Elvis Peeters: ‘Je plaats kennen in de kosmos’

03/06/2016

Auteur Elvis Peeters tekent de krijtlijnen voor een nieuwe roman. Intussen beweegt er nog heel wat: vertalingen, verfilmingen, een animatieserie … ‘Het fijne daaraan is dat je er als auteur zelf niets meer voor hoeft te doen.’

Achter de nom de plume Elvis Peeters gaan auteur-muzikant Jos Verlooy en zijn echtgenote Nicole van Bael schuil. ‘We schrijven al onze romans en theaterteksten samen. De gedichten en songs zijn van mij alleen. Sommige mensen vinden dat verwarrend, of ze denken dat ik Nicole heb uitgevonden om interessant te doen. Maar ze bestaat dus echt. Alleen staat ze niet graag in de belangstelling. Daarom geeft ze ook nooit interviews.’ De naam ontstond toen Verlooy in 1982 met zijn punkgroep Aroma di Amore meedeed aan Humo’s Rock Rally. ‘Er waren in de popmuziek twee Elvissen: Presley en Costello. En aangezien Presley was overleden, was er eentje vacant.’

2077_20160427_elvispeeters_5531-2Punk
‘Ik luisterde als tiener vooral naar David Bowie, Deep Purple, Slade. Daarna kwam de punk. De doe-het-zelfgedachte, de energie en de maatschappelijke betrokkenheid ervan spraken me aan. Ik heb eerst een punkblad opgericht en vervolgens een muziekgroep. Het voelde evident om dat te doen, zelfs al konden we toen nog niet spelen. Nu nog voel ik me eigenlijk meer een rocker dan een auteur.’

Schrijven is er dan ook haast toevallig bijgekomen. ‘De man die de belichting deed van Aroma di Amore wou een muziektheatervoorstelling maken. Jij kunt toch al songs schrijven, zei hij. Kun je er geen theaterstuk bij doen? Dat stuk heb ik meteen samen met Nicole geschreven. Er volgde een tweede, dat verscheen in een tijdschrift en opeens trokken er vijf-zes uitgeverijen aan onze mouw: of we soms nog wat hadden. En dus zijn we maar blijven schrijven.’

Relevant
De genres, onderwerpen en thema’s in het oeuvre van Elvis Peeters waaieren alle kanten uit. ‘Alleen de taal en de stijl zijn herkenbaar. Voor uitgevers is dat lastig, maar wij houden van de afwisseling.’ Nog een constante is maatschappelijke betrokkenheid. ‘We vinden dat een boek relevant moet zijn in de tijd waarin het verschijnt. Ik wil ook een mens zijn die zijn plaats kent in de kosmos. Het is bijvoorbeeld niet omdat iets kan, dat je het ook moet doen. Nicole en ik denken en praten veel over de samenleving. Dat sijpelt uiteraard door in de boeken die we schrijven.’

Zo lijkt het alsof de actualiteit De ontelbaren uit 2005 wil inhalen. In de roman overspoelen miljoenen vluchtelingen het Westen. ‘We zijn onlangs de Turkse vertaling gaan voorstellen in Izmir, de plek van waaruit zoveel vluchtelingen de oversteek naar Griekenland wagen. Dat was frappant’, zegt hij. ‘Weet je, ze noemen het boek profetisch, maar in onze roman is de situatie véél erger dan wat we vandaag meemaken. Als je het zo bekijkt, is er dus nog voldoende tijd om ervoor te zorgen dat de voorspelling niet uitkomt. Maar dan zal iedereen toch anders moeten reageren… We zijn zo bang voor de vluchtelingenstroom, maar als je alle mensen telt die in 2015 naar Europa gevlucht zijn, dan zijn dat er een pak minder dan het publiek van een festival als Werchter! We hebben De ontelbaren geschreven nadat we een studie hadden gelezen die stelde dat als we de hele wereldbevolking dezelfde welvaart wilden schenken als die van de gemiddelde Belg, we vier wereldbollen nodig hadden om in alle behoeften te voorzien. Als je zoiets leest, lijkt het niet meer dan logisch dat wie helemaal niks heeft, het wil halen waar het wel is. We zijn binnenkort met 9 miljard mensen. Denk je dat die allemaal lijdzaam gaan toezien hoe rijk wij zijn en zichzelf laten verhongeren? Met hardnekkig beschermen wat we hebben, gaan we het niet redden. De solidariteitsgedachte zal veel sterker moeten worden. Maar je hebt weinig maatschappelijk draagvlak om dingen te veranderen. Politici denken niet verder dan de volgende verkiezingen, terwijl de problemen die we vandaag hebben – denk ook aan de klimaatverandering – zich over generaties uitstrekken. En dus schrijven wij boeken als De ontelbaren in de hoop dat ze kunnen bijdragen tot een andere zienswijze.’

Stukje werkelijkheid
Toen in 2009 de roman Wij verscheen, ontstond een hetze. Het boek werd geprezen, maar evengoed immoreel bevonden. Een groepje jongeren verdrijft de verveling met almaar perversere spelletjes. ‘We kregen er haatmails over’, vertelt Peeters. ‘En ja, het is een hard boek, maar 95% van wat erin staat, hebben we uit de krant of van het internet geplukt: het is een literaire versie van een stukje werkelijkheid.’
De aanleiding van de roman was een samenloop van twee dingen. Op weg naar een vakantiebestemming in Italië zag het schrijversduo enkele meisjes op een brug over de snelweg staan. Ze tilden hun rokjes op en droegen er niets onder… ‘Het gaat snel, je vraagt je af of je het wel goed gezien hebt…’ De beginscène van de roman lag vast: de meisjes veroorzaken bewust een ongeval. Het paste perfect bij het idee dat het echtpaar op dat moment aan het ontwikkelen was. ‘We hadden een reportage gezien waarin wetenschappers nagingen wat voor persoonlijkheden bedrijven zouden hebben als het echte mensen waren. Het bleken stuk voor stuk gewetenloze psychopaten die aan niets anders denken dan winst. Daarop hebben wij doorgedacht: wat als jonge mensen vanuit zo’n filosofie worden opgevoed? Hoe zouden ze in het leven staan? We hebben dat uitgangspunt nergens als een pamflet geponeerd, maar het speelt wel mee.’

Rotte appel
Intussen broedt in de hoofden van het schrijversechtpaar een nieuwe roman. ‘Ik speel met het idee van de rotte appel in de mand. Hij steekt de andere aan en het rotte wordt de norm. Zo gaat het in de maatschappij ook: terroristen veroorzaken een onveilig gevoel, er komen meer camera’s, meer controle, de democratie kalft af. Dat mechanisme houdt me bezig: waarom gebeurt het omgekeerde niet? Waarom maakt de gezonde appel de rotte niet beter? Ik heb geen benul of er iets uit zal voortkomen, want ik weet niet wat Nicole aan het bedenken is. We schrijven altijd eerst een aantal hoofdstukken apart. Vervolgens leggen we alles samen en trekken we naar een koffiehuis om erover te discussiëren. Dat doen we nooit thuis: we kunnen bikkelhard zijn voor elkaar en in het openbaar moet je de discussie toch wat temperen. Soms is het slikken: je ideeën worden al eens afgeslacht. Maar we hebben de afspraak dat we nooit teksten uitbrengen waar we niet allebei 100% achter staan.’ De auteur besluit met een knipoog: ‘Zo komen we dus aan een digitale vergaarbak van onaffe teksten. Ongetwijfeld worden die na onze dood gigantisch succesvol.’

Lees het hele artikel in RandKrant, juni 2016.

Advertenties

Fikry El Azzouzi: “Schrijver ben je heel de dag door”

26/05/2016

Fikry El Azzouzi besloot van de ene dag op de andere dat hij schrijver wou worden. Beginnen en volhouden, dan zou het wel lukken. Tien jaar later is hij volop bezig aan zijn vierde roman en geldt hij als een van de meest beloftevolle stemmen in de huidige theaterliteratuur. “Maar al wat naar zakelijk ruikt, zorgt voor stress.”

_MG_0304-2“Mijn nieuwe roman is het derde deel van de trilogie die begonnen is met mijn debuut, Het Schapenfeest. Ik heb de eerste versie volledig af, maar ben nu alles aan het herschrijven om er de juiste toon en het goede ritme in te krijgen. Dan vertrekt hij naar de uitgeverij en in oktober verschijnt hij.”

Wanneer wist jij eigenlijk dat je schrijver wou worden?

“Zo’n 10 jaar geleden kreeg ik opeens een ingeving: Ik wil schrijver worden. En ik dacht er onmiddellijk bij: Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? Noem het arrogantie of een manier om mezelf op te peppen, want uiteraard besefte ik wel dat ik niet zomaar even een roman uit mijn mouw zou schudden. Ik wist dat ik er hard voor zou moeten werken en dat ik niet te snel zou mogen opgeven als ik er iets mee wilde bereiken. Literatuur interesseerde me al langer. Ik las veel boeken en las ook graag verhalen over de werkroutine van schrijvers. Waarschijnlijk borrelde het dus al wel even, maar het echte plan is er heel spontaan gekomen. Ik had in mijn familie of wijdere omgeving ook geen voorbeelden die me stimuleerden om te gaan schrijven of zo. Ik ben er puur op mezelf mee begonnen.”

Hoe redde je het in die beginjaren financieel?

“Een schrijver ben je heel de dag door, niet zomaar even tussendoor. Ik wou dus hele dagen kunnen schrijven, maar moest intussen wel mijn brood verdienen. Daarom ben ik aan de slag gegaan als bewakingsagent voor een energiebedrijf: je zit aan een bureau en zolang er niets gebeurt, heb je behoorlijk wat tijd om te lezen en te schrijven. Die job heeft me heel hard geholpen om mijn eerste roman tot stand te brengen. Ik ben er pas mee gestopt na Drarrie in de nacht, mijn derde. Het bedrijf had het moeilijk, waardoor er geregeld periodes van economische werkloosheid waren. Omdat ik ook almaar meer opdrachten voor theaterteksten kreeg, heb ik toen ontslag genomen. Dankzij het theater en een column hier of daar lukt het me tegenwoordig om van mijn pen te leven.”

Première Alleen, tg Stan, dinsdag 14 juni, Monty
Roman Alleen zij, verschijnt in oktober bij Uitgeverij Vrijdag.

Lees de volledige Kanttekening op www.kunstenloket.be


Maud Vanhauwaert: “Je identiteit ligt nooit vast – dat vind ik een erg troostende gedachte”

13/07/2015

Nog eens een nieuwe in de reeks ‘Kanttekening’ voor Kunstenloket: dichter, schrijver en tekstperformer Maud Vanhauwaert.

Ze was vastbesloten om vier maanden vrijaf te nemen. Van juni tot eind september zou ze lezen, schrijven en reizen. Niets anders. Maar de opdrachten bleven zich aandienen en ‘nee’ zeggen bleek te moeilijk. Het lot van de creatieve freelancer? Schrijver en tekstperformer Maud Vanhauwaert maakte lange tijd van ‘ja’ haar handelsmerk. “Naar Noord-Nederland om twee gedichten te lezen in een koeienstal? Waarom niet. In het begin aanvaardde ik elke mogelijke opdracht.” En dat wierp vruchten af. “Ik heb er veel in geïnvesteerd, maar nu kan ik ook effectief leven van wat ik graag doe.”

“Ik was 7 toen ik voor het eerst met een gedichtje van Annie M.G. Schmidt op een podium stond. Ik was heel zenuwachtig en ik vond het confronterend om daar helemaal in mijn eentje te staan. Maar de magie die ik toen gevoeld heb, zocht ik later altijd opnieuw op. Na dat ene gedichtje heeft het zich allemaal heel organisch ontwikkeld. Ik heb deeltijds kunstonderwijs gevolgd, ben Germaanse talen en Woordkunst gaan studeren. Bovendien had ik het geluk dat mijn ouders me altijd de vrijheid gegeven hebben om te onderzoeken wat ik wou.”

Hoe ben je dan poëzie en andere teksten beginnen te schrijven?

(c) Jimmy kets“Ik herinner me nog hoe ik als klein meisje aan zo’n groot eikenhouten bureau zat met het voornemen om een nieuwe versie van Jommeke te schrijven. Toch was ik niet zo’n kind dat constant zat te schrijven. In het laatste jaar van mijn opleiding Woord mochten we een masterproject uitwerken en ik koos voor een dichtbundel. Dankzij de steun van de school en van Bart Moeyaert, die mijn begeleider was, is dat gelukt. Nadien is dat bundeltje uitgegroeid tot mijn debuut. Ik merkte toen hoe prettig het is om naar iets tastbaars als een boek toe te werken. Er ontstaat vanzelf een verhoogde concentratie. Als je zomaar wat schrijft, strooi je hier en daar kruimeltjes uit. Maar het is zoveel leuker om broden te bakken: je woorden kneden tot het juiste deeg ontstaat, het langzaam laten rijzen… dat is een genot dat ik pas later heb ontdekt.”

Schrijven is één ding. Er je beroep van maken iets heel anders. Hoe is dat bij jou verlopen?

“Ik heb nooit een duidelijke grens gekend tussen mijn studententijd en mijn professioneel leven. Terwijl ik nog studeerde, deed ik al heel wat kleine opdrachten, vaak als vrijwilliger of voor een kleine onkostenvergoeding. Mijn tactiek – hoewel die zeker niet bewust was – was om op alles ‘ja’ te antwoorden. Vroegen ze me om in het noorden van Nederland twee gedichten te komen voorlezen in een koeienstal, tegen terugbetaling van het treinticket, dan deed ik dat. En graag! Zo heb ik in het begin heel veel kleine dingetjes gedaan. Die gaven me de mogelijkheid om langzaam te groeien in mijn vak, mensen en organisaties te leren kennen. De vraag is blijven komen, waardoor ik vooralsnog nooit heb hoeven te solliciteren. Dat is een luxe, natuurlijk, maar ik heb er wel veel tijd en energie in geïnvesteerd. Ik krijg nu nog soms de vraag wat dan eigenlijk mijn échte werk is. En ja, dit is mijn echte werk: het bestaat uit een waaier aan verschillende opdrachten. Ik heb mijn eigen teksten – die schrijf ik vanuit mijn eigen noodzaak. Daarnaast heb ik hier en daar schrijfopdrachten, zoals de column die ik momenteel voor de krant De Morgen schrijf. Ik geef les aan het conservatorium en ik treed vaak op met mijn eigen teksten. Uit die optredens haal ik mijn voornaamste inkomsten. Met alleen maar in een hoek te blijven zitten en je poëzie in een schriftje te krabbelen, haal je het niet. Maar zo zou ik het ook niet willen. Ik hou van verscheidenheid en ik zoek ook bewust contexten op die buiten mijn comfortzone liggen. Van daaruit kun je immers opnieuw geprikkeld worden. Ik heb vaak gemerkt dat een opdracht waar ik op het eerste gezicht wat moeite mee had, me juist hielp om mijn grenzen te verleggen. Ik beweer niet dat het voor iedereen zo werkt, maar ik zou beginnende kunstenaars toch het advies durven te geven om je zoveel mogelijk open te stellen voor wat er op je af komt. Die tip geef ik mijn studenten ook: probeer een opdracht zo creatief mogelijk naar je hand te zetten, zodat het toch begint aan te voelen als je eigen project. Ik heb nooit het gevoel dat ik teksten die ik in opdracht schreef, moet afgeven. Het zijn en blijven mijn teksten en dat geeft een enorm gevoel van verrijking.”

Lees meer via Kunstenloket.

www.maudvanhauwaert.be

– In juli houdt Maud Vanhauwaert spreekuur op het Kunstenfestival van Watou.
– Vanaf september gaat ze op tournee met haar avondvullende voorstelling Het is de moeite.


Kristien Bonneure en Lucas Vanclooster kiezen kunst voor het stilste plekje van Vilvoorde

23/04/2015

Kunst in de Troost, 24-26 april 2015

“Eén keer per jaar…
Eén keer per jaar de rust ervaren van het stilste plekje van Vilvoorde…
Eén keer per jaar achter de muren kijken van het karmelietessenklooster Onze-Lieve-Vrouw-van-Troost.”

Dat stilste plekje van Vilvoorde is een kolfje naar de hand van VRT-journaliste Kristien Bonneure, die de laatste tijd van stilte een van haar belangrijkste thema’s maakt. Voor de zestiende editie van ‘Kunst in de Troost’, in de kloostertuin en conventsgebouwen van ‘Den Troost’ in Vilvoorde, kozen zij en haar echtgenoot Lucas Vanclooster de kunstenaars uit. “Het zijn er 26 geworden, uit Vilvoorde, Vlaams-Brabant en ver daarbuiten. Ze werken in uiteenlopende materialen en met verschillende thema’s.”

Ik interviewde Kristien Bonneure onlangs over het belang van rust en stilte. Het was een boeiend en inspirerend gesprek, met stof tot denken voor iedereen die af en toe het gevoel heeft dat het eventjes genoeg is geweest. Met het lawaai. De drukte. Het te veel aan alles.

Het artikel verscheen in het magazine van gehoorspecialist Lapperre. Ik herneem hier een goed deel ervan.

Kristien Bonneure: ‘Stilte is essentieel democratisch’

Kristien Bonneure hield altijd al van rust en stilte. Een boek lezen. Een wandeling in de natuur. Even de tijd nemen voor kleine dingen. Ze kwam terecht op de radionieuwsdienst van de VRT. Een droomjob die ze 20 jaar met verve uitoefende. Tot het genoeg was. Genoeg lawaai. Genoeg hectiek. Ze ruilde de jachtige en immer rumoerige nieuwsdienst in voor de redactie van Cobra.be. Ook in haar privé-leven maakte ze meer ruimte voor al wat onder de noemer ‘stil’ kan vallen. Van de weeromstuit werd stilte een thema.

Ze zocht haar eigen rust op, sprak met stiltezoekers, las boeken, schreef blogposts, opiniestukken en uiteindelijk Stil leven. Een stem voor rust en ruimte in drukke tijden. “Ik heb me op alle mogelijke manieren verdiept in het thema, maar fundamenteel veranderd heeft het me niet. Het heeft me eerder bevestigd in wie ik ben”, zegt ze. “Ik heb altijd een grote liefde gehad voor stilte. En dan niet zozeer voor de absolute akoestische stilte, maar voor rust en het kunnen onderscheiden van verschillende geluiden. Zelfs als student hield ik al niet van die soep van geluiden die ons vaak omringt. Na 20 jaar in de media merk je dat die omgeving toch bijzonder lawaaierig is geworden. En dat heeft vooral te maken met de ontzettende versnelling van informatie die op je af komt. Ik verhuisde naar Cobra om in een kleiner team en een kleinere ruimte te kunnen werken. Ik wou ook graag diepgravende stukken schrijven, die misschien niet helemaal los stonden van de actualiteit, maar er toch iets meer afstand van namen.” In haar vrije tijd volgde ze dezelfde beweging. “Ik ben weer meer beginnen wandelen en ik doe een paar keer per week aan yoga: heilige momenten.”

Prikkeldraad
In de loop van haar stiltezoekende traject, is Kristien Bonneure – tot haar eigen verrassing – toleranter geworden voor bepaalde vormen van geluidsoverlast. “We leven nu eenmaal in een wereld vol geluid. Je kunt niet vanuit een extreem egocentrisme je stilte opeisen en bewaken met prikkeldraad.” Dat wil nog niet zeggen dat de knoppen onbegrensd naar rechts mogen worden gedraaid. “Ik ben absoluut voorstander van regelgeving en sensibilisering”, zegt ze. “Met de huidige geluids- en isolatienormen zijn we op de goede weg, maar het kan beter. En daarnaast is het natuurlijk vooral een kwestie van geven en nemen. Ik heb mijn stilte nodig en op sommige momenten of plaatsen is die er niet. Dan stel ik mijn behoefte even uit of ik ga het lawaai uit de weg.”

Reservoir
“Het zou erg zijn als rust en stilte werden weggezet als een trendy bezigheid. Dan dreigen ze koopwaar te worden en uiteindelijk iets exclusiefs voor wie het betalen kan”, legt Kristien Bonneure uit. “Stilte is essentieel democratisch, omdat het er altijd is.” En ja, ze is soms schaars, maar als je wat moeite doet, stuit je altijd wel op een reservoir ervan. “Het is helemaal niet moeilijk om in dat reservoir te zwemmen, maar het kan moeilijk zijn om de eerste stap te zetten: je smartphone uit te zetten of die veelheid aan geluidsbronnen even bewust te mijden.”

Een sluitende definitie van stilte bestaat niet, vindt Bonneure. Stilte is voor iedereen anders. “Voor mij is het een mogelijkheid om de dingen wat rustiger en met meer afstand te bekijken. Daardoor leer je alles beter in perspectief te plaatsen. Uiteindelijk geeft het je een blik op waar het echt om draait in het leven.”

Dingen tijd geven
Kristien Bonneure is optimistisch. “We zitten wel degelijk zelf aan de knoppen en je ziet ook hoe meer en meer mensen naar eigen vermogen meer rust in hun leven proberen te sluizen. “Hoe moeilijk het soms dus ook lijkt: stel je grenzen, denk na, probeer dingen uit en laat ze voortduren als ze werken voor jou.”

De journaliste gaat nu en dan echt op retraite. Maar op doordeweekse dagen zoekt ze het in kleine dingen. Dan gaat de televisie na het Journaal bijvoorbeeld resoluut uit. “Je zou er versteld van staan hoeveel tijd dat creëert om te lezen.” Verder staat ze elke ochtend een uur vroeger op dan haar man en kinderen. “Ik zet geen radio op, bekijk de kranten alleen van op een afstand. Dat zijn mooie momenten van stilte voor de herrie van de dag begint.” Ook een activiteit de tijd geven die ze nodig heeft, creëert rust. “Zelfs bij iets banaals als aardappelen schillen, krijg je veel meer het gevoel dat je kunt ademen als je het niet op een drafje doet. Ik probeer ten slotte altijd één ding tegelijk te doen: als je vijf taken ineens aanvat, heb je uiteindelijk nooit het gevoel dat iets af is.”

www.kristienbonneure.wordpress.com

www.kunstindetroost.be


Ish Ait Hamou: ‘Zolang ik iets te vertellen heb, zal ik dat doen’

01/04/2015

Verhalen vertellen. Dat is wat Vilvoordenaar Ish Ait Hamou wil doen. Dat is wat hij tenslotte al doet van toen hij een jaar of 13 was. Hij vertelt verhalen in dans, in filmbeelden en in woorden.

Binnenkort verschijnt Cécile, de tweede roman van Ish Ait Hamou, vooral bekend als choreograaf en supersympathiek jurylid van het tv-programma So You Think You Can Dance. Kort na de publicatie van zijn debuut interviewde ik hem. Ik herhaal een paar interessante fragmenten.

Over verhalen vertellen, bijvoorbeeld:

‘Verhalen vertellen is de rode draad door alles wat ik doe’, zegt hij. ‘Ik denk sowieso eerst in beelden en probeer die dan zo goed mogelijk om te zetten in dans, film of tekst. Maar uiteindelijk draait het om verbeelding en de verhalen die daaruit voortkomen. Zolang ik iets te vertellen heb, zal ik dat doen, op welke manier dan ook.’

Of over talenkennis:

Taalrijkdom
Zijn broers (één van hen is acteur Mounir Ait Hamou, vooral bekend van de film Les Barons) gingen zoals de meeste jongeren uit hun buurt naar een Franstalige school in Haren. ‘Maar vlak voor ik naar school zou beginnen te gaan, werd de schoolbus afgeschaft’, legt Ish uit. ‘Mijn broers waren al oud genoeg om alleen naar Brussel te gaan, maar mijn zus en ik moesten naar de Nederlandstalige school in Vilvoorde.’ Ish deed het goed op school, maar hij vond het er saai. ‘Onlangs had ik het er met mijn moeder over. Tot dan realiseerde ik me niet hoe erg ik was geweest, maar ik verzon constant excuses om niet te hoeven gaan: hoofdpijn, buikpijn… alles probeerde ik uit. Op weg naar school liepen we voorbij het park en dan probeerde ik vaak weg te vluchten, zodat mijn moeder me moest achtervolgen… Op de schoolbanken zat ik vaak te dagdromen en zodra ik bezig was met breakdance en hiphop, probeerde ik zelf rapteksten te schrijven.’ Korte verzen werden zinnen en zinnen werden uiteindelijk verhalen. ‘Zo vond ik schrijven leuk, maar strafwerk of zelfs opstellen schrijven, vond ik nog altijd helse opdrachten.’ Vandaag is hij zijn moeder niettemin heel dankbaar voor haar schoolkeuze. ‘Thuis spraken onze ouders Frans en Marokkaans. Wij antwoordden meestal in het Frans. Maar dankzij de school ken ik nu ook heel goed Nederlands. Daarzonder had ik bijvoorbeeld nooit jurylid bij So You Think kunnen worden. Ik heb ook een jaar via een uitwisselingsproject in Amerika gestudeerd, wat mijn Engels dan weer enorm vooruit heeft geholpen. Mijn Duits klinkt momenteel wat à la Jean-Marie Pfaff, maar zet me een tijdje in Duitsland en het komt wel weer terug. Al die talen zorgen soms voor een raar accent en gekke zinnen (want soms gooi ik mijn talen een beetje door elkaar), maar veel van de jobs die ik ooit heb gekregen als choreograaf, kwamen er mede dankzij mijn talenkennis. Om interessante opdrachten te krijgen, moet je niet alleen goed zijn in wat je doet, ook het sociale aspect speelt een rol. Soms tippen mensen je bij anderen. Zulke gesprekken gaan niet uitsluitend over kwaliteit: Hij is ook een toffe en respectvolle kerel, zeggen ze erbij. En dat bereik je alleen door taal: je moet kunnen communiceren met de mensen.’

En over dans en bluffen:

Een beetje cool
Toen Ish 12 of 13 was, zag hij een clip van Run DMC op tv. ‘Van het nummer It’s Like That’, vertelt hij. Daarin probeert een groep meisjes-breakdancers een groep jongens te overtreffen en vice versa. ‘En dan zijn er zo van die dingen die je probeert na te doen en die meteen lukken. Bij mij ging dat zo met bepaalde bewegingen uit breakdance. Ik voelde me een beetje cool en wou er meer van.’ Hij ontdekte dat een familievriend ook breakdancete en dus richtten ze samen een crew op. ‘We kregen een zaaltje van de Stad waar we één keer per week mochten gaan dansen. We waren met zijn drieën en we probeerden van alles uit. Les hebben we nooit gevolgd. Het lijkt een gek idee: daar zit je met zijn drieën, je wil iets doen, maar je weet niet goed hoe. En dus keken we naar clips en naar video’s van breakdancekampioenschappen en imiteerden we wat we zagen. Zo leerden we bewegingen te analyseren: hoe breek je een beweging op in verschillende stukken die je nadien weer in elkaar zet? Daar heb ik heel veel van geleerd.’ Er volgden kleine optredens, bijvoorbeeld op de Vilvoordse Jeugddag. ‘Er kwam een reportage op Ring-tv, wat wij natuurlijk fantastisch vonden.’ En uiteindelijk vroeg de Stad of ze soms breakdancelessen wilden geven aan andere jongeren. ‘Ook dat waren heel mooie zaterdagen. We dansten heel de namiddag en kwamen ’s avonds lekker moe thuis – dan sliepen we gegarandeerd héél goed.’ Zijn ouders vonden het allemaal prima. ‘Stel dat ik op 17 had willen stoppen met school om danser te worden, dan had ik een probleem gehad. Maar ik ging naar school en deed het daar goed, dus lieten ze me in mijn vrije tijd mijn gang gaan. Ze zagen ook dat ik er verantwoordelijker door werd. De kassa, de inschrijvingen, de lessen, omgaan met anderen, besprekingen met de Stad… het hoorde er allemaal bij. Ik kreeg de sleutel van de school waar de danszalen lagen. Misschien besefte ik het toen zelf niet, maar van zulke verantwoordelijkheden leer je veel.’
Op 18 trok Ish als choreograaf naar Duitsland om voor Adidas te werken. ‘Dat was stressen’, lacht hij. ‘Een vriendin van me werkte voor het agentschap dat de ploeg mocht samenstellen. Ik ken een heel goeie choreograaf, zei ze. Hij is net terug uit Amerika. En dat terwijl ik superjong was, er nog veel jonger uitzag en puur voor mijn studie in Amerika was geweest…’ Eenmaal op locatie stond hij oog in oog met dansers van wie hij grote fan was en die hij nu leiding moest geven. ‘Doe je voor als de persoon die ze denken dat je bent en ga ervoor’, dacht hij.
‘Gelukkig werd het een succes en mocht ik nog meer shows voor hen maken. Je ziet, een beetje bluf op tijd en stond kan geen kwaad.’

Meer?
Hier!


Sigrid en Hugo Bousset: “In slaap vallen op het ritme van de typemachine”

31/03/2015

In een tamelijk ver verleden liep ik stage bij DW B, het oudste Vlaamse literaire tijdschrift. Ik zat in mijn eerste licentie Germaanse talen in Leuven en nam deel aan een experiment met stages aan de universiteit. Omdat ik toen al vond dat stages een bijzonder waardevolle aanvulling op het academische curriculum zouden kunnen zijn, was ik er als de kippen bij om me kandidaat te stellen voor één van de vier (4!) plaatsen die dat eerste jaar beschikbaar waren.

Ik mocht bij DW B aan de slag. In de loop van mijn licentiejaren (1998-2000) liep ik elke week een voormiddag mee op het redactiesecretariaat van het tijdschrift. Het werd mijn eerste werkervaring en de weinige voeling die ik tijdens mijn studies met het werkveld kreeg, heb ik daar opgedaan. Ik leerde er hoe een tijdschrift gemaakt wordt, hoe coördinatie en eindredactie in hun werk gaan enzovoort. Het meest keek ik misschien nog uit naar de tweemaandelijkse redactievergaderingen, waar de volgende nummers kiem schoten. Daar ontmoette ik hoofdredacteur Hugo Bousset, die DW B nu al meer dan 20 jaar in goede banen leidt en er nauw op toeziet dat het oude blad met zijn tijd blijft meegaan.

Na zoveel jaren hebben onze paden elkaar nog een keer gekruist. Ik interviewde Hugo en zijn dochter Sigrid (ex-directeur Passa-Porta, ex-kabinet Sven Gatz, vanaf 1 april 2015 coördinator van Writers Unlimited in Den Haag en medewerker van Jan Fabre). Het was een heel fijn dubbelinterview. Uiteraard, want het ademde literatuur.

(c) Filip Claessens

Een fragment.

Het leven van vader en dochter Hugo en Sigrid Bousset is doordrongen van literatuur. Ze raakten beiden als kind besmet met een chronische vorm van het leesvirus en speelden dat nooit meer kwijt. “We willen ons enthousiasme voor literatuur aan anderen doorgeven.”

Het hoeft er soms maar één te zijn: het juiste boek op de juiste plek en je bent vertrokken. Vervelen zul je je nooit meer, want je hebt altijd verhalen tot je beschikking: reisjes in je hoofd. Hugo Bousset: “De grote jeugdliteratuur zoals we die vandaag kennen met schrijvers zoals Bart Moeyaert of Anne Provoost bestond in mijn kindertijd nog niet, dus we waren verplicht om vroeg over te stappen op literatuur voor volwassenen. Ik las als bezeten, ik las alles, en ik deed dat heel aandachtig. Stijn Streuvels, Herman Teirlinck, maar ook Dostojevski, Tolstoj, Strindberg… Mijn moeder had een oom die over literatuur schreef. Hij zat in die typische onderwijzerscultuur van het eind van de 19de eeuw. In een periode dat veel Vlamingen nog analfabeet waren, wilde hij de mensen ervan overtuigen dat het Nederlands wél een taal was die geschikt was om literatuur in te maken. Die drang om dingen met enthousiasme door te geven aan anderen, opdat ze bij wijze van spreken naar de boekhandel zouden rennen om de boeken die je aanraadt zelf te kunnen lezen, die heb ik ook.”

Elke zondag 5 boeken
Sigrid Bousset beaamt wat haar vader zegt met een knik. Bij Passa Porta heeft ze jaren aan een stuk precies dat gedaan. Hugo Bousset deed het door les te geven, over literatuur te schrijven of erover te praten op radio en tv. Zij droeg haar geestdrift over door internationale auteurs uit te nodigen en mensen te laten luisteren naar wat die te vertellen hadden. Ook Sigrid heeft de liefde voor boeken en literatuur ingelepeld gekregen. “Elke zondagochtend gingen we naar de bibliotheek en daar mocht ik vijf boeken kiezen. Zo heb ik het hele aanbod jeugdliteratuur gelezen: alle Thea Beckmans, alle Jan Terlouws… Elk vrij moment zat ik te lezen. Ik verveelde me nooit.” Boeken lezen was de logica zelve. Ze had het nooit anders gezien. “Mijn vader zat vaak thuis aan zijn artikels te schrijven. Tot ik 7 was, woonden we in Strombeek op een appartement en daar stond zijn bureau in de kamer waar mijn broer en ik sliepen. Als het bedtijd was voor ons, was hij nog lang niet klaar met schrijven en dus vielen wij geregeld in slaap op het ritme van zijn typemachine.”

Lees het volledige artikel hier (blader naar pagina’s 10-11-12).


Dirk Roofthooft: ‘Het leven is een soep. En maar goed ook’

07/02/2014

Een man sluit bij een arm gezin het water af. De vrouw is thuis met haar twee kinderen. Ze kijkt toe, maar zegt niets. Die avond gaat ze met het hele gezin op de sporen achter het huis liggen en laat ze de trein hun lot bezegelen. Is de waterafsluiter verantwoordelijk voor de dood van die mensen? Wat voor iemand is hij? Is de samenleving verantwoordelijk? En wie is die vrouw die haar man en kinderen meeneemt in de dood? Waarom doet ze wat ze doet? Waarom gaat haar echtgenoot in haar beslissing mee? Al die vragen en meer cirkelen door de voorstelling De waterafsluiter, zoals ze eerder cirkelden door het hoofd van acteur, co-auteur en co-regisseur Dirk Roofthooft.

Dirk Roofthooft baseerde de monoloog op een gelijknamig kortverhaal van Margueritte Duras. Naar aanleiding van de première in maart 2013 interviewde ik de maker voor Staalkaart. Vanaf 21 februari 2014 herneemt Dirk Roofthooft zijn monoloog. Ik herneem (een stukje van) het artikel.

(c) Muziektheater Transparant

Reconstructie van afwezige woorden
In De waterafsluiter probeert Marguerite Duras het stilzwijgen van de geschiedenis literair te reconstrueren. ‘Je voelt meteen dat het verhaal echt is, dat ze het niet bij elkaar gefantaseerd heeft’, vindt Dirk Roofthooft. De auteur las over het gezinsdrama in de krant: een fait-divers. Blijkbaar was de vrouw na het bezoek van de waterafsluiter nog iets gaan drinken in een café. Niemand weet wat ze daar gezegd heeft en dat intrigeerde Duras. ‘Net dat is voor haar literatuur: trachten te achterhalen wat de woorden waren of hadden kunnen zijn. Mochten de historische woorden bekend zijn, ze zou er nooit een tekst over hebben geschreven.’ Het is niet verwonderlijk dat die reconstructie van afwezige woorden Dirk Roofthooft treft. Precies zo’n zoektocht voert hij zelf dag na dag. ‘Ik ben altijd het meest geïnteresseerd in wat een tekst, een schilderij, een acteur níét laat zien. Zelfs al ben je Leonard Nolens, dan nog blijft de taal onbekwaam om uit te drukken wat je voelt. En dus moet je woorden uitspreken die de nieuwsgierigheid prikkelen naar wat niet wordt gezegd. Om diezelfde reden hou ik van poëzie: slechts enkele lijnen staan voor een hele wereld.’

Recht op repliek
De woorden waarmee Marguerite Duras de stilte invult, maken van de waterafsluiter een vreselijke man zonder enig moreel besef, die rechtstreeks verantwoordelijk is voor de dood van het gezin.
Waarom moet die waterafsluiter per se zo’n onuitstaanbaar type zijn? vroeg Dirk Roofthooft zich opeens af. ‘Wie weet was hij in werkelijkheid wel een heel lieve man?’ Hij vond zichzelf een domme lezer: ‘Waarom had ik daar 15 jaar lang niet bij stilgestaan?’ En hij sloeg aan het fantaseren. Is de moeder niet méér verantwoordelijkheid voor de dood van haar gezin dan de werknemer van de watermaatschappij? ‘Ik vond plotseling dat die man op zijn minst een repliek verdiende. En dus heb ik er één geschreven.’ De waterafsluiter gaat eerst fel in de verdediging. Daarna wordt hij klein en immobiel: ‘De opgeblazen kikker verdwijnt en je ziet in dat hij die dag ook een beetje gestorven is: hij lijdt enorm onder de gevolgen van zijn daad. De versie van Duras kwam me nu iets te zwart-wit over.’

Minestrone
De voorstelling biedt de verschillende interpretaties aan, maar neemt zelf geen standpunt in. ‘De verantwoordelijkheid flipt alle kanten uit’, zegt Dirk Roofthooft. ‘Ik vind het te simpel om verantwoordelijkheid en schuld zomaar bij één persoon te leggen. Een mens is toch maar een muntstuk op zijn kant dat door omstandigheden de ene of de andere richting uit valt? Achteraf is het altijd gemakkelijk om een keuze of beslissing als goed of fout te beoordelen, maar op het moment zelf ben je je soms niet eens bewust van een keuze. Desondanks draag je er wel voor de rest van je leven de gevolgen van.’ Roofthooft wil met zijn voorstelling het publiek vooral aan het denken zetten. Waar ligt de verantwoordelijkheid van de waterafsluiter, van de samenleving, van de vrouw die beslist over het leven van haar kinderen? ‘Onze maatschappij zoekt graag een zondebok. Zodra je een schuldige hebt aangewezen, gaat de rest vrijuit. Maar zo eenvoudig is het niet. Ik hoop daarom dat de mensen na de voorstelling zullen discussiëren en er verschillende interpretaties op na zullen houden. Ik hou niet van een onderverdeling in hokjes: dit is goed en dat is slecht. Dat is mannelijk en dit is vrouwelijk. Het leven is een soep en dat is maar goed ook: een minestrone waarin alles door elkaar loopt. Je hoeft de stukjes heus niet uit elkaar te vissen om ze te laten smaken. Laat het allemaal maar complex zijn.’

Je vindt de speellijst hier.