Els Beerten: ‘Het vorige boek loslaten, is altijd moeilijk’

Auteur Els Beerten won in maart (2013) de Vlaamse Cultuurprijs voor Jeugdliteratuur met haar roman Allemaal willen we de hemel. Ik interviewde haar voor Staalkaart. Het was een inspirerend gesprek over boeken, schrijven, talent, discipline en passie voor wat je doet. Een fragment.

Zolang ze zich kan herinneren, is Els Beerten al verhalen aan het vertellen. Altijd, overal, tegen iedereen die het horen wil. Haar ouders stuurden haar naar school toen ze amper twee was. ‘Jij wilde zoveel weten, Els’, zei haar moeder. ‘Je wilde zoveel horen, zoveel zelf vertellen, maar ik had je alles al verteld wat ik kon bedenken, dus hebben we je naar school laten gaan in de hoop dat je daar nieuwe verhalen zou vinden.’ Dat trof. Een dag in de eerste kleuterklas begon steevast met een verhaal dat de kleuters achteraf mochten uitbeelden. De kleine Els Beerten had haar plek gevonden. Zodra ze kon schrijven, ging ze ook op papier aan de slag met de werkelijkheid. En dat ze talent had, begon ze te vermoeden toen ze in het vierde leerjaar zat. ‘Ik was een heel enthousiast kind’, zegt ze. ‘Ik kon niet stilzitten, babbelde voortdurend en stak bij elke vraag mijn vinger in de lucht.’ De juf van dat jaar kon daar blijkbaar niet goed mee om, dus Els vloog vaker dan haar lief was in de ezelsbank. ‘Dat vond ik erg, want je werd er compleet genegeerd. Op een zekere dag was ik diepongelukkig en ik begon te schrijven. Ik kan het verhaal nog altijd van A tot Z navertellen’, zegt ze. ‘Het was heel wensvervullend, met happy ever after en alles erop en eraan. Maar ik herinner me nog goed hoe gelukkig ik was terwijl ik schreef.’ De schrik sloeg haar dan ook om het hart toen de juf merkte wat ze aan het doen was en vroeg om het te lezen. ‘Ik kon niet anders dan het afgeven, want zij was de juf, maar ik was echt bang dat mijn einde naderde en dat ze me helemaal belachelijk zou maken voor de klas.’ Maar de juf vond het verhaal mooi. ‘We hebben een echte schrijfster in de klas’, zei ze. Els mocht haar werkje voorlezen en moest daarna naar de directrice om het ook daar te laten lezen. ‘Ik was nog zo klein en de directrice was een grote non met een imposante kap voor wie ik enorm ontzag had. Ook zij was positief. Onbewust had ik toen door dat er iets in mij schuilde waarmee ik mensen voor wie ik bang was, blij kon maken.’

www.elsbeerten.com
Je vindt het volledige artikel in Staalkaart 20.

Advertenties

‘Er moet iets te veroveren zijn’

Piet Arfeuille is een van de theatermakers die al heel lang op mijn lijstje met graag-te-interviewen-personen stond. Ik strikte hem voor een gesprek over zijn nieuwe seizoen. Niet alleen bij Malpertuis, het Tieltse gezelschap waarvan hij artistiek leider is, regisseert hij een goed gevuld programma bij elkaar. Hij gaat ook enkele coproducties aan en geeft kansen aan jonge makers.

As usual, een fragment uit het artikel. De volledige tekst kun je lezen in het huidige nummer van Staalkaart.

Zijn eigen werk herkauwen is het laatste wat Piet Arfeuille wil doen. De regisseur en artistiek leider van het Tieltse theater Malpertuis nodigt in elke productie nieuwe, graag zelfs dwarse elementen uit. ‘Er moet iets te veroveren zijn.’ Dat zit wel goed met O mio core, een voorstelling die hij maakt in coproductie met muziektheater Transparant. Drie opera’s van Francesco Cavalli passeren de revue. In concertvorm. Arfeuille creëert het scènebeeld.

‘Aanvankelijk had Guy Coolen van Transparant een piepklein budget om naast de concertante versie van O mio core ook een podiumversie te maken, en meer bepaald: een scènebeeld. Bijna schroomvallig vroeg hij me of ik daarvoor wou zorgen’, vertelt Piet Arfeuille. Hij vond het een wat gekke vraag: bedenkt een regisseur doorgaans niet een visie op een stuk die hij dan aan een decorontwerper voorlegt? ‘Maar het project paste prima in mijn parcours. Ik ben namelijk sowieso aan het zoeken naar interessante mogelijkheden om muziek en beeld te combineren. O mio core leent zich daar perfect toe, vond ik. Daarom heb ik Bart Clement erbij gehaald, die erg bedreven is in grote scènebeelden ontwerpen. En zo zijn we dan samen aan de slag gegaan.’

(…)

Uitspraken over deze tijd
O mio core gaat op 13 september in première in de Bijloke in Gent. Een week later geeft de voorstelling het startschot van alweer een goed gevuld Malpertuis-seizoen. De tweede op het programma is Recht zal zijn wat ik zeg!. ‘Die is gebaseerd op een oude Griekse rechtszaak en handelt over populisme en favoritisme in de politiek.’ De jonge acteurs Thomas Janssens en Matthias Meersman maakten de eerste versie van de voorstelling voor het Icarus Todayfestival in 2011. ‘Ik vond ze zo interessant dat we ze opnieuw op de rol zetten. We gaan er nog drie weken aan werken en dan gaan we ermee de boer op.’
Eind november gaat Light as a Feather, Green as an Apple in première op het Nextfestival in Buda, Kortrijk. Het is een duet van de Finse danser Veli Lehtovaara met de Portugese Maria Ferreira Silva, dat de christelijke iconografie als uitgangspunt neemt. ‘Voorts hebben we nog een tweede coproductie met het Mechelse ’t Arsenaal op stapel staan. Na Ingmar Bergmans Herftsonate, dat ik heb geregisseerd, doet Michael De Cock nu Verre vrienden, een komedie van Alan Ayckbourn. Er komt ook een samenwerking met Nicole Beutler. Tot slot doen we nog Kasimir en Karoline van Horvath, met tien West-Vlamingen, in het West-Vlaams.’

‘Ik vind het belangrijk dat ons materiaal zich verhoudt tot deze tijd’, zegt Piet Arfeuille. ‘Voor optimisten leven we in een spannende tijd, voor pessimisten in een gevaarlijke. In elk geval is er veel aan de hand. Theater is het zichzelf verplicht om daarover uitspraken te doen. Zo gaan we in de toekomst bijvoorbeeld ook Vijand van het volk van Ibsen doen. Dat handelt over het gevaar van populisme en de onderbuikpolitiek van rechts. Actueler kan haast niet. Zoals Jaap Kruithof zei, hebben we nood aan een links alternatief. Links zal immers pas weer op de kaart komen wanneer het zich zal bezighouden met de echt grote wereldproblemen. Ik hou dus in de gaten of zulke thema’s ook wel degelijk aan bod komen in ons programma. We willen en mogen niet wereldvreemd zijn. Het komende seizoen zullen we het onder meer hebben over religie, over politiek en populisme, over geld en de financiële crisis. En met O mio core ook over schoonheid.’

(…)

Lesgeven
Piet Arfeuilles artistieke gevoeligheid kiemde toen hij als jongen naar de muziekschool trok. Notenleer, piano en koorzang – daarmee is het allemaal begonnen. ‘Even zag het ernaar uit dat ik zou doorgaan in de muziek’, vertelt hij. ‘Maar toen ik begon te puberen, had ik nergens meer zin in, al helemaal niet in een pianolerares die almaar je nagels wou knippen, dus daar eindigde mijn pianocarrière.’ Na de middelbare school studeerde Piet Arfeuille Germaanse talen en via die studie rolde hij het onderwijs in. ‘Ik heb een jaar of vier lesgegeven. Intussen regisseerde ik al amateurs en op een gegeven ogenblik ontstond de behoefte om me professioneel te scholen. Dus ben ik op mijn 28ste naar de toneelschool van Maastricht getrokken. Op die leeftijd kun je niet meer op je ouders terugvallen om je studie te betalen, en ik had pas een huis gekocht. De deeltijdse opleiding in Maastricht paste dus beter in mijn kraam. Na twee jaar ben ik dan wel overgeschakeld op het voltijdse regime. Dat lukte als ik in de zomer keihard werkte.’ Na een omweg als acteur bij Hollandia, waar Johan Simons toen de plak zwaaide, kwam Arfeuille dan eindelijk terecht waar hij wilde zijn. ‘Een van mijn docenten zei ooit: Je kunt maar in één ding echt goed zijn. Dat vond ik nog niet zo dom klinken en hoewel ze me in Maastricht een begenadigd acteur vonden, heb ik me dus in regie gespecialiseerd.’

Als twintiger zag Arfeuille zich niet tot aan zijn pensioen in het onderwijs staan. ‘Nochtans gaf ik graag les en stortte ik me er volledig in. Maar de drang om meer in de artistieke sector te kunnen doen, overwon. Ik was bang dat ik op een gegeven moment op mijn honger zou blijven zitten, als ik leraar bleef. Gek genoeg trek ik die gedachte nu ik ouder word een beetje in twijfel. In feite is lesgeven een heel mooi beroep. Het woord alleen al: les-geven. Je geeft iets door aan een volgende generatie en dat voel je terwijl je ermee bezig bent. Ik geef nu geregeld les aan de toneelschool en zou dat voor geen geld ter wereld willen missen.’

O mio core: première op 13 september, 20 uur, Bijloke Gent.

www.malpertuis.be
www.transparant.be

“Uiteindelijk kon ik niet meer weigeren”

Met Drie zusters keert actrice Alice Toen terug naar haar roots

Alice Toen stond vijfenvijftig jaar geleden mee aan de wieg van het Mechels Miniatuur Theater (nu: ’t Arsenaal). Met haar rol in Drie zusters keert de actrice terug naar haar roots. ‘Hoewel ik het de laatste tijd zo al erg druk heb, wou ik deze voorstelling toch doen. Na zoveel jaar is het natuurlijk heel speciaal voor mij om nog eens in het vroegere MMT te spelen’, zegt ze.

In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw was het theater niet de meest vanzelfsprekende beroepskeuze. Al helemaal niet voor een meisje. ‘Mijn zus en ik speelden toneel, we zongen en ik speelde daarbij gitaar. We waren verzot op het podium. Maar onze vader vond dat wij talen moesten kennen, en dus studeerden we steno-dactylo Nederlands, Frans, Engels en Duits. Ik heb aan die studie een paar toffe jobs overgehouden. Ik heb nog gewerkt voor het Engelse leger – vertaalwerk, correspondentie, contacten met Belgen in Engeland: heel interessant. Daarna was ik secretaresse voor een scheepvaartmaatschappij in Temse. Ik ging met de patron mee als hij zijn boten ging bezoeken, ook in het buitenland. Het was prachtig, afwisselend werk.’ Maar de theaterkriebel was hardnekkig. Bij Luc Philips volgde Alice Toen een conservatoriumopleiding voor werkende mensen. De lessen en repetities vonden ’s avonds en in het weekend plaats. In 1956 studeerde ze af, een periode waarin het kamertheater volop opkwam als reactie tegen de vastgeroeste en al te hiërarchisch gestructureerde grote theaterhuizen uit die tijd. ‘Met onze klas besloten we ook een theatertje op te richten. We konden terecht in een kleine opslagplaats van brouwerij Lamot’, vertelt de actrice. ‘Boven speelden we, beneden hadden we een café waar we inkomsten uit haalden. Omdat dat eerste zaaltje zo piepklein was – vier meter bij vier – stelde Leo Van Horenbeeck voor om het Mechels Miniatuur Theater te dopen.’ Na een paar jaar volgde Alice Toen Luc Philips op als directeur van het MMT. ‘Och ja’, relativeert ze. ‘Directrice… wat stelt dat voor bij zo’n klein theater? Ik moest vooral de teksten kiezen, vertalingen maken, een beetje zorgen dat ik alles in goede banen leidde. Maar in zekere zin is Michael De Cock, die nu artistiek leider is van ’t Arsenaal, een van mijn opvolgers.’

Toch ging Alice Toen niet onmiddellijk op de rol in. ‘Ik heb het de laatste tijd erg druk’, legt ze uit. ‘Ik speel Madeleine in thuis, een vrouw met Alzheimer. En intussen heb ik al meer dan negentig voorstellingen van mijn monoloog Charlotte gespeeld. (…) Met al die activiteiten op haar programma vond Alice Toen dat ze op haar 86ste eigenlijk voldoende werk had. ‘Ik wierp op dat ik al die verre reisvoorstellingen niet meer zag zitten. Maar Michael De Cock is iemand die zijn zin doordrijft. Hij vond voor al mijn bezwaren een oplossing. Zo neemt Hilde Van haesendonck een aantal van de reisvoorstellingen voor haar rekening en krijg ik logies in Mechelen gedurende de repetitie- en speelperiode in ‘t Arsenaal. Dus uiteindelijk kon ik niet meer weigeren’, lacht ze. ‘Ik ben heel benieuwd, want ik heb nog niet eerder met Michael gewerkt. Hij is iemand met een eigen visie, een eigen manier van werken. Dat zal voor Drie zusters niet anders zijn. En nog eens een Tsjechov spelen is op zich ook al interessant, natuurlijk. Ik heb vroeger in de KVS al eens een voedster gespeeld in Tsjechovs Oom Wanja. In Drie zusters speel ik een vergelijkbare rol, zeker niet de grootste uit het stuk, dus, dat vooral draait om de verzuchtingen van drie zussen die verlangen naar een boeiender leven in de stad, maar die hun illusies één voor één zien verdwijnen.’

Meer lees je in het januari-februarinummer van Staalkaart.

Première 16 februari, ’t Arsenaal, Mechelen.
www.tarsenaal.be

“Poëzie vormt een kader rond de werkelijkheid”

Jan Lauwereyns mikt op het hart van de poëzie in bundel en essay

Poëzie is een samenspel van proeven, luisteren en voelen. Dat zegt Jan Lauwereyns in De smaak van het geluid van het hart, het vierde Gedichtendagessay. In het essay, dat hij schreef voor Gedichtendag op 27 januari, gaat hij op zoek naar wat poëzie bijzonder maakt. ‘Poëzie is het begin en het einde, een manier van leven’, vertelt hij. Hoe hij dat precies ziet, toont ook zijn nieuwe poëziebundel Hemelsblauw, die eveneens in januari verschijnt.

‘Ik weet ook wel: gedichtjes schijnen maar banale materie vergeleken bij bomaanslagen, hongersnood, faillissementen, voetbaloorlogen, seks op het strand of een nachtje dansen op ecstasy’, schrijft dichter, wetenschapper en expat Jan Lauwereyns in het begin van zijn Gedichtendagessay. Hij voegt er onmiddellijk aan toe: ‘Maar schijn bedriegt.’ In de orde van de dingen schat hij poëzie niet per se hoger of lager in dan de rest. Hij ziet haar als een middel dat de werkelijkheid accentueert, onderstreept, in het geheugen grift.
‘Al die dingen die ik opnoem, de grote en de kleine gebeurtenissen in het leven, zijn deel van ons. Dat soort ervaringen is al wat we hebben, ze vormen onze werkelijkheid. En poëzie is het begin- en het eindpunt van de ervaring’, legt hij uit. ‘Ze maakt de werkelijkheid intenser, laat me toe ze te verkennen, ermee te spelen, ze te onthouden. In het Engels zeg je het mooi: to know by heart – door gedichten te schrijven, maar ook door ze gewoon te lezen, neem je de dingen op in je hart. Op die manier wordt poëzie een manier van leven die veel verder gaat dan de tekst. Poëzie vormt een kader rond de werkelijkheid.’

Meer lees je in het januari-februarinummer van Staalkaart.

‘Lucifer is een herkenbaar en menselijk personage’

Lucifer van Vondel geniet anno 2010 een erg dubbelzinnige reputatie. Je hebt generaties die het zeventiende-eeuwse meesterwerk op school lijdzaam hebben ondergaan, het op onvergeeflijke zeurtoon kapot hebben weten analyseren, en er bijgevolg een blijvende afkeer van hebben. Dan heb je de gelukzakken. Mensen die er dankzij een bevlogen docent, een rake theaterbewerking of puur toeval door bezeten zijn geraakt en niet uitgesproken raken over de taalschoonheid en de fascinerende thema’s en personages. Jan en Sofie Decleir en de voltallige equipe van Theater Zuidpool horen tot de laatste groep. Op 2 december gaat hun bewerking van Lucifer in première.’

Zo leest mijn inleiding bij het interview met beide Decleirs dat ik voor het cultuurblad Staalkaart schreef. Ook ikzelf hoor bij degenen die een blijvende fascinatie voor Vondel en zijn Lucifer hebben ontwikkeld. Ik heb die te danken aan het theater. Als tiener namen mijn ouders me geregeld mee naar de schouwburgen van Hasselt, Tongeren, Sint-Truiden en Leuven. Ik herinner me dat ik een bewerking van Lucifer in een van de programmaboekjes zag staan. Vraag me niet van welk gezelschap die was – in die tijd lette ik daar nog niet zo op – maar het moet dus ergens in de jaren negentig geweest zijn, het gezelschap kwam uit Nederland, ze hanteerden de oorspronkelijke zeventiende-eeuwse taal, en het decor werd overheerst door plastic. Ongetwijfeld heb ik niet elk woord gesnapt, maar ik weet dat ik die voorstelling AB-SO-LUUT in het familie-abonnement wou hebben (ik moet er dus eerder ergens iets over hebben gehoord) en ik weet dat ik compleet gebiologeerd was door de uitvoering.

Toen ik vernam dat Zuidpool Vondel onder handen zou nemen, heb ik Lieven De Laet, hoofdredacteur van Staalkaart, dan ook onmiddellijk heel vriendelijk gevraagd of het volgende nummer van zijn blad plaats had voor een artikel erover. En het kon.

Nog een klein stukje over Sofie en Jan Decleirs band met het werk (voor de rest zul je Staalkaart #7, november-december 2010, moeten aanschaffen):

‘Ik heb Vondel nooit gekregen op school’, vertelt Sofie Decleir. ‘De eerste keer dat ik met de Lucifer in aanraking kwam, was toen ik de eerstejaars van Studio Herman Teirlinck ermee aan de slag zag, onder het bewind van papa. Zelf was ik toen al afgestudeerd. Ik was onmiddellijk door het werk geboeid en vond het raar dat het nooit eerder mijn pad had gekruist. Maar ik kan me wel inbeelden dat het een ander verhaal is als je het in je tienerjaren als verplichte kost voorgeschoteld krijgt.’
Jan Decleir: ‘Ik heb een zus die niets met theater te maken heeft – ze zit in de cijfers – en die hele lappen Lucifer uit het hoofd kent. Ze vindt het echt een fantastische tekst. Ik denk dat inderdaad veel afhangt van de manier waarop je zoiets onderwezen krijgt. Waarschijnlijk heeft zij ooit zo’n bevlogen lerares gehad. Het is in elk geval altijd blijven hangen bij haar. Ik heb Lucifer zelf nog gedaan op school. En later, als docent, is het me bijna altijd gelukt om die jonge gasten er verliefd op te laten worden. Vondels taal is bezwerend en beroerend. Je kunt er echt in zwelgen. Nu moeten wij er straks wel een voorstelling van maken, natuurlijk, dus we moeten daar dan niet liggen kronkelen van genoegen en van zie ons hier eens bezig. Het moet meer zijn dan taalschoonheid alleen.’
Sofie Decleir: ‘Voor Zuidpool lijkt Lucifer me een vrij logische stap. In het parcours dat wij afleggen (als je al van een parcours kunt spreken) neemt taal steeds meer bezit van ons. En dan kom je op een gegeven ogenblik vanzelf uit bij Vondel.’

www.zuidpool.be


Flattr this