Nele Van den Broeck: “Mijn instrument heet brein”

De Standaard noemt It’s My Party, het debuut van Nele Needs a Holiday, “een van de geestigste, bitterzoetste albums in jaren”. En lo and behold: ik interviewde leading lady Nele Van den Broeck voor het recentste nummer van RandKrant.

Een fragment.

In het prille begin bestond de band alleen uit Nele Van den Broeck, haar ukelele en haar piano. “Ik trad op in onooglijke cafés en ik schreef liedjes met heel eenvoudige arrangementen”, vertelt ze. “In de loop van de jaren zijn er almaar meer groepsleden bijgekomen. In onze grootste bezetting staan we nu met 7 meisjes op het podium – heel cool! Dat we een pure meisjesgroep zijn, is historisch gegroeid. Maar nu wil ik het ook absoluut zo houden. Er is namelijk nog wat werk aan het muzikantenbestand. Er zijn nog veel te weinig meisjes die drum of basgitaar spelen. Traditioneel worden die nog altijd gezien als jongensinstrumenten en dat vind ik spijtig. Er bestaan nog te veel vooroordelen in de muziek. En trouwens”, voegt ze er grappend aan toe, “als ik met een mannelijke band zou werken, werd ik toch maar op al die muzikanten verliefd en dat is ook ellende gegarandeerd.”
It’s My Party is een zonnige plaat. “Zonder daarom wereldmuziek te zijn, heeft ze iets heel exotisch en vrolijks over zich gekregen. En die muzikale sfeer staat dan in contrast met mijn teksten, die ironisch zijn en de falende kant van het leven aanhalen. Noem het geheel dus maar vrolijke tristesse.”

Maatschappij van stoefen
Alledaagse tragedie verpakt in vrolijke noten, dat is het handelsmerk van Nele Needs a Holiday. “Ik kies niet bewust voor dat evenwicht. Als ik teksten schrijf, is het alsof ze in mijn hoofd komen gevallen, als een geschenk van elders. Noem het met een groot woord de muze. Of noem het mijn rechter hersenhelft”, lacht ze. “Maar meestal komen de liedjes vlotter als er in mijn leven dingen gebeuren waar ik niet zo best mee om kan. Op zulke momenten ligt de inspiratie voor het grijpen en moet ik er vooral voor zorgen dat ik mijn ideeën opschrijf voor ik ze vergeet. Zo kom ik aan mijn soort teksten. Ik ben nu al jaren bezig aan een liefdesliedje dat niet cynisch is en ik raak maar niet verder dan de eerste strofe.”
Toch is het allerminst haar bedoeling om haar publiek depressief naar huis te sturen. Daarom zoekt ze in haar thema’s altijd een relativerend element. “Vanaf mijn eerste optreden merkte ik dat de mensen daar vaak om moesten lachen. En dat vond ik wel iets. Ik schrijf over dingen die we allemaal wel eens meemaken, belicht ze op een andere manier en zet er een vrolijke melodie onder. Zo maak je de werkelijkheid draaglijk of kun je de kleine tragedies van elke dag beter relativeren. We leven ook in zo’n stoef-maatschappij. Zeker nu met de sociale media. Iedereen is bezig met zijn imago – ik ook hè: ik zet ook alleen maar foto’s online waar ik goed op sta. Als ik me slecht voel, zwijg ik daar in alle talen over en als het fantastisch goed gaat, smijt ik het ogenblikkelijk op Facebook. En iedereen doet het zo. Op de duur krijg je daarvan het gevoel dat jij de enige bent die soms een puinhoop van zichzelf maakt. Door net daarover te zingen, kelder ik het taboe dat er hangt over verdriet of het even niet meer weten. En zo hoop ik troost te bieden. Voilà.”

Brein
Nele Van den Broeck noemt zichzelf een kind van 12 instrumenten en 13 ongelukken. “Ik heb als kind elk mogelijk instrument uitgeprobeerd en niks kon echt mijn aandacht vasthouden. Ik zat in de jazzafdeling van de academie van Grimbergen en naar de theorielessen ben ik altijd blijven gaan. Daar heb ik bijvoorbeeld heel goed geleerd hoe akkoorden in elkaar zitten en als je dat onder de knie hebt, kun je op elk instrument op zijn minst een beetje je weg vinden. Zo heb ik mezelf dan uiteindelijk wat piano en ukelele leren spelen. Mijn instrument heet dus eigenlijk brein.”
Haar eerste liedjes schreef ze een kleine 10 jaar geleden, toen ze 20 was. “In die periode ging het echt niet goed met mij. In mijn derde jaar theater werd ik van het Rits gegooid. Ik zat in een rockband en werd daar ook uitgegooid. Op de koop toe raakte het uit met mijn lief. Toen zijn die liedjes beginnen borrelen.”

Advertenties

“Wie op een podium klimt, moet iets te zeggen hebben” – Stijn Devillé fileert de gevolgen van de crisis

Vanavond, 16 januari 2014, gaat Angst in (avant)première, een coproductie van muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding en De Queeste. Voor de gelegenheid: een fragment uit mijn artikel in Staalkaart.

*

In 2008 brak de bankencrisis in alle hevigheid los. Een globale financiële crisis volgde. Theatermaker Stijn Devillé, die vindt dat theater met beide voeten in de maatschappij moet staan, gooide zich op het thema en puurt er zowaar een drieluik uit. Na Hebzucht uit 2012 gaat nu Angst in première. ‘Ik ben er zelf wel banger door geworden, ja.’

(c) Stephan Vanfleteren

‘Toen ik met de research van Hebzucht bezig was, besefte ik al snel dat ik al dat materiaal niet in één voorstelling gepropt kreeg. Ik moest ergens een keuze maken. Daarom heb ik het in dat eerste luik over de kiem van de crisis: hoe is het begonnen? Wat waren de oorzaken?’, vertelt auteur-regisseur Stijn Devillé. Maar zodra hij die beslissing had genomen, merkte hij dat het verhaal daarmee nog maar net begonnen was. ‘De crisis duurt voort. Mensen verliezen hun baan, hun huis, enzovoort. Ze worden bang. Over dat aspect hebben we het in Angst.’ Hij verdiepte zich nog meer in het thema en hij voelde dat hij er cynisch van dreigde te worden. ‘Je ziet wat er gebeurt en dat het systeem zichzelf eigenlijk alleen maar blijft herhalen. Daarop reageer je uiteindelijk bijna alleen nog met schouderophalen. Of je wordt zelf bang.’ Hij vond het een beetje té om zijn publiek met zo’n brok in de maag achter te laten. ‘Na de crisis en de angst hebben we absoluut hoop nodig’, vindt hij. ‘En dus zal het uiteindelijk een drieluik worden: Hebzucht, Angst en Hoop.’ Hoe dat laatste deel er precies uit zal zien, zijn zorgen voor later, want vaste vorm heeft het plan nog niet. Devillé: ‘Je kunt hoop putten uit kleine initiatieven die her en der opduiken. Die zijn nu nog bijzonder marginaal, maar ik denk echt dat we het daarvan zullen moeten hebben. De voorstelling zal draaien rond vragen als: waar vinden we hoop en wat kunnen we er zelf voor doen? Kunnen we er überhaupt zelf iets voor doen?’ Misschien wordt die derde een call for action, misschien ook niet. Daarvoor is de hoop nog te pril. ‘Ik ben tijdens mijn onderzoek op een aantal hoopvolle dingen gestoten, maar voorlopig vraag ik me nog te veel af of het niet al te naïef is om te verwachten dat daarin dan de redding zal schuilen.’ Het kiemt nog wel. Voorlopig hebben we genoeg aan (onze) Angst.

Groeidenken is voorbij
‘Ik ben zelf best bang geworden tijdens mijn research voor dit stuk.’ Stijn Devillé lacht met zijn uitspraak, maar de uitleg die volgt is bloedserieus. ‘Er gaan tegenwoordig meer en meer bijzonder pessimistische stemmen op, zoals die van Joris Luyendijk, die stelt dat er helemaal niks veranderd is. Iedereen blijft doen wat hij voor de crisis deed, terwijl dat absoluut niet houdbaar is.’ Tegenstanders zetten de journalist Luyendijk weg als een onheilsprofeet. Maar Stijn Devillé is het grotendeels met hem eens: ‘Als je je wat beter in de materie verdiept, merk je dat het probleem veel meer omvat dan een puur financiële kant. Ik las een rapport van het Britse beursbedrijf Tullett Prebon, dat is zo’n bedrijf dat advies verleent over beursgang en investeringen – het harde geld – en ik schrok van hun analyse, omdat ze naadloos aansloot bij de opinie van zogenaamd linkse transitiedenkers zoals ecologisch economist Tim Jackson of sociaal psycholoog Harald Welzer. Die pleiten ervoor om het hele groeidenken waarop onze economie is gebaseerd te herdenken. Ze worden door velen voor naïevelingen versleten en als je hun werk leest, krijg je dat soort twijfels snel. Er zijn zoveel belangen mee gemoeid, je moet zoveel mensen en systemen meekrijgen in een totaal nieuwe richting… Dan is het behoorlijk choquerend om precies hetzelfde te horen van zo’n keihard beursbedrijf, dat geen rekening houdt met ethische standaarden. Tullett Prebon concludeerde eveneens dat het groeidenken eindig is. Analist Tim Morgan gaf daarvoor een heel simpele reden: onze economie is geen financiële constructie, maar drijft puur op energie. De economie is maar ontstaan zodra de mens energie wist om te zetten in werkkracht. Voordien was een uur werk een uur werk. De ene mens kon misschien wat harder werken dan de andere, of was een tikje sneller of handiger, maar grosso modo was het dat. Je kon het werkproces op die manier niet optimaliseren. Hoogstens zette je een paard of een os in of zo. Dat is allemaal veranderd toen er machines kwamen. In 1770 vond James Watt de stoommachine uit, daarna volgde de verbrandingsmotor. Vanaf dan kreeg je een almaar grotere output uit een kleine input. Toen ontstond de economie. Die is dus volledig gebaseerd op fossiele brandstoffen. En dan krijg je die hele discussie over de eindigheid van de brandstoffen, die door evenveel mensen ontkend wordt. In dit rapport werd het eindelijk een keer volledig genuanceerd uitgelegd. Er zijn inderdaad, zoals tegenstemmen beweren, nog behoorlijk wat reserves. Maar daar gaat het helemaal niet om. De vraag is hoeveel energie we spenderen aan het winnen van energie. Vroeger hoefden we maar een heipaal in de grond te slaan en de olie spoot eruit. Per liter olie die je in de motor goot om olie op te pompen, haalde je 100 liter boven. Die verhouding van 100 tegen 1 is de laatste jaren stelselmatig naar beneden gegaan. In de Verenigde Staten of in de Noordzee halen we nog maar 5 liter tegen 1. En op een gegeven ogenblik komen we tot stilstand: dan spendeer je een liter om een liter te winnen. Dat is ook het probleem met veel alternatieve energiesoorten, zoals biobrandstoffen, bio-ethanol of schaliegas: die hebben zelfs een negatief rendement. Het is dus gekkenwerk om daarop in te zetten. De enige bronnen die nog relatief goed zitten, zijn de zon en de wind: daar halen we 17 tegen 1, wat nog een pak minder oplevert dan de 100 tegen 1 waarop onze huidige economie en welvaart gestoeld zijn. Morgan voorspelt dus dat dat systeem volledig in elkaar gaat klappen, omdat onze energiekosten veel groter gaan worden dan onze groei ooit nog kan zijn. En dus concludeert hij – net zoals de linkse transitiedenkers – dat we fundamenteel zullen moeten nadenken over hoe we met de overgebleven grondstoffen zullen omgaan, met energie in het algemeen en met ons financieel verkeer, dat onlosmakelijk met die energie verbonden is. Toen ik dat las, vroeg ik me af waarom de ecologische bewegingen die argumenten nog nooit zo duidelijk op tafel hebben gelegd. Hun zwart-witanalyses over de brandstoffen die op raken worden met even grote zwart-witargumenten van tafel geveegd door de olielobby. Hier kreeg ik eindelijk het hele verhaal. Het was bijzonder verhelderend, maar niet bepaald geruststellend.’

www.braaklandzhebilding.be

Nooit meer bladeren dankzij tabletpartituur

Ik installeerde me in een repetitiezaal naast de pauken en keek uit over de andere muzikanten van het orkest, terwijl ze het fenomenale derde pianoconcerto van Rachmaninov repeteerden, niet vanaf een papieren partituur, maar met een systeem van gesynchroniseerde tabletcomputers. Met het daaropvolgende artikel in Campuskrant, de krant van de K.U.L., haalde ik zowaar een wereldprimeur. Tel al die elementen op (NAAST de PAUKEN! De DERDE van RACHMANINOV! WERELDprimeur!) en je krijgt een blije journalist die zich met plezier en overgave op een vrijdagavond uit haar sofa hijst om op reportage te gaan.

Ziehier:

Het Leuvens Alumni Orkest (LAO) gidst de klassieke muziek de 21ste eeuw in. Een netwerk van tabletcomputers leidt de muzikanten door de partituur. Bladeren wordt overbodig, want elke tablet volgt automatisch de console van de dirigent. Bedenker is alumnus en LAO-trombonist Jan Rosseel: “SCORA is met geen enkel ander bestaand systeem te vergelijken.”

Vrijdagavond. De muzikanten van het Alumni Orkest druppelen de Ensemblezaal van het STUK binnen. Ze klikken hun tablets op een speciaal daarvoor ontworpen staander en schakelen hem in. Eén na één floepen de schermen vol notenbalken aan…

(c) Rob Stevens

Lees de rest van het artikel in Campuskrant of hier.

Ateliers in de Rand 3: ‘Er bestaat geen gevarieerder instrument dan het orgel’

– Als je orgel wil spelen, maar je vindt geen instrument naar je zin… dan bouw je er toch gewoon een zelf? (Het volledige artikel is verschenen in RandKrant, november 2012). –

Jean-Paul De Greef werkte als architect, maar onderhield daarnaast een grote passie voor muziek. ‘Op een dag vroeg de onderpastoor me of ik geen orgel wilde spelen in zijn mis. Ik zei hem dat ik alleen gitaar en blokfluit kon spelen, maar hij drong aan: als ik andere instrumenten onder de knie had, zou orgel ook wel lukken.’ De Greef wou het best leren, maar stuitte meteen op een tweede probleem. Hij had geen oefenorgel, en de elektrische modellen op de markt vond hij maar kakofonische gedrochten. ‘Dus heb ik zelf een orgel gemaakt, met houten pijpen.’ Pardon?

(…)
We snuiven de geur op van vers geschaafd hout in het atelier waar hij intussen zijn derde orgel aan het bouwen is. (…) Er staan allerhande zagen en schaven, van kleine handmodellen tot grote elektrische types. Ertussen liggen dozen vol orgelpijpen. De grootste pijp is meer dan twee meter lang. De kleinste is nauwelijks 10 centimeter groot. Als de orgelbouwer erop blaast, klinkt het hoog en schril. Om de grote baspijpen aan te blazen, gebruikt hij een ventilator. Er klinkt een sonoor, laag gebrom. Een aangename, rustige klank. Jean-Paul De Greef glimlacht tevreden bij elk geluid. ‘Dit wordt een kistorgel met vijf registers van telkens 56 pijpen vanaf een handklavier, plus een pedaalklavier’, vertelt hij. ‘Ik wilde het niet te groot maken, zodat het kan dienen als vervanginstrument bij lithurgie. Het heeft momenteel nog geen bestemming, maar ik ben er zeker van dat een of andere parochie het graag zal wil hebben.’ Hij legt ons de precieze werking van een orgel uit. Hoe de lucht in het orgel wordt geblazen, hoe de regulator ervoor zorgt dat elke pijp die moet klinken de juiste hoeveelheid lucht krijgt, hoe de slepen werken en de slepenknoppen die je uittrekt om de juiste registers aan te spreken… ‘Er bestaat geen gevarieerder instrument dan het orgel’, zegt hij. ‘Een orgel zoals dat van Sint-Baafs in Gent telt 90 registers, en meer dan 6000 pijpen. Elk register heeft een andere kleur, dus zo’n orgel is een symfonisch orkest op zich.’
Als dit derde instrument af is, zal hij even moeten inbinden. ‘Ik zou me nu meer willen bezighouden met restauratie van pijpen of pijpen willen leveren aan andere orgelbouwers voor grotere orgels. Ik kan tenslotte geen orgels blijven bouwen als ik ze nergens kwijt kan’, zegt hij. ‘Maar als iemand er een bestelt, begin ik morgen opnieuw.’

The Ministry of Operatic Affairs: “Het feilbare van het bovenmenselijke”

Vandaag viel de nieuwe Staalkaart in de bus, met daarin alweer een hele schare aan schone letters. Mijn bijdrage aan dit nummer is gewijd aan het gloednieuwe reizende operagezelschap The Ministry of Operatic Affairs van drijvende krachten Korneel Hamers en Bart van Reyn. Op 6 oktober gaat hun eersteling in première: Don Giovanni van Mozart.

Ik was erg blij met dit gesprek. Ik ben namelijk altijd geïntrigeerd door mensen die nieuwe gezelschappen oprichten: waarom doen ze het? En vooral: om wat te bereiken en wat toe te voegen (dat er nog niet was)? Hamers en Van Reyn blijken dat bijzonder goed te weten. Hun goesting is eindeloos. Hun ambitie niet minder. Ze ergerden zich blauw aan bestaande reizende operagezelschappen van Nooit-van-Gehoord die in onze contreien de culturele schouwburgen bestormen met producties van middelmatig tot verbazend laag allooi. Precies het type opera waarvan ik zelf ook altijd met een moedeloze zucht onder mijn schouwburgstoel pleeg te glijden. Het hele opzet, de aanpak, de ergernissen, het enthousiasme en de zenuwachtigheid over de nieuwigheid lees je in Staalkaart #21. Ik trakteer u hier op een fragment.

*

In 2012 pakten de twee een pint in een Berlijns café. Ze zetten een boom op over opera en hoe graag ze zich in het genre verdiepten. Ze wonden zich ook op in oubollige, fantasieloze of gewoon slechte uitvoeringen. “Laten we het zelf gaan doen”, besloten ze. Beter. Anders. Nieuw, maar zonder aan de kern te raken. “We brengen Mozart pur sang. Laat dat duidelijk zijn. We maken géén bewerking, we hebben geen noot aan de muziek veranderd. Dat is heel belangrijk.”

*

Van Reyn en Hamers willen met hun gezelschap het beste van drie werelden samenbrengen. Een muzikale uitvoering op hoog niveau, de grootsheid en het oneindig fascinerende van opera en de codes en werkwijzen van hedendaags theater. Dat zou de sleutel moeten zijn tot ‘opera vandaag’.
“Wij vormen een vast operacollectief”, legt Bart Van Reyn uit. “Dirigent, regisseur en vormgever werken vanaf het begin intensief samen. Dat klinkt misschien logisch, maar in opera heb ik het nog nooit weten gebeuren. Meestal zet een intendant een regisseur en een dirigent samen, omdat hij ze apart van elkaar aan het werk heeft gezien en interessant vond. Maar dikwijls pakt die mayonaise niet. In het ergste geval kunnen ze elkaar niet luchten of lopen hun visies zo sterk uit elkaar dat ze zwaar met elkaar in de clinch gaan. Dat zal met ons niet voorvallen. We zijn dit proces al zo lang met elkaar aan het doorspreken en we waarderen elkaar heel erg als artiest. Dat moet wel een meerwaarde opleveren.”

*
Hun eigen fascinatie voor opera begon al vroeg. Korneel Hamers kreeg het zwaar te pakken toen hij een jaar of 13 was. “Ik had in de muziekacademie een fantastische leraar muziekgeschiedenis. Met hem ben ik voor het eerst in Antwerpen naar de opera gegaan, naar de Puccini-cyclus van Robert Carsen. Hij was toen nog de grote minimalist van de opera. Ik herinner me dat er een gigantische kast op scène stond, en een dito bed en stoel. Dat was alles. Daarmee vertelde hij het hele verhaal. Ik vond dat onwaarschijnlijk fascinerend en ik weet nog dat ik toen dacht: Dat moet ik ooit gaan doen.” Hij noemt opera een perfect-imperfect medium. “Een van de voornaamste redenen waarom mensen naar de opera gaan, is omdat de zangers er iets bijna bovenmenselijks presteren met hun stem, iets wat je alleen bereikt door een soort topsporttraining. Maar tegelijk voel je dat het medium eigenlijk te groot is voor de mens. Het is heel moeilijk om het er als maker zonder kleerscheuren vanaf te brengen. En dit klinkt wellicht heel raar, maar je komt vaak een operazaal buiten met het gevoel dat de productie het alweer net niet heeft gehaald: de muziek is zo groot, de machine zo moeilijk te vatten – er is altijd wel ergens een radertje dat niet naar behoren draait. Precies dat spreekt mij aan. Het feilbare van het bovenmenselijke, zeg maar.”
Bart Van Reyn raakte zo door opera geïntrigeerd dat hij al in zijn studententijd per se deel van de machine wou uitmaken. Hij ging aanvankelijk bij de dienst Boventiteling werken in de Vlaamse Opera. Later werd hij assistent-dirigent. “Ik wilde het apparaat van binnenuit leren kennen”, vertelt hij. “Ik heb intussen toch al een 60-tal opera’s op de een of andere manier van dichtbij kunnen meemaken. En het is cliché, maar het idee van het Gesammtkunstwerk speekt mij hard aan. De wederzijdse beïnvloeding van het auditieve en het visuele, dat is gewoon super aan opera.”

Première 6 oktober.
Speelreeks, plaatsen en data.
www.ministryofoperaticaffairs.be

‘Je voelt de stemming van het publiek in je rug’

Deze maand in RandKrant: dirigent Eric Lederhandler. Met zijn kamerorkest Nuove musiche heeft hij momenteel de handen vol. De muzikanten zijn onder meer in de weer met de zomeropera Les contes d’Hoffmann, van Jacques Offenbach. Die brengen ze in openlucht in de tuinen van de kastelen van Ooidonk, Luik en Terhulpen.Een fijne man, een fijn gesprek, een fragment.

Nuove musiche bestaat 20 jaar en speelt gemiddeld 20 à 30 concerten per jaar, in binnen- en buitenland. ‘Dat is lang niet slecht’, bevestigt Eric Lederhandler, ‘zeker niet in tijden van crisis.’ Hij richtte Nuove musiche destijds in de eerste plaats op om zichzelf meer speelkansen te geven. ‘Voor jonge dirigenten is het niet vanzelfsprekend om hun weg te vinden in de muziekwereld. Nuove musiche zorgde ervoor dat ik die broodnodige ervaring kon opdoen.’ Daarnaast is Eric Lederhandler ook muziekdirecteur bij een symfonisch orkest in het Chinese Nanking. ‘Ik verblijf jaarlijks een zeven weken in China. Ik ben er verantwoordelijk voor een deel van het muzikale programma. In de praktijk gaat het om zo’n tien concerten per jaar met Westerse klassieke muziek. Het is mijn taak om orkest én publiek meer met componisten zoals Debussy en Ravel in contact te brengen. Ze kennen er uiteraard allemaal Mozart en Beethoven en de klassieke orkesten nemen vaak werk van Russische componisten op het repertoire, maar Franse klassieke muziek is er nagenoeg onbekend.’ Eric Lederhandler beschouwt het als een eer om als eerste Europese dirigent een dergelijke functie te mogen uitoefenen. Hij brengt immers graag kennis over, zowel aan conservatoriumstudenten, muzikanten als publiek. ‘Ik geef graag les in conservatoria en doe dat trouwens ook geregeld in China. Ik vind het ontzettend belangrijk om met jonge muzikanten samen te werken: zij zijn de toekomst van de muziek. Het is cruciaal om in hen te investeren. Ik blijf dus graag een week langer ter plaatse als ik er dan ergens een doceeropdracht bij kan nemen.’ Hetzelfde geldt voor de muziekliefhebber. ‘Ik vind het een uitdaging om het publiek op te voeden in klassieke muziek’, zegt hij. ‘In China is er wat dat betreft nog wat werk aan de winkel. In België gebeurt het ook wel dat er een gsm begint te rinkelen, maar het valt niet heel vaak voor. In China wordt een concert soms te erg gestoord: niet alleen door gsm’s, maar bijvoorbeeld ook door mensen die hun kinderen laten babbelen of rondlopen. Je moet mensen die niet thuis zijn in klassieke muziek leren wat een klassiek concert inhoudt en hoe je je er moet gedragen. Zulke dingen vragen tijd, maar ik vind die menselijke kant een integraal onderdeel van mijn job.’

(…)

De intellectuele kant van muziek
Eric Lederhandler besliste als kleine jongen dat hij van muziek zijn beroep wilde maken. ‘Ik kan me niet herinneren dat ik ooit iets anders hebben willen doen’, vertelt hij. ‘Als kind wilde ik muzikant worden. Maar toen ik 15-16 jaar oud werd, besefte ik dat mijn talent als instrumentalist niet groot genoeg was. De meer intellectuele kant van de muziek lag me veel beter en zo ben ik in de richting van het dirigeren geëvolueerd.’
Heel vanzelfsprekend lijkt die keuze anders niet, voor de zoon van een zakenman. ‘Mijn ouders waren geen muzikanten, dat klopt’, legt hij uit. ‘Maar toch ben ik in een muzikale sfeer opgegroeid. Mijn moeder hield erg van muziek. De radio stond bij ons thuis altijd op een klassieke post. Toen ik 8 was, vond mijn moeder dat ik maar best wat piano kon leren spelen en zo is het gradueel gegroeid. Mijn ouders hebben me altijd gesteund in mijn keuze en doen dat nu nog, hoewel ik nu al 47 ben en mijn weg gevonden heb. Ik ben er hen erg dankbaar voor.’

www.ericlederhandler.eu
www.randkrant.be

Jef Neve: ‘Jazz, dat is olijven leren eten’

Het Jef Neve Trio zit tussen twee cd’s in. Dat zal zich laten horen op Jazz Hoeilaart, waar de muzikanten op 24 september te gast zijn. ‘Het repertoire van Imaginary Road, onze vorige cd, spelen we nu twee jaar. Die muziek hebben we al binnenste buiten gekeerd op het podium. We voelen ons er helemaal vrij in. Tegelijk zullen we al wat nummers oppikken die voor de volgende cd bedoeld zijn. Ik mik op een ambitieus project met vijf blazers – voor we die erbij halen, willen we de muziek zelf helemaal in de vingers hebben.’

Imaginary Road gaat over het leven van gedachten en ideeën dat parallel loopt aan het gewone leven. Jef Neve: ‘Mensen interpreteren je karakter door wat je doet en zegt. Zo ontstaat er in ieders hoofd een totaal ander beeld van wie jij bent. Dat is voor mij de imaginary road. Hetzelfde gebeurt na je dood. Geestelijk en fysiek ben je er niet meer, maar toch laat je iets na. Ik vergelijk het met het witte spoor dat een vliegtuig tekent in de lucht. Het vliegtuig zelf is al lang weg, maar er is nog bewijs dat het er geweest is.’

Respect
De nieuwe nummers horen bij een project dat nu nog de werktitel Songs of the New World draagt. Voor de composities inspireert Jef Neve zich op de recente Arabische revolutie en andere mondiale gebeurtenissen. (…)
‘Het is moeilijk om uit te leggen hoe zo’n idee zich omzet in muziek’, zegt Jef Neve. ‘Het is niet zo dat een specifieke toespraak van een minister zich nadien reflecteert in een bepaald nummer. Al die informatie komt op me af, ik voel me erdoor geraakt en de muziek is er een logisch gevolg van. Soms is het ook een beetje de kip of het ei: ik kan een muziekstuk schrijven waarin ik achteraf een bepaald beeld herken.’

Meer? RandKrant, september 2011.

www.jazzhoeilaart.be