Elvis Peeters: ‘Je plaats kennen in de kosmos’

Auteur Elvis Peeters tekent de krijtlijnen voor een nieuwe roman. Intussen beweegt er nog heel wat: vertalingen, verfilmingen, een animatieserie … ‘Het fijne daaraan is dat je er als auteur zelf niets meer voor hoeft te doen.’

Achter de nom de plume Elvis Peeters gaan auteur-muzikant Jos Verlooy en zijn echtgenote Nicole van Bael schuil. ‘We schrijven al onze romans en theaterteksten samen. De gedichten en songs zijn van mij alleen. Sommige mensen vinden dat verwarrend, of ze denken dat ik Nicole heb uitgevonden om interessant te doen. Maar ze bestaat dus echt. Alleen staat ze niet graag in de belangstelling. Daarom geeft ze ook nooit interviews.’ De naam ontstond toen Verlooy in 1982 met zijn punkgroep Aroma di Amore meedeed aan Humo’s Rock Rally. ‘Er waren in de popmuziek twee Elvissen: Presley en Costello. En aangezien Presley was overleden, was er eentje vacant.’

2077_20160427_elvispeeters_5531-2Punk
‘Ik luisterde als tiener vooral naar David Bowie, Deep Purple, Slade. Daarna kwam de punk. De doe-het-zelfgedachte, de energie en de maatschappelijke betrokkenheid ervan spraken me aan. Ik heb eerst een punkblad opgericht en vervolgens een muziekgroep. Het voelde evident om dat te doen, zelfs al konden we toen nog niet spelen. Nu nog voel ik me eigenlijk meer een rocker dan een auteur.’

Schrijven is er dan ook haast toevallig bijgekomen. ‘De man die de belichting deed van Aroma di Amore wou een muziektheatervoorstelling maken. Jij kunt toch al songs schrijven, zei hij. Kun je er geen theaterstuk bij doen? Dat stuk heb ik meteen samen met Nicole geschreven. Er volgde een tweede, dat verscheen in een tijdschrift en opeens trokken er vijf-zes uitgeverijen aan onze mouw: of we soms nog wat hadden. En dus zijn we maar blijven schrijven.’

Relevant
De genres, onderwerpen en thema’s in het oeuvre van Elvis Peeters waaieren alle kanten uit. ‘Alleen de taal en de stijl zijn herkenbaar. Voor uitgevers is dat lastig, maar wij houden van de afwisseling.’ Nog een constante is maatschappelijke betrokkenheid. ‘We vinden dat een boek relevant moet zijn in de tijd waarin het verschijnt. Ik wil ook een mens zijn die zijn plaats kent in de kosmos. Het is bijvoorbeeld niet omdat iets kan, dat je het ook moet doen. Nicole en ik denken en praten veel over de samenleving. Dat sijpelt uiteraard door in de boeken die we schrijven.’

Zo lijkt het alsof de actualiteit De ontelbaren uit 2005 wil inhalen. In de roman overspoelen miljoenen vluchtelingen het Westen. ‘We zijn onlangs de Turkse vertaling gaan voorstellen in Izmir, de plek van waaruit zoveel vluchtelingen de oversteek naar Griekenland wagen. Dat was frappant’, zegt hij. ‘Weet je, ze noemen het boek profetisch, maar in onze roman is de situatie véél erger dan wat we vandaag meemaken. Als je het zo bekijkt, is er dus nog voldoende tijd om ervoor te zorgen dat de voorspelling niet uitkomt. Maar dan zal iedereen toch anders moeten reageren… We zijn zo bang voor de vluchtelingenstroom, maar als je alle mensen telt die in 2015 naar Europa gevlucht zijn, dan zijn dat er een pak minder dan het publiek van een festival als Werchter! We hebben De ontelbaren geschreven nadat we een studie hadden gelezen die stelde dat als we de hele wereldbevolking dezelfde welvaart wilden schenken als die van de gemiddelde Belg, we vier wereldbollen nodig hadden om in alle behoeften te voorzien. Als je zoiets leest, lijkt het niet meer dan logisch dat wie helemaal niks heeft, het wil halen waar het wel is. We zijn binnenkort met 9 miljard mensen. Denk je dat die allemaal lijdzaam gaan toezien hoe rijk wij zijn en zichzelf laten verhongeren? Met hardnekkig beschermen wat we hebben, gaan we het niet redden. De solidariteitsgedachte zal veel sterker moeten worden. Maar je hebt weinig maatschappelijk draagvlak om dingen te veranderen. Politici denken niet verder dan de volgende verkiezingen, terwijl de problemen die we vandaag hebben – denk ook aan de klimaatverandering – zich over generaties uitstrekken. En dus schrijven wij boeken als De ontelbaren in de hoop dat ze kunnen bijdragen tot een andere zienswijze.’

Stukje werkelijkheid
Toen in 2009 de roman Wij verscheen, ontstond een hetze. Het boek werd geprezen, maar evengoed immoreel bevonden. Een groepje jongeren verdrijft de verveling met almaar perversere spelletjes. ‘We kregen er haatmails over’, vertelt Peeters. ‘En ja, het is een hard boek, maar 95% van wat erin staat, hebben we uit de krant of van het internet geplukt: het is een literaire versie van een stukje werkelijkheid.’
De aanleiding van de roman was een samenloop van twee dingen. Op weg naar een vakantiebestemming in Italië zag het schrijversduo enkele meisjes op een brug over de snelweg staan. Ze tilden hun rokjes op en droegen er niets onder… ‘Het gaat snel, je vraagt je af of je het wel goed gezien hebt…’ De beginscène van de roman lag vast: de meisjes veroorzaken bewust een ongeval. Het paste perfect bij het idee dat het echtpaar op dat moment aan het ontwikkelen was. ‘We hadden een reportage gezien waarin wetenschappers nagingen wat voor persoonlijkheden bedrijven zouden hebben als het echte mensen waren. Het bleken stuk voor stuk gewetenloze psychopaten die aan niets anders denken dan winst. Daarop hebben wij doorgedacht: wat als jonge mensen vanuit zo’n filosofie worden opgevoed? Hoe zouden ze in het leven staan? We hebben dat uitgangspunt nergens als een pamflet geponeerd, maar het speelt wel mee.’

Rotte appel
Intussen broedt in de hoofden van het schrijversechtpaar een nieuwe roman. ‘Ik speel met het idee van de rotte appel in de mand. Hij steekt de andere aan en het rotte wordt de norm. Zo gaat het in de maatschappij ook: terroristen veroorzaken een onveilig gevoel, er komen meer camera’s, meer controle, de democratie kalft af. Dat mechanisme houdt me bezig: waarom gebeurt het omgekeerde niet? Waarom maakt de gezonde appel de rotte niet beter? Ik heb geen benul of er iets uit zal voortkomen, want ik weet niet wat Nicole aan het bedenken is. We schrijven altijd eerst een aantal hoofdstukken apart. Vervolgens leggen we alles samen en trekken we naar een koffiehuis om erover te discussiëren. Dat doen we nooit thuis: we kunnen bikkelhard zijn voor elkaar en in het openbaar moet je de discussie toch wat temperen. Soms is het slikken: je ideeën worden al eens afgeslacht. Maar we hebben de afspraak dat we nooit teksten uitbrengen waar we niet allebei 100% achter staan.’ De auteur besluit met een knipoog: ‘Zo komen we dus aan een digitale vergaarbak van onaffe teksten. Ongetwijfeld worden die na onze dood gigantisch succesvol.’

Lees het hele artikel in RandKrant, juni 2016.

Inne Eysermans: “Ik doe nog altijd hetzelfde als toen ik klein was”

“Toch bizar”, bedenkt Inne Eysermans, “hoe je pad zich al begint te vormen als je nog een kind bent. Zodra ik twee akkoorden kende, probeerde ik er liedjes mee te maken. Het sprak vanzelf dat ik iets met muziek of geluid zou gaan doen, want ik was haast met niets anders bezig. Voetballen was mijn enige andere hobby.” De frontvrouw en songschrijfster van Amatorski werkt aan een nieuwe plaat die in de loop van 2016 moet verschijnen. Daarnaast vormt ze duo’s met auteur Saskia De Coster en radiomaakster Katharina Smets. “Zulke nevenprojecten maken je klankenwereld groter. Ik onderzoek graag hoe je muziek en klank in verschillende disciplines kunt inpassen.”

“Ik was een jaar of acht toen ik mijn eerste nummer schreef, met die twee akkoorden die ik op dat moment al kende. Vanaf toen ben ik muziek blijven maken. Met dictafoontjes en minidiscs speelde ik bandje: ik nam gitaar op, daarna drum en zang. Het kon bijna niet anders dan die kant op gaan. Ik doe nu eigenlijk nog altijd hetzelfde als toen ik klein was.”

Inne EysermansWist je even snel welke studierichting je zou kiezen?

“Dat werd pas duidelijk toen ik 18 was. Ik overwoog om Beeld, geluid, montage te gaan studeren aan het RITS, maar toen ontdekte ik de richting Muziekproductie aan het conservatorium van Gent. Daar is Amatorski ook ontstaan. De groep en mijn opleiding liepen erg door elkaar: wat ik voor Amatorski maakte, kon ik bijvoorbeeld indienen als proef aan het conservatorium. Ik mocht ook de ruimtes en de materialen van de school gebruiken voor repetities en opnames, dus het was de ideale richting voor mij.”

Kon je nadien snel van de muziek leven?

“Ja. De eerste EP van Amatorski is verschenen in 2010, toen ik in mijn tweede bachelorjaar zat. Een jaar later is ons debuutalbum TBC uitgekomen. Toen ik afgestudeerd was, heb ik onmiddellijk geprobeerd om het artiestenstatuut te behalen en dat is tamelijk vlot gegaan. Naar mijn gevoel was er niet zo’n groot verschil tussen mijn studie en de tijd erna: we speelden in die periode vrij veel, alleen deed ik het nu met een diploma op zak. Ik besef heel goed dat mijn wereld er heel anders had uitgezien als ik niet zo’n nummer als Come Home had geschreven. Het heeft ons de kans gegeven om in het buitenland te gaan spelen, te investeren in nieuw materiaal en op die manier almaar bezig te blijven en te groeien.”

Wat vind je zelf het interessantst aan wat je doet?

“Ik leer veel bij en dat stopt nooit. Ik kan geluid in een grotere context leren kennen dan wanneer ik puur en alleen songs zou schrijven. Met het oog daarop stel ik me ook open voor heel veel verschillende invloeden. Ik luister naar hedendaagse klassieke muziek, maar evengoed naar pop – ik ben niet vies van andere genres. Dat helpt je om een beter idee te vormen van waar je zelf voor staat en waar je naartoe wil. Zo kun je veel beter aan jezelf verantwoorden wat voor muziek je voor een bepaalde film maakt, of wat voor songs op je volgende plaat zullen komen. Het zorgt ervoor dat wat je doet, op onderbouwde ideeën stut en het niet ‘zomaar iets’ is. Dat maakt muziek belangrijk en boeiend.”

Lees de volledige Kanttekening bij Kunstenloket.

In memoriam: componist Luc Brewaeys, vanavond op Klara

Op 18 december overleed componist Luc Brewaeys. Vanavond zendt Klara van 20 tot 24 uur een uitgebreid in memoriam uit. Het belooft een mooi portret te worden van ‘misschien wel de grootste componist uit onze geschiedenis’ (in de woorden van Philippe Herreweghe).

“De gids van het programma is de stem van Luc zelf en uiteraard zijn prachtige muziek, maar ook getuigenissen van zijn leraar André Laporte, van zijn studente Annelies van Parys, van musicoloog Maarten Beirens, van Jerry Aerts ven deSingel en van zijn vrienden-musici als Wibert Aerts en Dirk Brossé.”

Ik ontmoette Luc Brewaeys één keer, toen ik hem in 2013 interviewde voor RandKrant. Hij was de jaren daarvoor veel ziek geweest, maar voelde zich op dat ogenblik ‘top’. We hadden een fijn gesprek over componeren, het creatieve proces, en tuimelende klanken.

Ik herneem het artikel van toen hieronder.

Een hoofd vol klanken

Hij luisterde voor het eerst naar het legendarische muziekwerk Le sacre du printemps van Stravinski toen hij 13 was en hij wist het: componist wou hij worden. Luc Brewaeys is nooit meer van dat plan afgeweken. Vandaag (begin 2013, IM) heeft hij zeven symfonieën, een opera, een hele resem andere concert- en kamermuziek en zelfs bewerkingen van Frank Zappa-songs op zijn naam staan. Zijn internationale renommee is groot en laatst riep Klara hem nog uit tot musicus van het jaar.

Het gaat goed met de componist. ‘Ook mijn gezondheid is momenteel tiptop’, verklaart hij. Tot voor kort was dat anders. ‘Ik heb vier kankers overwonnen en vorig jaar nog was ik er bijna aan door een zware infectie. Maar sinds ze een aantal maanden terug nog enkele stents in mijn aders hebben gestoken, gaat het eigenlijk prima.’
Op tafel liggen enkele onafgewerkte partituren. In de loop van de maand mei zou hij daar graag klaar mee zijn. Het gaat om een concertwerk voor het Amsterdamse Concertgebouworkest, volgens vakbladen hét beste orkest ter wereld. ‘Termen als ‘beste’ en ‘grootste’ zijn altijd relatief’, vindt Brewaeys. ‘Maar eind vorig jaar hebben ze nog een stuk van me gespeeld en ik moet wel zeggen dat het formidabel klonk. Het is dus zeker plezant om voor zulke mensen te werken.’

Véél luisteren
Luc Brewaeys is ontegensprekelijk een van de meest vooraanstaande Belgische componisten. Hij schrijft hedendaagse, meer bepaald spectrale muziek. Het spectralisme baseert zich op de boventonen in de muziek, de tonen waaruit elke klank bestaat. Daardoor is harmonie belangrijk in zijn werk. ‘Voor veel mensen is de drempel naar hedendaagse muziek hoog, dat klopt. Maar wie geïnteresseerd is om er meer over te weten, kan ik maar één ding aanraden en dat is veel, veel luisteren. Zo ben ik er ook mee begonnen. Ik kan hier een hele uitleg afsteken over theorie en structuur, maar daar heeft niemand iets aan, tenzij een collega of een student compositie, natuurlijk.’ Toch geeft hij zijn studenten hetzelfde advies. Luisteren, liefst met de partituur erbij, om de compositie beter te leren begrijpen. Zo, partituur in de hand, heeft Luc Brewaeys een groot deel van zijn jeugd doorgebracht.

Véél doen
De componist komt niet echt uit een muzikaal nest, vertelt hij. ‘Voor mij waren er geen muzikanten in de familie.’ Maar er was wel altijd veel muziek in huis via radio, televisie en elpees. ‘Componeren ben ik rond mijn tien jaar beginnen doen en ik ben er nooit meer mee gestopt.’ Drie jaar later wist hij zeker dat hij van componeren zijn beroep wilde maken. ‘Ik heb ontzettend veel geschreven in mijn jonge jaren’, vertelt hij. ‘Aanvankelijk ging het om vrij traditionele melodieën. Gaandeweg leer je dan nieuwere en modernere dingen kennen en beïnvloeden die je ook weer. Uiteindelijk vallen er allerlei kleine stukjes van overal in je potje samen en daaruit ontstaat dan je eigen stijl.’ Naar die eerste partituren hoeft niemand op zoek te gaan. Hij heeft ze niet gehouden wegens ‘niet goed genoeg’. ‘Maar zo leer je het, natuurlijk. Het zijn stuk voor stuk goede oefeningen geweest. Het is ook niet erg als je nu en dan iets kopieert in het begin. Ook dat is een goede manier om de muziek beter te leren begrijpen.’

Een orkest in je hoofd
Na het werk voor het Concertgebouworkest wil Luc Brewaeys graag zijn achtste symfonie afwerken en daarna zal hij een aantal sonnetten van Shakespeare op muziek zetten. ‘Maar of ik nu een symfonie schrijf of een werk voor één instrument, de aanpak is altijd dezelfde’, vertelt hij. Er staat een piano in de woonkamer, maar die doet de laatste tijd vooral dienst als ornament. Schrijven doet Luc Brewaeys aan tafel. En het echte schrijfwerk, op papier of op computer, is ook altijd pas het laatste onderdeel van het proces. ‘Als ik een opdracht krijg, begin ik na te denken en op de duur ontstaan er dan klankideeën die ik probeer uit te werken. Dat doe ik in eerste instantie in mijn hoofd.’ Schrijft hij een symfonie, dan hoort hij de lijnen van elk instrument apart in zijn hoofd weerklinken, tot er een heel orkest in zit. ‘Pas als een werk voor 70 tot 80 procent af is, zet ik me daadwerkelijk aan tafel.’

Hij werkt zijn opdrachten af volgens de deadlines die hij aanvaardt, maar dat wil niet zeggen dat een volgend stuk pas ontstaat als het vorige is afgeleverd. ‘Er broeien meestal verscheidene werken tegelijk in mijn hoofd. En die lopen elkaar niet in de weg, nee, ik kan ze perfect gescheiden houden.’

Vroeger was een stuk zelfs volledig af voor hij één noot neerpende. Daar heeft zijn zesde symfonie verandering in gebracht. ‘Ik weet altijd graag vooraf waar ik naartoe wil. Er zijn collega’s die anders tewerk gaan. Ze beginnen en ze zien wel waar ze uitkomen. Voor die zesde symfonie heb ik het ook zo geprobeerd en inderdaad, dat werkte eveneens. Dus sindsdien laat ik nog een beetje ruimte voor mijn intuïtie om kleine veranderingen aan te brengen in het oorspronkelijke plan. Maar meestal zijn er dat effectief niet meer zo heel veel.’

Wiskunde
Het gebeurt dat een componist iets moet berekenen. ‘Als je akkoorden wil opbouwen die te ingewikkeld zijn om het even in je kop te doen, bijvoorbeeld. Dan neem ik er al eens een rekenmachine bij. Muziek en wiskunde liggen dicht bij elkaar’, legt Luc Brewaeys uit. ‘Ik hou ook echt van wiskunde. De overeenkomsten zitten hem vooral in de verhoudingen. Dikwijls valt de climax van een stuk precies op de gulden snede van de duurtijd. Ik hoef dat zelfs niet meer te berekenen: poef! Het gebeurt gewoon. En ook mensen die totaal niks van wiskunde en zelfs niet van muziek afweten, voelen doorgaans dat zulke muziekstukken beter werken dan andere. Ik vermoed dus dat wiskunde niet zomaar is uitgevonden, maar rechtstreeks uit de natuur komt. Bekijk bijvoorbeeld hoe een vioolsnaar trilt. Dat mechanisme is zoals het is, het is niet de mens die het bepaalt. En ook die tonen verhouden zich op een perfect wiskundige manier tot elkaar.’

Wandelen
Luc Brewaeys lijkt niet echt in inspiratie te geloven. ‘Ongetwijfeld zijn er wel externe factoren die je beïnvloeden’, zegt hij. Maar aangezien zijn stukken niet echt een boodschap of verhaal hebben, blijven die altijd op de achtergrond. ‘Tegen dat een werk goed op dreef komt, ben ik de eventuele aanleiding al helemaal vergeten’, zegt hij. Opeens zijn de klanken er en beginnen ze te tuimelen tot ze allemaal hun plaats in het werk hebben gevonden.
Wandelen is dan wel weer een prima activiteit om dat tuimelen in gang te zetten. ‘Nu wandel ik met de hond’, legt Luc Brewaeys uit en hij wijst naar de Cavalier King Charles die in zijn mand naast de stoel van de componist ligt te soezen. ‘Maar voor ik een hond had, wandelde ik al evenveel. Beethoven kreeg ook altijd de beste ideeën terwijl hij aan het wandelen was. Mediteren kan eveneens helpen. Maar uiteindelijk krijg ik ideeën op de zotste momenten. Alleen als ik ze ’s nachts krijg, sta ik er niet voor op. Ik ga ervan uit dat ik het wel zal onthouden als het idee de moeite waard is. Als ik het tegen de ochtend vergeten ben, zal het wel niet goed genoeg geweest zijn. Het zou natuurlijk ook kunnen dat het mijn inherente luiheid is die hier de overhand krijgt’, lacht hij.

Vilvoordenaar, wereldburger
Luc Brewaeys en zijn vrouw wonen een kleine twintig jaar in Vilvoorde en voelen zich er thuis. Hun kinderen zijn geboren en getogen Vilvoordenaren. ‘En het huis is bijna afbetaald, dat is geen slecht gevoel.’
De keuze viel twintig jaar geleden op Vilvoorde uit praktische overwegingen. ‘We kwamen toen van het platteland, waar we altijd twee auto’s nodig hadden. Dat vonden we niet alleen duur, maar vooral ook ecologisch onverantwoord. Hier zitten we niet alleen vlakbij de Ring en de E19 naar Antwerpen (op twintig minuten bereiken we deSingel, waar we al eens naar concerten gaan), maar ook op een boogscheut van het station. We wonen bovendien in een rustige straat, maar gaan we de hoek om, dan liggen daar alle mogelijke winkels. Ik doe dus veel van de boodschappen te voet.’
Zelf is Brewaeys afkomstig uit Antwerpen. Hij is tweetalig opgevoed en spreekt intussen negen talen vlot. ‘Nederlands, Frans, Engels en Italiaans spreek ik bijna dagelijks’, zegt hij. ‘Maar ook in het Duits, Pools, Japans, Tsjechisch en Kroatisch kan ik me meer dan behoorlijk uit de slag trekken. Ik vind het prettig om de taal te kunnen spreken van de plaats waar ik kom. Muzikaal gevoel helpt trouwens enorm als je talen wil leren – al helemaal om een taal accentloos te leren spreken.’ Geen wonder dat Brewaeys zich ‘wel een beetje’ Vilvoordenaar voelt, ‘maar toch vooral wereldburger’. ‘Ik kan bijvoorbeeld begrijpen dat taal in deze contreien gevoelig ligt. Ik merk uiteraard ook op dat hier almaar meer Frans wordt gesproken. Maar in se vind ik al die communautaire perikelen toch vooral onzin. Ik heb er allemaal bijzonder weinig last van.’

www.klara.be

Laatste kans op oogcontact van de eenzaamste soort – Het laboratorium van Spinvis

Begin 2016 duikt Erik de Jong alias Spinvis de studio in om een nieuwe plaat op te nemen. Deze maand krijg je nog welgeteld één kans om hem aan het werk te zien met het lichtgevoelige muziekprogramma Oogcontact van de eenzaamste soort: op 17 december in CC Westrand, Dilbeek.

Verhaal zonder woorden
De bezetting is klein, de sfeer intiem. De liedjes werden uitgekleed tot op het bot en noot voor noot weer uitgedost voor het theaterpodium. Erik de Jong en Saartje Van Camp bedienen met zijn tweeën een batterij instrumenten, elektronica én het licht. ‘Met schaduw en licht maken we een hele wereld.’

‘Hiervóór hebben Saartje en ik een opera gemaakt met dans en koor, met veel mensen en grote budgetten. Dat was fijn om te doen, en er komen nog zulke megaprojecten, maar nu wilden we eerst even iets kleins maken, alleen met ons tweeën’, vertelt De Jong. ‘Al snel dachten we: we maken de muziek en de teksten zelf, laten we dan ook maar het licht in eigen handen nemen.’ Op het podium staan allerlei verschillende soorten lampen. Terwijl ze spelen, bedienen de muzikanten die zelf. Zo wordt het licht een instrument op zich. ‘Doorgaans is het publiek zich nauwelijks bewust van de werking van het licht’, vertelt hij. ‘Het lijkt allemaal automatisch te gaan. In deze show zie je twee mensen met lampen aan de gang. Dat vind ik altijd erg mooi om te zien: iemand die gewoon iets aan het doen is. En door wat we met het licht doen, tonen we het publiek hoe je de ander daarmee in de kijker kunt zetten of net helemaal kunt uitwissen. Het licht vertelt een verhaal zonder woorden.’
Saartje Van Camp: ‘We doen echt alles zelf op het podium. We zijn maar met zijn tweeën, dus we kunnen ook elk maar één instrument tegelijk bespelen. Daarom gebruiken we allerlei loops die we live op het podium opnemen en weer afspelen. Je ziet alles gebeuren: je bent er als toeschouwer echt helemaal bij.’
De Jong: ‘En je ziet ons vooral ook proberen, want als er eens iets misgaat, merk je dat ook meteen. Je bent dus voor één keer ooggetuige van een muzikaal laboratorium dat meestal gesloten blijft.’

Troost door herkenning
De titel van de theatershow is een zinnetje uit een nummer van Spinvis’ vorige album. ‘Die regel is een eigen leven gaan leiden’, vertelt hij. ‘Voor oogcontact heb je twee mensen nodig, en licht. Het veronderstelt contact: je moet iemand kennen of herkennen. Bij oogcontact van de eenzaamste soort herken je vooral elkaars eenzaamheid. Je kunt die eenzaamheid misschien niet opheffen, maar het herkennen op zich biedt een zekere troost. Dat is de leidende idee van de voorstelling geworden.’ Meer dan een vaststaand verhaal, draagt de voorstelling een levensgevoel uit, waarin vertrouwen tussen artiesten en publiek bovengemiddeld belangrijk is. ‘Ga maar zitten en vertrouw maar op wat we doen’, zegt De Jong. ‘Dat is het startpunt. Van daaruit nemen we het publiek mee in onze wereld.’

www.spinvis.nl
www.randkrant.be

Componist Bram Van Camp: “Muziek is voor mij nooit een achtergrondgeluid”

Componist van hedendaagse muziek Bram Van Camp had als kleine jongen twee cassettespelers in huis. Ging daar een bandje met klassieke muziek in, dan hoorde hij meteen een verschil. “De ene speelde een tikje trager, en dus klonk hij lager dan de andere”, vertelt hij. “Wellicht heb ik zo ontdekt dat ik een absoluut gehoor heb, want ik was de enige in huis die dat opmerkte. Die moeten we niet hebben, dacht ik. Die klinkt verkeerd…

dezeIn het ouderlijk huis van Bram Van Camp werd veel gezongen en muziek gemaakt. “En toen ik 8 was, ben ik viool beginnen spelen”, vertelt hij. Al snel begon hij zelf stukjes muziek te schrijven. “Iedereen heeft al eens een melodietje dat hij niet uit zijn hoofd krijgt. Dat is vergelijkbaar met een componist die voor het eerst iets bedenkt: je hoort iets in je hoofd. Daar ga je dan mee verder. Je fantasie slaat op hol en het muziekstuk ontwikkelt zich langzaam maar zeker.” Het grote doel van componeren is om de muziek in je hoofd ook in realiteit te kunnen horen. “The proof of the pudding is in the eating: als ik een orkest mijn muziek hoor spelen, ben ik gelukkig. Hoewel zo’n uitvoering superspannend is voor een componist, bestaat er niets mooiers dan te merken dat muzikanten die je erg waardeert je muziek graag spelen en erin geloven.”

Absoluut versus relatief
Dankzij de kapotte cassettespeler ontdekte Bram van Camp hoe goed hij tonen kon horen en dat kwam van pas als hij viool speelde, maar verder stond hij er niet echt bij stil. “Pas toen ik op 18 naar het conservatorium trok, merkte ik dat niet al mijn medestudenten zo’n gehoor hadden. Voor een componist of muzikant is het natuurlijk erg handig om onmiddellijk een naam op een klank te kunnen plakken. Je hoort in een concertzaal een toon en je weet: het is een do of een mi. Maar ook de sirene van een ambulance herken je meteen als bijvoorbeeld een si en een sol. Als iemand met een stoel schuift, kan je er een toon op plakken. Zelfs als iemand een wind laat, kun je dat”, lacht hij. “Er zijn ook klanken zonder toon – de ruisklanken. Met een klap in de handen kan een absoluut hoorder bijvoorbeeld niets beginnen.”

Veel belangrijker voor een muzikant dan het absolute gehoor, is echter het relatieve. “Dat is de mogelijkheid om de relatie tussen tonen te herkennen. Je hoort een toon, weet niet welke het is, maar je hoort vervolgens een andere toon ernaast en weet dan wel dat ze samen een terts, een kwint of een kwart vormen. Dat gehoor kun je aanleren.” Er zijn muzikanten die zich zozeer op hun absolute gehoor beroepen, dat ze het relatieve verwaarlozen. “Zij zullen wellicht nooit grote muzikanten worden, want het relatieve gehoor is juist essentieel om de structuur van een muziekstuk te begrijpen.”

Volle aandacht
Veel mensen gebruiken muziek als behangpapier: de radio staat op, maar echt luisteren doen ze niet. Bij Bram Van Camp thuis gebeurt dat nooit. “Zodra ik muziek hoor, gaat al mijn aandacht ernaartoe. Muziek kan nooit zomaar een achtergrondgeluid zijn.” Vandaar dat stilte ook zo belangrijk voor hem is. “Als ik componeer, kan ik ’s avonds ook niet naar een concert gaan of zo. Ik zit zo diep in de muziek in mijn hoofd, dat ik mijn aandacht niet aan andere muziek kan geven. En als dat toch eens gebeurt, kost het me achteraf heel veel moeite om weer naar mijn eigen stuk te switchen.”

www.bramvancamp.com

Dit artikel verscheen eerder – en in lichtjes andere vorm – in Lapperre magazine. De foto is van fotograaf Filip Claessens.

Matterhonger – een culinair-artistieke avond bij Muziektheater Transparant

MATTERHONGER is een gloednieuw project van Muziektheater Transparant. Het geeft je een inkijk in het repetitieproces van een nieuwe voorstelling. Een kok, de betrokken artiesten en deskundigen geven toelichting, trakteren op een preview en laten je genieten van een lekker en gezellig diner. Klinkt goed.

De eerste editie vindt morgen (11 september 2015) plaats.

Een tijdje terug interviewde ik artistiek leider Wouter Van Looy en de jonge operazangeres Naomi Beeldens voor Staalkaart over een ander interessant project van het muziektheaterhuis: TRANSLAB. Dat geeft jongeren kansen, verkent hun passie voor muziek en zang en diept die uit. Transparant neemt zijn jongerenwerking uitermate ernstig: “Omdat het zo ontzettend belangrijk is”, vindt Van Looy.

Ik herneem een stukje.

“Het zit in je systeem”

Mensen met een specifieke passie kunnen vaak heel precies vertellen waar, wanneer en hoe die passie kiem heeft geschoten. Voor Naomi Beeldens begon het met een verhaaltje voor het slapengaan. Voor Wouter Van Looy met een gebarsten viool.

“Ik kwam in aanraking met klassieke muziek, omdat mijn ouders het opzetten”, vertelt Naomi Beeldens. “Zo simpel was het. Maar heel specifiek is mijn liefde voor klassiek begonnen met het verhaal dat mijn meter me altijd voorlas voor het slapengaan: De toverfluit. Ik vond het zo mooi, dat ik de cd met de muziek ook ben gaan kopen. Zo zat ik dus als kind in mijn kamer naar Mozart te luisteren. Pas later ben ik erachter gekomen dat het verhaal eigenlijk veel langer was dan ik vroeger dacht – blijkbaar viel ik altijd ergens halfweg in slaap.” Later sloot ze zich aan bij een koor, ging ze op zangles en rolde ze de jongerenopera in. Toen ze 18 was, besloot ze om niet rechtstreeks naar het conservatorium te gaan. “Ik heb eerst taal- en letterkunde gestudeerd”, vertelt ze. “Hoewel ik nu geregeld te horen krijg dat ik met 27 toch al aan de oude kant ben om nog aan een operacarrière te beginnen, ben ik blij dat ik voor dit parcours heb gekozen. Aan de universiteit vorm je je identiteit. Toen ik nadien aan het conservatorium belandde, was ik blij met de buffer die ik aan de unief al had opgebouwd. Anders is het wel heel moeilijk om tegen de traditionele verwachtingen op te boksen.”

Kapotte viool
Een magisch moment – zo noemt Wouter Van Looy zijn eerste aanraking met de wereld van de muziek. “Mijn vader was fabrieksarbeider in de haven van Antwerpen. Een vriend van hem had een viool met een barst erin, die hij wilde weggooien. Geef maar mee, zei mijn vader. Wie weet kan ik er nog iets mee.” Zo belandde de viool bij het gezin Van Looy op zolder. “Op een dag was ik daar een beetje aan het rondsnuffelen en vond ik de kist met het instrument erin. Ik wist onmiddellijk dat ik er ooit iets mee wilde doen.” Het heeft dan nog vier jaar geduurd voor de viool hersteld was en hij aan zijn eerste les mocht beginnen. “Je moest 8 zijn voor je naar de muziekschool mocht gaan. Dan volgden twee jaar notenleer en pas daarna mocht je spelen – dat was echt een ramp.” In de tussentijd redde hij zich met de kleine platencollectie van zijn ouders. “Daar zaten misschien 10 klassieke platen in, onder meer enkele symfonieën van Beethoven, waar ik helemaal gek van was. Ik zette ze op, kroop op een bolletje tegen de box aan en ging helemaal op in de muziek. Daarom denk ik dat gevoeligheid voor muziek toch iets aangeboren moet zijn. Het zit in je systeem.”

www.transparant.be
www.staalkaart.be

Dirigent Bart Van Reyn: “Mijn leven is een speeltuin”

Op zijn achttiende vroeg Bart Van Reyn zich af of hij Rechten zou studeren of toch maar iets met muziek zou gaan doen. Het leek hem een keuze tussen het veilige pad en de gewaagdere sprong. “Ik besloot de sprong te wagen. Je leeft tenslotte maar één keer”, zegt hij. Vandaag is hij dirigent van zijn eigen ensemble Octopus (kamerkoor en symfonisch koor), én zijn eigen orkest, Le Concert d’Anvers. Daarenboven richtte hij met regisseur Korneel Hamers het succesvolle reisoperagezelschap The Ministry of Operatic Affairs op. Als gastdirigent werkt hij met topensembles als BBC Singers, Nederlands Kamerkoor, Vlaams Radio Koor en Collegium Vocale Gent. Hij wil zich vooral niet specialiseren: “Ik hou van de afwisseling tussen koor, orkest, opera, a capella en oratorium. Mijn weken kleuren altijd anders.”

Ik interviewde dirigent Bart Van Reyn voor mijn reeks Kanttekening (Kunstenloket).

Lees het volledige artikel en win vrijkaarten voor de Matthäus-Passion van Bach, op 21 maart in deSingel.

Nele Van den Broeck: “Mijn instrument heet brein”

De Standaard noemt It’s My Party, het debuut van Nele Needs a Holiday, “een van de geestigste, bitterzoetste albums in jaren”. En lo and behold: ik interviewde leading lady Nele Van den Broeck voor het recentste nummer van RandKrant.

Een fragment.

In het prille begin bestond de band alleen uit Nele Van den Broeck, haar ukelele en haar piano. “Ik trad op in onooglijke cafés en ik schreef liedjes met heel eenvoudige arrangementen”, vertelt ze. “In de loop van de jaren zijn er almaar meer groepsleden bijgekomen. In onze grootste bezetting staan we nu met 7 meisjes op het podium – heel cool! Dat we een pure meisjesgroep zijn, is historisch gegroeid. Maar nu wil ik het ook absoluut zo houden. Er is namelijk nog wat werk aan het muzikantenbestand. Er zijn nog veel te weinig meisjes die drum of basgitaar spelen. Traditioneel worden die nog altijd gezien als jongensinstrumenten en dat vind ik spijtig. Er bestaan nog te veel vooroordelen in de muziek. En trouwens”, voegt ze er grappend aan toe, “als ik met een mannelijke band zou werken, werd ik toch maar op al die muzikanten verliefd en dat is ook ellende gegarandeerd.”
It’s My Party is een zonnige plaat. “Zonder daarom wereldmuziek te zijn, heeft ze iets heel exotisch en vrolijks over zich gekregen. En die muzikale sfeer staat dan in contrast met mijn teksten, die ironisch zijn en de falende kant van het leven aanhalen. Noem het geheel dus maar vrolijke tristesse.”

Maatschappij van stoefen
Alledaagse tragedie verpakt in vrolijke noten, dat is het handelsmerk van Nele Needs a Holiday. “Ik kies niet bewust voor dat evenwicht. Als ik teksten schrijf, is het alsof ze in mijn hoofd komen gevallen, als een geschenk van elders. Noem het met een groot woord de muze. Of noem het mijn rechter hersenhelft”, lacht ze. “Maar meestal komen de liedjes vlotter als er in mijn leven dingen gebeuren waar ik niet zo best mee om kan. Op zulke momenten ligt de inspiratie voor het grijpen en moet ik er vooral voor zorgen dat ik mijn ideeën opschrijf voor ik ze vergeet. Zo kom ik aan mijn soort teksten. Ik ben nu al jaren bezig aan een liefdesliedje dat niet cynisch is en ik raak maar niet verder dan de eerste strofe.”
Toch is het allerminst haar bedoeling om haar publiek depressief naar huis te sturen. Daarom zoekt ze in haar thema’s altijd een relativerend element. “Vanaf mijn eerste optreden merkte ik dat de mensen daar vaak om moesten lachen. En dat vond ik wel iets. Ik schrijf over dingen die we allemaal wel eens meemaken, belicht ze op een andere manier en zet er een vrolijke melodie onder. Zo maak je de werkelijkheid draaglijk of kun je de kleine tragedies van elke dag beter relativeren. We leven ook in zo’n stoef-maatschappij. Zeker nu met de sociale media. Iedereen is bezig met zijn imago – ik ook hè: ik zet ook alleen maar foto’s online waar ik goed op sta. Als ik me slecht voel, zwijg ik daar in alle talen over en als het fantastisch goed gaat, smijt ik het ogenblikkelijk op Facebook. En iedereen doet het zo. Op de duur krijg je daarvan het gevoel dat jij de enige bent die soms een puinhoop van zichzelf maakt. Door net daarover te zingen, kelder ik het taboe dat er hangt over verdriet of het even niet meer weten. En zo hoop ik troost te bieden. Voilà.”

Brein
Nele Van den Broeck noemt zichzelf een kind van 12 instrumenten en 13 ongelukken. “Ik heb als kind elk mogelijk instrument uitgeprobeerd en niks kon echt mijn aandacht vasthouden. Ik zat in de jazzafdeling van de academie van Grimbergen en naar de theorielessen ben ik altijd blijven gaan. Daar heb ik bijvoorbeeld heel goed geleerd hoe akkoorden in elkaar zitten en als je dat onder de knie hebt, kun je op elk instrument op zijn minst een beetje je weg vinden. Zo heb ik mezelf dan uiteindelijk wat piano en ukelele leren spelen. Mijn instrument heet dus eigenlijk brein.”
Haar eerste liedjes schreef ze een kleine 10 jaar geleden, toen ze 20 was. “In die periode ging het echt niet goed met mij. In mijn derde jaar theater werd ik van het Rits gegooid. Ik zat in een rockband en werd daar ook uitgegooid. Op de koop toe raakte het uit met mijn lief. Toen zijn die liedjes beginnen borrelen.”

“Wie op een podium klimt, moet iets te zeggen hebben” – Stijn Devillé fileert de gevolgen van de crisis

Vanavond, 16 januari 2014, gaat Angst in (avant)première, een coproductie van muziektheatergezelschap Braakland/ZheBilding en De Queeste. Voor de gelegenheid: een fragment uit mijn artikel in Staalkaart.

*

In 2008 brak de bankencrisis in alle hevigheid los. Een globale financiële crisis volgde. Theatermaker Stijn Devillé, die vindt dat theater met beide voeten in de maatschappij moet staan, gooide zich op het thema en puurt er zowaar een drieluik uit. Na Hebzucht uit 2012 gaat nu Angst in première. ‘Ik ben er zelf wel banger door geworden, ja.’

(c) Stephan Vanfleteren

‘Toen ik met de research van Hebzucht bezig was, besefte ik al snel dat ik al dat materiaal niet in één voorstelling gepropt kreeg. Ik moest ergens een keuze maken. Daarom heb ik het in dat eerste luik over de kiem van de crisis: hoe is het begonnen? Wat waren de oorzaken?’, vertelt auteur-regisseur Stijn Devillé. Maar zodra hij die beslissing had genomen, merkte hij dat het verhaal daarmee nog maar net begonnen was. ‘De crisis duurt voort. Mensen verliezen hun baan, hun huis, enzovoort. Ze worden bang. Over dat aspect hebben we het in Angst.’ Hij verdiepte zich nog meer in het thema en hij voelde dat hij er cynisch van dreigde te worden. ‘Je ziet wat er gebeurt en dat het systeem zichzelf eigenlijk alleen maar blijft herhalen. Daarop reageer je uiteindelijk bijna alleen nog met schouderophalen. Of je wordt zelf bang.’ Hij vond het een beetje té om zijn publiek met zo’n brok in de maag achter te laten. ‘Na de crisis en de angst hebben we absoluut hoop nodig’, vindt hij. ‘En dus zal het uiteindelijk een drieluik worden: Hebzucht, Angst en Hoop.’ Hoe dat laatste deel er precies uit zal zien, zijn zorgen voor later, want vaste vorm heeft het plan nog niet. Devillé: ‘Je kunt hoop putten uit kleine initiatieven die her en der opduiken. Die zijn nu nog bijzonder marginaal, maar ik denk echt dat we het daarvan zullen moeten hebben. De voorstelling zal draaien rond vragen als: waar vinden we hoop en wat kunnen we er zelf voor doen? Kunnen we er überhaupt zelf iets voor doen?’ Misschien wordt die derde een call for action, misschien ook niet. Daarvoor is de hoop nog te pril. ‘Ik ben tijdens mijn onderzoek op een aantal hoopvolle dingen gestoten, maar voorlopig vraag ik me nog te veel af of het niet al te naïef is om te verwachten dat daarin dan de redding zal schuilen.’ Het kiemt nog wel. Voorlopig hebben we genoeg aan (onze) Angst.

Groeidenken is voorbij
‘Ik ben zelf best bang geworden tijdens mijn research voor dit stuk.’ Stijn Devillé lacht met zijn uitspraak, maar de uitleg die volgt is bloedserieus. ‘Er gaan tegenwoordig meer en meer bijzonder pessimistische stemmen op, zoals die van Joris Luyendijk, die stelt dat er helemaal niks veranderd is. Iedereen blijft doen wat hij voor de crisis deed, terwijl dat absoluut niet houdbaar is.’ Tegenstanders zetten de journalist Luyendijk weg als een onheilsprofeet. Maar Stijn Devillé is het grotendeels met hem eens: ‘Als je je wat beter in de materie verdiept, merk je dat het probleem veel meer omvat dan een puur financiële kant. Ik las een rapport van het Britse beursbedrijf Tullett Prebon, dat is zo’n bedrijf dat advies verleent over beursgang en investeringen – het harde geld – en ik schrok van hun analyse, omdat ze naadloos aansloot bij de opinie van zogenaamd linkse transitiedenkers zoals ecologisch economist Tim Jackson of sociaal psycholoog Harald Welzer. Die pleiten ervoor om het hele groeidenken waarop onze economie is gebaseerd te herdenken. Ze worden door velen voor naïevelingen versleten en als je hun werk leest, krijg je dat soort twijfels snel. Er zijn zoveel belangen mee gemoeid, je moet zoveel mensen en systemen meekrijgen in een totaal nieuwe richting… Dan is het behoorlijk choquerend om precies hetzelfde te horen van zo’n keihard beursbedrijf, dat geen rekening houdt met ethische standaarden. Tullett Prebon concludeerde eveneens dat het groeidenken eindig is. Analist Tim Morgan gaf daarvoor een heel simpele reden: onze economie is geen financiële constructie, maar drijft puur op energie. De economie is maar ontstaan zodra de mens energie wist om te zetten in werkkracht. Voordien was een uur werk een uur werk. De ene mens kon misschien wat harder werken dan de andere, of was een tikje sneller of handiger, maar grosso modo was het dat. Je kon het werkproces op die manier niet optimaliseren. Hoogstens zette je een paard of een os in of zo. Dat is allemaal veranderd toen er machines kwamen. In 1770 vond James Watt de stoommachine uit, daarna volgde de verbrandingsmotor. Vanaf dan kreeg je een almaar grotere output uit een kleine input. Toen ontstond de economie. Die is dus volledig gebaseerd op fossiele brandstoffen. En dan krijg je die hele discussie over de eindigheid van de brandstoffen, die door evenveel mensen ontkend wordt. In dit rapport werd het eindelijk een keer volledig genuanceerd uitgelegd. Er zijn inderdaad, zoals tegenstemmen beweren, nog behoorlijk wat reserves. Maar daar gaat het helemaal niet om. De vraag is hoeveel energie we spenderen aan het winnen van energie. Vroeger hoefden we maar een heipaal in de grond te slaan en de olie spoot eruit. Per liter olie die je in de motor goot om olie op te pompen, haalde je 100 liter boven. Die verhouding van 100 tegen 1 is de laatste jaren stelselmatig naar beneden gegaan. In de Verenigde Staten of in de Noordzee halen we nog maar 5 liter tegen 1. En op een gegeven ogenblik komen we tot stilstand: dan spendeer je een liter om een liter te winnen. Dat is ook het probleem met veel alternatieve energiesoorten, zoals biobrandstoffen, bio-ethanol of schaliegas: die hebben zelfs een negatief rendement. Het is dus gekkenwerk om daarop in te zetten. De enige bronnen die nog relatief goed zitten, zijn de zon en de wind: daar halen we 17 tegen 1, wat nog een pak minder oplevert dan de 100 tegen 1 waarop onze huidige economie en welvaart gestoeld zijn. Morgan voorspelt dus dat dat systeem volledig in elkaar gaat klappen, omdat onze energiekosten veel groter gaan worden dan onze groei ooit nog kan zijn. En dus concludeert hij – net zoals de linkse transitiedenkers – dat we fundamenteel zullen moeten nadenken over hoe we met de overgebleven grondstoffen zullen omgaan, met energie in het algemeen en met ons financieel verkeer, dat onlosmakelijk met die energie verbonden is. Toen ik dat las, vroeg ik me af waarom de ecologische bewegingen die argumenten nog nooit zo duidelijk op tafel hebben gelegd. Hun zwart-witanalyses over de brandstoffen die op raken worden met even grote zwart-witargumenten van tafel geveegd door de olielobby. Hier kreeg ik eindelijk het hele verhaal. Het was bijzonder verhelderend, maar niet bepaald geruststellend.’

www.braaklandzhebilding.be

Nooit meer bladeren dankzij tabletpartituur

Ik installeerde me in een repetitiezaal naast de pauken en keek uit over de andere muzikanten van het orkest, terwijl ze het fenomenale derde pianoconcerto van Rachmaninov repeteerden, niet vanaf een papieren partituur, maar met een systeem van gesynchroniseerde tabletcomputers. Met het daaropvolgende artikel in Campuskrant, de krant van de K.U.L., haalde ik zowaar een wereldprimeur. Tel al die elementen op (NAAST de PAUKEN! De DERDE van RACHMANINOV! WERELDprimeur!) en je krijgt een blije journalist die zich met plezier en overgave op een vrijdagavond uit haar sofa hijst om op reportage te gaan.

Ziehier:

Het Leuvens Alumni Orkest (LAO) gidst de klassieke muziek de 21ste eeuw in. Een netwerk van tabletcomputers leidt de muzikanten door de partituur. Bladeren wordt overbodig, want elke tablet volgt automatisch de console van de dirigent. Bedenker is alumnus en LAO-trombonist Jan Rosseel: “SCORA is met geen enkel ander bestaand systeem te vergelijken.”

Vrijdagavond. De muzikanten van het Alumni Orkest druppelen de Ensemblezaal van het STUK binnen. Ze klikken hun tablets op een speciaal daarvoor ontworpen staander en schakelen hem in. Eén na één floepen de schermen vol notenbalken aan…

(c) Rob Stevens

Lees de rest van het artikel in Campuskrant of hier.