Rasvertelling, toptheater – Faust van Zuidpool

02/10/2012

‘Soms heb je voor een voorstelling niet meer nodig dan twee hele goede acteurs en een wonderschone tekst.’
Dat schrijft recensent Robbert van Heuven in Trouw. En het vat de nieuwe Faust van Zuidpool eigenlijk bijzonder goed samen.

Pjeroo Roobjee kreeg een goed jaar geleden de vraag van Jan Decleir – met wie hij al een lange theatergeschiedenis heeft – of hij voor hem en Koen De Sutter een nieuwe theaterversie van het Faustverhaal wou schrijven. Roobjee putte voor zijn versie niet alleen uit het bekende werk van Goethe, maar uit de verscheidene bestaande Faustverhalen. Hij noemt het zijne: Faust ofte Krakeling beneden de louteringsberg.

De taal die schrijver-kunstenaar Pjeroo Roobjee gebruikt in zijn Faust, is al half het stuk. Hij maakt in zijn eentje de hele discussie over Standaardnederlands versus verkavelingsvlaams overbodig. Als je naar de taal van Roobjee luistert, dan hoor je de rijkst denkbare variant van het Nederlands. Hij combineert zonder verpinken archaïsche woorden met populair hedendaags taalgebruik. Woorden en zinnen uit de standaardtaal krijgen het gezelschap van neologismen, dialectisch aandoende woorden… van alles wat de taal voller, mooier, melodieuzer maakt.

Roobjee heeft zijn woorden geschreven met de acteurs in het achterhoofd. Terwijl hij schreef, zag hij ze in zijn hoofd over het podium lopen. Decleir en De Sutter hebben vervolgens geen letter, zelfs geen komma aan de tekst veranderd. Ze houden ervan in zijn rijkdom én zijn gelaagdheid én al zijn mogelijkheden. ‘De ene dag’, zegt Jan Decleir, ‘kun je een scène tot tranens toe ontroerend brengen, de volgende dag maak je er een grap van.’ Ze kunnen blijven variëren in de manier waarop ze de tekst brengen en dat maakt het spannend voor hen, avond na avond. Koen De Sutter besluit: ‘Als je enkel de woorden hebt en je kunt het publiek de verbeelding schenken – ik denk dat er niets magischer is. En dat is toch net de bedoeling van toneel?’

Twee heel goede acteurs en een wonderschone tekst. Van Heuven slaat de nagel op de kop.

Vanavond en morgen te zien in CC Westrand, Dilbeek (waar ik een inleiding bij het stuk zal geven) en de komende maanden nog op tournee door heel het land.

www.zuidpool.be

Advertenties

Puur

29/01/2011

Lucifer – Theater Zuidpool

Drie acteurs en een handvol gebeeldhouwde engelenfiguren vertellen het eeuwenoude verhaal van de val van de engelen. Ze doen dat in archaïsch Nederlands en op een klein podium, dat niettemin weelderig met rood fluweel omhangen is. De voorstelling treft in zijn puurheid. Puurheid van taal, puurheid van spel, puurheid van beweging. Zuidpool brengt met Lucifer een ode aan de keuzevrijheid en de rebellie tegen onbuigzaam gezag. Maar misschien nog vooral een ode aan de taal en het theater.

Vondels Lucifer beleefde zijn première op 2 februari 1654 in de Amsterdamse schouwburg. De tragedie over de strijd van de engelen en de daarop volgende val van Lucifer kreeg van regisseur Jan Vos een spektakelenscenering waarin de engelen aan katrollen over de scène vlogen en waarin plaats was voor een heus engelenballet. Het publiek reageerde enthousiast. Drie dagen later, echter, na de tweede opvoering, verbood het stadsbestuur het stuk. De calvinistische predikanten – met wie de veertien jaar eerder tot het katholicisme bekeerde Vondel sowieso niet op goede voet leefde – konden naar verluidt niet lachen om de gedurfde vermenging van hemelse en aardse thema’s. Nochtans schuilt net in de herkenbare menselijkheid van de personages het geheim achter het blijvende succes van Lucifer. De engelen worden niet voorgesteld als marionetten van een despotische godheid. Ze beschikken over vrije wil. De aartsengel Lucifer is in die zin de eerste rebel uit de geschiedenis. Wanneer God beslist om zijn nieuwe uitvinding ‘mens’ boven de engelen te plaatsen, pikt Lucifer dat niet zomaar. Hij is jaloers en furieus op die kleien poppetjes die het geluk zomaar in de schoot geworpen krijgen. Ze wonen in een prachtige tuin, zijn even onsterfelijk als de engelen zelf en… ze kunnen zich voortplanten, iets waar de geslachtsloze engelen alleen maar van kunnen dromen. De verstoten lievelingen van God zullen binnen de kortste keren outnumbered worden door de aardworm mens. En wat moet er dan van hen worden? De onttroonde en vernederde engel heeft de keuze. Hij kan zich angstig bij zijn lot neerleggen en wachten op wat komt, of hij kan in opstand komen. Begrip voor de boosaardige verschoppeling Lucifer vormde voor Zuidpool een van de voornaamste drijfveren om Lucifer van onder het stof te halen.

DE SPELER NAAST DE POP
Op de vlakke vloer van het Zuidpooltheater staat een klein, naar achteren toe afhellend podium, omzoomd door rijkelijk plooiend rood fluweel. ‘Het toneel is in den hemel’ – Joost van den Vondel liet in zijn regieaanwijzing ruimte voor interpretatie. Zuidpool creëert met zijn in fluweel gewikkelde eenvoud zowel een verwijzing naar Lucifers theatertraditie als een contrast met die allereerste spektakelopvoering. De engelen zelf zijn stokpoppen, gemaakt door beeldhouwer Frans Heirbaut. Ze zien eruit als antieke beelden uit alle windstreken. Zo lijkt Gabriël weggeplukt uit een middeleeuwse kerk, de typische brave engel zoals we hem ook kennen uit de godsdienstles; de gemaskerde en roodogige Lucifer lijkt opgestaan uit een Egyptische piramide; Belzebub doet denken aan een oude Griekse wijsgeer, maar lijkt ook verdacht veel op Heirbauts beeld van de schilder Fred Bervoets; het monumentale beeld van Michaël is een Oosterse krijger. Stuk voor stuk zien de poppen er uitdrukkingsloos, maar oneindig voornaam uit. Leven krijgen ze van de drie acteurs die hen manipuleren (gastacteur Jan Decleir en vaste Zuidpool-acteurs Sofie Decleir en Koen van Kaam). Een vaste rolverdeling hebben zij niet. De pop beweegt door de speler die op dat moment toevallig vrij is. Hoewel de acteurs werkmanstenues dragen, compleet met gereedschapsgordels, handschoenen en eventueel zelfs een muts, kiezen ze overduidelijk niet de rol van poppenspelers. Ze stellen zich nooit volledig ten dienste van de engel die ze dragen. Ze verbeelden zijn mimiek, zijn woede, zijn angst, en staan zodoende niet achter, maar naast hem. De strijd tussen de engel en de mens gaat ook op het podium door.

HAKKEN IN BALLAST
Zuidpool hakte op Vondels tekst in tot er een stuk van zo’n anderhalf uur overbleef. Maar het schrappen gebeurde wel met het grootste respect voor de alexandrijnen van de zeventiende- eeuwse auteur. Wat sneuvelde, is ballast: de uitweidingen over de hiërarchische structuur in de hemel, een groot deel van de lamenteringen van de engelenreien – alles, kortom, wat zovele generaties heeft doen afhaken wanneer ze Lucifer onvergeeflijk onverteerbaar door de strot geramd kregen op school. Wat overblijft, is de essentie. In de eerste plaats tonen de spelers van Zuidpool een enorm respect voor de taalschoonheid van Vondel. Ze houden van elke letter van de tekst en dat mag geweten zijn. De archaïsche woorden en buigingen vloeien op de meest natuurlijke wijze de zaal in, elke klank wordt liefdevol geproefd en doorgegeven. Een tweede pijler van de voorstelling is het begrip dat ze opbrengen voor Lucifer als de eerste opstandeling uit de geschiedenis, de eerste die het oppergezag in twijfel trekt en ter verantwoording roept. Begrip voor zijn menselijkheid, zijn angst er niet meer toe te doen, zijn machteloosheid en woede ten opzichte van het gezag dat zonder reden, zonder verontschuldiging, met hem solt.

DE DANS VAN MENS EN ENGEL
Beide elementen – taalschoonheid en begrip – vloeien samen in een ontegensprekelijk culminatiepunt tegen het einde van de voorstelling. Jan Decleir als Lucifer verdedigt een laatste keer zijn standpunt. De hele voorstelling lang zag je poppen en spelers in een opmerkelijke evenwichtsoefening, waarbij de spelers nooit helemaal achter hun engelenbeelden verdwenen – de strijd van de engel tegen de mens wordt een paardans tussen de engel die model staat voor de mens en de mens die een engel speelt. In deze scène stopt de dans. Op het ogenblik dat Lucifer voorgoed ten onder dreigt te gaan, komt de speler volledig achter de pop vandaan. Hij verandert in een mens die zijn personage ruggensteunt, hem vol mededogen begeleidt in zijn onvermijdelijke en onrechtvaardige neergang. Tot slot legt de speler de pop helemaal van zich af. Decleir speelt nu zelf Lucifer, vol vuur, vol overtuiging, vol verontwaardiging. Mens en engel vallen samen: de mens neemt het over, dus de grootste angst van de engelen wordt bewaarheid. Tegelijk zet de mens de strijd voort.

Lucifer heeft in de loop van zijn bestaan de meest uiteenlopende interpretaties gekregen van onderzoekers, lezers en theatermakers. Zuidpool prikt de tekst niet vast op één manier van lezen. De strijd van de engelen en de val van Lucifer draaien niet om de Belgische politieke actualiteit, niet om Afghanistan of Irak, niet om de banken- noch de asielcrisis, evenmin wordt de tekst gepresenteerd als een zeventiende-eeuwse politieke allegorie (zoals hij met name in de negentiende eeuw werd gezien). Tegelijk gaat hij over dat alles. Lucifer vertelt bij Zuidpool een universeel verhaal over de mens. Ook zo betoont Zuidpool Vondel alle eer.

Maar is daarmee alles gezegd? Universele verhalen zijn in het theater alomtegenwoordig. Dat maakt deze Lucifer niet uniek. Ook het verhaal is genoegzaam bekend, dus daarmee kan het gezelschap bezwaarlijk verrassen. Wat is het dan dat je raakt en dat ervoor zorgt dat anderhalf uur oubollig Nederlands fris en dringend klinkt als was het gisteren geschreven? Wat maakt dat drie acteurs en hun poppen je vasthouden tot het laatste woord? Veel is te zoeken in de intensiteit en de puurheid van de voorstelling. Zuidpool brengt met de eenvoudigste middelen denkbaar groot vakmanschap tot stand. De taal van Vondel is mooi en puur – een schoonheid die taalliefhebbers doet duizelen. De acteurs van Zuidpool brengen die taal en alle betekenislagen die eronder schuilen in één simpele beweging naar de zaal: de acteur en zijn positie ten opzichte van zijn pop, zijn stem, zijn lichaam, zijn tekst. Meer is het niet. Maar alles staat in een haast perfecte verhouding tot elkaar. Eenvoudig, maar ultra intens. Niets te veel, maar precies daardoor ook niets te weinig.

Gezien op 2 december 2010, Zuidpool, Antwerpen.

Deze tekst kwam tot stand in het kader van Corpus Kunstkritiek, een initiatief van VTi – Vlaams Theater Instituut, met steun van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. http://www.vti.be/corpuskunstkritiek
De teksten van het Corpus Kunstkritiek vallen onder de licentie Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 2.0 Belgium, wat betekent dat de teksten verspreid, maar niet veranderd mogen worden. Elke vorm van verkoop of betalende distributie is apart te onderhandelen, contacteer VTi.


‘Lucifer is een herkenbaar en menselijk personage’

11/11/2010

Lucifer van Vondel geniet anno 2010 een erg dubbelzinnige reputatie. Je hebt generaties die het zeventiende-eeuwse meesterwerk op school lijdzaam hebben ondergaan, het op onvergeeflijke zeurtoon kapot hebben weten analyseren, en er bijgevolg een blijvende afkeer van hebben. Dan heb je de gelukzakken. Mensen die er dankzij een bevlogen docent, een rake theaterbewerking of puur toeval door bezeten zijn geraakt en niet uitgesproken raken over de taalschoonheid en de fascinerende thema’s en personages. Jan en Sofie Decleir en de voltallige equipe van Theater Zuidpool horen tot de laatste groep. Op 2 december gaat hun bewerking van Lucifer in première.’

Zo leest mijn inleiding bij het interview met beide Decleirs dat ik voor het cultuurblad Staalkaart schreef. Ook ikzelf hoor bij degenen die een blijvende fascinatie voor Vondel en zijn Lucifer hebben ontwikkeld. Ik heb die te danken aan het theater. Als tiener namen mijn ouders me geregeld mee naar de schouwburgen van Hasselt, Tongeren, Sint-Truiden en Leuven. Ik herinner me dat ik een bewerking van Lucifer in een van de programmaboekjes zag staan. Vraag me niet van welk gezelschap die was – in die tijd lette ik daar nog niet zo op – maar het moet dus ergens in de jaren negentig geweest zijn, het gezelschap kwam uit Nederland, ze hanteerden de oorspronkelijke zeventiende-eeuwse taal, en het decor werd overheerst door plastic. Ongetwijfeld heb ik niet elk woord gesnapt, maar ik weet dat ik die voorstelling AB-SO-LUUT in het familie-abonnement wou hebben (ik moet er dus eerder ergens iets over hebben gehoord) en ik weet dat ik compleet gebiologeerd was door de uitvoering.

Toen ik vernam dat Zuidpool Vondel onder handen zou nemen, heb ik Lieven De Laet, hoofdredacteur van Staalkaart, dan ook onmiddellijk heel vriendelijk gevraagd of het volgende nummer van zijn blad plaats had voor een artikel erover. En het kon.

Nog een klein stukje over Sofie en Jan Decleirs band met het werk (voor de rest zul je Staalkaart #7, november-december 2010, moeten aanschaffen):

‘Ik heb Vondel nooit gekregen op school’, vertelt Sofie Decleir. ‘De eerste keer dat ik met de Lucifer in aanraking kwam, was toen ik de eerstejaars van Studio Herman Teirlinck ermee aan de slag zag, onder het bewind van papa. Zelf was ik toen al afgestudeerd. Ik was onmiddellijk door het werk geboeid en vond het raar dat het nooit eerder mijn pad had gekruist. Maar ik kan me wel inbeelden dat het een ander verhaal is als je het in je tienerjaren als verplichte kost voorgeschoteld krijgt.’
Jan Decleir: ‘Ik heb een zus die niets met theater te maken heeft – ze zit in de cijfers – en die hele lappen Lucifer uit het hoofd kent. Ze vindt het echt een fantastische tekst. Ik denk dat inderdaad veel afhangt van de manier waarop je zoiets onderwezen krijgt. Waarschijnlijk heeft zij ooit zo’n bevlogen lerares gehad. Het is in elk geval altijd blijven hangen bij haar. Ik heb Lucifer zelf nog gedaan op school. En later, als docent, is het me bijna altijd gelukt om die jonge gasten er verliefd op te laten worden. Vondels taal is bezwerend en beroerend. Je kunt er echt in zwelgen. Nu moeten wij er straks wel een voorstelling van maken, natuurlijk, dus we moeten daar dan niet liggen kronkelen van genoegen en van zie ons hier eens bezig. Het moet meer zijn dan taalschoonheid alleen.’
Sofie Decleir: ‘Voor Zuidpool lijkt Lucifer me een vrij logische stap. In het parcours dat wij afleggen (als je al van een parcours kunt spreken) neemt taal steeds meer bezit van ons. En dan kom je op een gegeven ogenblik vanzelf uit bij Vondel.’

www.zuidpool.be


Flattr this


Fijnproeven van taal en spel – Recensie ‘Onder het melkwoud’ van Jan Decleir en Koen De Sutter

12/04/2010


Under Milk Wood. A play for Voices
. Een stemmenspel. Zo noemt Dylan Thomas zijn hoorspel uit 1954 dat ook in de theaterversie al snel furore maakt. Zo noemt Hugo Claus de vertaling die hij in 1958 van het werk maakt. Zo brengen Jan Decleir en Koen De Sutter hun versie van Onder het melkwoud in 2010 op de planken.

Het is al even geleden dat we Jan Decleir nog eens in een theaterproductie konden zien. Onder het melkwoud ging afgelopen augustus in première op het Zeeland Nazomerfestival. De Oosterschelde in de schemering vormde toen het onnavolgbare decor. In de binnenhuisversie zitten Decleir en De Sutter elk op een stoel aan één kant van een kleine tafel die propvol snuisterijen staat. Rommel waar de acteurs nu en dan een attribuut uit opdiepen om het geluidsdecor van hun ‘hoorspel’ mee samen te stellen.

Lees de volledige recensie op www.theatermaggezien.net


Artikel – ‘De eeuwigheid interesseert me geen ene moer’

11/06/2009


Jan Decleir is laat voor de afspraak en excuseert zich daar uitgebreid voor. ‘Ik ben zo’n warhoofd dat ik geregeld dubbele afspraken maak. Die chaos heeft altijd al in mijn systeem gezeten en ondanks inspanningen van mezelf en anderen om het in goede banen te leiden, lukt het me maar met mate om er orde in te scheppen. Anderen hebben er doorgaans meer last van dan ikzelf. Hoewel: soms komt die chaos heel onaardig over en dat is niet de bedoeling. Ik ben graag beleefd en attent.’ Onprettig was het wachten niet. De afspraak vindt immers plaats in galerie De Zwarte Panter in Antwerpen, waar op dat moment nog heel even een tentoonstelling met beeldend werk van de acteur loopt.

Uit Isel nr. 30, mei-juni 2009