Feast of Fools: overdaad of schatkamer?

‘Feast of fools – Bruegel herontdekt’ in Gaasbeek is een feest van overdaad. Snoeien in de indrukwekkende lijst namen en werken was spijtig geweest, maar had een evenwichtiger geheel gecreëerd. 

In dit herdenkingsjaar, 450 jaar na de dood van de kunstenaar, wil iedereen een stukje Bruegel serveren. Toerisme Vlaanderen brak dan ook een gul potje open. Ook het kasteel van Gaasbeek smult mee.

Bruegel zelf is er niet, zijn er­fenis des te meer. De expo toont de invloed die de schilder had en heeft op kunstenaars uit het begin van de 20ste én de 21ste eeuw. Elke tijd een nieuwe blik.

Gustave Van de Woestyne, ‘De papeter’ (1911). gemeentelijk museum Gevaert-Minne/Erwin De Keyzer

Haasje-over

Voor het hedendaagse hoofdstuk vroegen gastcuratoren Luk Lambrecht en Lieze Eneman een rist kunstenaars om nieuw werk dat naar Bruegel knipoogt.

De ­selectie had gerust in haar eentje een uitgebalanceerde tentoonstelling kunnen vormen. Neem nu die ene foto van Dirk Braeckman, waarop danseres Lisbeth Gruwez haar lichaam om een Passstück van Franz West manoeuvreert, naast het originele werk van West. Dat beeld is af. Je hoeft er geen vitrine vol modernen bij, zelfs al gaat het om ­Permeke en co.

Er zijn nog kamers waar de werken haast haasje-over springen, maar uiteindelijk is het vooral het kasteel zelf dat de hedendaagse selectie in de weg zit: je zou eigenhandig wat wandtapijten willen oprollen.

Panamarenko, ‘Meikever’ (1975). s.m.a.k./Dirk Pauwels

Feast of fools heeft alle ingre­diënten voor een buitengewone tentoonstelling. De selectie moderne kunst is sterk. De creaties in het hedendaagse luik overtuigen bijzonder. Maar in sommige zalen is het snakken naar een saaie witte muur. 

Ga door de paywall van De Standaard en lees het hele artikel.

‘Feast of fools’. Tot 28/7, kasteel van Gaasbeek. ***

Ehsan Hemat, I put a spell on you: wat als privacy niet meer bestond?

Choreograaf Ehsan Hemat presenteert zijn eerste eigen choreografie als een waarschuwing. Beseffen we wel hoeveel we van onze privacy prijsgeven? Welk scenario gaan we daarmee tegemoet? I put a spell on you is een beklemmend toekomstbeeld in dans en beweging.
Drie dansers bewegen in een donkere wereld waarin alles en iedereen wordt gezien en gecontroleerd. Onderling contact wordt meedogenloos bestraft. Te pas en te onpas vliegt een kleine, zwarte drone de scène op. Een aaibaar karakter hebben die tuigen nooit, maar deze heeft een wel bijzonder akelig aura. Ze bedreigt, oordeelt en veroordeelt. Ontsnappen is onmogelijk. Een voor een scant de drone de dansers. In een eindeloos rollende reeks data vindt ze een match: hun foto’s en persoonsgegevens verschijnen groot op het scherm. ‘Dadelijk is het mijn beurt’, vrees je. En bijna verwacht je dat ze ook jouw gegevens zal achterhalen en te grabbel gooien.

Het oog ziet alles

De drone-die-alles-ziet geeft de voorstelling een futuristisch, dystopisch tintje. Maar zo veraf lijkt het toekomstbeeld nu ook weer niet. Daarvoor zijn camera’s en drones al veel te ingeburgerd in onze samenleving. Tegelijk klinken er echo’s van allerhande oudere Alziende Ogen door. Denk aan Big Brother, who is watching you… van George Orwell. Of aan een God die alles weet en ziet, en evengoed beoordeelt en veroordeelt. De ene vorm van controle heeft haast naadloos plaatsgemaakt voor een volgende.

Ehsan Hemat (c) Filip Claessens

Aan I put a spell on you is een minutieus onderzoek voorafgegaan. Hemat verdiepte zich in alles wat met privacy, data en controle te maken heeft. ‘We geven onze privacy heel snel en gewillig op. En niemand lijkt er wakker van te liggen wat er met al die gegevens gebeurt. Natuurlijk gaan we er niet van de ene dag op de andere aan dood, maar het is een onmiskenbaar probleem. Onze kinderen zullen nooit weten wat privacy betekent.’

De choreograaf geeft een voorbeeld uit zijn geboorteland, waar de overheid het internet afschermt met een van de sterkste firewalls ter wereld. ‘De Iraniërs omzeilen de filters massaal, door hun smartphone bijvoorbeeld verbinding te laten maken via Russische proxyservers.Niemand vraagt zich af wat er gebeurt met alle informatie die die intussen opslaan. Wie doet dat, en met welk doel? Iemand heeft er ongetwijfeld baat bij.’

Lees meer

8 december 2018, CC Strombeek

Denkbeeldig oneindig: eerste solo-expo van Ann Veronica Janssens in Nederland

Het prachtige museum De Pont in Tilburg geeft de Belgische kunstenares Ann Veronica Janssens haar eerste grote Nederlandse solotentoonstelling. Het museum en haar werk zitten elkaar als gegoten, zeker in combinatie met vaste stukken van James Turrell en Anish Kapoor. 

 

Het bijzonderst is de ervaring in Janssens’ mistruimte, centraal in de tentoonstelling. Maximaal met vijf tegelijk mag je erin. En maar goed ook. Blue, purple and orange werkt het best als je er in je dooie eentje en in volslagen stilte door kunt dwalen. Een dikke, gekleurde mist omgeeft je, waardoor je ogenblikkelijk elk gevoel voor richting en ruimte verliest. Desoriënterend is het zeker. Je weet dat je een vrij beperkte ruimte bent in gegaan, maar het gevoel van oneindigheid dat de mist oproept, walst elk rationeel argument plat. Voetje voor voetje beweeg je je voort, door de bijna tastbare kleuren heen. Je voelt je gemakkelijk verloren in de illusoire onmetelijkheid, maar tegelijk raak je er volkomen esthetisch opgeladen van. Nu en dan kom je een andere dwalende bezoeker tegen. Even plots als de muur die je onverwachts raakt met je vingertoppen, duikt het silhouet voor je op. En haast automatisch keer je je weer af van elkaar.

Deze installatie vraagt geen praatje. De ander blijft een schim, en zo is het prima.

(c) Andrea Rossetti

 

Goed omringd

‘Wij Hollanders houden van het beroemde Hollandse licht’, vertelt Hendrik Driessen, directeur en hoofdconservator van De Pont. ‘Ook al is de 17de eeuw al lang voorbij, we blijven ons erop beroepen. In de schilderkunst van die periode hebben we immers voor het eerst echt laten zien hoe bijzonder dat licht is.’

Het museum in Tilburg zet er volop op in. De voormalige wolspinnerij gebruikt zo veel mogelijk natuurlijk licht in haar expositieruimtes. En het ent er haar collectie graag op. Zo heeft het museum een aardige verzameling Anish Kapoor en doet diens Sky mirror (for Hendrik) dienst als visitekaartje op het plein voor de ingang.

De voor de hand liggende link tussen het werk van Kapoor en dat van Janssens wordt ook in de tentoonstelling duidelijk. Van Janssens’ IPE 650, een ruwe stalen balk met een spiegelglad gepolijste bovenkant, loop je nogal abrupt de vaste collectie in. Haast vanzelf kom je bij Kapoors grote, gebogen spiegel Vertigo. Om dat werk ten volle te ervaren, moet je bewegen: errond lopen, afstand nemen, dichterbij komen.

Precies zo werkt het oeuvre van Ann Veronica Janssens. ‘Ik zie allerlei relaties tussen Ann Veronica en kunstenaars die we hier al in de verzameling hebben’, zegt Driessen. ‘Eerst denk ik natuurlijk aan het sensorische werk van James Turrell, maar bijvoorbeeld ook aan een schilder als Bernard Frize.’ Doordat de collectie zo consequent is opgebouwd, weet het werk van Ann Veronica Janssens zich uitstekend omringd, als kwam het in zijn natuurlijke habitat terecht.

Ga door de pay-wall en lees meer

Auteur Erik Vlaminck: “Begin niet aan dingen die je niet liggen”

Roman- en theaterauteur Erik Vlaminck levert eind dit jaar nog het manuscript voor zijn nieuwe boek in bij zijn uitgever. “Ik ga daarvoor nu tien dagen in schrijfquarantaine. Zo’n periode heb ik nodig: dan wil ik van al de rest niets horen, en alleen schrijven.”

 

Erik Vlaminck (c) Koen Broos

“In het vierde leerjaar schreef ik al op een papiertje dat ik schrijver wilde worden. Vraag me niet waarom, want ik weet het niet. Alvast niet om beroemd of bekend te worden, want daar hou ik niet zo van. Maar het was wat ik wilde, en het is altijd mijn plan gebleven.”

Welke studie moest je dichter bij de verwezenlijking van dat plan brengen?

“Na mijn middelbaar heb ik een lerarenopleiding Nederlands en geschiedenis gevolgd. Dat deed ik niet met de bedoeling ooit les te geven – ik heb ook nooit lesgegeven in het middelbaar – maar omdat ik vermoedde dat een achtergrond in Nederlands en geschiedenis me als schrijver van pas zou komen. Ik moest er nog een derde vak bij nemen, en omdat ik zo laat was met inschrijven, kon ik alleen nog kiezen uit godsdienst of economie. Godsdienst zinde me totaal niet, dus het werd economie. Achteraf ben ik daar heel blij om geweest, omdat het me goed geholpen heeft mijn eigen boontjes te doppen.”

Hoe, bijvoorbeeld?

“Het ging om heel banale dingen. Ik heb er bijvoorbeeld geleerd wat een factuur is, wat je nodig hebt om zelfstandige te worden, en om een boekhouding te lezen. Het bleek belangrijke basiskennis voor me, niet alleen als auteur, maar ook omdat ik in nogal wat besturen heb gezeten. Zo ben ik lang voorzitter geweest van de Auteursvereniging, en nu ben ik het voor PEN Vlaanderen. Dat stukje economie heeft al vaak zijn nut bewezen.”

Je beaamt dus dat je als kunstenaar niet enkel creatief moet zijn, maar ook een stukje ondernemer?

“Zeker. Ik sta soms versteld van collega’s die het bon ton vinden om te zeggen dat ze met al die zakelijke brol niets te maken willen hebben… Ze weten er niets van en willen er niets over weten. Dat kan gewoon niet.”

Je besloot toen je ongeveer 10 was, dat je schrijver wou worden. Heb je sindsdien ook altijd geschreven?

“Ja. Je bént dat, hè, schrijver, zelfs als je nooit wat zou publiceren. Dus ik heb altijd wel dingen geschreven. Na mijn opleiding ben ik in de psychiatrie gaan werken, vanuit het heel slechte idee dat ik daar wel inspiratie zou opdoen voor mijn boeken. Dat klopte natuurlijk niet. Die patiënten zitten niet te wachten op een gek als ik die boeken wil schrijven… Bovendien begon ik het werk echt graag te doen. Ik ben er dus 10 jaar gebleven en heb daarna nog bijna 10 jaar met daklozen gewerkt. Toen was ik 39 en besloot ik om eindelijk mijn jongensdroom waar te maken en voltijds schrijver te worden.”

Lees meer

Elvis Peeters: ‘Je plaats kennen in de kosmos’

Auteur Elvis Peeters tekent de krijtlijnen voor een nieuwe roman. Intussen beweegt er nog heel wat: vertalingen, verfilmingen, een animatieserie … ‘Het fijne daaraan is dat je er als auteur zelf niets meer voor hoeft te doen.’

Achter de nom de plume Elvis Peeters gaan auteur-muzikant Jos Verlooy en zijn echtgenote Nicole van Bael schuil. ‘We schrijven al onze romans en theaterteksten samen. De gedichten en songs zijn van mij alleen. Sommige mensen vinden dat verwarrend, of ze denken dat ik Nicole heb uitgevonden om interessant te doen. Maar ze bestaat dus echt. Alleen staat ze niet graag in de belangstelling. Daarom geeft ze ook nooit interviews.’ De naam ontstond toen Verlooy in 1982 met zijn punkgroep Aroma di Amore meedeed aan Humo’s Rock Rally. ‘Er waren in de popmuziek twee Elvissen: Presley en Costello. En aangezien Presley was overleden, was er eentje vacant.’

2077_20160427_elvispeeters_5531-2Punk
‘Ik luisterde als tiener vooral naar David Bowie, Deep Purple, Slade. Daarna kwam de punk. De doe-het-zelfgedachte, de energie en de maatschappelijke betrokkenheid ervan spraken me aan. Ik heb eerst een punkblad opgericht en vervolgens een muziekgroep. Het voelde evident om dat te doen, zelfs al konden we toen nog niet spelen. Nu nog voel ik me eigenlijk meer een rocker dan een auteur.’

Schrijven is er dan ook haast toevallig bijgekomen. ‘De man die de belichting deed van Aroma di Amore wou een muziektheatervoorstelling maken. Jij kunt toch al songs schrijven, zei hij. Kun je er geen theaterstuk bij doen? Dat stuk heb ik meteen samen met Nicole geschreven. Er volgde een tweede, dat verscheen in een tijdschrift en opeens trokken er vijf-zes uitgeverijen aan onze mouw: of we soms nog wat hadden. En dus zijn we maar blijven schrijven.’

Relevant
De genres, onderwerpen en thema’s in het oeuvre van Elvis Peeters waaieren alle kanten uit. ‘Alleen de taal en de stijl zijn herkenbaar. Voor uitgevers is dat lastig, maar wij houden van de afwisseling.’ Nog een constante is maatschappelijke betrokkenheid. ‘We vinden dat een boek relevant moet zijn in de tijd waarin het verschijnt. Ik wil ook een mens zijn die zijn plaats kent in de kosmos. Het is bijvoorbeeld niet omdat iets kan, dat je het ook moet doen. Nicole en ik denken en praten veel over de samenleving. Dat sijpelt uiteraard door in de boeken die we schrijven.’

Zo lijkt het alsof de actualiteit De ontelbaren uit 2005 wil inhalen. In de roman overspoelen miljoenen vluchtelingen het Westen. ‘We zijn onlangs de Turkse vertaling gaan voorstellen in Izmir, de plek van waaruit zoveel vluchtelingen de oversteek naar Griekenland wagen. Dat was frappant’, zegt hij. ‘Weet je, ze noemen het boek profetisch, maar in onze roman is de situatie véél erger dan wat we vandaag meemaken. Als je het zo bekijkt, is er dus nog voldoende tijd om ervoor te zorgen dat de voorspelling niet uitkomt. Maar dan zal iedereen toch anders moeten reageren… We zijn zo bang voor de vluchtelingenstroom, maar als je alle mensen telt die in 2015 naar Europa gevlucht zijn, dan zijn dat er een pak minder dan het publiek van een festival als Werchter! We hebben De ontelbaren geschreven nadat we een studie hadden gelezen die stelde dat als we de hele wereldbevolking dezelfde welvaart wilden schenken als die van de gemiddelde Belg, we vier wereldbollen nodig hadden om in alle behoeften te voorzien. Als je zoiets leest, lijkt het niet meer dan logisch dat wie helemaal niks heeft, het wil halen waar het wel is. We zijn binnenkort met 9 miljard mensen. Denk je dat die allemaal lijdzaam gaan toezien hoe rijk wij zijn en zichzelf laten verhongeren? Met hardnekkig beschermen wat we hebben, gaan we het niet redden. De solidariteitsgedachte zal veel sterker moeten worden. Maar je hebt weinig maatschappelijk draagvlak om dingen te veranderen. Politici denken niet verder dan de volgende verkiezingen, terwijl de problemen die we vandaag hebben – denk ook aan de klimaatverandering – zich over generaties uitstrekken. En dus schrijven wij boeken als De ontelbaren in de hoop dat ze kunnen bijdragen tot een andere zienswijze.’

Stukje werkelijkheid
Toen in 2009 de roman Wij verscheen, ontstond een hetze. Het boek werd geprezen, maar evengoed immoreel bevonden. Een groepje jongeren verdrijft de verveling met almaar perversere spelletjes. ‘We kregen er haatmails over’, vertelt Peeters. ‘En ja, het is een hard boek, maar 95% van wat erin staat, hebben we uit de krant of van het internet geplukt: het is een literaire versie van een stukje werkelijkheid.’
De aanleiding van de roman was een samenloop van twee dingen. Op weg naar een vakantiebestemming in Italië zag het schrijversduo enkele meisjes op een brug over de snelweg staan. Ze tilden hun rokjes op en droegen er niets onder… ‘Het gaat snel, je vraagt je af of je het wel goed gezien hebt…’ De beginscène van de roman lag vast: de meisjes veroorzaken bewust een ongeval. Het paste perfect bij het idee dat het echtpaar op dat moment aan het ontwikkelen was. ‘We hadden een reportage gezien waarin wetenschappers nagingen wat voor persoonlijkheden bedrijven zouden hebben als het echte mensen waren. Het bleken stuk voor stuk gewetenloze psychopaten die aan niets anders denken dan winst. Daarop hebben wij doorgedacht: wat als jonge mensen vanuit zo’n filosofie worden opgevoed? Hoe zouden ze in het leven staan? We hebben dat uitgangspunt nergens als een pamflet geponeerd, maar het speelt wel mee.’

Rotte appel
Intussen broedt in de hoofden van het schrijversechtpaar een nieuwe roman. ‘Ik speel met het idee van de rotte appel in de mand. Hij steekt de andere aan en het rotte wordt de norm. Zo gaat het in de maatschappij ook: terroristen veroorzaken een onveilig gevoel, er komen meer camera’s, meer controle, de democratie kalft af. Dat mechanisme houdt me bezig: waarom gebeurt het omgekeerde niet? Waarom maakt de gezonde appel de rotte niet beter? Ik heb geen benul of er iets uit zal voortkomen, want ik weet niet wat Nicole aan het bedenken is. We schrijven altijd eerst een aantal hoofdstukken apart. Vervolgens leggen we alles samen en trekken we naar een koffiehuis om erover te discussiëren. Dat doen we nooit thuis: we kunnen bikkelhard zijn voor elkaar en in het openbaar moet je de discussie toch wat temperen. Soms is het slikken: je ideeën worden al eens afgeslacht. Maar we hebben de afspraak dat we nooit teksten uitbrengen waar we niet allebei 100% achter staan.’ De auteur besluit met een knipoog: ‘Zo komen we dus aan een digitale vergaarbak van onaffe teksten. Ongetwijfeld worden die na onze dood gigantisch succesvol.’

Lees het hele artikel in RandKrant, juni 2016.

Klankman Pascal Braeckman: ‘Alles wat je filmt, maak je mee’

Klankmannen werken gewoonlijk in de luwte van een televisieprogramma: buiten beeld, anoniem en onbekend. Sinds Pascal Braeckman voor het programma Tomtesterom in zee ging met Tom Waes, is daar verandering in gekomen. ‘Goh ja’, zegt hij. ‘Het is soms vervelend als mensen me aanklampen terwijl ik aan het werk ben. Aan de andere kant is het een teken dat mensen het leuk vinden wat je doet. En daar maak je tenslotte televisie voor.’

Pascal Braeckman (c) Filip Claessens

Sumoworstelaars en cowboys
Zijn leraren in het middelbaar onderwijs stuurden erop aan dat hij ingenieur zou worden, maar zo’n toekomst zag Pascal Braeckman niet zitten. ‘Dat interesseerde me geen zak. Ik wou naar de filmschool.’ Hij trok naar het Brusselse Rits, maar de finesses van de job leerde hij toch al doende, zegt hij. ‘Nu zijn die opleidingen erg veranderd, maar in die tijd stonden ze zo ver nog niet. Je had al eens een camera vastgehouden, maar veel meer hield het niet in. Het belangrijkste wat ik aan mijn studie heb overgehouden, zijn de contacten die ik er gelegd heb. Die hebben me later geholpen toen ik met klank voor televisie begon.’ Zijn eerste opdracht als klankman pur sang was een reclamefilmpje over schokdempers, in regie van Stijn Coninx. ‘Mijn tweede was een reportage over Tram 12 in Hoboken. We hebben toen van 4 uur ’s morgens tot 1 uur ’s nachts op diezelfde tram gezeten om verhalen te verzamelen. Dat was boeiend. Zoiets doe je anders nooit.’ Sindsdien heeft Pascal Braeckman wel meer dingen op zijn palmares die een doorsnee sterveling nooit doet. Zo logeerde hij dankzij het programma Goed volk van Jeroen Meus twee weken bij een groep Japanse sumoworstelaars in Tokio en bij onvervalste 21ste-eeuwse cowboys in Texas. ‘Al wat je filmt, maak je mee. Dat is het unieke aan de job: ik heb al ontzettend veel gezien. Onlangs vulde ik op Facebook alle landen in waar ik al ooit geweest was. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar het waren er 116. Dat is veel, hè… En binnenkort ga ik met Koen Wauters naar Cambodja voor zijn nieuwe programma Project K. Weer een nieuw land. Ja’, zegt hij, ‘programma’s zoals ik ze heb gemaakt met Tom Waes, Koen Wauters en Jeroen Meus zijn fantastisch om te doen. Je slaapt soms in erbarmelijke omstandigheden, hoor. Zoals met die reeks van Jeroen Meus over de patat: toen sliepen we met onze ploeg van zes man in openlucht achter een muurtje. Het was vreselijk koud, maar we kropen kort bij elkaar en dan ging het wel. Je bent in zo’n kleine ploeg op elkaar aangewezen en je moet er samen door. Dat maakt het tof: achteraf onthoud je alleen de goeie dingen.’

Klankman in de koffer
Zijn rol in de schijnwerpers kreeg Pascal Braeckman eigenlijk per toeval. ‘We zaten met de ploeg van Tomtesterom te brainstormen over hoe we het programma zouden aanpakken’, vertelt hij. ‘En de allereerste opdracht die Tom moest uitvoeren, was overleven in een bos. Hij merkte terecht op dat je niet echt in je eentje bent als je een cameraploeg meezeult. Vandaar dat hij ons bij het programma heeft betrokken: zo klopte het beter – we waren er samen, dus de kijker mocht dat zien.’ Toch zal Braeckman misschien nog het meest de geschiedenis in gaan als de-klankman-in-de-koffer. Iedereen kent het fragment: om uit beeld te blijven tijdens auto-opnames voor Wauters vs. Waes was hij in de kofferbak geklommen. Uitgerekend dan hield een Oostenrijkse politiepatrouille de televisiemakers tegen. ‘Guten Morgen, wie spät ist es?’ vroeg Braeckman toen hij uit de koffer klom. Het fragment werd een gigahit op Facebook. ‘Toen was het helemaal niet gepland dat ik in beeld zou komen, maar die beelden waren te mooi om te laten liggen’, zegt hij. ‘Zo uitzonderlijk is het niet, hoor, dat een klankman de koffer in moet. Voor beelden van autoscènes plaatsen ze kleine cameraatjes op het dashboard, maar het geluid kun je moeilijk automatisch regelen. Rijden ze over kasseien, bijvoorbeeld, dan versta je niets meer van wat ze zeggen en dan heb je een klankman nodig die ingrijpt. Voor de opnames van Crimi Clowns heb ik hele dagen in de koffer gelegen. Het hoort er gewoon bij.’

Lees het volledige artikel op pagina’s 10-11 van RandKrant, oktober 2015.

Choreograaf Helder Seabra over zijn crowdfundingproject: “Alle kleine beetjes helpen”

Het zijn geen vanzelfsprekende tijden om kunst te maken. Ook de podiumsector kraakt in zijn voegen. Nu de subsidiekraan op druppelmodus staat, zoeken veel jonge makers noodgedwongen naar nieuwe wegen om hun werk bij het publiek te brengen. “Ik ben optimistisch en ontzettend koppig”, zegt choreograaf Helder Seabra. “Ik laat me niet zomaar stoppen.” Hij financiert zijn volgende productie gedeeltelijk met crowdfunding. Nog tot 6 oktober kun je daartoe je steentje bijdragen. Voor elke bijdrage krijg je bovendien iets in ruil.

Helder Seabra groeide op in Portugal. Als tiener wou hij architect worden. Tot een vriendin hem meesleepte naar haar dansschool. ‘Vanaf de eerste les was ik verkocht: ik had mijn biotoop gevonden.’ Met amper anderhalf jaar danservaring werd hij toegelaten tot PARTS, de dansopleiding van Anne Teresa De Keersmaeker in Brussel. Vervolgens danste hij vijf jaar voor Wim Vandekeybus/Ultima Vez en nog eens vijf voor Sidi Larbi Cherkaoui/Eastman. Wie die drie namen op zijn cv heeft, mag spreken van een uitzonderlijk dansparcours.

Succesvol debuut
Vorig jaar maakte hij met zijn eigen compagnie HelKa zijn debuut als choreograaf: When The Birds Fly Low The Wind Will Blow is een theatrale en fysieke performance, tegelijk melancholisch, poëtisch en onstuimig. De livemuziek van de Gentse band Maya’s Moving Castle maakt de beoogde sfeer compleet.

De voorstelling begint in oktober aan een tournee. Tegelijk werkt de jonge compagnie aan een tweede choreografie: In Absentia, een
voorstelling over verlies. Ze gaat op 15 oktober in première in de Warande in Turnhout.

Geen beloning voor goed rapport
Eigenlijk zou er een andere productie komen: Lore, over bijgeloof en mystiek. Seabra diende daarvoor een dossier voor projectsubsidie in bij de minister van Cultuur, Sven Gatz. Net als 78 andere – veelal jonge – kunstenaars en organisaties gaven de beoordelingscommissie en de administratie hem een dubbel positief advies. Desondanks kregen ze alle 79 dit antwoord in de maag gesplitst: “Hierbij melden we u de beslissing om uw project niet te ondersteunen. Het zakelijk advies van de afdeling Kunsten en het artistiek advies van de bevoegde beoordelingscommissie, die u als bijlage bij deze mail vindt, waren nochtans positief. De resterende budgetten lieten echter jammer genoeg slechts ruimte om een beperkt aantal aanvragen in te willigen.”

De projectsubsidies zijn weer de pineut“, schrijft theatercriticus Wouter Hillaert in Rekto:Verso. “Zo’n lage toekenningsgraad is nooit eerder vertoond.” Hillaert maakt de terechte vergelijking: “Stel je een prof voor die zegt: je bent geslaagd voor je examens, maar we laten je er niet door.”

Crowdfunding met fijne return
Ja, wat dan? Je kunt er het bijltje bij neergooien, de repetitie- en speelzalen leeg laten. Of je kunt doorgaan. Helder Seabra maakte de moeilijke keuze om zijn grote project even in de koelkast te stoppen en een nieuw, low-budgetproject op te zetten. Voor In Absentia werkt de choreograaf met een uitsluitend mannelijke cast. Met hen onderzoekt hij alle hoeken en kanten van het thema verlies – een thema dat niet toevallig is gekozen: het is direct geïnspireerd op de verschraling van het kunstenlandschap die de choreograaf zelf ervaart. Verlies voelen, zien, dragen, erom huilen of lachen – het mag allemaal. Seabra: “Doorgaans kroppen mannen meer op dan vrouwen: ze uiten hun emotie minder direct. Wat doet dat met ze? Uiteindelijk draait het niet om wat je verliest of hoe dat gebeurt, maar om hoe je ermee omgaat.”

Het crowdfundingproject dat de voorstelling moet helpen voltooien, loopt nog tot 6 oktober. In totaal zoekt het gezelschap via die weg 10.500 euro bij elkaar. Een week voor de deadline stond de teller al op 6924. “Alle beetjes helpen”, zegt de choreograaf. Op de webpagina van het project leest de bereidwillige financierder wat hij of zij voor de gegeven steun in de plaats krijgt. Enkele voorbeelden. Vanaf 2 euro? Een persoonlijk mailtje van de choreograaf om je te bedanken. Vanaf 10? Een foto in je inbox, speciaal voor jou genomen tijdens het creatieproces. Vanaf 35 euro: een workshop of dansles van de choreograaf. Vanaf 100 euro? Een borrel met het volledige team van de voorstelling. Vanaf 500 euro? Het team maakt een traditionele Portugese maaltijd klaar voor jou en maximaal 5 vrienden.

“De kunsten lijken in een vacuüm terecht te zijn gekomen”, besluit Helder Seabra. “Iedereen vraagt zich af wat de toekomst brengen zal. Volgens mij zitten we op een keerpunt dat ons dwingt na te denken over een nieuw soort creativiteit, die we met zo weinig mogelijk middelen moeten ontwikkelen. Je merkt ook hoe kunstenaars elkaars projecten ondersteunen. Mijn muzikanten maken muziek voor de voorstelling. Ik zal in ruil een choreografie maken voor een van hun volgende videoclips. Ik blijf dus positief: optimisme brengt optimisme voort en dat zorgt voor een goede bodem om ideeën te laten kiemen en bloeien.”

https://www.facebook.com/helkavzw
Lees ook het artikel dat ik over Helder Seabra schreef in RandKrant, en waaruit ik fragmenten geplukt heb voor deze post (blader naar pagina 22).

Maud Vanhauwaert: “Je identiteit ligt nooit vast – dat vind ik een erg troostende gedachte”

Nog eens een nieuwe in de reeks ‘Kanttekening’ voor Kunstenloket: dichter, schrijver en tekstperformer Maud Vanhauwaert.

Ze was vastbesloten om vier maanden vrijaf te nemen. Van juni tot eind september zou ze lezen, schrijven en reizen. Niets anders. Maar de opdrachten bleven zich aandienen en ‘nee’ zeggen bleek te moeilijk. Het lot van de creatieve freelancer? Schrijver en tekstperformer Maud Vanhauwaert maakte lange tijd van ‘ja’ haar handelsmerk. “Naar Noord-Nederland om twee gedichten te lezen in een koeienstal? Waarom niet. In het begin aanvaardde ik elke mogelijke opdracht.” En dat wierp vruchten af. “Ik heb er veel in geïnvesteerd, maar nu kan ik ook effectief leven van wat ik graag doe.”

“Ik was 7 toen ik voor het eerst met een gedichtje van Annie M.G. Schmidt op een podium stond. Ik was heel zenuwachtig en ik vond het confronterend om daar helemaal in mijn eentje te staan. Maar de magie die ik toen gevoeld heb, zocht ik later altijd opnieuw op. Na dat ene gedichtje heeft het zich allemaal heel organisch ontwikkeld. Ik heb deeltijds kunstonderwijs gevolgd, ben Germaanse talen en Woordkunst gaan studeren. Bovendien had ik het geluk dat mijn ouders me altijd de vrijheid gegeven hebben om te onderzoeken wat ik wou.”

Hoe ben je dan poëzie en andere teksten beginnen te schrijven?

(c) Jimmy kets“Ik herinner me nog hoe ik als klein meisje aan zo’n groot eikenhouten bureau zat met het voornemen om een nieuwe versie van Jommeke te schrijven. Toch was ik niet zo’n kind dat constant zat te schrijven. In het laatste jaar van mijn opleiding Woord mochten we een masterproject uitwerken en ik koos voor een dichtbundel. Dankzij de steun van de school en van Bart Moeyaert, die mijn begeleider was, is dat gelukt. Nadien is dat bundeltje uitgegroeid tot mijn debuut. Ik merkte toen hoe prettig het is om naar iets tastbaars als een boek toe te werken. Er ontstaat vanzelf een verhoogde concentratie. Als je zomaar wat schrijft, strooi je hier en daar kruimeltjes uit. Maar het is zoveel leuker om broden te bakken: je woorden kneden tot het juiste deeg ontstaat, het langzaam laten rijzen… dat is een genot dat ik pas later heb ontdekt.”

Schrijven is één ding. Er je beroep van maken iets heel anders. Hoe is dat bij jou verlopen?

“Ik heb nooit een duidelijke grens gekend tussen mijn studententijd en mijn professioneel leven. Terwijl ik nog studeerde, deed ik al heel wat kleine opdrachten, vaak als vrijwilliger of voor een kleine onkostenvergoeding. Mijn tactiek – hoewel die zeker niet bewust was – was om op alles ‘ja’ te antwoorden. Vroegen ze me om in het noorden van Nederland twee gedichten te komen voorlezen in een koeienstal, tegen terugbetaling van het treinticket, dan deed ik dat. En graag! Zo heb ik in het begin heel veel kleine dingetjes gedaan. Die gaven me de mogelijkheid om langzaam te groeien in mijn vak, mensen en organisaties te leren kennen. De vraag is blijven komen, waardoor ik vooralsnog nooit heb hoeven te solliciteren. Dat is een luxe, natuurlijk, maar ik heb er wel veel tijd en energie in geïnvesteerd. Ik krijg nu nog soms de vraag wat dan eigenlijk mijn échte werk is. En ja, dit is mijn echte werk: het bestaat uit een waaier aan verschillende opdrachten. Ik heb mijn eigen teksten – die schrijf ik vanuit mijn eigen noodzaak. Daarnaast heb ik hier en daar schrijfopdrachten, zoals de column die ik momenteel voor de krant De Morgen schrijf. Ik geef les aan het conservatorium en ik treed vaak op met mijn eigen teksten. Uit die optredens haal ik mijn voornaamste inkomsten. Met alleen maar in een hoek te blijven zitten en je poëzie in een schriftje te krabbelen, haal je het niet. Maar zo zou ik het ook niet willen. Ik hou van verscheidenheid en ik zoek ook bewust contexten op die buiten mijn comfortzone liggen. Van daaruit kun je immers opnieuw geprikkeld worden. Ik heb vaak gemerkt dat een opdracht waar ik op het eerste gezicht wat moeite mee had, me juist hielp om mijn grenzen te verleggen. Ik beweer niet dat het voor iedereen zo werkt, maar ik zou beginnende kunstenaars toch het advies durven te geven om je zoveel mogelijk open te stellen voor wat er op je af komt. Die tip geef ik mijn studenten ook: probeer een opdracht zo creatief mogelijk naar je hand te zetten, zodat het toch begint aan te voelen als je eigen project. Ik heb nooit het gevoel dat ik teksten die ik in opdracht schreef, moet afgeven. Het zijn en blijven mijn teksten en dat geeft een enorm gevoel van verrijking.”

Lees meer via Kunstenloket.

www.maudvanhauwaert.be

– In juli houdt Maud Vanhauwaert spreekuur op het Kunstenfestival van Watou.
– Vanaf september gaat ze op tournee met haar avondvullende voorstelling Het is de moeite.

Kristien Bonneure en Lucas Vanclooster kiezen kunst voor het stilste plekje van Vilvoorde

Kunst in de Troost, 24-26 april 2015

“Eén keer per jaar…
Eén keer per jaar de rust ervaren van het stilste plekje van Vilvoorde…
Eén keer per jaar achter de muren kijken van het karmelietessenklooster Onze-Lieve-Vrouw-van-Troost.”

Dat stilste plekje van Vilvoorde is een kolfje naar de hand van VRT-journaliste Kristien Bonneure, die de laatste tijd van stilte een van haar belangrijkste thema’s maakt. Voor de zestiende editie van ‘Kunst in de Troost’, in de kloostertuin en conventsgebouwen van ‘Den Troost’ in Vilvoorde, kozen zij en haar echtgenoot Lucas Vanclooster de kunstenaars uit. “Het zijn er 26 geworden, uit Vilvoorde, Vlaams-Brabant en ver daarbuiten. Ze werken in uiteenlopende materialen en met verschillende thema’s.”

Ik interviewde Kristien Bonneure onlangs over het belang van rust en stilte. Het was een boeiend en inspirerend gesprek, met stof tot denken voor iedereen die af en toe het gevoel heeft dat het eventjes genoeg is geweest. Met het lawaai. De drukte. Het te veel aan alles.

Het artikel verscheen in het magazine van gehoorspecialist Lapperre. Ik herneem hier een goed deel ervan.

Kristien Bonneure: ‘Stilte is essentieel democratisch’

Kristien Bonneure hield altijd al van rust en stilte. Een boek lezen. Een wandeling in de natuur. Even de tijd nemen voor kleine dingen. Ze kwam terecht op de radionieuwsdienst van de VRT. Een droomjob die ze 20 jaar met verve uitoefende. Tot het genoeg was. Genoeg lawaai. Genoeg hectiek. Ze ruilde de jachtige en immer rumoerige nieuwsdienst in voor de redactie van Cobra.be. Ook in haar privé-leven maakte ze meer ruimte voor al wat onder de noemer ‘stil’ kan vallen. Van de weeromstuit werd stilte een thema.

Ze zocht haar eigen rust op, sprak met stiltezoekers, las boeken, schreef blogposts, opiniestukken en uiteindelijk Stil leven. Een stem voor rust en ruimte in drukke tijden. “Ik heb me op alle mogelijke manieren verdiept in het thema, maar fundamenteel veranderd heeft het me niet. Het heeft me eerder bevestigd in wie ik ben”, zegt ze. “Ik heb altijd een grote liefde gehad voor stilte. En dan niet zozeer voor de absolute akoestische stilte, maar voor rust en het kunnen onderscheiden van verschillende geluiden. Zelfs als student hield ik al niet van die soep van geluiden die ons vaak omringt. Na 20 jaar in de media merk je dat die omgeving toch bijzonder lawaaierig is geworden. En dat heeft vooral te maken met de ontzettende versnelling van informatie die op je af komt. Ik verhuisde naar Cobra om in een kleiner team en een kleinere ruimte te kunnen werken. Ik wou ook graag diepgravende stukken schrijven, die misschien niet helemaal los stonden van de actualiteit, maar er toch iets meer afstand van namen.” In haar vrije tijd volgde ze dezelfde beweging. “Ik ben weer meer beginnen wandelen en ik doe een paar keer per week aan yoga: heilige momenten.”

Prikkeldraad
In de loop van haar stiltezoekende traject, is Kristien Bonneure – tot haar eigen verrassing – toleranter geworden voor bepaalde vormen van geluidsoverlast. “We leven nu eenmaal in een wereld vol geluid. Je kunt niet vanuit een extreem egocentrisme je stilte opeisen en bewaken met prikkeldraad.” Dat wil nog niet zeggen dat de knoppen onbegrensd naar rechts mogen worden gedraaid. “Ik ben absoluut voorstander van regelgeving en sensibilisering”, zegt ze. “Met de huidige geluids- en isolatienormen zijn we op de goede weg, maar het kan beter. En daarnaast is het natuurlijk vooral een kwestie van geven en nemen. Ik heb mijn stilte nodig en op sommige momenten of plaatsen is die er niet. Dan stel ik mijn behoefte even uit of ik ga het lawaai uit de weg.”

Reservoir
“Het zou erg zijn als rust en stilte werden weggezet als een trendy bezigheid. Dan dreigen ze koopwaar te worden en uiteindelijk iets exclusiefs voor wie het betalen kan”, legt Kristien Bonneure uit. “Stilte is essentieel democratisch, omdat het er altijd is.” En ja, ze is soms schaars, maar als je wat moeite doet, stuit je altijd wel op een reservoir ervan. “Het is helemaal niet moeilijk om in dat reservoir te zwemmen, maar het kan moeilijk zijn om de eerste stap te zetten: je smartphone uit te zetten of die veelheid aan geluidsbronnen even bewust te mijden.”

Een sluitende definitie van stilte bestaat niet, vindt Bonneure. Stilte is voor iedereen anders. “Voor mij is het een mogelijkheid om de dingen wat rustiger en met meer afstand te bekijken. Daardoor leer je alles beter in perspectief te plaatsen. Uiteindelijk geeft het je een blik op waar het echt om draait in het leven.”

Dingen tijd geven
Kristien Bonneure is optimistisch. “We zitten wel degelijk zelf aan de knoppen en je ziet ook hoe meer en meer mensen naar eigen vermogen meer rust in hun leven proberen te sluizen. “Hoe moeilijk het soms dus ook lijkt: stel je grenzen, denk na, probeer dingen uit en laat ze voortduren als ze werken voor jou.”

De journaliste gaat nu en dan echt op retraite. Maar op doordeweekse dagen zoekt ze het in kleine dingen. Dan gaat de televisie na het Journaal bijvoorbeeld resoluut uit. “Je zou er versteld van staan hoeveel tijd dat creëert om te lezen.” Verder staat ze elke ochtend een uur vroeger op dan haar man en kinderen. “Ik zet geen radio op, bekijk de kranten alleen van op een afstand. Dat zijn mooie momenten van stilte voor de herrie van de dag begint.” Ook een activiteit de tijd geven die ze nodig heeft, creëert rust. “Zelfs bij iets banaals als aardappelen schillen, krijg je veel meer het gevoel dat je kunt ademen als je het niet op een drafje doet. Ik probeer ten slotte altijd één ding tegelijk te doen: als je vijf taken ineens aanvat, heb je uiteindelijk nooit het gevoel dat iets af is.”

www.kristienbonneure.wordpress.com

www.kunstindetroost.be

Guy Cassiers en Tom Lanoye maken Hamlet vs Hamlet: ‘Shakespeare moet smoorverliefd geweest zijn op theater’

Voor hun vijfde samenwerking zetten Guy Cassiers en Tom Lanoye hun tanden in Hamlet – het stuk der stukken. Een negenkoppige cast (samengesteld uit de verenigde Toneelhuis- en Toneelgroep Amsterdam-stallen), een vrouw in de hoofdrol, Lanoyes bevlogen vijfvoetige jamben en Cassiers’ multidisciplinaire Fingerspitzengefühl: voer voor een Hamlet die de confrontatie met alle voorgaande ensceneringen aandurft. En laat dat net het opzet zijn…

Ik herneem hier een deel van het artikel dat ik over de productie geschreven heb in Staalkaart. Resterende speeldata vind je op www.toneelhuis.be

Shakespeare heeft Hamlet – net als zoveel andere verhalen uit zijn portfolio – niet zelf verzonnen. Vandaag gaan literatuurwetenschappers ervan uit dat Thomas Kyd de oerversie heeft geschreven. Guy Cassiers: ‘Shakespeares teksten hebben ook lang niet allemaal een perfecte schriftuur of dramaturgische opbouw. Maar hij heeft ze wel in een vorm weten te gieten die vandaag nog altijd fascineert. De liefde voor het theater zit een stuk als Hamlet in de genen: Shakespeare moet smoorverliefd zijn geweest op het theater. Hij wou zijn acteurs laten schitteren. En dat deed hij in een taal en stijl waar we vandaag nog altijd jaloers op mogen zijn. Bovendien bevatten veel van zijn stukken mysterie: niet alles wat hij vertelt, wordt verklaard. Precies daardoor blijft zo’n werk mij en vele anderen stimuleren om almaar nieuwe betekenissen tussen die lijnen te ontdekken. En precies daardoor blijft Shakespeare ook het publiek boeien.’

Ontsporende verbeelding
Toch lag Hamlet niet al jaren op Guy Cassiers’ kast te wachten om afgestoft te worden. ‘Het idee begon pas echt te gisten nadat ik de roman Heart of Darkness van Joseph Conrad had bewerkt. Dat hoofdpersonage, kolonel Kurtz, heeft afstand genomen van de realiteit. In zijn verbeelding genereert hij een heel eigen universum. Dat thema vind ik bij Shakespeare terug in Macbeth en Hamlet. Het leek me interessant om me er nog wat meer in te verdiepen door die twee generaties in hetzelfde seizoen op de planken te brengen. Macbeth staat voor de oudere generatie, Hamlet voor de jongere en bij allebei draait het erom hoe je je verbeelding kunt benutten om – dikwijls op een indirecte manier – de realiteit beter te begrijpen. Sla je daarin een verkeerde weg in, dan dreig je verloren te lopen.’
Zowel bij Hamlet als bij Macbeth bevinden we ons onder machthebbers en laat het mechanisme van de macht nu net een van Guy Cassiers’ hardnekkigste thematische stokpaardjes zijn. In beide stukken verliezen de personages grip op de werkelijkheid. ‘Maar er is een groot verschil in maturiteit tussen beiden: Macbeth is een volwassen man, terwijl Hamlet op de drempel van de volwassenheid staat – hij moet nog helemaal gekneed worden.’

Halfwas
Tom Lanoye zette zijn tanden in de tekstbewerking. Het werd de vierde samenwerking met Guy Cassiers, na Mefisto for ever, Atropa. De wraak van de vrede en Bloed & rozen. Het lied van Jeanne en Gilles. In de eerste gesprekken tussen Cassiers en Lanoye was Hamlets status als halfbakken mens een van de belangrijkste kapstokken. Beide makers waren het er roerend over eens dat de Deense prins al te vaak door te oude acteurs wordt neergezet (denk aan Laurence Olivier, Richard Burton of Kenneth Branagh). En zo’n keuze maakt bepaalde scènes en daden in hun ogen ongeloofwaardig. ‘De felle dadendrang én de verlamming door faalangst — allebei eigen aan jonge idealisten — die Hamlet zo typeren, passen niet bij een man die evengoed 35 zou kunnen zijn als 45’, stelt Tom Lanoye. Maar té jong mag hij ook weer niet zijn. ‘Romeo en Julia waren prille pubers, slachtoffers van hun allereerste en dus tomeloze kalverliefde. Zij zijn zich wel bewust van de tegenkanting van hun families, en van de vendetta tussen beide, maar niet van de details, de werking, de historie, de hele politiek van de machten die daarachter schuilgaan. Hun drijfveer blijft zuiver romantisch, van de wereld weg.’ Dat is bij Hamlet al anders. Hij is oud en wijs genoeg om dat soort mechanismen en verhoudingen te vatten. Lanoye: ‘Hij bezit de intelligentie om machiavellisme te detecteren. Maar evenzeer bezit hij nog de jeugdige drang tot zuiverheid, waardoor hij zich daar bij voorbaat en principieel tegen verzet. Hij wordt voortgestuwd door de hooggestemde Sturm und Drang van iedere brandnieuwe generatie, maar — anders dan Romeo en Julia — geeft hij zich rekenschap van álle gevolgen van zijn daden.’ Zodoende wordt Hamlet verscheurd door vertwijfeling. Verontwaardiging, vrees, overmoed, onmacht, zelfhaat, maar ook melancholie en cynisme vechten in hem om de overhand. ‘Dat maakt Hamlet – in tegenstelling tot Romeo en Julia – verwarrend veelzijdig.’
Guy Cassiers ziet dan weer een parallel tussen het personage Hamlet en Europa vandaag. ‘De Europese identiteit is behoorlijk schizofreen’, vindt hij. ‘We dreigen met zijn allen het geloof in de politiek te verliezen. Toch blijft Europa vasthouden aan een tomeloze ambitie: het probeert zich een geloofwaardige identiteit aan te meten en het wereldbeeld mee te bepalen. Maar als er dan iets gebeurt vlak buiten onze grenzen, waar de Arabische lente is ontaard in een Syrische nachtmerrie, staan we er met onze mond vol tanden naar te kijken. Je voelt gewoon de onbeholpenheid van zo’n entiteit die zich groots en stevig voordoet, maar bij de eerste de beste confrontatie in immobiliteit verzandt. Onze Hamlet is als Europa: hij raakt verlamd door alle emoties die in hem woeden.’
‘Alleen zijn verbale energie blijft onverminderd sprankelen’, besluit Tom Lanoye. Om dat te onderstrepen, heeft de auteur de vijfvoetige jambe van Shakepeare behouden. Sinds hij die versvoet eind jaren 90, tijdens zijn bewerking van Shakespeares koningsdrama’s voor Luk Perveval en de Blauwe Maandag Compagnie in de vingers kreeg,laat hij geen kans onbenut om hem nog eens uit de kast te halen. Het metrum vloeit tegenwoordig schijnbaar moeiteloos uit zijn pen.

Theater = mensen
Theater maken is samenwerken. En voor Guy Cassiers en Tom Lanoye draait samenwerken allereerst om de mensen die je daarvoor bij elkaar brengt. Een andere regisseur en auteur komen vanzelfsprekend met een totaal verschillende productie op de proppen. Maar ook de keuze van de acteurs drukt een wezenlijke stempel op het eindresultaat. Bij een Hamlet geldt dat zo mogelijk nog meer dan bij andere stukken. Tom Lanoye: ‘Hamlet ensceneren en interpreteren lijkt me, gek genoeg, hiermee te beginnen: wie speelt die rol? Wie bezit zowel de technische bravoure als de nodige ambivalentie? De maturiteit én de frisheid, de gekte én de helderheid? Elke interpretatie wordt mee bepaald door die keuze, omdat de rol zulke hoge en specifieke eisen stelt. Enkel iemand die sterk van geest is maar nog jong oogt, en die frêler is dan de volwassenen die hij aanwrijft alle zuiverheid te hebben verloren, kan deze Hamlet geloofwaardig belichamen.’ Wie, o wie? Voor de auteur stond het snel vast. Abke Haring moest de hoofdrol spelen: ‘Haar androgynie, haar kwetsbaarheid en innerlijke kracht zullen ons schimmenspel van zijn en wezen, van zien en zijn, dat hele spiegelpaleis van hartstocht en paranoia alleen maar vergroten.’
Guy Cassiers was het onmiddellijk met hem eens, hoe onvanzelfsprekend het ook lijkt om een vrouw Hamlet te laten spelen. ‘In het verleden hebben al heel wat vrouwen de rol vertolkt’, zegt hij. Naar verluidt zette Sarah Bernhardt in 1899 een ronduit schitterende Hamlet neer. Ook Asta Nielsen, dé ster van de stomme film, nam de rol met veel bravoure op zich. In haar enscenering bleek Hamlet geen prins, maar een prinses: juist omdat ze een vrouw was, werd Hamlet als troonopvolgster geboycot. Een affaire met Horatio mocht in zo’n interpretatie uiteraard niet ontbreken.
In die val willen Cassiers en Lanoye hoegenaamd niet trappen. ‘Onze Hamlet is geen vrouw’, benadrukt Tom Lanoye. ‘Abke speelt een jongeman zoals ten tijde van Shakespeare alle vrouwenrollen werden gespeeld door jongens: niet als travestieten, maar als acteurs die vrouwen belichaamden.’
Wanneer Lanoye theater schrijft, doet hij dat met welbepaalde acteurs voor ogen. Daarom was het voor hem niet alleen belangrijk te weten naar wie de rol van Hamlet zou gaan. ‘Net zoals bij Shakespeare is bij Tom de liefde voor het theater groot’, vertelt Guy Cassiers. ‘Dat is volgens mij zijn grote kracht als theaterauteur: hij schrijft voor de acteurs. Hij hoort hen de teksten uitspreken terwijl hij schrijft, hij ziet hen spelen in zijn hoofd.’

Fragiel
De wederzijdse beïnvloeding van Lanoye en Cassiers blijkt eveneens bijzonder groot. Ze hebben stilaan een geolied mechanisme ontwikkeld om hun beide stemmen optimaal tot hun recht te laten komen. ‘Je hebt veel schrijvers en componisten die slordig met tijd omspringen, maar Tom doet dat niet’, vertelt Guy Cassiers. ‘Hij is heel praktisch ingesteld. Ik ben daar soms best jaloers op. Hij weet maanden vooraf precies wanneer hij wat zal doen. Voor veel auteurs bestaat dan het gevaar dat het schrijven niet wil lukken op het geplande moment, maar Tom heeft daar blijkbaar nog nooit last van gehad. Hij doorloopt ook altijd een heel lang voortraject: welke personages behouden we, welke schrappen we en waarom, hoe komen ze elkaar tegen… Pas als het allemaal glashelder in zijn hoofd zit, begint hij te schrijven. Ik zit dan soms al te denken: O-oh, gaan we het wel halen? Maar als hij eenmaal begint, gaat het schijnbaar vanzelf: hij schrijft even snel als hij praat’, lacht de regisseur. Vervolgens legt Lanoye Cassiers een veel te lange eerste versie voor. En dan begint de wisselwerking. ‘Een auteur die theater schrijft, is erg bekommerd om duidelijkheid. Hij wil dat alle beweegredenen van alle personages duidelijk zijn. Maar tijdens de repetities blijkt dan vaak dat je al die dialogen met achterliggende gedachten niet per se nodig hebt. En dus kun je schrappen. Tom heeft daar ook nooit problemen mee. Er is meestal een groot verschil tussen de eerste versie die hier op tafel komt en de uiteindelijke speeltekst op de première. De repetities dienen er in principe voor om te ontdekken wat we niet nodig hebben. Daarom ook is Tom er altijd bij tijdens de laatste repetitieweken.’ Hoewel het een vertrouwde manier van werken is geworden, waar Guy Cassiers ook blindelings op vertrouwd, blijft het moment waarop hij die allereerste versie open klikt toch altijd razend spannend. ‘Het eigenaardige aan theater is dat de première, de speelreeks en alle contracten al vastliggen vóór het artistieke werk van start gaat. Zelfs na zoveel jaren blijft elke voorstelling weer opnieuw beginnen. Je vertrekt vanuit niets en moet ontdekken. Je ontwikkelt daar na verloop van tijd een zekere rust in, maar toch besef je heel goed dat je je telkens opnieuw in een situatie zet die je weinig biedt om op terug te vallen. Je probeert tenslotte telkens nieuwe paden te bewandelen: dat maakt het net zinvol voor jezelf en alle andere betrokkenen, maar het maakt theater ook heel fragiel.’

Hamlet vs Hamlet
Coproductie tussen Toneelhuis en Toneelgroep Amsterdam