Actrice-theatermaakster Lies Pauwels: “Ik pomp mijn bloed in al wat ik doe”

“Het is een lastige periode voor me”, vertelt theatermaakster Lies Pauwels. Ze was twee weken aan het repeteren aan haar nieuwe monoloog Melle toen ze te horen kreeg dat de muziektheatervoorstelling geen projectsubsidie kreeg. Aan artistieke visie en expertise nochtans geen gebrek: Pauwels zou spelen, Josse De Pauw had de tekst klaar, Ad Cominotto fungeerde als muzikale coach. Maar nee: het project werd afgeketst op een net niet ‘heel goed’ zakelijk dossier. Een bittere pil, zeker omdat er al een speelreeks van 18 voorstellingen vastlag. Maar zonder geld kun je geen professioneel theater maken, dus heeft ze noodgedwongen heel de tournee geannuleerd. “Ik ben een vechter en blijf vechten, maar het is wel allemaal erg vermoeiend en echt niet fair.”

“We geven Melle niet zomaar op, hoor. In het najaar van 2017 willen we er opnieuw voor gaan. We maken werk van een nieuw en sterker dossier: we hebben nu het voordeel dat we de tijd hebben om onze ideeën nog beter te onderzoeken en dus het concept nog steviger te maken. Intussen zet ik alles op alles om een totaal nieuwe productie uit de grond te stampen. Die zou dan op Theater aan zee 2017 in première gaan.
Het zijn in het algemeen moeilijke tijden voor de theatersector. Financieel ben ik momenteel absoluut slechter af dan toen ik pas begon. Als acteur werk je tegenwoordig met dagcontracten, waardoor er veel meer gaten vallen in je werkschema. Vroeger werkte je meestal in blokken van verscheidene weken tot maanden: van de eerste repetitiedag tot de laatste dag van de speelreeks was je in dienst bij een gezelschap en werd je betaald. Dat is verleden tijd, waardoor je als acteur of theatermaker sowieso meer moet cumuleren. Vlak voor Kerstmis, bijvoorbeeld, was ik tegelijk met mijn voorstellingen White Lies en Hamiltoncomplex aan het touren, een filmscenario aan het schrijven, Melle aan het voorbereiden én les aan het geven. Dan verzuip je even.”

actrice, regisseur en scenarioschrijfster Lies Pauwels

actrice, regisseur en scenarioschrijfster Lies Pauwels

Je jongerenvoorstelling Hamiltoncomplex doet het in elk geval heel goed. Ze is positief onthaald door pers en publiek en ze wordt binnenkort hernomen.

“In maart staan we op het Lift Festival in Londen en daarna spelen we nog op verscheidene plekken in binnen- en buitenland. Ik ben heel gelukkig dat de voorstelling weer wordt opgepikt, want ze ligt me heel na aan het hart.”

Waarom heb je voor een carrière in het theater gekozen?

“Ik ben er van thuis uit een beetje in gerold. Mijn vader (Dirk Pauwels, IM) maakte samen met onder anderen Josse De Pauw deel uit van Radeis en heeft later Victoria, het huidige Campo, geleid. Zelf speelde ik al bij het Speeltheater van Eva Bal. Een richting als kunstgeschiedenis zag ik ook best zitten, maar het voelde op dat ogenblik logisch en organisch om naar de toneelschool te gaan. Ik denk trouwens nog altijd dat het de beste keuze is geweest: de podiumkunsten blijken voor mij de juiste context om wat in me zit naar buiten te brengen en gestalte te geven.”

Had je toen ook al een vastomlijnd idee van wat je precies wilde doen in het theater?

“Nee. Dat heb ik uitgevist bij eliminatie. In het begin heb ik veel uitgeprobeerd en gaandeweg begreep ik beter wat me wel en niet lag of wat ik al dan niet belangrijk vond. Ik leg mijn persoonlijkheid heel erg in wat ik doe – ik pomp er mijn bloed in. Dat kun je alleen als je echt volledig achter een project staat. Als ik nu een voorstel krijg waarvan ik weet dat het niets voor mij is, dan zal ik niet toehappen. Zulke dingen leer je maar gaandeweg.”

Was het moeilijk om je als starter een weg te banen in de theaterwereld?

“Dat ging behoorlijk vlot. Ik heb het geluk gehad dat ik heel snel door een aantal mensen ben opgepikt. Meteen nadat ik was afgestudeerd, kreeg ik een rol in de tv-serie Moeder, waarom leven wij?, waar ik al meteen met veel verschillende mensen heb kunnen samenwerken. Vervolgens ben ik onder meer bij De Vereniging van Enthousiasten en Erik De Volder terechtgekomen. Ik heb ook meegespeeld in de trilogie Moeder en kind, Bernadetje en Allemaal indiaan van Arne Sierens en Alain Platel, onder de vleugels van Victoria. Die beginperiode is bepalend geweest voor de weg die ik als kunstenaar ingeslagen ben.”

Kon je er dan ook meteen van leven?

“Ja. Maar goed, in periodes zonder contracten, krijg ik een uitkering. Als je die meerekent, dan heb ik er inderdaad altijd van kunnen leven. Rijk ben ik niet, verre van. En ik weet dat ik veel meer geld zou kunnen verdienen als ik het iets slimmer aan boord legde, maar ik heb daar het hoofd niet voor en ik wil met dat soort zaken ook zo weinig mogelijk bezig zijn.
Anderzijds vind ik het wél vervelend dat je sommige maanden al haast moet gaan schooien om een deftig maandloon bij elkaar te krijgen. In die zin ben ik blij dat het RITS, waar ik lesgeef, overweegt om me binnenkort voor enkele uren vast te benoemen. Dan valt mijn uitkering volledig weg, maar is er wel elke maand een klein vast bedrag waarop ik kan rekenen. Dat zou een en ander vereenvoudigen.”

Je zegt dat je niet graag bezig bent met financiële zaken. Ben je voor zakelijk advies al eens bij het Kunstenloket geweest?

“Toen ik mijn vzw Sontag heb opgericht, ben ik daarvoor bij Kunstenloket te rade gegaan. Hoewel ik moet toegeven dat Kelly De Cock, mijn zakelijke partner, dat voornamelijk voor mij heeft gedaan: hoe richt je een vzw op, hoe vraag je projectsubsidie aan… Ik liet het allemaal graag aan Kelly over, want dat soort materie gaat er bij mij heel moeilijk in. Het is als met een computer: ik werk ermee, maar ik hoef echt niet te weten hoe het allemaal in elkaar zit. In elk geval hebben we in die periode veel aan het advies van Kunstenloket gehad.”

Hoe ervaar je de balans tussen werk en privéleven?

“Er bestaat bij mij geen duidelijke scheiding tussen beide. Zo heb ik het ook het liefst, want mijn beroep is mijn manier van leven: ik ben thuis ook actrice en theatermaker. Niet dat ik mijn man en kinderen zit te regisseren of zo (lacht), maar het is niet iets wat je zomaar afzet. Als ik met een productie bezig ben, zit ik daar in mijn privétijd ook over na te denken. En als ik in het buitenland werk, neem ik mijn dochters zoveel mogelijk mee. In Melle zullen ze trouwens samen met mij op de scène staan. Ik denk dat ik best zou gedijen in zo’n echt circusgezin dat constant alles samen doet – maar dat is romantiek, zeker?
Puur praktisch gezien, is het constant puzzelen. Mijn man is freelancefotograaf bij De Standaard, dus hij heeft evenmin regelmatige uren. Het is niet altijd eenvoudig, maar met wat hulp van de familie lukt het wel. We proberen er ook zoveel mogelijk te zijn voor de kinderen. Dat is dan weer het voordeel van de job: je hebt periodes waarin je veel weg bent, maar daar staan periodes tegenover waarin je bijna constant thuis bent. Mijn eigen ouders waren veel afwezig en dat heeft mijn persoonlijkheid voor een stuk gevormd: het heeft me sterk gemaakt, maar het heeft zeker ook sporen nagelaten. Daarom proberen we er altijd voor te zorgen dat minstens een van ons thuis is om de meisjes in bed te stoppen.”

www.sontag.be

Lees deze Kanttekening bij Kunstenloket.

Advertenties

Inne Eysermans: “Ik doe nog altijd hetzelfde als toen ik klein was”

“Toch bizar”, bedenkt Inne Eysermans, “hoe je pad zich al begint te vormen als je nog een kind bent. Zodra ik twee akkoorden kende, probeerde ik er liedjes mee te maken. Het sprak vanzelf dat ik iets met muziek of geluid zou gaan doen, want ik was haast met niets anders bezig. Voetballen was mijn enige andere hobby.” De frontvrouw en songschrijfster van Amatorski werkt aan een nieuwe plaat die in de loop van 2016 moet verschijnen. Daarnaast vormt ze duo’s met auteur Saskia De Coster en radiomaakster Katharina Smets. “Zulke nevenprojecten maken je klankenwereld groter. Ik onderzoek graag hoe je muziek en klank in verschillende disciplines kunt inpassen.”

“Ik was een jaar of acht toen ik mijn eerste nummer schreef, met die twee akkoorden die ik op dat moment al kende. Vanaf toen ben ik muziek blijven maken. Met dictafoontjes en minidiscs speelde ik bandje: ik nam gitaar op, daarna drum en zang. Het kon bijna niet anders dan die kant op gaan. Ik doe nu eigenlijk nog altijd hetzelfde als toen ik klein was.”

Inne EysermansWist je even snel welke studierichting je zou kiezen?

“Dat werd pas duidelijk toen ik 18 was. Ik overwoog om Beeld, geluid, montage te gaan studeren aan het RITS, maar toen ontdekte ik de richting Muziekproductie aan het conservatorium van Gent. Daar is Amatorski ook ontstaan. De groep en mijn opleiding liepen erg door elkaar: wat ik voor Amatorski maakte, kon ik bijvoorbeeld indienen als proef aan het conservatorium. Ik mocht ook de ruimtes en de materialen van de school gebruiken voor repetities en opnames, dus het was de ideale richting voor mij.”

Kon je nadien snel van de muziek leven?

“Ja. De eerste EP van Amatorski is verschenen in 2010, toen ik in mijn tweede bachelorjaar zat. Een jaar later is ons debuutalbum TBC uitgekomen. Toen ik afgestudeerd was, heb ik onmiddellijk geprobeerd om het artiestenstatuut te behalen en dat is tamelijk vlot gegaan. Naar mijn gevoel was er niet zo’n groot verschil tussen mijn studie en de tijd erna: we speelden in die periode vrij veel, alleen deed ik het nu met een diploma op zak. Ik besef heel goed dat mijn wereld er heel anders had uitgezien als ik niet zo’n nummer als Come Home had geschreven. Het heeft ons de kans gegeven om in het buitenland te gaan spelen, te investeren in nieuw materiaal en op die manier almaar bezig te blijven en te groeien.”

Wat vind je zelf het interessantst aan wat je doet?

“Ik leer veel bij en dat stopt nooit. Ik kan geluid in een grotere context leren kennen dan wanneer ik puur en alleen songs zou schrijven. Met het oog daarop stel ik me ook open voor heel veel verschillende invloeden. Ik luister naar hedendaagse klassieke muziek, maar evengoed naar pop – ik ben niet vies van andere genres. Dat helpt je om een beter idee te vormen van waar je zelf voor staat en waar je naartoe wil. Zo kun je veel beter aan jezelf verantwoorden wat voor muziek je voor een bepaalde film maakt, of wat voor songs op je volgende plaat zullen komen. Het zorgt ervoor dat wat je doet, op onderbouwde ideeën stut en het niet ‘zomaar iets’ is. Dat maakt muziek belangrijk en boeiend.”

Lees de volledige Kanttekening bij Kunstenloket.

‘The Lover’ van Bára Sigfúsdóttir: oprecht en passioneel, destructief en verstikkend

Een eenzame figuur doolt door een verlaten landschap. Haar lichaam is kwetsbaar, haar overlevingsinstinct sterk. Ze wil samensmelten met de voortdurend transformerende omgeving en wringt zich daarvoor in allerlei bochten. De poëtische dansvoorstelling The Lover van de IJslandse Bára Sigfúsdóttir neemt de complexe relatie tussen mens en natuur onder de loep.

De mens houdt van de natuur, maar heel gezond is de relatie niet. Hoewel passioneel en oprecht, is de liefde ook destructief en verstikkend. Ze bestaat nu, maar wat zal er op de lange termijn mee gebeuren? ‘De mens heeft een kortetermijnrelatie met de natuur’, legt Bára Sigfúsdóttir uit. ‘We putten er plezier uit, we doen er allerlei mee, maar in ons enthousiasme putten we alle grondstoffen uit en brengen we onomkeerbare schade toe. Ik vertel het publiek in mijn voorstelling niet wat het daar allemaal van moet vinden: ik stel liever vragen die de toeschouwer aanzetten tot denken.’

Transformatie
De danseres speelde al langer met het idee om een choreografie te maken over de natuur. Maar pas toen ze de fotoserie Les amants van de Franse kunstenares Noémie Goudal zag, viel de puzzel op zijn plaats. Ze koos de serie als inspiratiebron en vroeg de fotografe om de scenografie van de voorstelling te verzorgen. In samenwerking met Jeroen Verrecht van het bureau 88888 kwam een indrukwekkend, constant transformerend decor tot stand. ‘Die transformatie was belangrijk’, vindt Bára Sigfúsdóttir. ‘Want ook in de natuur is alles continu in beweging, niets is statisch, niets staat ooit compleet stil.’ Meer details mogen we niet prijsgeven: ‘De reactie van het publiek op de veranderingen moet echt zijn. Het zou jammer zijn als het vooraf al wist wat er zal gebeuren’, glimlacht ze.

Improvisatie
In dat veranderlijke decor danst Bára Sigfúsdóttir solo. Ze werkte de choreografie uit op basis van improvisaties. ‘Als ik aan een choreografie begin, bijt ik me vast in het thema’, vertelt ze. ‘Ik lees erover, kijk naar films… Op een gegeven moment stap ik de dansstudio in met al die informatie in mijn achterhoofd. Ik zet passende muziek op, en ik kijk wat mijn lichaam ermee kan aanvangen.’ Die improvisatiesessies neemt ze op op video en ze laat de beelden een aantal dagen liggen voor ze ernaar kijkt. ‘Dan probeer ik er objectief naar te kijken, alsof ik niet mezelf, maar naar een onbekende danser bezig zie’, zegt ze. ‘Ik pik eruit wat bruikbaar is en bouw daarop voort. Op de duur ontstaat een scène. Verschillende scènes boetseer ik samen tot een voorstelling.’
Voor The Lover heeft ze vooral gewerkt met bewegingen van geïsoleerde lichaamsdelen. ‘Kleine, gedetailleerde bewegingen’, zegt ze. Want die passen voor haar perfect bij het uitgangspunt. ‘Als je in de natuur gaat wandelen, hoor je het geluid van je voetstappen op de grond. In de stad gebeurt dat zelden – zelfs als je hoge hakken draagt, gaat het geluid op in de omgevingsruis. In de natuur – met al die ruimte rondom je – is alles heel erg aanwezig. De zon kust je gezicht, de wind waait door je haar. Kleine dingen vragen aandacht en openen de zintuigen. Ik heb onderzocht hoe ik dat kon overbrengen in dans.’

Borko
Ook de muziek krijgt een aanzienlijke rol in The Lover. ‘Ik heb ervoor samengewerkt met de IJslandse muzikant Borko’, vertelt Bára Sigfúsdóttir. ‘Hij gebruikt vaak natuurlijke geluiden en zet die om in iets anders: het geluid van een waterval manipuleert hij bijvoorbeeld zo, dat het op de duur industrieel gaat klinken. Borko laat elektronische muziek, klassieke instrumenten en natuurlijk geluid samengaan. Wat hij voor The Lover heeft gemaakt, klikte onmiddellijk met de rest van de voorstelling. En zo komt het dat er momenten zijn waarop de dans centraal staat, maar evengoed krijgen nu eens de scenografie en dan weer de muziek de overhand. We hebben een evenwicht gezocht tussen al die elementen.’

Brussel, centrum van de dans
Bára Sigfúsdóttir studeerde dans in IJsland, Nederland en aan P.A.R.T.S., de dansschool van Anne Teresa De Keersmaeker. Nadien bleef ze in Brussel wonen. ‘België is wereldberoemd om zijn hedendaagse dans’, vertelt ze. ‘En de dansscène is hier ook ontzettend rijk. Het voelde dus heel natuurlijk om te blijven, me te laten inspireren door al die dansers en choreografen die hier werken en optreden, en mijn eigen werk ook van hieruit vorm te geven. Als je iets wil doen met hedendaagse dans, is Brussel de plek waar je zijn moet.’

Dit artikel verscheen in RandKrant, maart 2016.

www.barasigfusdottir.com

Peter De Graef: ‘De beste voedingsbodem voor humor is ernst’

Twee mensen wachten op een bus. Een man en een vrouw. Ze kennen elkaar niet. Ze zitten, ze wachten, ze zijn. Onze Koen is een stuk over liefde en kinderen krijgen, over proberen, ploeteren en geen idee hebben van hoe het allemaal moet. Peter De Graef schrijft en regisseert. Tania Van der Sanden en Lucas Van den Eynde spelen. In een voorstelling met die drie namen op de affiche ligt humor onherroepelijk op de loer.

‘Natuurlijk wordt het een grappig stuk’, zegt Peter De Graef. ‘Ik heb het geschreven, dus het kan moeilijk anders. Een loodzwaar, ernstig stuk schrijven, lukt mij niet.’ Dat wil nog niet zeggen dat de voorstelling geen doodernstige basis heeft. ‘De personages zijn twee volstrekt kapotte mensen’, legt hij uit. ‘Ze zitten helemaal vast, zijn gefrustreerd, weten niet hoe ze met zichzelf of anderen moeten omgaan. Ze slagen er aanvankelijk maar net in om niet te sterven, zeg maar.’ De personages zijn rasechte zielenpieten, en laat zielenpieten op het toneel zetten nu net het handelsmerk van Peter De Graef zijn. ‘Zulke personages zijn interessant, omdat ze reden hebben om alles op te geven. Desondanks proberen ze door of met elkaar weer recht te krabbelen.’ Uitgerekend die twee mensen ontmoeten elkaar, daar aan de bushalte. En dan komt er liefde in het spel. Veel meer wil de auteur over zijn verhaal niet kwijt: ‘Het zou het stuk voor het publiek verknoeien’, vindt hij. ‘Maar verwacht een bizar verhaal in een verre van realistische context. Ik wil nu eenmaal geen documentaire maken, ik maak drama. Het gaat me vooral om het gevoel dat mijn verhaal naar boven werkt.’

Wonderlijke werkelijkheden
Van der Sanden en Van den Eynde staan verloren in een opvallend leeg decor. Peter De Graef: ‘Er is niets dan hun woorden. Enkel met tekst en spel zetten ze de verbeelding aan het werk en toveren ze allerlei wonderlijke werkelijkheden te voorschijn. Dat is het theater waar ik van hou.’ Het voortdurende, zuigende niets waar we als mensen allemaal inzitten en waar we zo moeilijk mee om kunnen, wordt op die manier hun tegenspeler. ‘De beste voedingsbodem voor hilarische humor is en blijft de ernst. Mijn stukken zitten altijd op het scherp van de snee tussen die twee: ja, de basis is ernstig – zó ernstig zelfs dat je je afvraagt of je er wel om mag lachen. Mensen springen van bruggen om dit soort materiaal. Maar tegelijk is het zo herkenbaar en absurd dat je er wel om móét lachen. Noem het de bevrijdende lach van het inzicht – die ken ik ook heel goed uit mijn privéleven. Je kunt iets heel serieus nemen, maar plotseling besef je dat je gedachten zijn vastgelopen in een contextje. Zodra je je daar bewust van wordt, schiet je er bovenuit: je wordt als het ware boven het leven uitgeknepen, en je slaagt erin om het grotere plaatje te zien. Daarop volgt de bevrijdende, geruststellende lach: Godzijdank! Mijn zorgen zijn niet absoluut! Ze bestaan alleen maar omdat ik ze veel te veel gewicht toeken! Dat is een verhaal dat ik eindeloos wil vertellen.’

Dit artikel verscheen ook in RandKrant, februari 2016.

Interieurarchitect en designer Danny Venlet: “Ik bekijk de dingen graag een beetje anders”

Een nieuwe Kanttekening!

Danny Venlet richt commerciële en residentiële woningen in, hij heeft objecten ontworpen die wereldwijd bekend zijn, als docent geeft hij zijn kennis door aan opkomend talent én hij is artistiek directeur van MAD, het Brusselse mode- en designcentrum. “Ik vind de wisselwerking interessant: het ene project geeft inspiratie voor het andere.”

Portrait Danny Venlet - Photo Credit Jurgen Rogiers“Als achttienjarige wist ik niet goed wat ik wou doen. Ik heb dus wat gesukkeld om de juiste studiekeuze te maken. Ik was begaan met de natuur en de mens, dus schreef ik me in om geneeskunde te studeren. Het werd snel duidelijk dat ik me daarin totaal vergist had. Ik wilde wel met of voor mensen werken, maar niet per se met zieken. Die gedachte leidde me naar interieur en design: de inrichting van een woning kan tenslotte bijdragen tot de gezondheid. Het juiste licht of een gezonde atmosfeer heeft invloed op de gemoedstoestand en je gemoedstoestand heeft op zijn beurt grote invloed op je lichaam.”

Hoe groot was de stap van de schoolbanken naar de praktijk?

“Ik ben opgegroeid in Australië, heb in België gestudeerd en ben aanvankelijk terug naar Australië getrokken. Daar heb ik een moeilijke start gehad. Ik ging aan de slag als maquettebouwer en dat ging me goed af: ik was erg minutieus. Uiteindelijk werd ik hoofdmaquettebouwer in een groot bedrijf in Sydney, maar heel die tijd ben ik blijven solliciteren als interieurarchitect. Ik ben uiteindelijk bij twee verschillende bureaus in dienst geweest en heb dan een eigen bedrijf opgericht, samen met twee andere designers: Marc Newson en Tina Engelen. We hadden onmiddellijk veel werk, maar de ego’s botsten te erg. Samenwerken is altijd een goed idee en het wordt ook alsmaar belangrijker, maar je doet het beter met mensen die andere dingen kunnen dan jij. Als alle partners dezelfde competenties hebben, lopen de discussies te snel op. Ergens is het jammer dat we die problemen toen niet kunnen omzeilen hebben, want we hadden behoorlijk wat potentieel met zijn drieën. De designobjecten die Marc Newson in die tijd gemaakt heeft, behoren vandaag bij de duurste ter wereld.”

GoggleDesk for Babini © Danny VenletToen jullie de samenwerking stopzetten, heb jij je eigen bureau opgericht. Hoe vlot liep dat?

“Het was redelijk rendabel vanaf het begin, tot er een economische crisis uitbrak in 1992. Opeens kregen al mijn klanten het moeilijk en wist ik zelf ook even niet hoe ik het moest redden. Ik had op dat moment – behalve een auto – nog geen noemenswaardige eigendommen en ondervond dat je zonder vastgoed ook nergens een lening kunt krijgen. Dat heb ik toen in orde gemaakt: ik heb een huis gekocht, zodat ik iets had om op terug te vallen als er ooit nog eens zoiets zou voorvallen. Ook nu weer maken we een economische crisis door en deze duurt veel langer dan die van het begin van de jaren 90. Voor geen enkele ondernemer zijn dat eenvoudige tijden: klanten doen moeilijker, zijn wantrouwiger, betalen minder vlot. En dan helpt het natuurlijk niet als jijzelf intussen wel al je btw moet betalen, bijvoorbeeld.”

Wat voor advies zou je beginnende ontwerpers geven?

“Ik zou zeggen: wees voorzichtig. Ga niet te snel voor groot en werk eerder samen met anderen dan ze in dienst te nemen. Maar blijf vooral ook altijd je enthousiasme behouden, en hou vol. Soms gaat het met vallen en opstaan, maar je moet blijven doorgaan: veel dingen maken, tentoonstellen, bezig blijven en in de kijker komen. Dat lukt niet met maar één object.”

Je geeft les aan het KASK in Gent en CAD in Brussel. Vind je dat de opleidingen voldoende zijn afgestemd op de praktijk?

“De praktijk leer je in de praktijk. Een student moet prikkels krijgen die zijn ontwikkeling als designer vooruithelpen. Ik geef wel altijd het advies om naar de industrie te stappen om objecten te laten maken: doe het niet alleen, maar samen met deskundigen in de materie. Zo leer je ook hoe een bedrijf werkt. Voor een vormgever is het concept toch altijd het belangrijkst. Als je onze studenten vergelijkt met die van productwikkeling, dan hebben ze daar meer vakkennis, dat klopt. Maar als je te veel hamert op vakkennis, dan loop je het risico dat je het concept al afbreekt voor het op punt staat, gewoon omdat je ervan uitgaat dat het niet gemaakt kan worden. En dan is er weinig ruimte voor innovatie. Zelf werk ik ook zo: ik ga uit van een concept en dan pas zien we – samen met de fabrikant en met oog voor zijn specifieke know-how – hoe het gemaakt kan worden. Gewoonlijk vind je een oplossing, hoor. Voor een stoel als de Easy Rider, waarvan de poten niet onder de zitting staan, maar onder het tablet, hebben we ook even een ingenieur geraadpleegd om de stabiliteit te kunnen verzekeren. Idem voor mijn buitendouche die water van beneden naar boven spuit in plaats van omgekeerd.
Als ontwerper bekijk ik de dingen graag een beetje anders. Je moet je publiek emotioneel weten te pakken – dat is iets waar ik heel hard op doordruk in mijn eigen ontwerpen.”

EasyRider for Bulo © Danny VenletJe hebt een aantal objecten op je naam staan die haast iedereen wel kent, zoals de Easy Rider…

“Ja, er zijn er zo wel een aantal. Tot ik ze allemaal samenbracht in een boek beseften veel mensen niet dat die allemaal van mij waren. Dat komt ook door slechte communicatie van mijn kant, hoor. Ik vind dat objecten voor zichzelf moeten spreken, maar zo werkt het niet meer. Zelfs bij Ikea plakken ze tegenwoordig gezichten op hun ontwerpen. Ik probeer mijn belangrijkste verwezenlijkingen nu wel wat meer in de verf te zetten op Facebook en zo. Maar rechtstreeks tegen mensen pak ik niet graag uit met wat ik doe. Dat betekent niet dat ik er niet trots op ben – het ligt gewoon meer in mijn karakter om wat op de achtergrond te blijven. Ik heb vroeger altijd geleerd dat opscheppen een slechte eigenschap is (lacht).”

www.venlet.net

Lees het volledige artikel bij Kunstenloket.

‘Over vijf jaar’: Wim De Vilder vat de tijd

Vanavond zendt de VRT de tweede aflevering van het nieuwe programma van Wim De Vilder uit. In de drie afleveringen van Over vijf jaar probeert de journalist de tijdgeest te vatten. Wat typeert onze dagen? Wie had de gebeurtenissen en thema’s zien aankomen? Hoe hard is de wereld de afgelopen vijf jaar veranderd en wat is hetzelfde gebleven?

Enkele maanden geleden interviewde ik Wim De Vilder en zijn vader Herman voor een uitgebreid artikel in RandKrant (verschenen in november 2015). We hadden het toen ook kort over het programma:

In 2010 heeft Wim De Vilder zeven vooraanstaande Vlamingen uitgebreid geïnterviewd. De hoofdvragen? ‘Hoe denk je dat je eigen leven, je omgeving en dat waarmee je bezig bent, er in 2015 uit zal zien? Hoe zal de wereld evolueren?’
‘Vijf jaar geleden hebben we daarvan niet meer dan heel korte fragmenten uitgezonden. De rest hebben we achter slot en grendel gestoken’, legt Wim De Vilder uit. ‘Dit jaar zoeken we die zeven opnieuw op en bekijken we of alles gelopen is zoals ze verwacht hadden.’

Rudi Vranckx liet zijn licht schijnen over de wereldconflicten en waar hij dacht dat die in vijf jaar naartoe zouden leiden. Monseigneur Léonard heeft het over de Kerk, Goedele Liekens over privacy, relaties en het schoonheidsideaal. Wouter Vandenhaute – die vijf jaar geleden nog geen eigen zender had – spreekt over de media. ‘Voorts spraken we met Alexander De Croo, toen vers voorzitter van Open VLD, nu vice-premier; met Marleen Temmerman, toen nog senator en verloskundige in Gent, die nu naar de Wereldgezondheidsorganisatie is overgestapt, en met advocaat Jef Vermassen, die in de tussentijd nog een aantal grote processen heeft gevolgd.’
‘Beweerde hij in die tijd trouwens niet dat hij de riem wat zou afwerpen?’ meent vader Herman De Vilder zich te herinneren.
‘Klopt’, lacht Wim. ‘Dat is absoluut een constante in het programma: als ik vroeg wat ik hen voor over vijf jaar mocht toewensen, zeiden ze alle zeven: een rustiger leven. En daar hebben ze geen van allemaal iets aan gedaan.’

Het is duidelijk dat Wim De Vilder veel plezier heeft beleefd aan het maken van het programma. ‘Een aantal dingen veranderen op vijf jaar tijd blijkbaar heel weinig, andere zijn juist razendsnel geëvolueerd. En het viel me tijdens de opnames vooral op dat verscheidene personen de tijdgeest vrij goed hebben kunnen vatten.’

Dit jaar interviewde De Vilder opnieuw zeven personen, en opnieuw gaan hun gesprekken vijf jaar lang de kast in, om er pas voor Over vijf jaar, editie 2020, weer uit te komen.

De hoofdbrok van het dubbelinterview ging natuurlijk over heel andere dingen. Ik herneem ook die tekst hieronder.

Wim en Herman De Vilder: ‘Onze karakters lijken op elkaar’

Wim De Vilder kent iedereen als sympathieke en charismatisch presentator van het VRT-journaal. Zijn vader Herman stond jaren in het onderwijs, schreef artikelen, kunstboeken, liedjes, ja zelfs enkele scenario’s voor het legendarische feuilleton Schipper naast Mathilde, en is een van de stuwende krachten achter de promotie van de School van Tervuren en het museum Hof van Melijn. ‘Vroeger was Wim mijn zoon, nu ben ik zijn vader, als je begrijpt wat ik bedoel’, zegt Herman met een kwinkslag.

Uiterlijk lijken vader en zoon niet bijzonder veel op elkaar, vinden ze. Maar ze horen geregeld dat hun karakters wel erg gelijk lopen. ‘We hebben een bepaalde manier van doen met elkaar gemeen’, vindt Herman De Vilder. Wim: ‘We hebben dezelfde interesses en de weinige talenten die we hebben, liggen ook in elkaars verlengde’, lacht hij.
‘Onze verstrooidheid delen we ook. En het altijd bezig zijn.’
Wim beaamt: ‘Mijn vader heeft ongelooflijk veel energie en dat herken ik inderdaad bij mezelf.’ Zo kunnen ze nog een tijd doorgaan. Taal, muziek, theater, schilderkunst, actualiteit, reizen… ‘Vroeger gingen we met het gezin al geregeld op reis’, vertelt Wim De Vilder. ‘Ik herinner me vooral onze reizen naar de historische kunststeden in Italië, of die naar Joegoslavië, lang voor de oorlog in de regio.’
Herman: ‘En de laatste jaren reizen we weer af en toe samen. We zijn bijvoorbeeld naar Istanboel gegaan, en binnenkort trekken we naar Londen. Ik vind dat heel fijn, die jonge mannen die zeggen: Ma, pa, we zijn nog eens weg! Vroeger was ik de organisator, nu heeft Wim het overgenomen.’
‘Ik zoek het liefst wat minder evidente landen en regio’s op’, zegt die, ‘zoals het Midden-Oosten. Nieuwsgierigheid naar wat er rondom je gebeurt, is een noodzakelijke basis voor een journalist. Vaak biedt het immers nieuwe inzichten, het relativeert bepaalde dingen, plaatst iets in een nieuwe context. Een journalist kan niet breed genoeg kijken. Ik ben me er ook van bewust dat bepaalde regio’s vrij eenzijdig in beeld komen, zeker als het gaat om geweld en hongersnood. Ik trek dan graag naar zo’n gebied om voor mezelf dat beeld bij te stellen. Ethiopië is daarvan een goed voorbeeld. De meeste mensen – en zeker wie al wat ouder is – denken bij dat land nog automatisch aan de beelden van de hongersnood in de jaren 80. Vandaag kun je je nog steeds ernstige vragen stellen bij het regime dat er aan de macht is, maar economisch gaat het Ethiopië voor de wind. Grappig genoeg is het ook een heel groen land, vooral de noordkant, dan. De hongersnood is lang vervlogen tijd, maar toch blijft die reputatie hangen.’

Het unieke licht van Tervuren
De De Vilders wonen al enkele generaties in Tervuren. Herman: ‘Mijn grootvader was hovenier. Hij kwam uit Oost-Vlaanderen, maar kreeg de kans om in Tervuren een groot domein van graaf de Grunne aan te leggen. ‘Mijn vader – de grootvader van Wim – was toen 15’, vertelt hij. ‘Hij is nog even naar Oost-Vlaanderen teruggegaan om mijn moeder te gaan vinden, die een vriendin was van zijn zus. Zo is zij uiteindelijk ook in de streek terechtgekomen. En sindsdien zijn de De Vilders Tervurenaren.’ De volgende generatie is dan wel uitgezwermd naar de streek rond Leuven, maar Wim is alleszins niet uit de gemeente weggetrokken omdat hij ze geen warm hart toe draagt. ‘Toen mijn man – op dat moment nog mijn partner, want we waren nog niet getrouwd – en ik een huis wilden kopen, bleek Tervuren gewoon heel erg duur voor ons. Aangezien Stefaan van Leuven afkomstig is en we heel veel vrienden hebben in de buurt, was die stad een logische keuze voor ons. Ik kom wel nog bijna wekelijks bij mijn ouders over de vloer’, zegt hij. ‘Ze wonen zo ongeveer tussen het Zoniënwoud en het park van Tervuren: een prachtige, groene omgeving. Als kind besef je niet wat een voorrecht het is om in zo’n buurt op te groeien, omdat je het vanzelfsprekend vindt. Het is pas achteraf dat je er echt oog voor krijgt. Momenteel is het park van Tervuren mooier en groter dan ooit. Ik ga er dan ook graag af en toe een rondje lopen.’
Herman De Vilder: ‘Auteur Marguerite Yourcenar schreef na een bezoek aan de familie de Ribaucourt ooit dat ze heel goed begreep waarom zoveel schilders in Tervuren willen werken. Ze vond dat het licht er uniek is. Als Tervurenaar zie je het wellicht zelf niet zo goed, maar er moet iets van aan zijn.’ Zelf heeft hij vooralsnog geen plannen om de gemeente te verlaten. ‘Mijn vrouw en ik hebben ons ooit voorgenomen om als we ouder werden ons huis te verkopen en iets compacters te zoeken in Leuven. Het plan was toen om dichter bij theater en musea te zitten, maar we hebben het nooit doorgevoerd. We zitten hier goed: er valt altijd wel iets te beleven. Neem nu de tentoonstelling Stars & strips, die nog tot 17 januari loopt in Galerij KIT: een hele expo rond strips en cartoons over Tervuren.’

‘Niet wat het lijkt’
Het gesprek komt op kunst terecht. In de Leuvense woonkamer van Wim De Vilder hangen een paar opvallende hedendaagse schilderijen. ‘Wims liefde voor kunst is ongetwijfeld bij mij begonnen’, zegt Herman De Vilder, die onder meer geschiedenis, Frans en Nederlands, woordkunst en dramatische kunsten studeerde, een carrière in het theater én bij de radio links liet liggen en het onderwijs in ging. In 1967 zag hij in het Afrikamuseum een uitzonderlijke tentoonstelling over de School van Tervuren. Als liefhebber van het impressionisme was zijn nieuwsgierigheid onmiddellijk geprikkeld: De Vilder dook in een gepassioneerd onderzoek dat bijna 50 jaar later nog altijd aan de gang is. ‘De School van Tervuren is een groep schilders die tussen 1860 en 1900 in onze streek heeft geschilderd. Voor 1967 wisten wij niet dat Tervuren zo’n belangrijke rol had gespeeld in de schilderkunst – die passage was nagenoeg vergeten geraakt.’ Kort nadien beslisten De Vilder, wijlen Maurits Wynants en een handvol anderen tussen pot en pint om de School van Tervuren uit de vergetelheid te halen. ‘De stroming bleek veel belangrijker dan ik voor mogelijk had gehouden’, vertelt hij. ‘Deze schilders hebben als eersten hun ateliers verlaten, de oude, strikte regeltjes overboord gegooid en zijn in de vrije natuur gaan schilderen. Wat zij deden is later geëvolueerd tot het impressionisme, dat vooral in Frankrijk belangrijk is geworden met Monet, Manet, Pissaro, Renoir… In onze contreien is het uitgemond in een ander type impressionisme, namelijk dat van de weersomstandigheden. Bij de Franse impressionisten lijkt het of het altijd schitterend weer was. Hier bij ons niet: een Guillaume Vogels en Lucien Frank schilderen ook het slechte weer. Dat, plus het realisme van de natuur, de kleuren, het licht, de omgeving, maakte hun werk erg bijzonder.’
‘Wie is eigenlijk je favoriete schilder uit de School van Tervuren?’ wil Wim weten. Zijn vader hoeft niet lang na te denken. ‘Dan kies ik toch voor Lucien Frank’, antwoordt hij, ‘Zijn werk is zeker zo sterk als dat van een Emile Claus. Het leunt ook het meest aan bij het impressionisme: hij heeft er zo’n beetje zijn eigen vorm van bedacht.’
Herman De Vilder legt uit hoe hij vroeger zijn twee zonen meesleepte naar musea en tentoonstellingen. ‘Maar ik zei ze ook dat zij, als jonge gasten, niet naar de 19de-eeuwse kunst moesten teruggrijpen. Ik probeerde ze wat meer in de richting van de hedendaagse kunst te schuiven.’
Als Wim De Vilder één favoriete stroming uit de hele kunstgeschiedenis moet pikken, dan noemt hij ogenblikkelijk de Cobrabeweging uit de jaren 50 van de 20ste eeuw. ‘Appel Corneille, Alechinsky… Ik droom er wel van om ooit een werk van een van hen te kunnen kopen. De vrolijkheid die van veel van die werken uitgaat, spreekt me aan. De felle kleuren, de uitbundigheid. Maar als je dan naar de dieperliggende betekenis gaat kijken, is die vaak helemaal niet zo positief. Cobra is niet altijd wat het lijkt.’
‘Vergeet ook Dotremont niet, hè’, voegt Herman toe. ‘Ook een Tervurenaar. We hebben afgelopen zomer op de Grote Markt nog een van zijn logogrammen laten plaatsen: zwart op een witte gevel, recht tegenover zijn geboortehuis. Daarmee zouden we graag nog doorgaan. Stel je voor: een gevel met een mooie tekening van Hippolyte Boulenger, boegbeeld van de School van Tervuren, of iets van Somville, ook iemand die in Tervuren heeft gewoond en gewerkt. We hebben nog een aantal gevels die we ervoor zouden kunnen gebruiken, hoor’, lacht hij, ‘maar zulke projecten zijn een kwestie van centen. En daarvoor beleven we momenteel niet de beste tijd…’

Onderwijsmicrobe
We bomen nog wat door over dingen die vader en zoon gemeen hebben. En vrij snel komen ze bij de onderwijsreflex. Hoewel Wim die carrièreoptie nooit echt heeft overwogen, moet hij toegeven dat het gen hem niet vreemd is. Herman: ‘Ik heb ooit nog Nederlandse expressie gegeven: interviewtechnieken, presentaties, dat soort dingen. En dat zet Wim nu in zekere zin voort.’
‘Klopt’, zegt die. ‘Vooral binnen de VRT geef ik geregeld opleidingen: presentatietrainingen, training van reporters-ter-plaatse, enzovoort. Die onderwijsmicrobe zit er ergens toch echt in. Uiteindelijk mag ik als nieuwsanker de mensen toch ook diets maken wat er die dag in de wereld is gebeurd en er wat context bij geven. Dat gebeurt in het Journaal natuurlijk niet met het belerende vingertje, maar dingen verhelderen ligt toch niet heel ver van onderwijzen vandaan.’ De roep van de media klonk voor Wim De Vilder echter altijd sterker. ‘Vrienden vertelden me dat we vroeger zelfs nieuwsbulletins schreven en inlazen op cassette. Zelf ben ik dat vergeten, maar blijkbaar zat die interesse er toch al vroeg in. Ik ben dan rechten gaan studeren, wel altijd met het idee om er nadien nog communicatiewetenschappen bij te nemen. Toen ik beide studies afgerond had, had ik drie opties: ik kon aan de slag als assistent aan de universiteit van Gent, ik kon naar de balie of ik kon bij de VRT beginnen, waar ik stage had gelopen. Ik koos voor de VRT: niet echt een moeilijke keuze – radio en vooral televisie was waar mijn hart lag.’

In memoriam: componist Luc Brewaeys, vanavond op Klara

Op 18 december overleed componist Luc Brewaeys. Vanavond zendt Klara van 20 tot 24 uur een uitgebreid in memoriam uit. Het belooft een mooi portret te worden van ‘misschien wel de grootste componist uit onze geschiedenis’ (in de woorden van Philippe Herreweghe).

“De gids van het programma is de stem van Luc zelf en uiteraard zijn prachtige muziek, maar ook getuigenissen van zijn leraar André Laporte, van zijn studente Annelies van Parys, van musicoloog Maarten Beirens, van Jerry Aerts ven deSingel en van zijn vrienden-musici als Wibert Aerts en Dirk Brossé.”

Ik ontmoette Luc Brewaeys één keer, toen ik hem in 2013 interviewde voor RandKrant. Hij was de jaren daarvoor veel ziek geweest, maar voelde zich op dat ogenblik ‘top’. We hadden een fijn gesprek over componeren, het creatieve proces, en tuimelende klanken.

Ik herneem het artikel van toen hieronder.

Een hoofd vol klanken

Hij luisterde voor het eerst naar het legendarische muziekwerk Le sacre du printemps van Stravinski toen hij 13 was en hij wist het: componist wou hij worden. Luc Brewaeys is nooit meer van dat plan afgeweken. Vandaag (begin 2013, IM) heeft hij zeven symfonieën, een opera, een hele resem andere concert- en kamermuziek en zelfs bewerkingen van Frank Zappa-songs op zijn naam staan. Zijn internationale renommee is groot en laatst riep Klara hem nog uit tot musicus van het jaar.

Het gaat goed met de componist. ‘Ook mijn gezondheid is momenteel tiptop’, verklaart hij. Tot voor kort was dat anders. ‘Ik heb vier kankers overwonnen en vorig jaar nog was ik er bijna aan door een zware infectie. Maar sinds ze een aantal maanden terug nog enkele stents in mijn aders hebben gestoken, gaat het eigenlijk prima.’
Op tafel liggen enkele onafgewerkte partituren. In de loop van de maand mei zou hij daar graag klaar mee zijn. Het gaat om een concertwerk voor het Amsterdamse Concertgebouworkest, volgens vakbladen hét beste orkest ter wereld. ‘Termen als ‘beste’ en ‘grootste’ zijn altijd relatief’, vindt Brewaeys. ‘Maar eind vorig jaar hebben ze nog een stuk van me gespeeld en ik moet wel zeggen dat het formidabel klonk. Het is dus zeker plezant om voor zulke mensen te werken.’

Véél luisteren
Luc Brewaeys is ontegensprekelijk een van de meest vooraanstaande Belgische componisten. Hij schrijft hedendaagse, meer bepaald spectrale muziek. Het spectralisme baseert zich op de boventonen in de muziek, de tonen waaruit elke klank bestaat. Daardoor is harmonie belangrijk in zijn werk. ‘Voor veel mensen is de drempel naar hedendaagse muziek hoog, dat klopt. Maar wie geïnteresseerd is om er meer over te weten, kan ik maar één ding aanraden en dat is veel, veel luisteren. Zo ben ik er ook mee begonnen. Ik kan hier een hele uitleg afsteken over theorie en structuur, maar daar heeft niemand iets aan, tenzij een collega of een student compositie, natuurlijk.’ Toch geeft hij zijn studenten hetzelfde advies. Luisteren, liefst met de partituur erbij, om de compositie beter te leren begrijpen. Zo, partituur in de hand, heeft Luc Brewaeys een groot deel van zijn jeugd doorgebracht.

Véél doen
De componist komt niet echt uit een muzikaal nest, vertelt hij. ‘Voor mij waren er geen muzikanten in de familie.’ Maar er was wel altijd veel muziek in huis via radio, televisie en elpees. ‘Componeren ben ik rond mijn tien jaar beginnen doen en ik ben er nooit meer mee gestopt.’ Drie jaar later wist hij zeker dat hij van componeren zijn beroep wilde maken. ‘Ik heb ontzettend veel geschreven in mijn jonge jaren’, vertelt hij. ‘Aanvankelijk ging het om vrij traditionele melodieën. Gaandeweg leer je dan nieuwere en modernere dingen kennen en beïnvloeden die je ook weer. Uiteindelijk vallen er allerlei kleine stukjes van overal in je potje samen en daaruit ontstaat dan je eigen stijl.’ Naar die eerste partituren hoeft niemand op zoek te gaan. Hij heeft ze niet gehouden wegens ‘niet goed genoeg’. ‘Maar zo leer je het, natuurlijk. Het zijn stuk voor stuk goede oefeningen geweest. Het is ook niet erg als je nu en dan iets kopieert in het begin. Ook dat is een goede manier om de muziek beter te leren begrijpen.’

Een orkest in je hoofd
Na het werk voor het Concertgebouworkest wil Luc Brewaeys graag zijn achtste symfonie afwerken en daarna zal hij een aantal sonnetten van Shakespeare op muziek zetten. ‘Maar of ik nu een symfonie schrijf of een werk voor één instrument, de aanpak is altijd dezelfde’, vertelt hij. Er staat een piano in de woonkamer, maar die doet de laatste tijd vooral dienst als ornament. Schrijven doet Luc Brewaeys aan tafel. En het echte schrijfwerk, op papier of op computer, is ook altijd pas het laatste onderdeel van het proces. ‘Als ik een opdracht krijg, begin ik na te denken en op de duur ontstaan er dan klankideeën die ik probeer uit te werken. Dat doe ik in eerste instantie in mijn hoofd.’ Schrijft hij een symfonie, dan hoort hij de lijnen van elk instrument apart in zijn hoofd weerklinken, tot er een heel orkest in zit. ‘Pas als een werk voor 70 tot 80 procent af is, zet ik me daadwerkelijk aan tafel.’

Hij werkt zijn opdrachten af volgens de deadlines die hij aanvaardt, maar dat wil niet zeggen dat een volgend stuk pas ontstaat als het vorige is afgeleverd. ‘Er broeien meestal verscheidene werken tegelijk in mijn hoofd. En die lopen elkaar niet in de weg, nee, ik kan ze perfect gescheiden houden.’

Vroeger was een stuk zelfs volledig af voor hij één noot neerpende. Daar heeft zijn zesde symfonie verandering in gebracht. ‘Ik weet altijd graag vooraf waar ik naartoe wil. Er zijn collega’s die anders tewerk gaan. Ze beginnen en ze zien wel waar ze uitkomen. Voor die zesde symfonie heb ik het ook zo geprobeerd en inderdaad, dat werkte eveneens. Dus sindsdien laat ik nog een beetje ruimte voor mijn intuïtie om kleine veranderingen aan te brengen in het oorspronkelijke plan. Maar meestal zijn er dat effectief niet meer zo heel veel.’

Wiskunde
Het gebeurt dat een componist iets moet berekenen. ‘Als je akkoorden wil opbouwen die te ingewikkeld zijn om het even in je kop te doen, bijvoorbeeld. Dan neem ik er al eens een rekenmachine bij. Muziek en wiskunde liggen dicht bij elkaar’, legt Luc Brewaeys uit. ‘Ik hou ook echt van wiskunde. De overeenkomsten zitten hem vooral in de verhoudingen. Dikwijls valt de climax van een stuk precies op de gulden snede van de duurtijd. Ik hoef dat zelfs niet meer te berekenen: poef! Het gebeurt gewoon. En ook mensen die totaal niks van wiskunde en zelfs niet van muziek afweten, voelen doorgaans dat zulke muziekstukken beter werken dan andere. Ik vermoed dus dat wiskunde niet zomaar is uitgevonden, maar rechtstreeks uit de natuur komt. Bekijk bijvoorbeeld hoe een vioolsnaar trilt. Dat mechanisme is zoals het is, het is niet de mens die het bepaalt. En ook die tonen verhouden zich op een perfect wiskundige manier tot elkaar.’

Wandelen
Luc Brewaeys lijkt niet echt in inspiratie te geloven. ‘Ongetwijfeld zijn er wel externe factoren die je beïnvloeden’, zegt hij. Maar aangezien zijn stukken niet echt een boodschap of verhaal hebben, blijven die altijd op de achtergrond. ‘Tegen dat een werk goed op dreef komt, ben ik de eventuele aanleiding al helemaal vergeten’, zegt hij. Opeens zijn de klanken er en beginnen ze te tuimelen tot ze allemaal hun plaats in het werk hebben gevonden.
Wandelen is dan wel weer een prima activiteit om dat tuimelen in gang te zetten. ‘Nu wandel ik met de hond’, legt Luc Brewaeys uit en hij wijst naar de Cavalier King Charles die in zijn mand naast de stoel van de componist ligt te soezen. ‘Maar voor ik een hond had, wandelde ik al evenveel. Beethoven kreeg ook altijd de beste ideeën terwijl hij aan het wandelen was. Mediteren kan eveneens helpen. Maar uiteindelijk krijg ik ideeën op de zotste momenten. Alleen als ik ze ’s nachts krijg, sta ik er niet voor op. Ik ga ervan uit dat ik het wel zal onthouden als het idee de moeite waard is. Als ik het tegen de ochtend vergeten ben, zal het wel niet goed genoeg geweest zijn. Het zou natuurlijk ook kunnen dat het mijn inherente luiheid is die hier de overhand krijgt’, lacht hij.

Vilvoordenaar, wereldburger
Luc Brewaeys en zijn vrouw wonen een kleine twintig jaar in Vilvoorde en voelen zich er thuis. Hun kinderen zijn geboren en getogen Vilvoordenaren. ‘En het huis is bijna afbetaald, dat is geen slecht gevoel.’
De keuze viel twintig jaar geleden op Vilvoorde uit praktische overwegingen. ‘We kwamen toen van het platteland, waar we altijd twee auto’s nodig hadden. Dat vonden we niet alleen duur, maar vooral ook ecologisch onverantwoord. Hier zitten we niet alleen vlakbij de Ring en de E19 naar Antwerpen (op twintig minuten bereiken we deSingel, waar we al eens naar concerten gaan), maar ook op een boogscheut van het station. We wonen bovendien in een rustige straat, maar gaan we de hoek om, dan liggen daar alle mogelijke winkels. Ik doe dus veel van de boodschappen te voet.’
Zelf is Brewaeys afkomstig uit Antwerpen. Hij is tweetalig opgevoed en spreekt intussen negen talen vlot. ‘Nederlands, Frans, Engels en Italiaans spreek ik bijna dagelijks’, zegt hij. ‘Maar ook in het Duits, Pools, Japans, Tsjechisch en Kroatisch kan ik me meer dan behoorlijk uit de slag trekken. Ik vind het prettig om de taal te kunnen spreken van de plaats waar ik kom. Muzikaal gevoel helpt trouwens enorm als je talen wil leren – al helemaal om een taal accentloos te leren spreken.’ Geen wonder dat Brewaeys zich ‘wel een beetje’ Vilvoordenaar voelt, ‘maar toch vooral wereldburger’. ‘Ik kan bijvoorbeeld begrijpen dat taal in deze contreien gevoelig ligt. Ik merk uiteraard ook op dat hier almaar meer Frans wordt gesproken. Maar in se vind ik al die communautaire perikelen toch vooral onzin. Ik heb er allemaal bijzonder weinig last van.’

www.klara.be