma’s zoals ik ze heb gemaakt met Tom Waes, Koen Wauters en Jeroen Meus zijn fantastisch om te doen. Je slaapt soms in erbarmelijke omstandigheden, hoor. Zoals met die reeks van Jeroen Meus over de patat: toen sliepen we met onze ploeg van zes man in openlucht achter een muurtje. Het was vreselijk koud, maar we kropen kort bij elkaar en dan ging het wel. Je bent in zo’n kleine ploeg op elkaar aangewezen en je moet er samen door. Dat maakt het tof: achteraf onthoud je alleen de goeie dingen.’

Klankman in de koffer
Zijn rol in de schijnwerpers kreeg Pascal Braeckman eigenlijk per toeval. ‘We zaten met de ploeg van Tomtesterom te brainstormen over hoe we het programma zouden aanpakken’, vertelt hij. ‘En de allereerste opdracht die Tom moest uitvoeren, was overleven in een bos. Hij merkte terecht op dat je niet echt in je eentje bent als je een cameraploeg meezeult. Vandaar dat hij ons bij het programma heeft betrokken: zo klopte het beter – we waren er samen, dus de kijker mocht dat zien.’ Toch zal Braeckman misschien nog het meest de geschiedenis in gaan als de-klankman-in-de-koffer. Iedereen kent het fragment: om uit beeld te blijven tijdens auto-opnames voor Wauters vs. Waes was hij in de kofferbak geklommen. Uitgerekend dan hield een Oostenrijkse politiepatrouille de televisiemakers tegen. ‘Guten Morgen, wie spät ist es?’ vroeg Braeckman toen hij uit de koffer klom. Het fragment werd een gigahit op Facebook. ‘Toen was het helemaal niet gepland dat ik in beeld zou komen, maar die beelden waren te mooi om te laten liggen’, zegt hij. ‘Zo uitzonderlijk is het niet, hoor, dat een klankman de koffer in moet. Voor beelden van autoscènes plaatsen ze kleine cameraatjes op het dashboard, maar het geluid kun je moeilijk automatisch regelen. Rijden ze over kasseien, bijvoorbeeld, dan versta je niets meer van wat ze zeggen en dan heb je een klankman nodig die ingrijpt. Voor de opnames van Crimi Clowns heb ik hele dagen in de koffer gelegen. Het hoort er gewoon bij.’

Lees het volledige artikel op pagina’s 10-11 van RandKrant, oktober 2015.