Feast of Fools: overdaad of schatkamer?

‘Feast of fools – Bruegel herontdekt’ in Gaasbeek is een feest van overdaad. Snoeien in de indrukwekkende lijst namen en werken was spijtig geweest, maar had een evenwichtiger geheel gecreëerd. 

In dit herdenkingsjaar, 450 jaar na de dood van de kunstenaar, wil iedereen een stukje Bruegel serveren. Toerisme Vlaanderen brak dan ook een gul potje open. Ook het kasteel van Gaasbeek smult mee.

Bruegel zelf is er niet, zijn er­fenis des te meer. De expo toont de invloed die de schilder had en heeft op kunstenaars uit het begin van de 20ste én de 21ste eeuw. Elke tijd een nieuwe blik.

Gustave Van de Woestyne, ‘De papeter’ (1911). gemeentelijk museum Gevaert-Minne/Erwin De Keyzer

Haasje-over

Voor het hedendaagse hoofdstuk vroegen gastcuratoren Luk Lambrecht en Lieze Eneman een rist kunstenaars om nieuw werk dat naar Bruegel knipoogt.

De ­selectie had gerust in haar eentje een uitgebalanceerde tentoonstelling kunnen vormen. Neem nu die ene foto van Dirk Braeckman, waarop danseres Lisbeth Gruwez haar lichaam om een Passstück van Franz West manoeuvreert, naast het originele werk van West. Dat beeld is af. Je hoeft er geen vitrine vol modernen bij, zelfs al gaat het om ­Permeke en co.

Er zijn nog kamers waar de werken haast haasje-over springen, maar uiteindelijk is het vooral het kasteel zelf dat de hedendaagse selectie in de weg zit: je zou eigenhandig wat wandtapijten willen oprollen.

Panamarenko, ‘Meikever’ (1975). s.m.a.k./Dirk Pauwels

Feast of fools heeft alle ingre­diënten voor een buitengewone tentoonstelling. De selectie moderne kunst is sterk. De creaties in het hedendaagse luik overtuigen bijzonder. Maar in sommige zalen is het snakken naar een saaie witte muur. 

Ga door de paywall van De Standaard en lees het hele artikel.

‘Feast of fools’. Tot 28/7, kasteel van Gaasbeek. ***

Advertenties

Denkbeeldig oneindig: eerste solo-expo van Ann Veronica Janssens in Nederland

Het prachtige museum De Pont in Tilburg geeft de Belgische kunstenares Ann Veronica Janssens haar eerste grote Nederlandse solotentoonstelling. Het museum en haar werk zitten elkaar als gegoten, zeker in combinatie met vaste stukken van James Turrell en Anish Kapoor. 

 

Het bijzonderst is de ervaring in Janssens’ mistruimte, centraal in de tentoonstelling. Maximaal met vijf tegelijk mag je erin. En maar goed ook. Blue, purple and orange werkt het best als je er in je dooie eentje en in volslagen stilte door kunt dwalen. Een dikke, gekleurde mist omgeeft je, waardoor je ogenblikkelijk elk gevoel voor richting en ruimte verliest. Desoriënterend is het zeker. Je weet dat je een vrij beperkte ruimte bent in gegaan, maar het gevoel van oneindigheid dat de mist oproept, walst elk rationeel argument plat. Voetje voor voetje beweeg je je voort, door de bijna tastbare kleuren heen. Je voelt je gemakkelijk verloren in de illusoire onmetelijkheid, maar tegelijk raak je er volkomen esthetisch opgeladen van. Nu en dan kom je een andere dwalende bezoeker tegen. Even plots als de muur die je onverwachts raakt met je vingertoppen, duikt het silhouet voor je op. En haast automatisch keer je je weer af van elkaar.

Deze installatie vraagt geen praatje. De ander blijft een schim, en zo is het prima.

(c) Andrea Rossetti

 

Goed omringd

‘Wij Hollanders houden van het beroemde Hollandse licht’, vertelt Hendrik Driessen, directeur en hoofdconservator van De Pont. ‘Ook al is de 17de eeuw al lang voorbij, we blijven ons erop beroepen. In de schilderkunst van die periode hebben we immers voor het eerst echt laten zien hoe bijzonder dat licht is.’

Het museum in Tilburg zet er volop op in. De voormalige wolspinnerij gebruikt zo veel mogelijk natuurlijk licht in haar expositieruimtes. En het ent er haar collectie graag op. Zo heeft het museum een aardige verzameling Anish Kapoor en doet diens Sky mirror (for Hendrik) dienst als visitekaartje op het plein voor de ingang.

De voor de hand liggende link tussen het werk van Kapoor en dat van Janssens wordt ook in de tentoonstelling duidelijk. Van Janssens’ IPE 650, een ruwe stalen balk met een spiegelglad gepolijste bovenkant, loop je nogal abrupt de vaste collectie in. Haast vanzelf kom je bij Kapoors grote, gebogen spiegel Vertigo. Om dat werk ten volle te ervaren, moet je bewegen: errond lopen, afstand nemen, dichterbij komen.

Precies zo werkt het oeuvre van Ann Veronica Janssens. ‘Ik zie allerlei relaties tussen Ann Veronica en kunstenaars die we hier al in de verzameling hebben’, zegt Driessen. ‘Eerst denk ik natuurlijk aan het sensorische werk van James Turrell, maar bijvoorbeeld ook aan een schilder als Bernard Frize.’ Doordat de collectie zo consequent is opgebouwd, weet het werk van Ann Veronica Janssens zich uitstekend omringd, als kwam het in zijn natuurlijke habitat terecht.

Ga door de pay-wall en lees meer

Anton Kusters: “Weten hoe je zaken moet doen, geduld hebben en fucking hard werken”

In CC Hasselt loopt momenteel de grootste tentoonstelling uit de carrière van fotograaf Anton Kusters. Mono no Aware + Yakuza toont zijn documentaire reeks over de Japanse maffia waarmee hij al jarenlang en wereldwijd furore maakt. De Yakuza-tentoonstelling krijgt het gezelschap van het recentere Mono no Aware, over vluchtigheid en voorbijgaande dingen. Kusters studeerde politieke wetenschappen en wandelde daarna langzaam de wereld van de fotografie in. “Als ik opnieuw kon beginnen denk ik niet dat ik sneller fotografie zou gaan doen. Op 18 was ik nog te onvolwassen om voor het autonome parcours te kunnen kiezen dat ik nu heb gevolgd.”

 

Souichirou shows his Koi tattoo – 2009

“Tijdens mijn studie Politieke wetenschappen in Leuven volgde ik avondlessen fotografie aan het STUK. We kregen er vooral donkerekamerwerk: leren ontwikkelen en afdrukken. Ik wist op dat ogenblik nauwelijks dat dat bestond, dus ik vond het ontzettend fascinerend. Nadat ik was afgestudeerd was een job vinden mijn eerste bekommernis. Ik kwam terecht in de grafische sector. Pas 10 tot 15 jaar later kwam fotografie weer echt op de voorgrond. Ik ben toen naar de Academie van Hasselt getrokken, om toch eens officieel werk te maken van mijn vorming in de fotografie, al was het maar om te zien of ik geen cruciale aspecten ervan over het hoofd had gezien. Uiteindelijk heb ik om in de plaats van mijn laatste jaar in Hasselt een workshop te gaan volgen in Amerika bij Magnumfotograaf David Alan Harvey. Hij heeft mijn kijk op fotografie en daardoor mijn hele leven veranderd. Toen is het helemaal losgeslagen. David is een goede vriend geworden, we hebben samen Burn Magazine opgestart (een online platform voor opkomend fotografietalent, IM), en hij heeft me gementord in mijn eerste project, over de Japanse Yakuza. Hij heeft me ook geïntroduceerd in het wereldje, op een moment dat ik zelfs niet wist dat er ‘een wereldje’ bestond. Ik heb in die periode dus stappen gezet waarvan ik pas jaren later beseft heb hoe groot ze waren. Daar ben ik David heel dankbaar om.’

 

We horen in deze reeks wel vaker hoe cruciaal het is om op het juiste moment de juiste mensen tegen te komen, die je dan net dat ene zetje kunnen geven dat je nog nodig hebt. Daar ben jij het dus mee eens?

 

“Absoluut. Je kunt zoveel kunst maken op je zolderkamer als je wil, maar als je er niet mee naar buiten komt, zal niemand ervan wakker liggen. Hoe je het doet maakt niet zoveel uit – dat hangt vooral van je persoonlijkheid af – maar je moet ervoor zorgen dat je mensen tegenkomt en mensen zoekt die je kunnen helpen. Je kunt ook altijd een wederdienst bieden, bijvoorbeeld. Toen ik David Alan Harvey leerde kennen, was ik web developer. En dus heb ik hem voorgesteld om de website van Burn Magazine te ontwerpen in ruil voor zijn mentorschap. Natuurlijk kun je dat soort dingen niet afdwingen. Ook dat had ik in het begin nog niet door. Ik was net begonnen met mijn Yakuzaproject, maar ik had nog geen enkele foto. David nam me mee naar bijeenkomsten, feestjes en workshops en stelde me voor aan iedereen die iets betekende in de industrie. Ik vervloekte mezelf omdat ik niets had om aan al al die mensen te tonen. Maar achteraf hoorde ik wat een verademing ze het vonden om over fotografie te kunnen spreken met iemand die eens niet zijn werk aan hen wou opdringen (lacht).

Jaren later kreeg ik opeens telefoon van Monica Allende, die toen fotoredacteur was van Sunday Times Magazine in Londen. Ze wou mijn Yakuzawerk publiceren. Op dat moment waren er maar drie toonaangevende magazines in Europa, en Sunday Times was er daar één van. Als je daarin gepubliceerd wordt, weet je dat er iets aan het beginnen is… Vervolgens is De Standaard erop gesprongen, toen werd ik uitgenodigd voor De Laatste Show en dan is alles eigenlijk ontploft. Zo werkt het dus blijkbaar: twee jaar lang heb ik keihard gewerkt en ging ik constant overal naartoe om mensen te zien, met hen te praten en raad te vragen – die had ik toen ook echt nodig – en blijkbaar had ik dan het geluk dat ik op het juiste moment helemaal geen foto’s had om te tonen (lacht). Ik weet natuurlijk niet of het écht dat is geweest en of het voor anderen ook zo zou kunnen werken, maar ik heb in die periode in elk geval contacten gelegd met mensen. Als ik met mijn werk had lopen leuren, hadden alleen mijn foto’s contacten gelegd, om het zo te zeggen.”

Lees meer

Mono no Aware + Yakuza, nog tot 24 september, CC Hasselt (gesloten in juli).

www.antonkusters.com

www.kunstenloket.be

Beeldend kunstenaar Andres Serrano: ‘Mijn taal bestaat niet uit woorden’

De beelden van de New Yorkse kunstenaar Andres Serrano schudden de toeschouwer wakker. Ze zijn esthetisch, ze schokken en provoceren, ze vertellen je precies hoe de wereld in elkaar zit.

2017_kalender-expo-andres-serrano

Noem Andres Serrano geen fotograaf. ‘Ik ben een kunstenaar met een fototoestel’, zegt hij. De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel tonen de grootste overzichtstentoonstelling van zijn werk tot nu toe. ‘Europa begrijpt mijn werk’, vertelt hij. ‘Ik heb al 12 of 13 museumtentoonstellingen gehad in Europa, waarvan dit absoluut de indrukwekkendste is. In mijn eigen land is er zo nog maar eentje geweest, en dat was meer dan 20 jaar geleden. Europa omarmt mijn werk, Amerika vergeet me graag.’

Provocerend
Geef de naam van de kunstenaar in op een zoekmachine en de woorden ‘provocerend’ en ‘controversieel’ vliegen je om de oren. Die epitheta heeft hij te danken aan werken zoals het legendarisch geworden Piss Christ (1987). Je ziet een kruisbeeld ondergedompeld in een rood-gele substantie. Een mooi beeld. Het is maar door de expliciete titel dat je ook beseft om wat voor vloeistof het precies gaat. Met deze foto vestigde Serrano zijn reputatie als provocatief kunstenaar. Waarom die expliciete titel, kun je je afvragen. Waarom de toeschouwer niet in zijn esthetische bubbel laten? ‘Net omdat ik foto’s maak, vind ik dat ik precies moet vertellen waar de toeschouwer naar kijkt. Zie je, ik bewerk achteraf niks. Mijn beelden zijn wat ze zijn. Als ik mijn publiek dus een volledig rood beeld voorzet en het is in realiteit een monochroom van bloed, dan vertel ik dat in de titel. Ik heb zo bijvoorbeeld ook beelden gemaakt van melk. In het geval van Piss Christ was het net hetzelfde: het ging om urine, het ging om een christusbeeld. Het was niet provocatief bedoeld. Het was wat het was.’

Piss Christ - serrano_site_3_large@2x

Alles beter dan onverschilligheid
De ene noemde het werk godslasterlijk, de ander plaatste het liever in de lange traditie van christelijk geïnspireerde kunst. De discussies laaiden hoog op. Exemplaren van dit en andere van Serrano’s werken kregen in het verleden meer dan eens te maken met vandalisme. Vier van zulke ‘kapotte’ werken maken deel uit van de Brusselse tentoonstelling. ‘Ik vind dat een sterk statement’, zegt de kunstenaar. ‘Het toont aan hoe mijn werk soms opzettelijk verkeerd begrepen wordt. Tegelijk kun je zeggen dat mijn beelden altijd iets losmaken bij mensen. Je kunt ze op verschillende manieren interpreteren – dat vind ik belangrijk – en natuurlijk vind ik het prettiger als je ze positief interpreteert. Maar uiteindelijk is alles beter dan onverschilligheid.’

Taal van het hart
‘Mijn taal bestaat niet uit woorden, is niet intellectueel. Ze komt uit het hart, uit mijn ziel, mijn geweten.’ Hoewel zijn voornaamste bekommernissen esthetisch en artistiek van aard zijn, hoef je geen kunstkenner te zijn om de krachtige verhalen achter zijn beelden te kunnen lezen. Zo fotografeerde hij – zelf een New Yorker met hispanic roots – enkele leden van de Ku Klux Klan. Hij trok naar het dodenhuis en maakte confronterende beelden van personen die een veelal gewelddadige dood waren gestorven. Zijn recentste werk draait om uiteenlopende vormen van foltering. ‘Politieke of sociale analyses van de wereld zijn zeker niet mijn eerste prioriteit als kunstenaar, maar mijn werk reflecteert wel veel van wat er in die wereld gebeurt. Soms loopt het zelfs voorop op zijn tijd.’

Menselijkheid
Erg sprekend in dat opzicht is de gelijktijdige tentoonstelling Denizens of Brussels, die staat opgesteld in de straten van Brussel. Daarvoor fotografeerde Serrano de daklozen van onze hoofdstad. ‘Dat thema gaat al meer dan 20 jaar mee’, legt hij uit. ‘Voor mijn toenmalige reeks Nomads fotografeerde ik daklozen in de metro, met flash en een achtergrond, waardoor het net leek of de foto’s in een studio waren genomen. In 2013 ging ik opnieuw de straat op en kocht ik meer dan 100 van die typische borden waarop daklozen op de een of andere manier om geld vragen. Daarvan heb ik geen foto’s gemaakt, maar een installatie: elk bord is een apart verhaal. Vervolgens maakte ik de reeks Residents of New York en nu dus Denizens of Brussels, waarvoor ik telkens de daklozen van de stad fotografeerde. Ik wil die mensen erkennen als volwaardige inwoners van de stad. Ze hebben misschien geen huis, maar ze wonen er wel. We negeren ze meestal, maar ze zijn er. Beide reeksen gaan in se over menselijkheid – altijd een goed onderwerp voor kunst.’

Dit artikel verscheen eerder in RandKrant, mei 2016. De gepubliceerde versie kan lichtjes verschillen van deze.

www.fine-arts-museum.be

Illustrator Jurgen Walschot: ‘Elke tekst vraagt een ander soort beeld’

Wanneer illustrator-vormgever Jurgen Walschot een stapel van zijn boeken en schetsen op tafel legt, heb je meer dan één blik nodig om zijn stijl te vatten. ‘Ik hou van afwisseling’, zegt hij. ‘Elke opdracht vraagt een andere aanpak.’

Hij neemt prentenboeken voor kinderen, geïllustreerde verhalen voor eerste lezers en bundels voor volwassenen uit zijn rek. Daarin staan prenten in uitbundige kleuren, ingetogen tekeningen, collages, werk in houtskool… ‘Het lijkt misschien gek dat die uiteenlopende dingen allemaal van één persoon zijn. Maar volgens mij vraagt elke tekst een ander soort beeld. Ik leef me in een opdracht in en amuseer me. Zo kom ik aan die uiteenlopende resultaten.’

211_ran16-04_jg20_04_cover_lrBovenaan de stapel ligt de recentste boekenbaby: De ster, de god, de vleugels en de ster. De tekst is van An Willaert, Jurgen Walschot tekende. ‘An is mijn collega aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas Brussel. Zoals dat gaat onder collega’s, waren we eens aan het babbelen over dingen waar we zoal mee bezig waren. Ze liet me de tekst lezen en onmiddellijk kreeg ik zin om er prenten bij te maken. Hij is fantasierijk, poëtisch en uitgepuurd. Daardoor is het een boek geworden waar je in twee minuten door kunt bladeren. Maar je kunt het ook telkens opnieuw oppakken en zult er elke keer weer nieuwe dingen in ontdekken.’ Dat geldt zowel voor de illustraties als voor de tekst. ‘Het boek doet je nadenken’, vindt Walschot. ‘Over het leven, de dood, de dingen waar we allemaal mee bezig zijn.’ Het verhaal begint met een ster die ontploft. Er verschijnen vleugels die op zoek gaan en zich voeden met wat ze tegenkomen. Een walvisgod duikt uit het water op en meet zich de vleugels aan… In twee minuten kun je onmogelijk de vele lagen van het boek vatten. De oerknal kun je herkennen, maar je denkt ook aan engelen en scheppingsverhalen, aan de cyclus van het leven. ‘Veel lezers vinden het boek donker’, vertelt de illustrator. ‘Akkoord, er komt dood in voor en ik gebruik veel zwart in de prenten, maar ik vind dat er ook hoop uit spreekt.’

Persoonlijke details
Hoe begint een illustrator aan zo’n boek? Na de instantklik die Jurgen Walschot voelde toen hij de tekst van An Willaert las, begon hij te schetsen.
Hij pakt het juiste schetsboek van de stapel en bladert er even door, tot hij bij een tekening van een explosie komt. ‘Dit was mijn eerste idee. Het sterrenthema dat ik uiteindelijk heb uitgewerkt, was er toen nog niet bij. Ik las het eerste stuk van de tekst en dacht: de tekeningen moeten knallen.’
Walschot werkt niet graag lukraak. Als hij prenten tekent, kijkt de vormgever in hem constant mee. ‘En dan maak ik vrij snel een kleine maquette die aantoont hoe de vormgeving van het hele boek er moet uitziet. Voor De ster dacht ik onmiddellijk aan een liggend boek. Ik wou ook dat er grote dingen in voorkwamen: een walvis, bergen… Ik hou zelf heel erg van de bergen. Zodra ik wat tijd heb, trek ik er graag in mijn eentje naartoe. Ik kom er tot mezelf. Daarom vond ik bergen perfect bij dat uitgepuurde, filosofische verhaal passen.’ Op die manier verwerkt Jurgen Walschot telkens een aantal persoonlijke details in zijn werk. ‘Een lezer merkt zoiets misschien niet op, maar het zit er wel.’
Zo zul je niet gauw een werk van Jurgen Walschot vinden waar nergens een vogel in figureert. ‘Als de grote lijnen van een tekening klaar zijn, begin ik ze te stofferen met details.’ Hij wijst er enkele aan in verschillende van zijn boeken. ‘Hier zie je twee duiven, daar kruipt een eekhoorn in een boom, hier zit een ekster. Vogels zijn er altijd. Je hoeft maar even naar buiten te kijken en je ziet er wel eentje. Daarom horen ze ook in mijn boeken thuis. Ik hou heel erg van de vrijheid waar die beestjes symbool voor staan.’

Tekenfilms in schoolboeken
Als kind tekende Jurgen Walschot zijn schoolboeken vol. ‘Ik had een lekker dik boek van Frans: daar maakte ik graag van die flip-over tekenfilmpjes in. Het gevolg was wel dat ik mijn schoolboeken op het eind van het schooljaar nooit doorverkocht kreeg. Iedereen wou een volledig blanco exemplaar, terwijl zo’n geïllustreerd boek toch veel interessanter is, niet?’ lacht hij. Op zijn achttiende leek een tekenopleiding hem wel iets, dus hij trok met een klasgenoot naar de eindejaarstentoonstelling van Sint-Lukas in Brussel. ‘Die tentoonstelling heeft me toen zo afgeschrikt, dat ik de studie aanvankelijk niet aandurfde. Ik vreesde dat ik zoiets nooit zou kunnen en koos voor de ‘veiligere’ lerarenopleiding.’ Als eindwerk stak Walschot een kunstproject met illustraties in elkaar. ‘Mijn promotor vond die zo goed dat hij me aanraadde er iets mee te gaan doen.’ En zo trok hij uiteindelijk toch nog naar Sint-Lucas, in Gent. ‘Het gekke is dat ik nu zelf lesgeef aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas in Brussel. Telkens als ik daar tentoonstellingen bouw met werken van de leerlingen, denk ik terug aan die keer dat ik daar zelf zo door overdonderd was. Daarom toon ik altijd graag meer dan de allerbeste eindresultaten. Ik laat ook graag iets zien van het proces dat tot dat resultaat heeft geleid.’

Lees het volledige artikel in RandKrant, mei 2016.

Beeldend kunstenaars Tinka Pittoors en Kris Fierens: “Koppig zijn en doorgaan”

Een zomertentoonstelling in Belgisch-Luxemburg, een kunstveiling voor Ringland in mei, solotentoonstellingen in verschillende galeries, een handvol groepstentoonstellingen en eigen evenementen: het is druk voor beeldend kunstenaars Tinka Pittoors en Kris Fierens. Drie jaar geleden nam het koppel zijn intrek in een oude kopergieterij. Ze beschikken er elk over een indrukwekkend atelier en hebben er plaats om volk te ontvangen. “Omdat we weten dat we het nu aankunnen, organiseren we geregeld atelierbezoeken. Deze plek is onze ambassadeur geworden”, vindt Fierens.

P1190524_1024

Kris Fierens: “We nodigen mensen uit, geven diners en feestjes voor vrienden, bieden mensen atelierbezoeken aan. Een kunstenaar mag niet op zijn mansarde blijven zitten: als de mensen je niet zien, besta je niet.”

Tinka Pittoors: “Kunst is communicatie. Soms vragen we ons zelf af hoe we vroeger overleefd hebben, toen we niet de ruimte hadden om evenementen te organiseren of zelfs maar om ons werk op een degelijke manier tot stand te brengen.”

KF: “Tinka heeft ooit een sculptuur in stukken moeten zagen omdat ze te groot was om ze uit haar mini-atelier te krijgen. We leven hier misschien niet in de grootst denkbare materiële weelde, maar hier kunnen wonen en werken is luxe op zich.”

TP: “Er zijn twee dingen onbetaalbaar in het leven: tijd en ruimte. Wij hebben ervoor gezorgd dat we die hebben. Als je dan met de rest soms wat minder moet doen, dan is dat maar zo.”

KF: “In de kunst gaat het vaak zo: de ene dag eet je droog brood met water, morgen kun je de champagne opentrekken en de dag erna is het weer wat anders. De meeste mensen nemen zulke risico’s niet in het leven en kiezen voor veiligheid. Maar onze grootste rijkdom is dat we kunnen doen wat we doen.”

Wanneer hebben jullie beseft dat de kunst jullie die rijkdom kon brengen?

TP: “Ik zat als kind op de tekenacademie, maar na het middelbaar onderwijs voelde ik me wat schoolmoe, dus toen ik 18 was, wist ik het niet zo meteen. Na een jaar ben ik dan regentaat plastische opvoeding gaan studeren en pas daarna ben ik op de academie terechtgekomen: ik heb schilderkunst en mixed media gestudeerd aan het KASK. Toen heb ik echt alles op alles gezet, want ik besefte heel goed dat ik mijn richting gevonden had en het nu niet mocht verprutsen.”

KF: “Mijn vader zaliger vertelde graag een bepaalde anekdote over mij. Toen ik van mijn eerste dag in het eerste leerjaar thuiskwam, vroeg hij me of ik een lieve juf had. Ik moet daarop geantwoord hebben: Ze heeft een beetje een fout blauw in haar kleedje. Daarmee is veel gezegd. Ik was een dromer en ik zat met een esthetiek die ik wou ontwikkelen, maar ik wist niet hoe. Er leefde bij ons thuis geen cultuur voor dat soort dingen. Tekenschool volgen zat er bijvoorbeeld niet in. Ik was op mezelf wel altijd een beetje creatief bezig, maar niet echt uitgesproken. Wat wel een verschil heeft gemaakt, is dat de beeldhouwer Bert De Leeuw vijf straten verderop woonde. Hij had zijn atelier in een groot, modernistisch gebouw en ik mocht hem af en toe gaan helpen. Dat interesseerde me enorm. Maar voor de rest bleef het vooral zoeken: ik hield vast aan iets wat ik verder niet kon duiden. Uiteindelijk ben ik dan toch naar de academie gegaan, maar ook daar vonden de leraren me onhandelbaar en maakte ik dingen die ze niet echt konden smaken. Het bleef dus een zoektocht. Na veel vijven en zessen ben ik afgestudeerd en dan heb ik de Jeune peinture gewonnen. Op dat ogenblik was ik nog te jong om zo’n prijs aan te kunnen, dus het is erna eerst even bergaf met me gegaan, en daarna weer bergop. Zo, met ups en downs, heb ik stilaan wat respect vergaard.”

Tinka, hoe is de overgang naar het professionele leven bij jou verlopen?

TP: “Ik heb het geluk gehad dat ik onmiddellijk heb kunnen tentoonstellen en enkele verzamelaars heb gevonden die mijn werk begonnen te kopen. Het is eigenlijk allemaal heel natuurlijk gelopen. Mijn eerste tentoonstelling was in café De Geus van Gent. Meteen daarna ben ik opgepikt door het S.M.A.K. voor Coming People. Op financieel vlak hebben mijn ouders in de beginperiode heel goed voor me gezorgd. Ze hadden een huisje met een klein atelier voor me gekocht in Gent, waar ik dus gratis kon wonen en werken. Dat heeft me veel vrijheid gegeven.”

Lees meer via Kunstenloket.

www.krisfierens.eu
http://tinkapittoors.com
www.facebook.com/tinka.pittoors

‘Over vijf jaar’: Wim De Vilder vat de tijd

Vanavond zendt de VRT de tweede aflevering van het nieuwe programma van Wim De Vilder uit. In de drie afleveringen van Over vijf jaar probeert de journalist de tijdgeest te vatten. Wat typeert onze dagen? Wie had de gebeurtenissen en thema’s zien aankomen? Hoe hard is de wereld de afgelopen vijf jaar veranderd en wat is hetzelfde gebleven?

Enkele maanden geleden interviewde ik Wim De Vilder en zijn vader Herman voor een uitgebreid artikel in RandKrant (verschenen in november 2015). We hadden het toen ook kort over het programma:

In 2010 heeft Wim De Vilder zeven vooraanstaande Vlamingen uitgebreid geïnterviewd. De hoofdvragen? ‘Hoe denk je dat je eigen leven, je omgeving en dat waarmee je bezig bent, er in 2015 uit zal zien? Hoe zal de wereld evolueren?’
‘Vijf jaar geleden hebben we daarvan niet meer dan heel korte fragmenten uitgezonden. De rest hebben we achter slot en grendel gestoken’, legt Wim De Vilder uit. ‘Dit jaar zoeken we die zeven opnieuw op en bekijken we of alles gelopen is zoals ze verwacht hadden.’

Rudi Vranckx liet zijn licht schijnen over de wereldconflicten en waar hij dacht dat die in vijf jaar naartoe zouden leiden. Monseigneur Léonard heeft het over de Kerk, Goedele Liekens over privacy, relaties en het schoonheidsideaal. Wouter Vandenhaute – die vijf jaar geleden nog geen eigen zender had – spreekt over de media. ‘Voorts spraken we met Alexander De Croo, toen vers voorzitter van Open VLD, nu vice-premier; met Marleen Temmerman, toen nog senator en verloskundige in Gent, die nu naar de Wereldgezondheidsorganisatie is overgestapt, en met advocaat Jef Vermassen, die in de tussentijd nog een aantal grote processen heeft gevolgd.’
‘Beweerde hij in die tijd trouwens niet dat hij de riem wat zou afwerpen?’ meent vader Herman De Vilder zich te herinneren.
‘Klopt’, lacht Wim. ‘Dat is absoluut een constante in het programma: als ik vroeg wat ik hen voor over vijf jaar mocht toewensen, zeiden ze alle zeven: een rustiger leven. En daar hebben ze geen van allemaal iets aan gedaan.’

Het is duidelijk dat Wim De Vilder veel plezier heeft beleefd aan het maken van het programma. ‘Een aantal dingen veranderen op vijf jaar tijd blijkbaar heel weinig, andere zijn juist razendsnel geëvolueerd. En het viel me tijdens de opnames vooral op dat verscheidene personen de tijdgeest vrij goed hebben kunnen vatten.’

Dit jaar interviewde De Vilder opnieuw zeven personen, en opnieuw gaan hun gesprekken vijf jaar lang de kast in, om er pas voor Over vijf jaar, editie 2020, weer uit te komen.

De hoofdbrok van het dubbelinterview ging natuurlijk over heel andere dingen. Ik herneem ook die tekst hieronder.

Wim en Herman De Vilder: ‘Onze karakters lijken op elkaar’

Wim De Vilder kent iedereen als sympathieke en charismatisch presentator van het VRT-journaal. Zijn vader Herman stond jaren in het onderwijs, schreef artikelen, kunstboeken, liedjes, ja zelfs enkele scenario’s voor het legendarische feuilleton Schipper naast Mathilde, en is een van de stuwende krachten achter de promotie van de School van Tervuren en het museum Hof van Melijn. ‘Vroeger was Wim mijn zoon, nu ben ik zijn vader, als je begrijpt wat ik bedoel’, zegt Herman met een kwinkslag.

Uiterlijk lijken vader en zoon niet bijzonder veel op elkaar, vinden ze. Maar ze horen geregeld dat hun karakters wel erg gelijk lopen. ‘We hebben een bepaalde manier van doen met elkaar gemeen’, vindt Herman De Vilder. Wim: ‘We hebben dezelfde interesses en de weinige talenten die we hebben, liggen ook in elkaars verlengde’, lacht hij.
‘Onze verstrooidheid delen we ook. En het altijd bezig zijn.’
Wim beaamt: ‘Mijn vader heeft ongelooflijk veel energie en dat herken ik inderdaad bij mezelf.’ Zo kunnen ze nog een tijd doorgaan. Taal, muziek, theater, schilderkunst, actualiteit, reizen… ‘Vroeger gingen we met het gezin al geregeld op reis’, vertelt Wim De Vilder. ‘Ik herinner me vooral onze reizen naar de historische kunststeden in Italië, of die naar Joegoslavië, lang voor de oorlog in de regio.’
Herman: ‘En de laatste jaren reizen we weer af en toe samen. We zijn bijvoorbeeld naar Istanboel gegaan, en binnenkort trekken we naar Londen. Ik vind dat heel fijn, die jonge mannen die zeggen: Ma, pa, we zijn nog eens weg! Vroeger was ik de organisator, nu heeft Wim het overgenomen.’
‘Ik zoek het liefst wat minder evidente landen en regio’s op’, zegt die, ‘zoals het Midden-Oosten. Nieuwsgierigheid naar wat er rondom je gebeurt, is een noodzakelijke basis voor een journalist. Vaak biedt het immers nieuwe inzichten, het relativeert bepaalde dingen, plaatst iets in een nieuwe context. Een journalist kan niet breed genoeg kijken. Ik ben me er ook van bewust dat bepaalde regio’s vrij eenzijdig in beeld komen, zeker als het gaat om geweld en hongersnood. Ik trek dan graag naar zo’n gebied om voor mezelf dat beeld bij te stellen. Ethiopië is daarvan een goed voorbeeld. De meeste mensen – en zeker wie al wat ouder is – denken bij dat land nog automatisch aan de beelden van de hongersnood in de jaren 80. Vandaag kun je je nog steeds ernstige vragen stellen bij het regime dat er aan de macht is, maar economisch gaat het Ethiopië voor de wind. Grappig genoeg is het ook een heel groen land, vooral de noordkant, dan. De hongersnood is lang vervlogen tijd, maar toch blijft die reputatie hangen.’

Het unieke licht van Tervuren
De De Vilders wonen al enkele generaties in Tervuren. Herman: ‘Mijn grootvader was hovenier. Hij kwam uit Oost-Vlaanderen, maar kreeg de kans om in Tervuren een groot domein van graaf de Grunne aan te leggen. ‘Mijn vader – de grootvader van Wim – was toen 15’, vertelt hij. ‘Hij is nog even naar Oost-Vlaanderen teruggegaan om mijn moeder te gaan vinden, die een vriendin was van zijn zus. Zo is zij uiteindelijk ook in de streek terechtgekomen. En sindsdien zijn de De Vilders Tervurenaren.’ De volgende generatie is dan wel uitgezwermd naar de streek rond Leuven, maar Wim is alleszins niet uit de gemeente weggetrokken omdat hij ze geen warm hart toe draagt. ‘Toen mijn man – op dat moment nog mijn partner, want we waren nog niet getrouwd – en ik een huis wilden kopen, bleek Tervuren gewoon heel erg duur voor ons. Aangezien Stefaan van Leuven afkomstig is en we heel veel vrienden hebben in de buurt, was die stad een logische keuze voor ons. Ik kom wel nog bijna wekelijks bij mijn ouders over de vloer’, zegt hij. ‘Ze wonen zo ongeveer tussen het Zoniënwoud en het park van Tervuren: een prachtige, groene omgeving. Als kind besef je niet wat een voorrecht het is om in zo’n buurt op te groeien, omdat je het vanzelfsprekend vindt. Het is pas achteraf dat je er echt oog voor krijgt. Momenteel is het park van Tervuren mooier en groter dan ooit. Ik ga er dan ook graag af en toe een rondje lopen.’
Herman De Vilder: ‘Auteur Marguerite Yourcenar schreef na een bezoek aan de familie de Ribaucourt ooit dat ze heel goed begreep waarom zoveel schilders in Tervuren willen werken. Ze vond dat het licht er uniek is. Als Tervurenaar zie je het wellicht zelf niet zo goed, maar er moet iets van aan zijn.’ Zelf heeft hij vooralsnog geen plannen om de gemeente te verlaten. ‘Mijn vrouw en ik hebben ons ooit voorgenomen om als we ouder werden ons huis te verkopen en iets compacters te zoeken in Leuven. Het plan was toen om dichter bij theater en musea te zitten, maar we hebben het nooit doorgevoerd. We zitten hier goed: er valt altijd wel iets te beleven. Neem nu de tentoonstelling Stars & strips, die nog tot 17 januari loopt in Galerij KIT: een hele expo rond strips en cartoons over Tervuren.’

‘Niet wat het lijkt’
Het gesprek komt op kunst terecht. In de Leuvense woonkamer van Wim De Vilder hangen een paar opvallende hedendaagse schilderijen. ‘Wims liefde voor kunst is ongetwijfeld bij mij begonnen’, zegt Herman De Vilder, die onder meer geschiedenis, Frans en Nederlands, woordkunst en dramatische kunsten studeerde, een carrière in het theater én bij de radio links liet liggen en het onderwijs in ging. In 1967 zag hij in het Afrikamuseum een uitzonderlijke tentoonstelling over de School van Tervuren. Als liefhebber van het impressionisme was zijn nieuwsgierigheid onmiddellijk geprikkeld: De Vilder dook in een gepassioneerd onderzoek dat bijna 50 jaar later nog altijd aan de gang is. ‘De School van Tervuren is een groep schilders die tussen 1860 en 1900 in onze streek heeft geschilderd. Voor 1967 wisten wij niet dat Tervuren zo’n belangrijke rol had gespeeld in de schilderkunst – die passage was nagenoeg vergeten geraakt.’ Kort nadien beslisten De Vilder, wijlen Maurits Wynants en een handvol anderen tussen pot en pint om de School van Tervuren uit de vergetelheid te halen. ‘De stroming bleek veel belangrijker dan ik voor mogelijk had gehouden’, vertelt hij. ‘Deze schilders hebben als eersten hun ateliers verlaten, de oude, strikte regeltjes overboord gegooid en zijn in de vrije natuur gaan schilderen. Wat zij deden is later geëvolueerd tot het impressionisme, dat vooral in Frankrijk belangrijk is geworden met Monet, Manet, Pissaro, Renoir… In onze contreien is het uitgemond in een ander type impressionisme, namelijk dat van de weersomstandigheden. Bij de Franse impressionisten lijkt het of het altijd schitterend weer was. Hier bij ons niet: een Guillaume Vogels en Lucien Frank schilderen ook het slechte weer. Dat, plus het realisme van de natuur, de kleuren, het licht, de omgeving, maakte hun werk erg bijzonder.’
‘Wie is eigenlijk je favoriete schilder uit de School van Tervuren?’ wil Wim weten. Zijn vader hoeft niet lang na te denken. ‘Dan kies ik toch voor Lucien Frank’, antwoordt hij, ‘Zijn werk is zeker zo sterk als dat van een Emile Claus. Het leunt ook het meest aan bij het impressionisme: hij heeft er zo’n beetje zijn eigen vorm van bedacht.’
Herman De Vilder legt uit hoe hij vroeger zijn twee zonen meesleepte naar musea en tentoonstellingen. ‘Maar ik zei ze ook dat zij, als jonge gasten, niet naar de 19de-eeuwse kunst moesten teruggrijpen. Ik probeerde ze wat meer in de richting van de hedendaagse kunst te schuiven.’
Als Wim De Vilder één favoriete stroming uit de hele kunstgeschiedenis moet pikken, dan noemt hij ogenblikkelijk de Cobrabeweging uit de jaren 50 van de 20ste eeuw. ‘Appel Corneille, Alechinsky… Ik droom er wel van om ooit een werk van een van hen te kunnen kopen. De vrolijkheid die van veel van die werken uitgaat, spreekt me aan. De felle kleuren, de uitbundigheid. Maar als je dan naar de dieperliggende betekenis gaat kijken, is die vaak helemaal niet zo positief. Cobra is niet altijd wat het lijkt.’
‘Vergeet ook Dotremont niet, hè’, voegt Herman toe. ‘Ook een Tervurenaar. We hebben afgelopen zomer op de Grote Markt nog een van zijn logogrammen laten plaatsen: zwart op een witte gevel, recht tegenover zijn geboortehuis. Daarmee zouden we graag nog doorgaan. Stel je voor: een gevel met een mooie tekening van Hippolyte Boulenger, boegbeeld van de School van Tervuren, of iets van Somville, ook iemand die in Tervuren heeft gewoond en gewerkt. We hebben nog een aantal gevels die we ervoor zouden kunnen gebruiken, hoor’, lacht hij, ‘maar zulke projecten zijn een kwestie van centen. En daarvoor beleven we momenteel niet de beste tijd…’

Onderwijsmicrobe
We bomen nog wat door over dingen die vader en zoon gemeen hebben. En vrij snel komen ze bij de onderwijsreflex. Hoewel Wim die carrièreoptie nooit echt heeft overwogen, moet hij toegeven dat het gen hem niet vreemd is. Herman: ‘Ik heb ooit nog Nederlandse expressie gegeven: interviewtechnieken, presentaties, dat soort dingen. En dat zet Wim nu in zekere zin voort.’
‘Klopt’, zegt die. ‘Vooral binnen de VRT geef ik geregeld opleidingen: presentatietrainingen, training van reporters-ter-plaatse, enzovoort. Die onderwijsmicrobe zit er ergens toch echt in. Uiteindelijk mag ik als nieuwsanker de mensen toch ook diets maken wat er die dag in de wereld is gebeurd en er wat context bij geven. Dat gebeurt in het Journaal natuurlijk niet met het belerende vingertje, maar dingen verhelderen ligt toch niet heel ver van onderwijzen vandaan.’ De roep van de media klonk voor Wim De Vilder echter altijd sterker. ‘Vrienden vertelden me dat we vroeger zelfs nieuwsbulletins schreven en inlazen op cassette. Zelf ben ik dat vergeten, maar blijkbaar zat die interesse er toch al vroeg in. Ik ben dan rechten gaan studeren, wel altijd met het idee om er nadien nog communicatiewetenschappen bij te nemen. Toen ik beide studies afgerond had, had ik drie opties: ik kon aan de slag als assistent aan de universiteit van Gent, ik kon naar de balie of ik kon bij de VRT beginnen, waar ik stage had gelopen. Ik koos voor de VRT: niet echt een moeilijke keuze – radio en vooral televisie was waar mijn hart lag.’