Ehsan Hemat, I put a spell on you: wat als privacy niet meer bestond?

Choreograaf Ehsan Hemat presenteert zijn eerste eigen choreografie als een waarschuwing. Beseffen we wel hoeveel we van onze privacy prijsgeven? Welk scenario gaan we daarmee tegemoet? I put a spell on you is een beklemmend toekomstbeeld in dans en beweging.
Drie dansers bewegen in een donkere wereld waarin alles en iedereen wordt gezien en gecontroleerd. Onderling contact wordt meedogenloos bestraft. Te pas en te onpas vliegt een kleine, zwarte drone de scène op. Een aaibaar karakter hebben die tuigen nooit, maar deze heeft een wel bijzonder akelig aura. Ze bedreigt, oordeelt en veroordeelt. Ontsnappen is onmogelijk. Een voor een scant de drone de dansers. In een eindeloos rollende reeks data vindt ze een match: hun foto’s en persoonsgegevens verschijnen groot op het scherm. ‘Dadelijk is het mijn beurt’, vrees je. En bijna verwacht je dat ze ook jouw gegevens zal achterhalen en te grabbel gooien.

Het oog ziet alles

De drone-die-alles-ziet geeft de voorstelling een futuristisch, dystopisch tintje. Maar zo veraf lijkt het toekomstbeeld nu ook weer niet. Daarvoor zijn camera’s en drones al veel te ingeburgerd in onze samenleving. Tegelijk klinken er echo’s van allerhande oudere Alziende Ogen door. Denk aan Big Brother, who is watching you… van George Orwell. Of aan een God die alles weet en ziet, en evengoed beoordeelt en veroordeelt. De ene vorm van controle heeft haast naadloos plaatsgemaakt voor een volgende.

Ehsan Hemat (c) Filip Claessens

Aan I put a spell on you is een minutieus onderzoek voorafgegaan. Hemat verdiepte zich in alles wat met privacy, data en controle te maken heeft. ‘We geven onze privacy heel snel en gewillig op. En niemand lijkt er wakker van te liggen wat er met al die gegevens gebeurt. Natuurlijk gaan we er niet van de ene dag op de andere aan dood, maar het is een onmiskenbaar probleem. Onze kinderen zullen nooit weten wat privacy betekent.’

De choreograaf geeft een voorbeeld uit zijn geboorteland, waar de overheid het internet afschermt met een van de sterkste firewalls ter wereld. ‘De Iraniërs omzeilen de filters massaal, door hun smartphone bijvoorbeeld verbinding te laten maken via Russische proxyservers.Niemand vraagt zich af wat er gebeurt met alle informatie die die intussen opslaan. Wie doet dat, en met welk doel? Iemand heeft er ongetwijfeld baat bij.’

Lees meer

8 december 2018, CC Strombeek

‘The Lover’ van Bára Sigfúsdóttir: oprecht en passioneel, destructief en verstikkend

Een eenzame figuur doolt door een verlaten landschap. Haar lichaam is kwetsbaar, haar overlevingsinstinct sterk. Ze wil samensmelten met de voortdurend transformerende omgeving en wringt zich daarvoor in allerlei bochten. De poëtische dansvoorstelling The Lover van de IJslandse Bára Sigfúsdóttir neemt de complexe relatie tussen mens en natuur onder de loep.

De mens houdt van de natuur, maar heel gezond is de relatie niet. Hoewel passioneel en oprecht, is de liefde ook destructief en verstikkend. Ze bestaat nu, maar wat zal er op de lange termijn mee gebeuren? ‘De mens heeft een kortetermijnrelatie met de natuur’, legt Bára Sigfúsdóttir uit. ‘We putten er plezier uit, we doen er allerlei mee, maar in ons enthousiasme putten we alle grondstoffen uit en brengen we onomkeerbare schade toe. Ik vertel het publiek in mijn voorstelling niet wat het daar allemaal van moet vinden: ik stel liever vragen die de toeschouwer aanzetten tot denken.’

Transformatie
De danseres speelde al langer met het idee om een choreografie te maken over de natuur. Maar pas toen ze de fotoserie Les amants van de Franse kunstenares Noémie Goudal zag, viel de puzzel op zijn plaats. Ze koos de serie als inspiratiebron en vroeg de fotografe om de scenografie van de voorstelling te verzorgen. In samenwerking met Jeroen Verrecht van het bureau 88888 kwam een indrukwekkend, constant transformerend decor tot stand. ‘Die transformatie was belangrijk’, vindt Bára Sigfúsdóttir. ‘Want ook in de natuur is alles continu in beweging, niets is statisch, niets staat ooit compleet stil.’ Meer details mogen we niet prijsgeven: ‘De reactie van het publiek op de veranderingen moet echt zijn. Het zou jammer zijn als het vooraf al wist wat er zal gebeuren’, glimlacht ze.

Improvisatie
In dat veranderlijke decor danst Bára Sigfúsdóttir solo. Ze werkte de choreografie uit op basis van improvisaties. ‘Als ik aan een choreografie begin, bijt ik me vast in het thema’, vertelt ze. ‘Ik lees erover, kijk naar films… Op een gegeven moment stap ik de dansstudio in met al die informatie in mijn achterhoofd. Ik zet passende muziek op, en ik kijk wat mijn lichaam ermee kan aanvangen.’ Die improvisatiesessies neemt ze op op video en ze laat de beelden een aantal dagen liggen voor ze ernaar kijkt. ‘Dan probeer ik er objectief naar te kijken, alsof ik niet mezelf, maar naar een onbekende danser bezig zie’, zegt ze. ‘Ik pik eruit wat bruikbaar is en bouw daarop voort. Op de duur ontstaat een scène. Verschillende scènes boetseer ik samen tot een voorstelling.’
Voor The Lover heeft ze vooral gewerkt met bewegingen van geïsoleerde lichaamsdelen. ‘Kleine, gedetailleerde bewegingen’, zegt ze. Want die passen voor haar perfect bij het uitgangspunt. ‘Als je in de natuur gaat wandelen, hoor je het geluid van je voetstappen op de grond. In de stad gebeurt dat zelden – zelfs als je hoge hakken draagt, gaat het geluid op in de omgevingsruis. In de natuur – met al die ruimte rondom je – is alles heel erg aanwezig. De zon kust je gezicht, de wind waait door je haar. Kleine dingen vragen aandacht en openen de zintuigen. Ik heb onderzocht hoe ik dat kon overbrengen in dans.’

Borko
Ook de muziek krijgt een aanzienlijke rol in The Lover. ‘Ik heb ervoor samengewerkt met de IJslandse muzikant Borko’, vertelt Bára Sigfúsdóttir. ‘Hij gebruikt vaak natuurlijke geluiden en zet die om in iets anders: het geluid van een waterval manipuleert hij bijvoorbeeld zo, dat het op de duur industrieel gaat klinken. Borko laat elektronische muziek, klassieke instrumenten en natuurlijk geluid samengaan. Wat hij voor The Lover heeft gemaakt, klikte onmiddellijk met de rest van de voorstelling. En zo komt het dat er momenten zijn waarop de dans centraal staat, maar evengoed krijgen nu eens de scenografie en dan weer de muziek de overhand. We hebben een evenwicht gezocht tussen al die elementen.’

Brussel, centrum van de dans
Bára Sigfúsdóttir studeerde dans in IJsland, Nederland en aan P.A.R.T.S., de dansschool van Anne Teresa De Keersmaeker. Nadien bleef ze in Brussel wonen. ‘België is wereldberoemd om zijn hedendaagse dans’, vertelt ze. ‘En de dansscène is hier ook ontzettend rijk. Het voelde dus heel natuurlijk om te blijven, me te laten inspireren door al die dansers en choreografen die hier werken en optreden, en mijn eigen werk ook van hieruit vorm te geven. Als je iets wil doen met hedendaagse dans, is Brussel de plek waar je zijn moet.’

Dit artikel verscheen in RandKrant, maart 2016.

www.barasigfusdottir.com

Choreograaf Helder Seabra over zijn crowdfundingproject: “Alle kleine beetjes helpen”

Het zijn geen vanzelfsprekende tijden om kunst te maken. Ook de podiumsector kraakt in zijn voegen. Nu de subsidiekraan op druppelmodus staat, zoeken veel jonge makers noodgedwongen naar nieuwe wegen om hun werk bij het publiek te brengen. “Ik ben optimistisch en ontzettend koppig”, zegt choreograaf Helder Seabra. “Ik laat me niet zomaar stoppen.” Hij financiert zijn volgende productie gedeeltelijk met crowdfunding. Nog tot 6 oktober kun je daartoe je steentje bijdragen. Voor elke bijdrage krijg je bovendien iets in ruil.

Helder Seabra groeide op in Portugal. Als tiener wou hij architect worden. Tot een vriendin hem meesleepte naar haar dansschool. ‘Vanaf de eerste les was ik verkocht: ik had mijn biotoop gevonden.’ Met amper anderhalf jaar danservaring werd hij toegelaten tot PARTS, de dansopleiding van Anne Teresa De Keersmaeker in Brussel. Vervolgens danste hij vijf jaar voor Wim Vandekeybus/Ultima Vez en nog eens vijf voor Sidi Larbi Cherkaoui/Eastman. Wie die drie namen op zijn cv heeft, mag spreken van een uitzonderlijk dansparcours.

Succesvol debuut
Vorig jaar maakte hij met zijn eigen compagnie HelKa zijn debuut als choreograaf: When The Birds Fly Low The Wind Will Blow is een theatrale en fysieke performance, tegelijk melancholisch, poëtisch en onstuimig. De livemuziek van de Gentse band Maya’s Moving Castle maakt de beoogde sfeer compleet.

De voorstelling begint in oktober aan een tournee. Tegelijk werkt de jonge compagnie aan een tweede choreografie: In Absentia, een
voorstelling over verlies. Ze gaat op 15 oktober in première in de Warande in Turnhout.

Geen beloning voor goed rapport
Eigenlijk zou er een andere productie komen: Lore, over bijgeloof en mystiek. Seabra diende daarvoor een dossier voor projectsubsidie in bij de minister van Cultuur, Sven Gatz. Net als 78 andere – veelal jonge – kunstenaars en organisaties gaven de beoordelingscommissie en de administratie hem een dubbel positief advies. Desondanks kregen ze alle 79 dit antwoord in de maag gesplitst: “Hierbij melden we u de beslissing om uw project niet te ondersteunen. Het zakelijk advies van de afdeling Kunsten en het artistiek advies van de bevoegde beoordelingscommissie, die u als bijlage bij deze mail vindt, waren nochtans positief. De resterende budgetten lieten echter jammer genoeg slechts ruimte om een beperkt aantal aanvragen in te willigen.”

De projectsubsidies zijn weer de pineut“, schrijft theatercriticus Wouter Hillaert in Rekto:Verso. “Zo’n lage toekenningsgraad is nooit eerder vertoond.” Hillaert maakt de terechte vergelijking: “Stel je een prof voor die zegt: je bent geslaagd voor je examens, maar we laten je er niet door.”

Crowdfunding met fijne return
Ja, wat dan? Je kunt er het bijltje bij neergooien, de repetitie- en speelzalen leeg laten. Of je kunt doorgaan. Helder Seabra maakte de moeilijke keuze om zijn grote project even in de koelkast te stoppen en een nieuw, low-budgetproject op te zetten. Voor In Absentia werkt de choreograaf met een uitsluitend mannelijke cast. Met hen onderzoekt hij alle hoeken en kanten van het thema verlies – een thema dat niet toevallig is gekozen: het is direct geïnspireerd op de verschraling van het kunstenlandschap die de choreograaf zelf ervaart. Verlies voelen, zien, dragen, erom huilen of lachen – het mag allemaal. Seabra: “Doorgaans kroppen mannen meer op dan vrouwen: ze uiten hun emotie minder direct. Wat doet dat met ze? Uiteindelijk draait het niet om wat je verliest of hoe dat gebeurt, maar om hoe je ermee omgaat.”

Het crowdfundingproject dat de voorstelling moet helpen voltooien, loopt nog tot 6 oktober. In totaal zoekt het gezelschap via die weg 10.500 euro bij elkaar. Een week voor de deadline stond de teller al op 6924. “Alle beetjes helpen”, zegt de choreograaf. Op de webpagina van het project leest de bereidwillige financierder wat hij of zij voor de gegeven steun in de plaats krijgt. Enkele voorbeelden. Vanaf 2 euro? Een persoonlijk mailtje van de choreograaf om je te bedanken. Vanaf 10? Een foto in je inbox, speciaal voor jou genomen tijdens het creatieproces. Vanaf 35 euro: een workshop of dansles van de choreograaf. Vanaf 100 euro? Een borrel met het volledige team van de voorstelling. Vanaf 500 euro? Het team maakt een traditionele Portugese maaltijd klaar voor jou en maximaal 5 vrienden.

“De kunsten lijken in een vacuüm terecht te zijn gekomen”, besluit Helder Seabra. “Iedereen vraagt zich af wat de toekomst brengen zal. Volgens mij zitten we op een keerpunt dat ons dwingt na te denken over een nieuw soort creativiteit, die we met zo weinig mogelijk middelen moeten ontwikkelen. Je merkt ook hoe kunstenaars elkaars projecten ondersteunen. Mijn muzikanten maken muziek voor de voorstelling. Ik zal in ruil een choreografie maken voor een van hun volgende videoclips. Ik blijf dus positief: optimisme brengt optimisme voort en dat zorgt voor een goede bodem om ideeën te laten kiemen en bloeien.”

https://www.facebook.com/helkavzw
Lees ook het artikel dat ik over Helder Seabra schreef in RandKrant, en waaruit ik fragmenten geplukt heb voor deze post (blader naar pagina 22).

“De beste liefdesgedichten gebruiken het woord ‘liefde’ niet” – Wim Vandekeybus over Speak Low if you Speak Love

Het zijn – zoals gewoonlijk – hectische tijden voor Wim Vandekeybus. Eerder deze maand ging zijn eerste langspeelfilm, Galloping Mind, in première.

Tegelijk begint zijn recentste dansproductie aan een uitgebreide tournee door België, Europa en ver daarbuiten. Speak Low if you Speak Love. Het is een quote die Vandekeybus leende bij Shakespeare, maar die een heel eigen leven leidt in de wereld van de jazz. Typisch Vandekeybus: ook bij hem bestaat niets uit één laag. “Misschien combineer ik soms zelfs te veel ideeën, maar ik hou ervan om alles te contextualiseren. Een dansduet kan prima op zich staan, maar dan denk ik: Dat idee van dat bos! Dat past hier prima bij!”

“Elko, you can start the music!” roept hij. Even later komt een danser op met een lang, dik touw in de handen. Over zijn gezicht is een dun sjaaltje geknoopt. “Zoals de Lovers van Magritte”, vertrouwt Vandekeybus ons toe. “Ik vond dat altijd al een sterk beeld.” Ook in de voorstelling bereiken de bedekte gezichten het beoogde effect. Acht performers bewegen door elkaar: ze zien er hulpeloos en verloren uit, geïsoleerd van de wereld en van elkaar. “En ze verlangen”, voegt de choreograaf eraan toe. “Het niet-zien, het verbergen, het niet-tonen is soms belangrijker dan het tonen. Zoals Baudrillard het ook zei: La séduction est beaucoup plus immense que la satisfaction. Zodra iets ingevuld is, stort er ontzettend veel in elkaar. ‘Houden van’ heeft nooit een resultaat, het heeft geen gewicht, het moet bijna een zijden doekje zijn dat voor iets hangt.”
Tussen de dansers loopt één figuur met onbedekt gezicht: de Zuid-Afrikaanse zangeres Tutu Puoane, die het volle gewicht van het zicht doet voelen op scène. Als een mythologische godin bekijkt ze het gekronkel van de hulpeloze blinden en ze fluistert en zingt hen onverstaanbare, onheilspellend klinkende boodschappen toe. “Alles vertrekt van haar: zij kan de liefde incorporeren. Dat geeft haar personage een zekere macht.”
Eén van de performers doet uiteindelijk de sjaal van zijn gezicht en er ontstaat een duet met een meisje. “Hij speelt met haar”, legt Vandekeybus uit. “Maar zodra hij heeft wat hij wil, is het al meteen too much en wordt hij erdoor opgegeten.”

UV_SLSL©DannyWillems_4_SLSL-363
Leeg en puur
“Mensen vragen me welke boodschap over de liefde ik met mijn voorstelling wil uitdragen”, zegt Wim Vandekeybus. “Maar dan denk ik direct: nee, dat is net niet wat we moeten doen…” In se grijpt de choreograaf met Speak Low terug naar zijn beginpunt. In zijn allereerste productie, What the Body does not Remember uit 1986, schuwde hij elke referentie. “Wat ik nu doe, is vergelijkbaar. Natuurlijk was What the Body veel abstracter, harder en dierlijker, maar toch zat er ook al een en ander in over de liefde. Ook Speak Low mag absoluut niet intellectualistisch overkomen door ze met referenties te stofferen. Ik wilde zo leeg en puur mogelijk beginnen.”
Hoe heeft hij zich dan op de productie voorbereid? “Chaotisch en parallel met veel andere dingen”, zegt hij. “Ik ben niet de persoon die 20 boeken over zijn onderwerp zal zitten lezen. Pas op, ik héb wel gelezen – filosofische beschouwingen over de liefde vooral. Maar ik had dat allemaal al ooit gehoord en vond het behoorlijk boring. Ik heb die boeken dus weggelegd en ben wat andere dingen beginnen lezen, waarin ik dan iets over de liefde probeerde te vinden. De Grieken, bijvoorbeeld: die kenden vijf gigantische thema’s over de liefde en wij gebruiken er daar maar één van. Denken we aan de liefde, dan denken we automatisch aan een koppel en hartjes en op restaurant gaan met Valentijn om je liefde te bewijzen en dat soort quatsch. Zo hebben we de liefde gereduceerd tot iets als Sinterklaas voor kinderen, iets materieels ook. Instant gratification. Zo denken over de liefde is limiterend en het zou heel stom zijn om alleen maar dat aspect op scène te zetten. De Grieken hebben het evenzeer over liefde tussen ouder en kind, voor het universele, het goddelijke… Liefde is inherent aan alles wat er gebeurt: het is zo ruim en tegelijk zo klein, dat je er wel allerlei bij moet betrekken als je het erover wil hebben. En dat heb ik heel intuïtief gedaan. Ik wou vooral vanuit het mysterie vertrekken, de emotie zelf proberen te pakken. Daarom gebruiken we in deze voorstelling geen tekst. Ik wil niks uitleggen: de voorstelling mocht geen woorden nodig hebben. De beste liefdesgedichten gebruiken het woord ‘liefde’ niet. Snap je?”

Meer? Staalkaart #30.

www.ultimavez.com

Tornar van choreograaf Seppe Baeyens: “Zet een 80-plusser en een kind samen op de vloer en er ontstaat een nieuwe taal”

Een intergenerationeel onderzoek in de hedendaagse dans

Première: 17 april 2015

Een 9-jarig meisje hangt rond de nek van de enige echt professionele danser van het gezelschap. Een 91-jarige man ligt plat op zijn buik op de zwarte vloer wat tips te noteren. Naast hem doet een tienermeisje hetzelfde. Een jongen van 8 draait radslag na radslag in een cirkel om hen heen. Welkom in de repetitieruimte van Tornar, het intergenerationele project van choreograaf Seppe Baeyens en Ultima Vez. Een jaar lang deed hij onderzoek: hoe interageren mensen van de meest uiteenlopende leeftijden met elkaar op de dansvloer? Hoe gaan ze de niet-talige dialoog met elkaar aan? Raken ze verlost van vooroordelen? Wie inspireert wie? Welk materiaal komt uit de interactie te voorschijn en is dat kneedbaar tot een avondvullende voorstelling voor een al even multigenerationeel publiek?

Intergenerationaliteit in de hedendaagse dans fascineert Seppe Baeyens al lang. Zelfs in het allereerste dansproject waar hij ooit aan deelnam, zat het ingebakken. Hij was toen 16, ging naar het vierde middelbaar in het Sint-Jozefcollege van Aarschot en nam deel aan een choreografisch project waarvoor leerlingen en leerkrachten samenwerkten. Later raakte hij via fABULEUS en Kopergietery betrokken bij Kabinet K van Joke Laureyns en Kwint Manshoven, die eveneens graag verschillende generaties bij elkaar brengen. “Intergenerationaliteit is dus een thema waar ik zo’n beetje ingerold ben, maar waarvan ik beseft heb dat het enorme mogelijkheden creëert. Door intergenerationeel samen te werken in de dans ontstaat er een soort pure taal die niet technisch is, maar juist op een heel natuurlijke manier vorm krijgt.”

Afbrokkelende solidariteit
Terwijl hij in zijn dansprojecten boeiende dingen zag ontstaan tussen mensen van uiteenlopende leeftijden, ervoer Seppe Baeyens in zijn directe omgeving hoe de solidariteit tussen de verschillende generaties afbrokkelde. “Ik zie het al met mijn eigen grootmoeder”, legt hij uit. “Ze woont ver weg en er is weinig contact. Ik ken haar dus niet echt, zij kent mij niet. Praat ik met haar over dans, dan vraagt ze me of dat nu wel werk is, of het me genoeg zekerheid biedt en of ik er een pensioen mee opbouw. Komt ze naar een voorstelling kijken, dan vindt ze dat allemaal wel tof, maar diezelfde vragen duiken weer op: Wat is dan eigenlijk je wérk?” Omgekeerd geldt hetzelfde. Ik ben best benieuwd naar haar leven, maar op de een of andere manier krijgen we de kloof tussen ons niet overbrugd.”

Workshoptraject: ontmoetingen
In Ultima Vez vond Seppe Baeyens een partner die zijn interesse in de generaties deelde. Onder de vleugels van het dansgezelschap en in samenwerking met Kopergietery, MUS-E, Brede School Molenbeek, Centrum West – D’broej en het Brussels Ouderenplatform kreeg zijn onderzoek concreet vorm. In de zomer van 2014 werkte hij vier maanden lang met almaar wisselende groepen kinderen, jongeren, volwassenen en senioren – alle leeftijden door elkaar. Hij nodigde hen uit op dansworkshops in de studio’s van Ultima Vez in Molenbeek. Het publiek dat erop af kwam was op alle vlakken divers en dat maakte het onderzoek extra interessant voor hem. Het hele traject leverde hem een hoop inzichten, verhalen en ander bruikbaar materiaal op. Hij selecteerde een groep van tien dansers en creëert nu in samenwerking met Ultima Vez en BRONKS Tornar, een voorstelling waarin hij alle bevindingen van zijn onderzoek verwerkt. Het belangrijkste doel van het hele traject? Een platform creëren dat uiteenlopende generaties toelaat om een creatieve dialoog met elkaar aan te gaan. Seppe Baeyens: “Ontmoetingen kunnen leiden tot leren kennen, beïnvloeden, emotionele binding, samenwerking en de bereidheid om zich niet alleen in te zetten voor, maar zich ook te herkennen in de ander. Ik ben ervan overtuigd dat zulke ontmoetingen op de dansvloer de basis kunnen vormen voor een meer algemene solidariteit.”

Tornado
Vandaag staan er tien dansers op de vloer van de studio. Ze hebben er al een voormiddag repeteren opzitten en ze maken zich klaar voor meer. Emile, 8 jaar, lijkt nog het minst te stuiten van allemaal. Hij heeft zijn radslag volledig onder de knie en kan er maar niet genoeg van krijgen. Het zijn vooral de anderen die er duizelig van worden. De volwassen dansers doen wat opwarmingsoefeningen en de meisjes Leonie (9) en Oihana (16) kroelen nog even door de haren van Seppes baby Isaac, die over de middag even op bezoek is geweest. Tot slot komt de nestor van het gezelschap de vloer op gewandeld. Hij woont vlakbij, dus hij verkoos even de stilte van zijn eigen huis op te zoeken voor een rustige lunch.
“Is het niet bizar dat we er hier op de vloer wél in slagen om banden te smeden tussen de generaties?” vraagt Seppe Baeyens zich af. “Léon is 91. Hij kon mijn overgrootvader zijn. Waarom voel ik een band met hem ontstaan en lukt me dat niet in diezelfde mate met eigen grootmoeder? Misschien ben ik via mijn werk ook wel op zoek naar verbindingen met anderen?”
Het is kerstvakantie en de groep is aan die typische set moeilijke repetities gekomen waarin een tsunami aan boeiend improvisatiemateriaal stilaan herleid moet raken tot een voorstelling met vorm en structuur. “Dit stadium betekent vooral zoeken”, geeft Seppe Baeyens toe.

Het hele intergenerationele traject, vanaf de eerste workshop tot de laatste voorstelling, heeft één thematische rode draad. Een kleine gemeenschap wordt teruggebracht naar een absoluut nulpunt. Zij zijn de overlevenden van een allesverwoestende tornado. “Een tornado is een fenomeen waar jong en oud zich iets bij kan voorstellen. De snelheid en dynamiek, het spel met de wind en het destructieve karakter vormden inhoudelijke inspiratiebronnen om mee aan de slag te gaan tijdens de workshops. De idee dat een ramp mensen, ongeacht hun leeftijd, verplicht om samen te werken, intrigeerde mij”, zegt Baeyens. “De deelnemers moesten samen op zoek naar oplossingen. Het was een noodgedwongen dialoog, getekend door angst, verlies, hoop en wederopbouw. Via dans onderzocht ik drie fasen: de stilte voor de storm, het razen van de tornado en het verwerken van een gedeeld trauma.”
Bovendien is een tornado een sterke metafoor voor allerhande turbulenties in het leven. “Iedereen heeft zijn eigen kleine tornado’s. Van daaruit kon ik op zoek gaan naar relaties tussen mensen: wie of wat is belangrijk in mijn leven? Wat zou mijn grootste verlies kunnen zijn?”

Paradijs in de hel
Parallel aan het workshoptraject voerde Seppe Baeyens een intensief literatuuronderzoek. Bevindingen daaruit nam hij weer mee naar de werkvloer. “Beeld- en tekstmateriaal waren belangrijke visuele prikkels om de creativiteit en verbeelding van de deelnemers te stimuleren.” Het werk van Francis Alÿs is zo’n belangrijke inspiratiebron. “In zijn videowerk Tornado 2000-10 zie je hem keer op keer naar het oog van een tornado lopen. Dat vind ik een mooi idee: rust vinden te midden van totale chaos. Met dat soort bronnen kun je rechtstreeks aan de slag. Je laat de deelnemers lopen, springen en wervelen. Omdat ik ook in de workshops vertrok vanaf een nulpunt – vanaf de individuele dansers die ik voor me heb en hun geïmproviseerde bewegingen – kon je dan plots iets heel interessants zien ontstaan. Zo zag ik opeens Léon, die in het midden van al dat razende geweld stil stond. Het was een prachtig beeld: de oude man voor wie het allemaal zo niet meer hoeft. Hij kent de onrust van de jongere generaties niet meer. Voor hem is het oké, die tornado. Hij accepteert de gevolgen, want hij heeft rust gevonden. Hij kan zijn ogen dicht doen en er haast van genieten.”

Theatermaakster Inne Goris, die de dramaturgie van Tornar verzorgt, haalt een tweede bron aan die cruciaal is gebleken: A Paradise Built in Hell: The Extraordinary Communities That Arise in Disaster. Daarin toont auteur Rebecca Solnit aan hoe mensen in de nasleep van een ramp vaak bijzonder solidair zijn met elkaar. Inne Goris: “Volgens Solnit zou daar wel eens de kern kunnen schuilen van wat een ideale maatschappij kan zijn. Met zo’n boek zit je heel dicht bij wat Seppe met Tornar wil vertellen.”

En zo kwam de choreograaf in de loop van 2014 bij nog veel meer materiaal dat hij mee kon nemen in zijn praktische onderzoek. “Ik las bijvoorbeeld over een project van studenten die op kot gaan bij senioren thuis. De student doet boodschappen voor de oudere en kan zelf goedkoop wonen. Maar het gaat verder: er ontstaan relaties. De betrokkenen beseffen dat er dingen zijn die hen binden. Dat wil ik in dans en beweging opzoeken. Het gaat hem steeds over ontmoetingen. Zonder ontmoetingen blijft ieder in zijn eigen denkkader vastzitten. Dankzij de ontmoeting trek je de dingen open.”

Enculturatie
Ontmoetingen en dialogen creëren was belangrijk in het Tornar-traject. Improvisatie-opdrachten waren de middelen om dat te bereiken. Seppe Baeyens geeft een voorbeeld. “Als je een 80-plusser samen zet met een kind, dan ontstaat er bijna altijd iets. Misschien komt het omdat zij zich automatisch spiegelen aan een grootouder-kleinkindrelatie, waarin altijd minder spanning zit dan in de opvoedkundige relatie tussen ouders en kinderen?” vraagt hij zich af. “Wat in elk geval meespeelt, is de ongeremdheid van het kind versus de veel grotere nood van een oudere persoon om alles te begrijpen: Wat zijn we aan het doen? Doe ik het goed? Een kind stelt zich zulke vragen misschien ook, maar veel minder. Waar ik dan benieuwd naar ben, is of de oudere persoon die remming kan loslaten. Met Léon heb ik dat proces heel goed kunnen opvolgen. Hij woont vlakbij Ultima Vez. Ik kwam hem geregeld tegen op straat en dan sloegen we een praatje. Ik vertelde hem waar ik mee bezig was en nodigde hem uit om eens te komen kijken. Die eerste dag kwam hij heel aarzelend bij ons over de vloer. Een uurtje kijken, dat wou hij wel. De volgende dag kwam hij terug en hij bleef de hele middag plakken. De keer erop had hij zijn trainingspak aan en deed hij mee. Je merkt dat hij het soms moeilijk heeft met improviseren. Hij heeft graag de houvast van iemand die hem zegt wat hij moet doen. Maar in de loop van het traject merk ik dat er iets verandert bij hem. Een mooi moment vond plaats tijdens het workshoptraject. Divine, een jongen met Afrikaanse roots uit de kinderwerking van Centrum West, was heel ritmisch, vanuit de heupen, aan het bewegen. Hij vormde een duo met Léon en dus begon Léon de jongen te kopiëren. Dat soort bewegingen was compleet nieuw voor hem, maar je zag gaandeweg het plezier groeien. Er ontstond een vrijheid – opeens had hij het niet meer nodig om vanuit zijn passen te denken, zoals bij dans die hij wel van vroeger kende.”

Dingen oppikken van elkaar en leren door imitatie is een proces dat bekend staat onder de naam enculturatie. Het is een belangrijke basis én een doel van het onderzoek. “Dat voorbeeld van Léon en Divine is geen geïsoleerd geval”, vertelt Seppe Baeyens. “Tijdens het onderzoek groeide voortdurend een wederzijdse enculturatie. We vinden het logisch dat kinderen volwassenen imiteren. Maar de omgekeerde beweging ontstond even spontaan. Volwassenen en senioren werden geprikkeld en beïnvloed door de ongeremdheid, spontaniteit en oprechtheid van de kinderen. Zo groeiden de groepen gestaag naar elkaar toe en begonnen ze elkaar op een natuurlijke manier te versterken.”

Even mooi als de geslaagde voorbeelden, zijn vaak de gevallen waarin de enculturatie niet lukt, juist omdat daar spanning ontstaat. “Aan een van de workshops nam een vrouw van middelbare leeftijd deel die de neiging had om te sturen. Ze wou altijd de controle behouden en had het dan ook vooral moeilijk om een kind te volgen. Op een gegeven moment maakte ze een duet met een jongen, die het duidelijk enorm op zijn heupen kreeg van haar betutteling. Alles aan hem straalde uit dat hij met rust gelaten wilde worden. Hier werkte het dus niet, maar het leverde ook goed materiaal. Om tussen die twee de dialoog toch te laten slagen, moest ik er iets op vinden om haar naar haar jonge danspartner te laten luisteren. Dit is iets wat volwassenen moeten inzien: kinderen hébben iets te vertellen. En in wat ze zeggen, vind je vaak een heel mooie onbewaaktheid terug die de meeste volwassenen al lang kwijt zijn. Volwassenen zijn al gevormd, hebben allerhande soorten ervaring die ze meenemen in alles wat ze doen. Vaak maakt hen dat minder creatief, omdat ze veel te gemakkelijk terugvallen op een techniek of iets anders wat ze al weten. Aan de andere kant zorgt dat wel voor een zeker kader en ook dat heb je nodig. Laat je kinderen volledig hun gang gaan, dan eindig je in complete chaos. Een geslaagde enculturatie tussen de generaties geeft daarom een grote kracht. Vind de symbiose tussen al wat de verschillende leeftijden te bieden hebben en er ontstaat een nieuwe taal.”

De symbiose dan wel het conflict opzoeken, is waar het in de repetitie van vandaag ook nog altijd om draait. De dansers cirkelen in duo’s om elkaar heen. Ze exploreren diverse emoties en zien welke reacties eruit voortkomen. Vervolgens gaat de hele groep met elkaar in interactie. Een individu doet iets, lokt iets uit, de anderen reageren. Zo zie je stilaan effectieve relaties ontstaan op de vloer. Een jonge vrouw zoekt wanhopig naar intimiteit, maar ze wordt keer op keer bot afgewezen. Zijn de mannen bij wie ze ze zoekt er niet langer toe in staat? Afgestompt door wat ze hebben meegemaakt? We zien fricties, woede, verdriet, maar ook mensen die elkaar wél vinden. Een kind hangt als een klein aapje rond de nek van een andere, volwassen danser. Ze zoeken warmte bij elkaar en lijken die te vinden. Elders gaat het met ups en downs. Wat als je op elkaar bent aangewezen, maar de ander echt niet kunt uitstaan? Is er een leider in de groep? En wie mag dat wel zijn? Bij wie voel je je veilig? Voor wie ben je bang? De minigemeenschap krijgt langzaam maar zeker vorm. De improvisaties leiden naar personages en situaties, de repetities monden uit in een voorstelling. Doen is belangrijk. Kijken naar elkaar evenzeer. Ook zo werkt enculturatie.

“We hebben nu twee middagen gewerkt rond hetzelfde subthema: er gebeurt een ramp en je kunt één persoon redden. Wie wordt dat? Je kreeg verschillende antwoorden: mijn lief, mijn moeder, mijn broer… Daar gaan we dan mee spelen. In een volgende opdracht is de gekozen persoon er niet meer, maar moeten de dansers naar hem of haar op zoek gaan. De 16-jarige Oihana gaat dan bijvoorbeeld op zoek naar haar broer, maar omdat ze dat doet bij de net iets oudere mannen van de groep, sluipt er vanzelf een nieuwe verhaallijn binnen. Als je ernaar kijkt, zie je immers veeleer een verleidster aan het werk”, legt Seppe Baeyens uit. “Dat soort interpretaties die uit het improvisatiemateriaal zelf naar boven komen, vind ik interessant. Zulke lijnen bewaar ik voor de voorstelling.”

Een ander voorbeeld komt zelfs uit een lichtjes verkeerd begrepen opdracht voort. De deelnemers moesten improviseren rond de vraag welk object ze bij een ramp uit hun huis zouden redden. “Léons antwoord was prachtig: Ma solitude, zei hij. Eenzaamheid is een zwaar thema in het maatschappelijke debat over hoe we met oude mensen omgaan. Maar iemand als Léon geeft zelf aan dat zijn eenzaamheid ook waardevol is voor hem. De wereld draait keihard door en af en toe vindt hij het prima om er even geen deel van uit te maken.”

Deze definitieve groep brengt louter door zijn samenstelling al interessante verhoudingen met zich mee. Je ziet een oude man, je ziet volwassenen, jong-volwassenen, tieners en kinderen. Maar waar is de moederfiguur? “Die is er niet”, glimlacht Seppe. “En ook dat wordt een boeiend gegeven om mee verder te gaan.”

Puur
Seppe Baeyens is overtuigd van de waarde van heterogene groepen. “Heel het traject lang zag ik hoe de grenzen tussen generaties vervaagden en zag ik uitkomsten of invalshoeken die door verschillende generaties gesterkt werden. De interessantste kruisbestuivingen ontstonden telkens wanneer ik de groepen niet per leeftijd opdeelde, maar juist mensen van de meest uiteenlopende leeftijden samen opdrachten liet uitwerken. Wanneer ze elkaar ruimte lieten om vanuit zichzelf en het eigen leeftijdsniveau de opdracht te interpreteren, wanneer ze samen op zoek gingen naar oplossingen, wanneer ze op gelijkwaardig niveau naar elkaar luisterden en een volwaardige dialoog met elkaar aanknoopten – dan ontstond de synergie waarnaar ik zocht.”

Het verzamelde bewegingsmateriaal had vanzelfsprekend heel uiteenlopende bewegingskwaliteiten. “Ik heb zelf geen dansopleiding gevolgd in de klassieke zin van het woord”, legt Seppe Baeyens uit. “Ik heb al doende geleerd en dat heb ik altijd als een groot voordeel beschouwd. Ik had weinig alternatieven binnen mijn dans, ik kon er niets mee verbergen. En juist daarvan heb ik mijn danstaal gemaakt: ik toon wat er zit, ik vertrek van de personen op de vloer en wat zij te bieden hebben. Ik nodig weliswaar geregeld dansers van Ultima Vez uit om met mijn groepen te werken en dan merk ik dat zij het verzamelde materiaal naar een hoger niveau kunnen tillen. Maar het vertrekpunt is puur, techniek altijd bijzaak. Mijn dansers hebben geen façade. Ik voel dat heel goed bij Manu, de enige danser in de huidige groep die wél een echte dansopleiding heeft genoten. Hij is goed, hij beheerst de techniek, maar hij heeft al eens de neiging om zich achter de dans te verbergen. Bij hem is de opdracht om dat eruit te krijgen. Als je die technische achtergrond niet hebt, kun je op niets terugvallen. Dan wordt het echt.”

Bij elke leeftijdsgroep ziet die echtheid, dat pure, er anders uit. Elke leeftijd heeft zijn troeven en zijn beperkingen. De spontaniteit en de beperkte controle van kinderen, waarover we het eerder hadden. De vastberadenheid en koppigheid van volwassenen. De rust en geremdheid van senioren. “Door de grote fysiologische diversiteit en het verschil in ervaring en ingesteldheid benadert iedereen de opdrachten anders. Luisteren en kijken naar elkaar, rekening houden met elkaars beperkingen en daar geduld mee hebben: het zijn maar enkele elementen die het bewegingsmateriaal gedurende het hele traject enorm hebben beïnvloed. De groepsdynamiek en elkaars sterke kanten benutten primeerden op de juiste passen of de mooiste solo. Het was vooral een zoektocht naar een verhaal dat de deelnemers samen kunnen vertellen.”

Verder perspectief
Voor zijn onderzoek kreeg Seppe Baeyens de steun van verschillende artistieke en sociale instellingen en verenigingen. Niet alleen Ultima Vez was erbij betrokken, maar ook BROM, MUS-E, Centrum West, één van de Brusselse werkingen voor maatschappelijk kwetsbare jongeren, en de basisscholen Vier Winden en Windroos. Die laatsten zorgden ervoor dat het project ook een intercultureel karakter kreeg. “Gaandeweg voelde ik dat mijn onderzoek ook voor hen een meerwaarde was. Ik bracht verschillende domeinen met elkaar in contact, legde verbindingen tussen het sociale en het artistieke en zette langdurige samenwerkingen op poten.” Hoewel het niet direct zijn bedoeling was om met zijn onderzoek een heus maatschappelijk discours op gang te brengen of een of andere grote waarheid te poneren, vindt de choreograaf dit soort perspectieven op langere termijn mooi meegenomen. “Ik zou het ook fijn vinden als iedereen die – als deelnemer dan wel als toeschouwer – met het project te maken krijgt even stilstaat bij onze manier van leven tegenwoordig. Wat zijn jouw relaties? Wat vind jij belangrijk? Hoe kijk jij naar je vader, je kleinzoon, je grootmoeder? Dat zijn volgens mij vragen naar de essentie.”

Deze tekst schreef ik in opdracht van Ultima Vez en Seppe Baeyens.

Bio

Seppe Baeyens (° 1981) startte als jonge danser bij fABULEUS (Ego sublimo, Baken) om later opgepikt te worden als danser/performer bij o.a. Kopergietery (Beuysband), Kabinet k (Dromen hebben veters, Questo Ricordo, Einzelgänger), Productiehuis Brabant (LaLa4 Bubbelissues), Ontroerend Goed (Under the Influence) en Miet Warlop (Springville, Mystery Magnet).

Sinds 2011 is hij nauw verbonden met de kinder- en jongerenwerking van Ultima Vez. In zijn werk kiest hij er bewust voor om in dialoog te gaan met zowel kinderen, jongeren als volwassenen. Zijn eerste voorstellingen ‘Wij’, ‘Huis’ (Hartbeats) en ‘De (on)mogelijke vriendschap van Stef en Augustijn’ (Kopergietery) oogstten lof in binnen- en buitenland. Onder de vleugels van Ultima Vez en Wim Vandekeybus creeërt Seppe Baeyens in 2015 zijn eerste grootschalige dansvoorstelling Tornar.

Ish Ait Hamou: ‘Zolang ik iets te vertellen heb, zal ik dat doen’

Verhalen vertellen. Dat is wat Vilvoordenaar Ish Ait Hamou wil doen. Dat is wat hij tenslotte al doet van toen hij een jaar of 13 was. Hij vertelt verhalen in dans, in filmbeelden en in woorden.

Binnenkort verschijnt Cécile, de tweede roman van Ish Ait Hamou, vooral bekend als choreograaf en supersympathiek jurylid van het tv-programma So You Think You Can Dance. Kort na de publicatie van zijn debuut interviewde ik hem. Ik herhaal een paar interessante fragmenten.

Over verhalen vertellen, bijvoorbeeld:

‘Verhalen vertellen is de rode draad door alles wat ik doe’, zegt hij. ‘Ik denk sowieso eerst in beelden en probeer die dan zo goed mogelijk om te zetten in dans, film of tekst. Maar uiteindelijk draait het om verbeelding en de verhalen die daaruit voortkomen. Zolang ik iets te vertellen heb, zal ik dat doen, op welke manier dan ook.’

Of over talenkennis:

Taalrijkdom
Zijn broers (één van hen is acteur Mounir Ait Hamou, vooral bekend van de film Les Barons) gingen zoals de meeste jongeren uit hun buurt naar een Franstalige school in Haren. ‘Maar vlak voor ik naar school zou beginnen te gaan, werd de schoolbus afgeschaft’, legt Ish uit. ‘Mijn broers waren al oud genoeg om alleen naar Brussel te gaan, maar mijn zus en ik moesten naar de Nederlandstalige school in Vilvoorde.’ Ish deed het goed op school, maar hij vond het er saai. ‘Onlangs had ik het er met mijn moeder over. Tot dan realiseerde ik me niet hoe erg ik was geweest, maar ik verzon constant excuses om niet te hoeven gaan: hoofdpijn, buikpijn… alles probeerde ik uit. Op weg naar school liepen we voorbij het park en dan probeerde ik vaak weg te vluchten, zodat mijn moeder me moest achtervolgen… Op de schoolbanken zat ik vaak te dagdromen en zodra ik bezig was met breakdance en hiphop, probeerde ik zelf rapteksten te schrijven.’ Korte verzen werden zinnen en zinnen werden uiteindelijk verhalen. ‘Zo vond ik schrijven leuk, maar strafwerk of zelfs opstellen schrijven, vond ik nog altijd helse opdrachten.’ Vandaag is hij zijn moeder niettemin heel dankbaar voor haar schoolkeuze. ‘Thuis spraken onze ouders Frans en Marokkaans. Wij antwoordden meestal in het Frans. Maar dankzij de school ken ik nu ook heel goed Nederlands. Daarzonder had ik bijvoorbeeld nooit jurylid bij So You Think kunnen worden. Ik heb ook een jaar via een uitwisselingsproject in Amerika gestudeerd, wat mijn Engels dan weer enorm vooruit heeft geholpen. Mijn Duits klinkt momenteel wat à la Jean-Marie Pfaff, maar zet me een tijdje in Duitsland en het komt wel weer terug. Al die talen zorgen soms voor een raar accent en gekke zinnen (want soms gooi ik mijn talen een beetje door elkaar), maar veel van de jobs die ik ooit heb gekregen als choreograaf, kwamen er mede dankzij mijn talenkennis. Om interessante opdrachten te krijgen, moet je niet alleen goed zijn in wat je doet, ook het sociale aspect speelt een rol. Soms tippen mensen je bij anderen. Zulke gesprekken gaan niet uitsluitend over kwaliteit: Hij is ook een toffe en respectvolle kerel, zeggen ze erbij. En dat bereik je alleen door taal: je moet kunnen communiceren met de mensen.’

En over dans en bluffen:

Een beetje cool
Toen Ish 12 of 13 was, zag hij een clip van Run DMC op tv. ‘Van het nummer It’s Like That’, vertelt hij. Daarin probeert een groep meisjes-breakdancers een groep jongens te overtreffen en vice versa. ‘En dan zijn er zo van die dingen die je probeert na te doen en die meteen lukken. Bij mij ging dat zo met bepaalde bewegingen uit breakdance. Ik voelde me een beetje cool en wou er meer van.’ Hij ontdekte dat een familievriend ook breakdancete en dus richtten ze samen een crew op. ‘We kregen een zaaltje van de Stad waar we één keer per week mochten gaan dansen. We waren met zijn drieën en we probeerden van alles uit. Les hebben we nooit gevolgd. Het lijkt een gek idee: daar zit je met zijn drieën, je wil iets doen, maar je weet niet goed hoe. En dus keken we naar clips en naar video’s van breakdancekampioenschappen en imiteerden we wat we zagen. Zo leerden we bewegingen te analyseren: hoe breek je een beweging op in verschillende stukken die je nadien weer in elkaar zet? Daar heb ik heel veel van geleerd.’ Er volgden kleine optredens, bijvoorbeeld op de Vilvoordse Jeugddag. ‘Er kwam een reportage op Ring-tv, wat wij natuurlijk fantastisch vonden.’ En uiteindelijk vroeg de Stad of ze soms breakdancelessen wilden geven aan andere jongeren. ‘Ook dat waren heel mooie zaterdagen. We dansten heel de namiddag en kwamen ’s avonds lekker moe thuis – dan sliepen we gegarandeerd héél goed.’ Zijn ouders vonden het allemaal prima. ‘Stel dat ik op 17 had willen stoppen met school om danser te worden, dan had ik een probleem gehad. Maar ik ging naar school en deed het daar goed, dus lieten ze me in mijn vrije tijd mijn gang gaan. Ze zagen ook dat ik er verantwoordelijker door werd. De kassa, de inschrijvingen, de lessen, omgaan met anderen, besprekingen met de Stad… het hoorde er allemaal bij. Ik kreeg de sleutel van de school waar de danszalen lagen. Misschien besefte ik het toen zelf niet, maar van zulke verantwoordelijkheden leer je veel.’
Op 18 trok Ish als choreograaf naar Duitsland om voor Adidas te werken. ‘Dat was stressen’, lacht hij. ‘Een vriendin van me werkte voor het agentschap dat de ploeg mocht samenstellen. Ik ken een heel goeie choreograaf, zei ze. Hij is net terug uit Amerika. En dat terwijl ik superjong was, er nog veel jonger uitzag en puur voor mijn studie in Amerika was geweest…’ Eenmaal op locatie stond hij oog in oog met dansers van wie hij grote fan was en die hij nu leiding moest geven. ‘Doe je voor als de persoon die ze denken dat je bent en ga ervoor’, dacht hij.
‘Gelukkig werd het een succes en mocht ik nog meer shows voor hen maken. Je ziet, een beetje bluf op tijd en stond kan geen kwaad.’

Meer?
Hier!

Wim Vandekeybus: ‘booty Looting is een blokkendoos’

Ultima Vez tourt momenteel met de nieuwe productie booty Looting, een voorstelling die waarheid zoekt en leugens verkondigt, fictie schrijft en geschiedenis construeert, die ontmaskert en terugkaatst, analyseert en in kaart brengt.

Ik sprak Wim Vandekeybus afgelopen zomer op zijn tweede vrije dag in twee jaar tijd. Over booty Looting, natuurlijk, maar bij uitbreiding over het hele seizoen 2012-2013, dat er bijzonder goed gevuld uitziet. Een nieuw gebouw. Een 25ste verjaardag. Hernemingen van enkele van de meest uiteenlopende voorstellingen uit het repertoire (waaronder de allereerste Ultima Vez-productie What the Body does not remember). Hou voor het hele programma zeker www.ultimavez.com in de gaten.

Het volledige artikel dat ik na het interview heb geschreven, lees je in het huidige nummer van Staalkaart. Hier: een fragment.

De meest analytische voorstelling van Ultima Vez tot nu toe. Zo wordt booty Looting al eens omschreven. Wim Vandekeybus kan zich daar wel in vinden. ‘Het was een Oostenrijkse criticus die dat schreef, na de wereldpremière in juni, op de Dansbiënnale van Venetië’, zegt hij. ‘En het klopt. Refereren en analyseren is de vorm van de voorstelling geworden.’

Reconstructie van een fictief leven
De kern van booty Looting is het personage Birgit Walter. Ze is antropologe, actrice, moeder, echtgenote. Of toch weer niet. Ze is femme fatale, een noodlottige vrouw, ze is Medea, Romy Schneider. Of toch niet? ‘Het is fijn om uit te gaan van zo’n fictief personage’, vindt Wim Vandekeybus. ‘Een fictief personage dat dan wel de naam draagt van de actrice die het speelt. Het personage Jerry (Jerry Killick, red.) maakt de reconstructie van haar leven. En dan gaat het zoals altijd wanneer je mensen bewondert: je vertelt hun verhaal, maar tegelijk steel je van ze, ren je met ze weg.’ Heel veel wordt uiteindelijk zo gemaakt: de waarheid, de geschiedenis, een voorstelling. ‘Ik heb tot nu altijd geweigerd om referenties prijs te geven’, legt Wim Vandekeybus uit. ‘Ik hou daar gewoon niet van. Maar uiteraard werk ook ik op die manier. In booty Looting noem ik mijn referenties wel, maar met een vette knipoog: minstens 30% is verzonnen.’ Een van die referenties is de invloedrijke Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986). Wanneer die in een werk vilt gebruikte, pakte hij keer op keer uit met hetzelfde verhaal. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij bij de Luftwaffe. Op missie in de Krim zou zijn vliegtuig zijn neergestort. De piloot was op slag dood, maar hij – Beuys – werd gered door Tartaren. Om hem te behoeden voor onderkoeling smeerden ze zijn lichaam in met vet en wikkelden ze hem in vilt. Ziedaar de referentie van de referentie. Achteraf blijkt dat Joseph Beuys nogal creatief met de waarheid omsprong. De doordringende geur van vet en vilt zou de kunstenaar in hem wakker hebben gemaakt en een blijvende inspiratiebron voor hem zijn geworden. In realiteit was er sprake van vet noch vilt. ‘En nu schijnt dat hij zelfs helemaal nooit in dat vliegtuig heeft gezeten. Eigenlijk werkte hij bij de post…’

Misvorming van het geheugen
Wat is waarheid en wat is leugen? Hoe geconstrueerd is de waarheid en hoe levensecht de leugen? Vanuit zulke vragen is booty Looting gegroeid. Ze komen samen in één spil: het geheugen en hoe dat de dingen vervormt. De titel van de voorstelling verwijst daarnaar. Booty Looting slaat op een dubbele vorm van plundering: stelen wat al gestolen was, plunderen wat eerder geplunderd was, de buit buitmaken. Op de scène staan acht figuren: zes performers, muzikant Elko Blijweert en rockfotograaf Danny Willems. De fotograaf maakt de vervorming van het geheugen, het booty looten, concreet. ‘Ik ben gefascineerd door fotografie en wat die teweeg kan brengen’, legt Wim Vandekeybus uit. ‘Een foto voegt iets toe, transformeert, laat dingen weg, kan de kijker beliegen.’ Danny Willems neemt tijdens de voorstelling foto’s. De resultaten worden live in action geprojecteerd op een groot scherm. Zo kan het publiek het procedé van realiteit en fictie volgen: wat gebeurt er op scène en wat is er op de foto te zien? Zelden geven beide hetzelfde weer.

Fragment booty Looting

Speellijst booty Looting.