Jeroen Lemaitre (Animaux spéciaux): “Je moet ambassadeur worden van je werk”

Jeroen Lemaitre maakt treasures: opgezette insecten en andere dieren plaatst hij in een kunstige context, zoals onder een stolp of in een lijst tussen twee raampjes. Aankleding en compositie zetten hun natuurlijke schoonheid in de verf. Groene of gouden kevers, natuurlijk blauwe bijen, exotische vlinders… Ze hebben geen opsmuk nodig om mooi te zijn. Ze moeten enkel de blik van de toeschouwer trekken en vasthouden. Daarvoor zorgt Lemaitre. In de Mechelsestraat in Leuven opende hij recent zijn Wunderkammer, een winkel annex atelier waar bezoekers mogen binnenlopen om hem aan het werk te zien, zijn treasures te bewonderen en te kopen, zijn fantasiewereld te beleven. “Wat ik doe maakt veel los in mensen. Ik geef ze een tik en haal ze zo even uit de sleur van het dagelijks leven.”

Animaux Spéciaux

Animaux Spéciaux

“Het is ongelooflijk tof om van de platgetreden paden af te stappen en te beginnen ondernemen. Je bent naïef, je hebt een doel voor ogen en je krijgt de vrijheid om te doen wat je echt graag wil. Tegelijk is het natuurlijk heel akelig om de stap te zetten, want niemand houdt je handje vast. Je moet heel veel zelf ontdekken. Financieel ben ik puur gestart met mijn eigen bescheiden spaargeld – dus echt het geld dat ik als kind voor Kerstmis heb gekregen en zo. Geleend heb ik niet. Zoiets kan natuurlijk alleen als je je vaste kosten zo laag mogelijk houdt. Ik huur voorlopig bijvoorbeeld een studio-atelier in mijn ouderlijk huis voor 150 euro. Mijn webshop huur ik bij een Amerikaans bedrijf voor 20 euro per maand. Ik was in het begin heel voorzichtig met mijn kleine kapitaal. Ik deed alleen minieme aankopen, maakte objecten, verkocht ze, betaalde belasting en sociale zekerheid, en wat dan nog overbleef, investeerde ik opnieuw in mijn werk. Gemakkelijk was het niet. De huur voor een – nog altijd vrij goedkoop – pand zoals ik nu heb, kon ik me dat eerste jaar niet permitteren. Ik heb wel het geluk gehad dat ik de uitbaatster van kledingzaak Profiel in Leuven tegenkwam. Ze was meteen gefascineerd door mijn werk en bood me gratis een ruimte boven haar winkel aan: daar heb ik een aantal maanden mijn treasures verkocht. Haar heb ik trouwens ontmoet terwijl ik met mijn kraampje op een brocantemarktje stond. Dit is een tip die ik andere starters wil geven: zorg dat je werk op zoveel mogelijk plaatsen aanwezig is. Ik heb op markten en beurzen gestaan, ben naar winkels toe gestapt en hebt met ontzettend veel mensen gepraat. Je moet er alles aan doen om zichtbaar te worden en mensen een zaadje in het hoofd te planten, zodat ze meteen aan jou denken als ze een week later voor iemand een origineel cadeau willen kopen. Je moet ambassadeur worden van je werk.”

Lees meer op www.kunstenloket.be

Artikel uit de reeks Kanttekening voor Kunstenloket: het Kunstenloket krijgt creatieve geesten van alle mogelijke pluimage over de vloer en aan de telefoon. Allemaal hebben ze hun eigen vragen, allemaal volgen ze hun eigen parcours. In deze reeks plaatsen ze kanttekeningen bij het kunstenaarsbestaan. Wat drijft hen? Wat liep vlot voor ze en wat zorgde voor een worsteling? Waar overweegt de kunst en waar het ondernemerschap?

Advertenties

Jeroen Jaspaert, animator en regisseur van animatiefilms: “Het is niet omdat je van je job geniet, dat mensen daar misbruik van mogen maken”

Br7JveeIgAAzmFj.jpg large

Heb je kleine kinderen in huis? Toon ze dan zeker eens een paar filmpjes van Bing Bunny. We moeten nog even wachten op de Nederlandstalige versie die op Ketnet zal lopen, maar de kleintjes (en hun ouders) vinden het Engelstalige origineel net zo leuk. Ik hou zelf vooral van het rustige tempo, de herkenbare verhalen, de héérlijke Engelse vertelstemmen en de giga-aaibaarheidsfactor van de figuren.

Onlangs interviewde ik de regisseur van de Bing-serie, Jeroen Jaspaert, voor een nieuwe Kanttekening.

Zes middelbare schooljaren lang riep hij van de daken dat hij leraar zou worden. Maar toen puntje bij paaltje kwam, bedacht hij zich: animatie zou het worden. “Ik was als kind al altijd artistiek bezig”, vertelt animator Jeroen Jaspaert. “Ik tekende, schilderde, speelde toneel… Maar ik had er nooit bij stilgestaan dat ik van iets creatiefs ook mijn beroep kon maken.”

BAFTA_BING (1)“In de zomer voor ik zou beginnen voortstuderen, hoorde ik per toeval een radio-interview met Raoul Servais, de pionier van de Belgische animatiefilm. Toen besefte ik dat in animatie mijn liefde voor tekenen en die voor acteren samenvielen. Zo ben ik op het laatste nippertje – en zonder er al te veel over te weten – dus toch in een creatieve richting terechtgekomen. Ik volgde de vierjarige opleiding in Genk. In het eerste jaar leerde je daar ook heel veel over algemene filmtechnieken: hoe werken cameralenzen, hoe zit een goede lay-out of een verhaalstructuur in elkaar… Nu ik als regisseur werk, heb ik daar nog veel aan.”

Hoe vlot heb je nadien de stap naar het professionele leven gezet?

“Het zag er eerst naar uit dat het vrij moeilijk zou verlopen. Het laatste jaar in Genk was erg zwaar. We kregen geen lessen meer, maar moesten twee animatiefilmpjes maken. Toen die af waren, wou ik even niet meer aan animatie denken. Ik heb die zomer daarom voor de Tiense bietencampagne gewerkt. En terwijl ik bietenplantjes zat te zaaien en zo, besefte ik plotseling dat ik helemaal niet wist hoe je professioneel animator moest zijn. Hoe goed moest je zijn en hoe snel moest je kunnen werken om in de industrie aan de bak te komen? En waren er überhaupt wel animatiestudio’s in België? Daarom heb ik me ingeschreven voor een bijkomende opleiding van een half jaar in Londen. Elke maandagochtend kregen we een opdracht, elke vrijdag presenteerden we het resultaat. We waren met 30 studenten die alle 30 even gedreven waren en allemaal de besten wilden worden in ons vak. Ook dat maakte het tot een fantastisch semester. Door onze geestdrift stuwden we elkaar vooruit: jij kunt dit? Dan wil ik ook beter doen! In die zes maanden ben ik écht animator geworden. Ik kreeg meer zelfvertrouwen om oprecht trots te zijn op mijn teken- en animatiewerk en ermee naar buiten te komen. Zo kon ik eigenlijk vrij snel sollicitatiegesprekken krijgen in enkele grote Engelse animatiestudio’s. Een week na de diploma-uitreiking kon ik aan mijn eerste opdracht beginnen. Ik ben dus in Londen blijven hangen en 14 jaar later ben ik hier nog.”

Lees meer.

Beeldend kunstenaar Nick Ervinck: “Als je kunst in een nine-to-five probeert te gieten, haal je het niet”

Een nieuw artikel in mijn reeks ‘Kanttekening’, voor Kunstenloket!

“Ik voldoe volledig aan het cliché van de West-Vlaamse ondernemer”, zegt beeldend kunstenaar Nick Ervinck. “En dat bevalt me wel.” Het resultaat is er dan ook naar. Hij heeft een studio met een klein team en als je zijn agenda voor 2015 bekijkt, lijkt hij alomtegenwoordig. “Ik tel nu al een kleine 20 tentoonstellingen en 5 monumentale kunstwerken in 10 verschillende landen”, vertelt hij. “Het is nog een recent verhaal, maar dat maakt het natuurlijk extra fijn.”

Nick Ervinck c&bw Compl Color (2)

“Er zitten enkele erg boeiende projecten aan te komen. In Bozar komt een tentoonstelling met werk van kunstenaars, designers, architecten enzovoort, die allemaal werken met 3D-printen. Ik neem ook deel aan Sweet 18 in Kasteel d’Ursel in Antwerpen. Hedendaagse kunstenaars en ontwerpers laten zich er inspireren door de 18de eeuw. De kasteelsetting is interessant, omdat het geen typische tentoonstellingsruimte is. Een piepklein, maar fijn project vindt plaats in LOMAK, Tessenderlo, het kleinst denkbare museum voor hedendaagse kunst. De toeschouwer kijkt door zo’n typische toeristische verrekijker naar het museum: een bakje van 35 bij 35 centimeter aan de zijgevel van het stadhuis. Na Koen Vanmechelen en Arne Quinze krijg ik er een mini-solotentoonstelling. In juni komt in de Nederlandse gemeente Emmen een monumentale sculptuur van 10 meter hoog te staan. In september volgt daar dan een tentoonstelling, zodat de bewoners beter kennis kunnen maken met de kunstenaar achter dat werk. Ook heel blij ben ik om mijn deelname aan Vormidable, een parcours met werk van 35 hedendaagse Vlaamse beeldhouwers in Den Haag. De organisatie verwacht 200.000 bezoekers, een aantal dat je als jonge kunstenaar niet zomaar haalt.”

Hoe, wanneer en waarom ben je de weg van de beeldende kunst ingeslagen?

“Als kind was ik altijd creatief bezig. Ik bouwde graag met lego en ik knutselde veel: ik ging bijvoorbeeld geregeld mee naar de hobbyclub die mijn oma onder haar hoede had. Daar zat ik dan tussen dat veel oudere publiek pluchen beertjes en kralenboompjes te maken. Ik kwam echter totaal niet uit een culturele familie, dus het idee om echt kunstenaar te worden, was wel heel ver van mijn bed. Toen ik 15 was, dacht ik daarom nog boekhouder te worden, maar het is lichtjes anders gelopen.
Kort daarna schakelde ik over van de richting economie naar architectuur: huizen ontwerpen leek me wel wat. Maar de bittere realiteit is dat het ontwerpproces maar een kleine fractie is van de hele architectuurmolen. Daarom hield ik ook dat snel voor bekeken. Ik studeerde in het middelbaar af in de richting keramiek. Fantastisch was dat: er is niets vrijers dan met je handen in de klei te kunnen zitten. Toch vond ik het te eng om er ook nog vier jaar voor naar Sint-Lucas te trekken.
Dankzij een introductie in Photoshop had ik intussen beseft dat je met computers ook andere dingen kon dan een gamesverslaving opdoen. Daarom ben ik op 18 heel naïef op zoek gegaan naar een richting waarin ik al mijn interesses kon combineren. Het werd 3D Multimedia aan het KASK. We kregen er standenbouw, film, fotografie… van alles wat. Maar pas toen ik de richting Mixed Media ontdekte, had ik eindelijk het gevoel dat ik echt op mijn plaats zat. Daar heb ik mijn eigen visie en beeldtaal kunnen ontwikkelen. En dat vind ik ook het belangrijkste wat je uit een studierichting moet halen. Het is iets wat je niet zomaar uit een boek leert.”

Hoe heb je het na je studie aangepakt om van kunst ook echt je beroep te maken?

“Ik dacht meteen een appartement en atelier in Gent te huren, maar na een eenvoudige rekensom besloot ik eerst een tijd terug bij mijn ouders te gaan wonen. Mijn atelier was een oude varkensstal in de boerderij van mijn oma. Hij was 20 vierkante meter groot en er zat nauwelijks nog glas in de ramen, maar ik zat er voortdurend te werken – 7 dagen per week. Om mijn materialen te kunnen betalen, gaf ik les aan de academies van Kortrijk, Tielt en Menen, later ook aan het KASK.
Stilaan gingen de dingen toen aan het rollen. Een vaste formule bestaat daarvoor niet, maar ik kan wel enkele ijkpunten aangeven die me de nodige zetjes hebben gegeven. In 2006 won ik een prijs van de Provincie West-Vlaanderen, de Fortisprijs op Lineart én ik kreeg een grote tentoonstelling in de Brakke Grond in Amsterdam. Die dingen hadden impact: van vandaag op morgen was ik dubbel zo bekend. Twee jaar later kocht een bekende Kortrijkse verzamelaar een werk van me en zo kwam ik in het verzamelaarsmilieu terecht. In 2009 mocht ik dan een monumentale sculptuur plaatsen op het dak van de Stichting Liedst-Meesen in de Gentse Zebrastraat. Zoals het in onze cultuur wel vaker gaat, moet je voor wedstrijden of oproepen vaak referenties geven. Maar iemand moet je als beginnende kunstenaar wel de kans geven om die referenties op te bouwen. In de Zebrastraat heb ik die toen gekregen.”

www.nickervinck.com

Sweet 18, Kasteel d’Ursel – Ursel 01/05/2015 – 05/07/2015
Vormidable, Den Haag, 20/05/2015 – 31/08/2015
Making a difference, Bozar, Brussel, 24/05/2015 – 07/06/2015
GNI-RI jun 2015, LOMAK, Tessenderlo, vanaf 12/06/2015
GNI-RI sept 2015, CBK – Emmen (NL), 12/09/2015 – 06/12/2015

Lees meer.

Kristien Bonneure en Lucas Vanclooster kiezen kunst voor het stilste plekje van Vilvoorde

Kunst in de Troost, 24-26 april 2015

“Eén keer per jaar…
Eén keer per jaar de rust ervaren van het stilste plekje van Vilvoorde…
Eén keer per jaar achter de muren kijken van het karmelietessenklooster Onze-Lieve-Vrouw-van-Troost.”

Dat stilste plekje van Vilvoorde is een kolfje naar de hand van VRT-journaliste Kristien Bonneure, die de laatste tijd van stilte een van haar belangrijkste thema’s maakt. Voor de zestiende editie van ‘Kunst in de Troost’, in de kloostertuin en conventsgebouwen van ‘Den Troost’ in Vilvoorde, kozen zij en haar echtgenoot Lucas Vanclooster de kunstenaars uit. “Het zijn er 26 geworden, uit Vilvoorde, Vlaams-Brabant en ver daarbuiten. Ze werken in uiteenlopende materialen en met verschillende thema’s.”

Ik interviewde Kristien Bonneure onlangs over het belang van rust en stilte. Het was een boeiend en inspirerend gesprek, met stof tot denken voor iedereen die af en toe het gevoel heeft dat het eventjes genoeg is geweest. Met het lawaai. De drukte. Het te veel aan alles.

Het artikel verscheen in het magazine van gehoorspecialist Lapperre. Ik herneem hier een goed deel ervan.

Kristien Bonneure: ‘Stilte is essentieel democratisch’

Kristien Bonneure hield altijd al van rust en stilte. Een boek lezen. Een wandeling in de natuur. Even de tijd nemen voor kleine dingen. Ze kwam terecht op de radionieuwsdienst van de VRT. Een droomjob die ze 20 jaar met verve uitoefende. Tot het genoeg was. Genoeg lawaai. Genoeg hectiek. Ze ruilde de jachtige en immer rumoerige nieuwsdienst in voor de redactie van Cobra.be. Ook in haar privé-leven maakte ze meer ruimte voor al wat onder de noemer ‘stil’ kan vallen. Van de weeromstuit werd stilte een thema.

Ze zocht haar eigen rust op, sprak met stiltezoekers, las boeken, schreef blogposts, opiniestukken en uiteindelijk Stil leven. Een stem voor rust en ruimte in drukke tijden. “Ik heb me op alle mogelijke manieren verdiept in het thema, maar fundamenteel veranderd heeft het me niet. Het heeft me eerder bevestigd in wie ik ben”, zegt ze. “Ik heb altijd een grote liefde gehad voor stilte. En dan niet zozeer voor de absolute akoestische stilte, maar voor rust en het kunnen onderscheiden van verschillende geluiden. Zelfs als student hield ik al niet van die soep van geluiden die ons vaak omringt. Na 20 jaar in de media merk je dat die omgeving toch bijzonder lawaaierig is geworden. En dat heeft vooral te maken met de ontzettende versnelling van informatie die op je af komt. Ik verhuisde naar Cobra om in een kleiner team en een kleinere ruimte te kunnen werken. Ik wou ook graag diepgravende stukken schrijven, die misschien niet helemaal los stonden van de actualiteit, maar er toch iets meer afstand van namen.” In haar vrije tijd volgde ze dezelfde beweging. “Ik ben weer meer beginnen wandelen en ik doe een paar keer per week aan yoga: heilige momenten.”

Prikkeldraad
In de loop van haar stiltezoekende traject, is Kristien Bonneure – tot haar eigen verrassing – toleranter geworden voor bepaalde vormen van geluidsoverlast. “We leven nu eenmaal in een wereld vol geluid. Je kunt niet vanuit een extreem egocentrisme je stilte opeisen en bewaken met prikkeldraad.” Dat wil nog niet zeggen dat de knoppen onbegrensd naar rechts mogen worden gedraaid. “Ik ben absoluut voorstander van regelgeving en sensibilisering”, zegt ze. “Met de huidige geluids- en isolatienormen zijn we op de goede weg, maar het kan beter. En daarnaast is het natuurlijk vooral een kwestie van geven en nemen. Ik heb mijn stilte nodig en op sommige momenten of plaatsen is die er niet. Dan stel ik mijn behoefte even uit of ik ga het lawaai uit de weg.”

Reservoir
“Het zou erg zijn als rust en stilte werden weggezet als een trendy bezigheid. Dan dreigen ze koopwaar te worden en uiteindelijk iets exclusiefs voor wie het betalen kan”, legt Kristien Bonneure uit. “Stilte is essentieel democratisch, omdat het er altijd is.” En ja, ze is soms schaars, maar als je wat moeite doet, stuit je altijd wel op een reservoir ervan. “Het is helemaal niet moeilijk om in dat reservoir te zwemmen, maar het kan moeilijk zijn om de eerste stap te zetten: je smartphone uit te zetten of die veelheid aan geluidsbronnen even bewust te mijden.”

Een sluitende definitie van stilte bestaat niet, vindt Bonneure. Stilte is voor iedereen anders. “Voor mij is het een mogelijkheid om de dingen wat rustiger en met meer afstand te bekijken. Daardoor leer je alles beter in perspectief te plaatsen. Uiteindelijk geeft het je een blik op waar het echt om draait in het leven.”

Dingen tijd geven
Kristien Bonneure is optimistisch. “We zitten wel degelijk zelf aan de knoppen en je ziet ook hoe meer en meer mensen naar eigen vermogen meer rust in hun leven proberen te sluizen. “Hoe moeilijk het soms dus ook lijkt: stel je grenzen, denk na, probeer dingen uit en laat ze voortduren als ze werken voor jou.”

De journaliste gaat nu en dan echt op retraite. Maar op doordeweekse dagen zoekt ze het in kleine dingen. Dan gaat de televisie na het Journaal bijvoorbeeld resoluut uit. “Je zou er versteld van staan hoeveel tijd dat creëert om te lezen.” Verder staat ze elke ochtend een uur vroeger op dan haar man en kinderen. “Ik zet geen radio op, bekijk de kranten alleen van op een afstand. Dat zijn mooie momenten van stilte voor de herrie van de dag begint.” Ook een activiteit de tijd geven die ze nodig heeft, creëert rust. “Zelfs bij iets banaals als aardappelen schillen, krijg je veel meer het gevoel dat je kunt ademen als je het niet op een drafje doet. Ik probeer ten slotte altijd één ding tegelijk te doen: als je vijf taken ineens aanvat, heb je uiteindelijk nooit het gevoel dat iets af is.”

www.kristienbonneure.wordpress.com

www.kunstindetroost.be

Kunst voor het goede doel: ‘Ode aan Floortje’

Johan Nootens over kunstveiling De Eglantier

Tervurenaar Johan Nootens is een doorgewinterd Germanist en met de jaren gemilderd taalzuiveraar. Hij was taaladviseur en eindigde zijn loopbaan als communicatiemedewerker van de Vlaamse Ombudsdienst. Zijn vrije tijd wijdde hij jarenlang volledig aan De Eglantier, een dagcentrum voor kinderen met een ernstig meervoudige beperking. Zo zet hij, samen met een tiental andere vrijwilligers, al 27 jaar zijn schouders onder de driejaarlijkse kunstveiling van het centrum. Op 17 mei vindt daarvan de negende editie plaats.

Een klein en kwetsbaar meisje vormt de kiem van De Eglantier: Floortje, het dochtertje van Johan Nootens. Floortje werd geboren in 1976. In haar eerste levensjaar leek ze een heel gewone, gezonde baby. Maar daarna werd al snel duidelijk dat er iets ernstig mis was. Na een calvarietocht langs dokters en ziekenhuizen bleek dat ze leed aan het syndroom van Cockayne. ‘In die tijd wist men daar nog niks over: in heel de wereld waren er nog maar drie of vier gevallen beschreven. Wel beseften we meteen dat het een zwaar probleem was: ze kwam niet aan, verouderde razendsnel, was niet beschermd tegen UV-stralen, had microcefalie (een te kleine schedelomvang) – het hield niet op.’ Tot overmaat van ramp vonden haar ouders nergens geschikte opvangmogelijkheden voor haar. ‘Ik leerde iemand kennen van de huidige Gezinsbond en nodigde hem samen met enkele vrienden en lokale politici van diverse zuilen uit voor een vergadering bij me thuis. Die avond is het verhaal van De Eglantier begonnen: halsoverkop, niet gehinderd door veel kennis van zaken, maar vol enthousiasme hebben we ons erin gegooid. We kochten een pand op de grens tussen Bertem en Tervuren en begonnen dat tijdens de weekends te verbouwen. Onze avonden gebruikten we om de wetgeving te bestuderen. Die eerste periode had het centrum het moeilijk. Op een gegeven ogenblik zaten we zelfs te rekenen of we nog genoeg geld hadden om de opzegvergoeding van het personeel te betalen. Het was een totaal onverantwoorde start. Eigenlijk is het verbazingwekkend dat we het gehaald hebben, maar dat maakt het natuurlijk bijzonder hartverwarmend om te zien wat voor een bloeiend centrum De Eglantier vandaag is.’



Veiling

‘Een dagcentrum als De Eglantier heeft veel geld nodig. Ze werken hier tegenwoordig heel intensief met kleine groepjes van telkens vijf kinderen. Uiteraard krijgt het centrum subsidie voor zijn werking, maar toch moet het jaarlijks nog een 50.000 euro zelf ophalen.’ De kunstveiling is nu al 27 jaar een vaste extra bron van inkomsten voor De Eglantier. Ze wordt om de drie jaar georganiseerd en mag rekenen op de hulp van een almaar groter wordend aantal kunstenaars. ‘Een kunstenaar als Ward Lernout schenkt bijvoorbeeld al jaren schilderijen voor onze veiling. We zijn daar erg erkentelijk voor: we beseffen immers ook wel dat zulke mensen aan de lopende band vragen krijgen om iets gratis weg te geven. Maar De Eglantier kan al sinds zijn beginfase rekenen op een groot draagvlak van lokale sympathisanten. Zoiets is fijn om vast te stellen.’ Dit jaar kan het publiek werken van meer dan 100 verschillende kunstenaars met de meest uiteenlopende stijlen op de kop tikken. ‘Er zijn zelfs twee werken van Roger Raveel bij, een groot werk van Rudi Pillen en een ontroerende ‘Maurice’ van Ingrid Godon. Ik denk dat het weer een heel mooie veiling zal worden’, zegt Johan Nootens.

Broodnodige ademruimte
De opbrengst van de veiling gaat integraal naar Huis 20, het nieuwe zorginitiatief met hotelfunctie dat De Eglantier binnenkort opent. Ouders die voor De Eglantier kiezen, willen zoveel mogelijk zelf voor hun kind zorgen. Eenvoudig is dat niet. Het gaat stuk voor stuk om kinderen met een ernstig meervoudige beperking. Zulke kinderen vragen ontzettend veel zorg. ‘Het wordt er niet eenvoudiger op wanneer ze ouder worden’, legt Johan Nootens uit. ‘Til maar eens een jongen van 16 om hem een nieuwe luier om te doen. Je laat zo’n kind ook niet zomaar achter bij de grootouders of een externe babysit. In veel gevallen is dat zelfs helemaal niet mogelijk.’ Veel van de ouders zijn dan ook dringend op zoek naar wat respijt. Een avond uit eten, een weekend weg met zijn tweeën, een zondag nietsdoen – het zit er nooit in voor hen. Dus toen aan de overkant van de straat een huis te koop kwam, greep de leiding van De Eglantier die kans met beide handen: na een grondige renovatie kan in Huis 20 overdag een extra groepje kinderen terecht. Tijdens de weekends kunnen ouders hun kind er af en toe laten logeren. Het krijgt er alle zorgen die het nodig heeft en de ouders kunnen even op adem komen.

Onbegrip
‘De kinderen die naar De Eglantier komen, leven in een totaal andere en voor buitenstaanders onbegrijpelijke wereld’, zegt Johan Nootens. Met zulke zwaar gehandicapte kinderen ga je als ouder of begeleider ook niet zomaar op stap. Ze hebben er zelf meestal niets aan. En soms is de zorgbehoefte zo groot dat je onmogelijk alles wat het kind nodig heeft mee op verplaatsing kunt nemen. ‘Zelfs als het wel kan, raak je het als ouder ook beu om constant een bezienswaardigheid te zijn. Sommige mensen blijven maar staren.’ Nootens heeft ooit geprobeerd om uit te leggen hoe het is om zo’n kind te hebben, maar het bleek een onmogelijke opdracht. ‘Het contrast met een gezond kind is te groot’, zegt hij. ‘Wie niet in die situatie zit, kan gewoon niet bevatten hoe zwaar het is om je aparte kind een plaats in je leven te geven.’
Floortje stierf in 1982. Ze was toen zes jaar oud en woog vijf kilo. ‘Ze was zo tenger, zo kwetsbaar… Een kind verliezen is en blijft het allerergste wat er bestaat. Het is als een scheur in je lijf die nooit geneest.’

Hoewel hij begin jaren 2000 wat meer afstand van De Eglantier heeft genomen, is zijn engagement nooit volledig verdwenen. ‘Je kent de wereld van de kinderen, je weet wat de ouders elke dag meemaken, dus het blijft een deel van mijn leven. Alleen wou ik me er niet meer zo totaal door laten opslorpen als voorheen. Wel krijg ik nog telkens een warm gevoel als ik hier binnenkom. De Eglantier doet het goed, Huis 20 komt er nu bij – dat is allemaal zo ontzettend belangrijk… Als ik het op die manier bekijk, heeft Floortjes korte leven toch iets heel moois nagelaten.’

Lees ook het vervolg van het artikel in RandKrant, mei 2014.

17 mei: kunstveiling De Eglantier
www.eglantierkunst.be
www.huis20.be
Vrijdag 16 mei, 16-20 uur, en zaterdag 17 mei, 10-18 uur: tentoonstelling van de werken
Zaterdag 17 mei, 19 uur: start veiling onder leiding van veilingmeester Mon Bernaerts. Ook online kopen is mogelijk.

Ateliers in de Rand 10: ‘De dans met de steen’

De lente doet eindelijk en uiterst voorzichtig zijn intrede wanneer we het atelier van Patrick Crombé bezoeken. ‘Dit beeld is net af’, zegt hij. Het werk staat buiten, in de zon. Het exploreert de ronde vorm en is gemaakt van zwart marmer. De kunstenaar draait de beweegbare bol om op zijn sokkel van wit Carrara-marmer. ‘Zwart marmer is een moeilijk materiaal, omdat het hard is en broos tegelijk, als glas, bijna.’ Het bovenste gedeelte van het beeld is uit één steen gehouwen. Toch lijkt het – voor wie niet goed kijkt – of er verscheidene materialen in gebruikt werden. ‘Ik speel in op de diverse texturen die je uit een steen kunt halen’, vertelt Crombé. ‘Dat noemen ze ook wel de huid van de steen. Dit deel is gezaagd en dit gepolijst’, toont hij. ‘Dit is gesiseleerd en dat stuk is gebouchardeerd, zoals ze zeggen.’

Daglicht
Wanneer Patrick Crombé zijn blik opricht, kijkt hij uit over weides waarin pony’s staan te grazen. Een inspirerend uitzicht, lijkt ons. Maar de voornaamste reden waarom de beeldhouwer graag buiten werkt, is het daglicht. Je hoeft niet met allerhande spots in de weer om klaar te zien waar je mee bezig bent. Precies daarom reist hij ook graag naar Carrara in het Italiaanse Toscane. De marmergroeven geven er al sinds de Romeinse tijd het witst denkbare marmer prijs, de steen waaruit Michelangelo zijn David hieuw. ‘Ik was als kind voor het eerst in Carrara, mee met mijn vader.’ Crombé komt uit een steenkappersfamilie. Zijn vader, groot- en overgrootvader hadden een bedrijf dat steen kapte voor grafzerken, vloeren en zo meer. De beeldhouwer groeide op met één been in het atelier. ‘Steen is een schitterend materiaal. Ik vond dat je er meer kanten mee uit kon.’ Als tiener overwon hij zijn schroom en ging aan de academie leren beeldhouwen. Daarna volgde Sint-Lucas. En algauw lonkte Carrara weer. ‘Ik stapte in mijn auto en weg was ik. Ik trek er nu al 30 jaar op rij naartoe.’ Patrick Crombé huurt er een plaats in een groot atelier. Het is er heerlijk werken. De zon schijnt, de mensen zijn vriendelijk en alle steen die je je maar kunt wensen ligt binnen handbereik. Als je grote blokken ‘bianco carrara’ wil, dan kun je die zelf in de groeve gaan kiezen. ‘We trekken er dan met zijn tweeën naartoe, met onze bottines aan, door de modder.’ Een helm laten ze vaak achterwege, want ze ‘zijn tenslotte in Italië’ en daar zijn regels al eens voor interpretatie vatbaar. Crombé kiest er bewust voor om alles zelf te doen. ‘Van groeve tot tentoonstelling’, zegt hij. ‘Want dan pas heb ik het gevoel dat het werk echt van mij is.’

Een spel, een dans
Patrick Crombé werkt volgens de taille directe: hij begint te beeldhouwen zonder ontwerp of maquette. Hij heeft zo ongeveer een idee in zijn hoofd en hij begint. ‘Als je werkt met een maquette, is de creatie af nog voor je met je steen bezig bent. Met de taille directe duurt de creatie tot het laatste ogenblik. Dat vind ik veel boeiender.’ Als beginnend beeldhouwer gebruikte hij wel nog een maquette. ‘Je leert nog, dus je hebt een houvast nodig. Later wordt beeldhouwen een spel, een dans met de steen.’

Het volledige artikel, sluitstuk van de reeks ‘Ateliers in de Rand’, is verschenen in RandKrant van juni 2013.

Ateliers in de Rand 8: ‘Alles is in beweging’

De winter kent een laatste stuiptrekking wanneer beeldend kunstenaar Bert De Keyser ons verwelkomt in zijn tuin, deel van het golvende Brabantse landschap. ‘Voor de komst van de elektriciteitspost met de ongelukkige naam Breughelpost, waande je je hier – zeker met dit weer – in een schilderij van Breughel.’ Hij woont al heel zijn leven in dit glooiende landschap. Zijn wortels liggen 5 kilometer verderop, op dezelfde weg, iets dichter bij Brussel. De band met het landschap én met de stad is sterk. Hij laat er zijn werk door domineren. Sculpturen, tekeningen, litho’s, schilderijen – het landschap is wat de werken bindt. ‘Zelfs de naakten’, legt hij uit. ‘De welvingen van een vrouw zijn zoals die van het Brabantse landschap.’

Spiegelfilm
In de tuin staat een prototype van de sculptuur Reminiscentie. Het eigenlijke werk staat op een heuvel in Alsemberg. Een grote herdershond weerspiegelt de schaduw van zijn baas, die vermoord op de grond ligt, en de wijde omgeving. ‘De sculptuur herdenkt een grootoom van me, de laatste schaapherder rond Brussel. Zijn hond bracht zijn eten, in een handdoek rond zijn nek. Toen die op een dag met zijn pakketje naar huis terugkeerde, wist zijn vrouw dat er iets gebeurd was.’ Zo blikt het werk terug naar het verleden. Tegelijk legt de tweezijdige spiegel een brug naar heden en toekomst. Hij reflecteert het landschap en – bij helder weer – Brussel. Zo ontstaat een trage film van de veranderende omgeving. De seizoenen, de ingrepen, de oprukkende stad, het verdwijnende landschap. Het zit er allemaal in. Zowat alle elementen uit De Keysers oeuvre komen erin samen.

Dat blijkt ook wanneer we de sneeuw van onze schoenen kloppen en zijn atelier binnen gaan. De ruimte doet evenzeer dienst als archief. Metalen kasten vol tekeningen en schilderijen, mappen met krantenknipsels, maquettes van sculpturen, een oude lithopers die dienst doet als computertafel… ‘Het staat hier vol’, lacht de kunstenaar bijna verontschuldigend.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

(c) Filip Claessens

Essentie
Bert De Keyser toont een map met vrouwelijke naakten. In enkele penseelstreken suggereert hij een welving, een vorm, een beweging. Net zo zijn zijn landschappen. ‘Alles is in beweging’, vindt hij. De kunstenaar tekent geen lijn of punt te veel: de essentie. Hij toont een aantal werken van hopvelden in alle seizoenen. ‘Vroeger was het hier bezaaid met hopvelden. Nu ligt er verderop nog eentje.’ Ook Brussel heeft hij vanuit alle mogelijke hoeken getekend. Daarvoor reisde hij de Rand af, zocht plaatsen vanwaar hij een goed zicht op Brussel had, ging zitten, tekende.

Obsessie
Het overvolle atelier van Bert De Keyser staat symbool voor zijn gevulde carrière. Toen hij 15 was, hield hij het college voor bekeken. ‘Ik vond het te streng, stak er niet veel uit en kreeg constant straf’, zegt hij. ‘Omdat ik graag tekende, lieten mijn ouders me naar Sint-Lukas gaan.’ Daar voelde hij zich op zijn plaats. ‘Kunst is een obsessie’, legt hij uit. ‘Ik herleef als ik teken.’ Hij had tentoonstellingen in het Rijksmuseum en het Rembrandthuis in Amsterdam, maar ook onder meer in Duitsland, Sovakije, Hongarije, de VS en Japan. ‘Het spannendste aan een groot project is toch vooral de deadline: het moet af raken.’ Vooral het groots opgezette Rembrandt-Mondriaanproject in Amsterdam (1996) heeft voor veel nagelbijten gezorgd. Voor de gelegenheid had De Keyser het Museumplein ingekleed met grote gele kaders, die de blik van passanten moesten richten. 17 opleggers en een aantal kranen rukten aan op een moment dat de stenen uit de grond vroren. ‘De omstandigheden voor de opbouw waren moeilijk, dus dat was heel bijzonder.’

Momenteel legt Bert De Keyser zich weer toe op zijn muzikantenportretten. Hij heeft er al zo’n 6000. Jef Neve, Kris Defoort, de familie Kuijken, Jos Van Immerseel… ‘Elke muzikant speelt anders, dus is ook elke tekening anders. Soms worden het bijna realistische portretten, soms zijn enkele lijnen genoeg. Het hangt af van de muzikant in kwestie. Ik ken als het ware niks van muziek’, zegt hij. ‘Maar door de muzikanten te tekenen, kruip ik in hun wereld. Dat is evenzeer een parallel met het landschap: ook daar kruip je helemaal in. Het is een manier om het te begrijpen.’

www.bertdekeyser.be

RandKrant, april 2013.