Ehsan Hemat, I put a spell on you: wat als privacy niet meer bestond?

Choreograaf Ehsan Hemat presenteert zijn eerste eigen choreografie als een waarschuwing. Beseffen we wel hoeveel we van onze privacy prijsgeven? Welk scenario gaan we daarmee tegemoet? I put a spell on you is een beklemmend toekomstbeeld in dans en beweging.
Drie dansers bewegen in een donkere wereld waarin alles en iedereen wordt gezien en gecontroleerd. Onderling contact wordt meedogenloos bestraft. Te pas en te onpas vliegt een kleine, zwarte drone de scène op. Een aaibaar karakter hebben die tuigen nooit, maar deze heeft een wel bijzonder akelig aura. Ze bedreigt, oordeelt en veroordeelt. Ontsnappen is onmogelijk. Een voor een scant de drone de dansers. In een eindeloos rollende reeks data vindt ze een match: hun foto’s en persoonsgegevens verschijnen groot op het scherm. ‘Dadelijk is het mijn beurt’, vrees je. En bijna verwacht je dat ze ook jouw gegevens zal achterhalen en te grabbel gooien.

Het oog ziet alles

De drone-die-alles-ziet geeft de voorstelling een futuristisch, dystopisch tintje. Maar zo veraf lijkt het toekomstbeeld nu ook weer niet. Daarvoor zijn camera’s en drones al veel te ingeburgerd in onze samenleving. Tegelijk klinken er echo’s van allerhande oudere Alziende Ogen door. Denk aan Big Brother, who is watching you… van George Orwell. Of aan een God die alles weet en ziet, en evengoed beoordeelt en veroordeelt. De ene vorm van controle heeft haast naadloos plaatsgemaakt voor een volgende.

Ehsan Hemat (c) Filip Claessens

Aan I put a spell on you is een minutieus onderzoek voorafgegaan. Hemat verdiepte zich in alles wat met privacy, data en controle te maken heeft. ‘We geven onze privacy heel snel en gewillig op. En niemand lijkt er wakker van te liggen wat er met al die gegevens gebeurt. Natuurlijk gaan we er niet van de ene dag op de andere aan dood, maar het is een onmiskenbaar probleem. Onze kinderen zullen nooit weten wat privacy betekent.’

De choreograaf geeft een voorbeeld uit zijn geboorteland, waar de overheid het internet afschermt met een van de sterkste firewalls ter wereld. ‘De Iraniërs omzeilen de filters massaal, door hun smartphone bijvoorbeeld verbinding te laten maken via Russische proxyservers.Niemand vraagt zich af wat er gebeurt met alle informatie die die intussen opslaan. Wie doet dat, en met welk doel? Iemand heeft er ongetwijfeld baat bij.’

Lees meer

8 december 2018, CC Strombeek

Auteur Erik Vlaminck: “Begin niet aan dingen die je niet liggen”

Roman- en theaterauteur Erik Vlaminck levert eind dit jaar nog het manuscript voor zijn nieuwe boek in bij zijn uitgever. “Ik ga daarvoor nu tien dagen in schrijfquarantaine. Zo’n periode heb ik nodig: dan wil ik van al de rest niets horen, en alleen schrijven.”

 

Erik Vlaminck (c) Koen Broos

“In het vierde leerjaar schreef ik al op een papiertje dat ik schrijver wilde worden. Vraag me niet waarom, want ik weet het niet. Alvast niet om beroemd of bekend te worden, want daar hou ik niet zo van. Maar het was wat ik wilde, en het is altijd mijn plan gebleven.”

Welke studie moest je dichter bij de verwezenlijking van dat plan brengen?

“Na mijn middelbaar heb ik een lerarenopleiding Nederlands en geschiedenis gevolgd. Dat deed ik niet met de bedoeling ooit les te geven – ik heb ook nooit lesgegeven in het middelbaar – maar omdat ik vermoedde dat een achtergrond in Nederlands en geschiedenis me als schrijver van pas zou komen. Ik moest er nog een derde vak bij nemen, en omdat ik zo laat was met inschrijven, kon ik alleen nog kiezen uit godsdienst of economie. Godsdienst zinde me totaal niet, dus het werd economie. Achteraf ben ik daar heel blij om geweest, omdat het me goed geholpen heeft mijn eigen boontjes te doppen.”

Hoe, bijvoorbeeld?

“Het ging om heel banale dingen. Ik heb er bijvoorbeeld geleerd wat een factuur is, wat je nodig hebt om zelfstandige te worden, en om een boekhouding te lezen. Het bleek belangrijke basiskennis voor me, niet alleen als auteur, maar ook omdat ik in nogal wat besturen heb gezeten. Zo ben ik lang voorzitter geweest van de Auteursvereniging, en nu ben ik het voor PEN Vlaanderen. Dat stukje economie heeft al vaak zijn nut bewezen.”

Je beaamt dus dat je als kunstenaar niet enkel creatief moet zijn, maar ook een stukje ondernemer?

“Zeker. Ik sta soms versteld van collega’s die het bon ton vinden om te zeggen dat ze met al die zakelijke brol niets te maken willen hebben… Ze weten er niets van en willen er niets over weten. Dat kan gewoon niet.”

Je besloot toen je ongeveer 10 was, dat je schrijver wou worden. Heb je sindsdien ook altijd geschreven?

“Ja. Je bént dat, hè, schrijver, zelfs als je nooit wat zou publiceren. Dus ik heb altijd wel dingen geschreven. Na mijn opleiding ben ik in de psychiatrie gaan werken, vanuit het heel slechte idee dat ik daar wel inspiratie zou opdoen voor mijn boeken. Dat klopte natuurlijk niet. Die patiënten zitten niet te wachten op een gek als ik die boeken wil schrijven… Bovendien begon ik het werk echt graag te doen. Ik ben er dus 10 jaar gebleven en heb daarna nog bijna 10 jaar met daklozen gewerkt. Toen was ik 39 en besloot ik om eindelijk mijn jongensdroom waar te maken en voltijds schrijver te worden.”

Lees meer

20 jaar Theater aan zee, 20 jaar ontmoeting: ‘Het wordt een feestje’

Theater aan zee belooft nog meer dan andere jaren een feest voor oor, oog en te brein te worden. Het Oostendse festival viert zijn 20ste verjaardag. Zoals altijd krijgen jonge makers een belangrijk platform op TAZ. De programmatoren schuimden het afgelopen seizoen zoals vanouds het land af op zoek naar het interessantste prille talent van nu. Maar op de affiche prijken evengoed de groentjes van toen: namen die nauwelijks nog weg te denken zijn uit het theaterlandschap. Marc Lybaert, oprichter van TAZ, en Sophie De Somere, huidig programmator jong theater, lichten een en ander toe.

‘Waarom ik in 1997 met Theater aan zee begonnen ben, is simpel’, glimlacht Marc Lybaert. ‘Ze hebben het me gevraagd. Ik was aan de slag als regisseur voor theater en film en Oostende was net een theater rijker: de Illusie, een zaal waar amateurgezelschappen een speelplek vonden, maar waar ook Arca een platform kreeg. En daar lag op een dag een bierviltje op me te wachten. De toeristische dienst van Oostende wilde een theaterfestival oprichten en vroeg of ik daarover wou komen praten.’ Aanvankelijk hield Lybaert de boot af. Theater in Oostende? In de zomermaanden? ‘Ik zag het niet onmiddellijk’, zegt hij. Maar uiteindelijk kwam hij met drie voorstellen op de proppen over hoe volgens hem zo’n festival eruit kon zien. ‘Een ervan nam de theaterstudent als basis. Het festival moest een ontmoetingsplaats worden voor die jonge spelers en makers, een plek waar ze met elkaar, met het publiek, met het hele theaterscala in aanraking zouden komen.’ Op dat idee pikte Oostende in. De kiem was gelegd. ‘Intussen was het februari 1997. Ik dacht aan een eerste editie in de zomer van ‘98. Maar nee, het moest datzelfde jaar nog gebeuren. Het was gekkenwerk, maar wel plezant gekkenwerk.’

Ontmoeting
Lybaert liep de theaterscholen af, op zoek naar de interessantste jonge theatertalenten. Zijn neus bleek scherp. Ze pikte dat eerste jaar onder meer Stefan Perceval, Pieter Embrechts en Geert Vanrampelberg op. Makers die intussen een behoorlijk indrukwekkend parcours hebben afgelegd. ‘Ik ben toen niet naar de beste voorstellingen van studenten beginnen speuren’, legt Marc Lybaert uit. ‘Ik zocht liever naar de interessantste persoonlijkheden, degenen die iets te vertellen hadden. Het gebeurde dat ik een voorstelling niet bijzonder goed vond, maar wel iets zag in de mensen erachter. Hun stelde ik dan voor om met wat anders naar Oostende te komen.’ Eind jaren 90 verschilden de theateropleidingen nog heel erg van elkaar. Wie van de Studio Herman Teirlinck kwam ging anders om met theater dan een student van het RITS of het Conservatorium bij Dora Van der Groen. ‘Ik vond het belangrijk dat die grote diversiteit ook op TAZ aan bod kwam. Ik vond ze interessant en nodig, en ik vind het daarom ook jammer dat de opleidingen de laatste jaren zozeer naar elkaar toe gegroeid zijn. Het was mijn doel om studenten vanuit hun verschillende opleidingen bij elkaar te brengen en te kijken wat uit die variëteit kon ontstaan. De ontmoeting is er altijd geweest bij Theater aan zee.’
En die ontmoeting heeft het festival ook altijd ruim genomen. Makers vers uit het ei kwamen er in contact met elkaar, maar – minstens zo belangrijk – evenzeer met namen uit de hoogste pikorden van de kunsten. Gesprekken leidden naar samenwerking. Niet alleen tussen makers en generaties, ook met schrijvers en muzikanten ontstonden kruisbestuivingen. ‘En laat ons vooral de technici niet vergeten’, stipt Marc Lybaert aan. ‘Wat dat betreft was het gebrek aan infrastructuur in de beginjaren soms een groot voordeel. Technici en makers moesten dan samen de locatie aanpassen aan hun voorstelling en er samen iets van zien te maken. Dat soort dingen vind ik een van de grootste leerscholen die TAZ kan bieden. Een opleiding reikt zo ver niet.’

Gul en genereus
Theater aan zee is in de loop van de jaren ook voor heel wat toeschouwers uitgegroeid tot een vaste zomerafspraak. De hele theatersector lijkt er samen te troepen, op zoek naar nieuw en boeiend. Liefhebbers van theater en muziek richten er hun vakantie naar in. Toevallige toeristen smukken hun verblijf aan zee al eens graag op met een voorstelling hier of daar. De smeltkroes van makers en toeschouwers maakt Theater aan zee uniek en geliefd. Sophie De Somere: ‘Er wordt veel nagekeuveld, onder het publiek én met de makers, want ook met hen wordt er zonder schroom contact gelegd. Theater aan zee heeft geen backstage, dus alles loopt sowieso door elkaar. Zowel de kijkervaring van het publiek als de maakervaring van de makers wint er enorm door.’
‘De confrontatie met een publiek is belangrijk voor een jonge maker’, vult Marc Lybaert aan. Tijdens je opleiding speel je toch meestal voor eigen volk: medestudenten, vrienden, de mama en de papa. Leren omgaan met kritiek – zowel van het reguliere als het professionele publiek – is een van de eerste dingen die een maker moet leren. Ik nodigde daarom graag personen met wie ik het vaak oneens was uit naar de voorstellingen: dat levert de interessantste discussies op.’
De grote diversiteit in het publiek is er niet zonder slag of stoot gekomen, dixit Marc Lybaert. ‘Een deel van het minder geroutineerde publiek hebben we wat moeten opvoeden. We moesten bijvoorbeeld geregeld aan iemand duidelijk maken dat je niet zomaar een voorstelling kunt binnenwandelen als die al begonnen is – zelfs niet als je een ticket hebt.’ Hij herinnert zich zo’n voorval uit zijn tweede of derde jaar als programmator. ‘Ik heb die man dan achterop mijn brommer laten plaatsnemen en heb hem naar een andere voorstelling gebracht die nog niet begonnen was.’ Later die avond kwam hij diezelfde toeschouwer opnieuw tegen: ‘Ik heb al drie voorstellingen gezien!’ riep hij enthousiast uit. Marc Lybaert: ‘Dan betekent het iets, ja.’

Meer over de selectie, over het jonge talent van nu en dat van toen, over hoe de noden van jonge makers geëvolueerd zijn, lees je in Staalkaart#33.

Fikry El Azzouzi: “Schrijver ben je heel de dag door”

Fikry El Azzouzi besloot van de ene dag op de andere dat hij schrijver wou worden. Beginnen en volhouden, dan zou het wel lukken. Tien jaar later is hij volop bezig aan zijn vierde roman en geldt hij als een van de meest beloftevolle stemmen in de huidige theaterliteratuur. “Maar al wat naar zakelijk ruikt, zorgt voor stress.”

_MG_0304-2“Mijn nieuwe roman is het derde deel van de trilogie die begonnen is met mijn debuut, Het Schapenfeest. Ik heb de eerste versie volledig af, maar ben nu alles aan het herschrijven om er de juiste toon en het goede ritme in te krijgen. Dan vertrekt hij naar de uitgeverij en in oktober verschijnt hij.”

Wanneer wist jij eigenlijk dat je schrijver wou worden?

“Zo’n 10 jaar geleden kreeg ik opeens een ingeving: Ik wil schrijver worden. En ik dacht er onmiddellijk bij: Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? Noem het arrogantie of een manier om mezelf op te peppen, want uiteraard besefte ik wel dat ik niet zomaar even een roman uit mijn mouw zou schudden. Ik wist dat ik er hard voor zou moeten werken en dat ik niet te snel zou mogen opgeven als ik er iets mee wilde bereiken. Literatuur interesseerde me al langer. Ik las veel boeken en las ook graag verhalen over de werkroutine van schrijvers. Waarschijnlijk borrelde het dus al wel even, maar het echte plan is er heel spontaan gekomen. Ik had in mijn familie of wijdere omgeving ook geen voorbeelden die me stimuleerden om te gaan schrijven of zo. Ik ben er puur op mezelf mee begonnen.”

Hoe redde je het in die beginjaren financieel?

“Een schrijver ben je heel de dag door, niet zomaar even tussendoor. Ik wou dus hele dagen kunnen schrijven, maar moest intussen wel mijn brood verdienen. Daarom ben ik aan de slag gegaan als bewakingsagent voor een energiebedrijf: je zit aan een bureau en zolang er niets gebeurt, heb je behoorlijk wat tijd om te lezen en te schrijven. Die job heeft me heel hard geholpen om mijn eerste roman tot stand te brengen. Ik ben er pas mee gestopt na Drarrie in de nacht, mijn derde. Het bedrijf had het moeilijk, waardoor er geregeld periodes van economische werkloosheid waren. Omdat ik ook almaar meer opdrachten voor theaterteksten kreeg, heb ik toen ontslag genomen. Dankzij het theater en een column hier of daar lukt het me tegenwoordig om van mijn pen te leven.”

Première Alleen, tg Stan, dinsdag 14 juni, Monty
Roman Alleen zij, verschijnt in oktober bij Uitgeverij Vrijdag.

Lees de volledige Kanttekening op www.kunstenloket.be

Actrice-theatermaakster Lies Pauwels: “Ik pomp mijn bloed in al wat ik doe”

“Het is een lastige periode voor me”, vertelt theatermaakster Lies Pauwels. Ze was twee weken aan het repeteren aan haar nieuwe monoloog Melle toen ze te horen kreeg dat de muziektheatervoorstelling geen projectsubsidie kreeg. Aan artistieke visie en expertise nochtans geen gebrek: Pauwels zou spelen, Josse De Pauw had de tekst klaar, Ad Cominotto fungeerde als muzikale coach. Maar nee: het project werd afgeketst op een net niet ‘heel goed’ zakelijk dossier. Een bittere pil, zeker omdat er al een speelreeks van 18 voorstellingen vastlag. Maar zonder geld kun je geen professioneel theater maken, dus heeft ze noodgedwongen heel de tournee geannuleerd. “Ik ben een vechter en blijf vechten, maar het is wel allemaal erg vermoeiend en echt niet fair.”

“We geven Melle niet zomaar op, hoor. In het najaar van 2017 willen we er opnieuw voor gaan. We maken werk van een nieuw en sterker dossier: we hebben nu het voordeel dat we de tijd hebben om onze ideeën nog beter te onderzoeken en dus het concept nog steviger te maken. Intussen zet ik alles op alles om een totaal nieuwe productie uit de grond te stampen. Die zou dan op Theater aan zee 2017 in première gaan.
Het zijn in het algemeen moeilijke tijden voor de theatersector. Financieel ben ik momenteel absoluut slechter af dan toen ik pas begon. Als acteur werk je tegenwoordig met dagcontracten, waardoor er veel meer gaten vallen in je werkschema. Vroeger werkte je meestal in blokken van verscheidene weken tot maanden: van de eerste repetitiedag tot de laatste dag van de speelreeks was je in dienst bij een gezelschap en werd je betaald. Dat is verleden tijd, waardoor je als acteur of theatermaker sowieso meer moet cumuleren. Vlak voor Kerstmis, bijvoorbeeld, was ik tegelijk met mijn voorstellingen White Lies en Hamiltoncomplex aan het touren, een filmscenario aan het schrijven, Melle aan het voorbereiden én les aan het geven. Dan verzuip je even.”

actrice, regisseur en scenarioschrijfster Lies Pauwels

actrice, regisseur en scenarioschrijfster Lies Pauwels

Je jongerenvoorstelling Hamiltoncomplex doet het in elk geval heel goed. Ze is positief onthaald door pers en publiek en ze wordt binnenkort hernomen.

“In maart staan we op het Lift Festival in Londen en daarna spelen we nog op verscheidene plekken in binnen- en buitenland. Ik ben heel gelukkig dat de voorstelling weer wordt opgepikt, want ze ligt me heel na aan het hart.”

Waarom heb je voor een carrière in het theater gekozen?

“Ik ben er van thuis uit een beetje in gerold. Mijn vader (Dirk Pauwels, IM) maakte samen met onder anderen Josse De Pauw deel uit van Radeis en heeft later Victoria, het huidige Campo, geleid. Zelf speelde ik al bij het Speeltheater van Eva Bal. Een richting als kunstgeschiedenis zag ik ook best zitten, maar het voelde op dat ogenblik logisch en organisch om naar de toneelschool te gaan. Ik denk trouwens nog altijd dat het de beste keuze is geweest: de podiumkunsten blijken voor mij de juiste context om wat in me zit naar buiten te brengen en gestalte te geven.”

Had je toen ook al een vastomlijnd idee van wat je precies wilde doen in het theater?

“Nee. Dat heb ik uitgevist bij eliminatie. In het begin heb ik veel uitgeprobeerd en gaandeweg begreep ik beter wat me wel en niet lag of wat ik al dan niet belangrijk vond. Ik leg mijn persoonlijkheid heel erg in wat ik doe – ik pomp er mijn bloed in. Dat kun je alleen als je echt volledig achter een project staat. Als ik nu een voorstel krijg waarvan ik weet dat het niets voor mij is, dan zal ik niet toehappen. Zulke dingen leer je maar gaandeweg.”

Was het moeilijk om je als starter een weg te banen in de theaterwereld?

“Dat ging behoorlijk vlot. Ik heb het geluk gehad dat ik heel snel door een aantal mensen ben opgepikt. Meteen nadat ik was afgestudeerd, kreeg ik een rol in de tv-serie Moeder, waarom leven wij?, waar ik al meteen met veel verschillende mensen heb kunnen samenwerken. Vervolgens ben ik onder meer bij De Vereniging van Enthousiasten en Erik De Volder terechtgekomen. Ik heb ook meegespeeld in de trilogie Moeder en kind, Bernadetje en Allemaal indiaan van Arne Sierens en Alain Platel, onder de vleugels van Victoria. Die beginperiode is bepalend geweest voor de weg die ik als kunstenaar ingeslagen ben.”

Kon je er dan ook meteen van leven?

“Ja. Maar goed, in periodes zonder contracten, krijg ik een uitkering. Als je die meerekent, dan heb ik er inderdaad altijd van kunnen leven. Rijk ben ik niet, verre van. En ik weet dat ik veel meer geld zou kunnen verdienen als ik het iets slimmer aan boord legde, maar ik heb daar het hoofd niet voor en ik wil met dat soort zaken ook zo weinig mogelijk bezig zijn.
Anderzijds vind ik het wél vervelend dat je sommige maanden al haast moet gaan schooien om een deftig maandloon bij elkaar te krijgen. In die zin ben ik blij dat het RITS, waar ik lesgeef, overweegt om me binnenkort voor enkele uren vast te benoemen. Dan valt mijn uitkering volledig weg, maar is er wel elke maand een klein vast bedrag waarop ik kan rekenen. Dat zou een en ander vereenvoudigen.”

Je zegt dat je niet graag bezig bent met financiële zaken. Ben je voor zakelijk advies al eens bij het Kunstenloket geweest?

“Toen ik mijn vzw Sontag heb opgericht, ben ik daarvoor bij Kunstenloket te rade gegaan. Hoewel ik moet toegeven dat Kelly De Cock, mijn zakelijke partner, dat voornamelijk voor mij heeft gedaan: hoe richt je een vzw op, hoe vraag je projectsubsidie aan… Ik liet het allemaal graag aan Kelly over, want dat soort materie gaat er bij mij heel moeilijk in. Het is als met een computer: ik werk ermee, maar ik hoef echt niet te weten hoe het allemaal in elkaar zit. In elk geval hebben we in die periode veel aan het advies van Kunstenloket gehad.”

Hoe ervaar je de balans tussen werk en privéleven?

“Er bestaat bij mij geen duidelijke scheiding tussen beide. Zo heb ik het ook het liefst, want mijn beroep is mijn manier van leven: ik ben thuis ook actrice en theatermaker. Niet dat ik mijn man en kinderen zit te regisseren of zo (lacht), maar het is niet iets wat je zomaar afzet. Als ik met een productie bezig ben, zit ik daar in mijn privétijd ook over na te denken. En als ik in het buitenland werk, neem ik mijn dochters zoveel mogelijk mee. In Melle zullen ze trouwens samen met mij op de scène staan. Ik denk dat ik best zou gedijen in zo’n echt circusgezin dat constant alles samen doet – maar dat is romantiek, zeker?
Puur praktisch gezien, is het constant puzzelen. Mijn man is freelancefotograaf bij De Standaard, dus hij heeft evenmin regelmatige uren. Het is niet altijd eenvoudig, maar met wat hulp van de familie lukt het wel. We proberen er ook zoveel mogelijk te zijn voor de kinderen. Dat is dan weer het voordeel van de job: je hebt periodes waarin je veel weg bent, maar daar staan periodes tegenover waarin je bijna constant thuis bent. Mijn eigen ouders waren veel afwezig en dat heeft mijn persoonlijkheid voor een stuk gevormd: het heeft me sterk gemaakt, maar het heeft zeker ook sporen nagelaten. Daarom proberen we er altijd voor te zorgen dat minstens een van ons thuis is om de meisjes in bed te stoppen.”

www.sontag.be

Lees deze Kanttekening bij Kunstenloket.

Peter De Graef: ‘De beste voedingsbodem voor humor is ernst’

Twee mensen wachten op een bus. Een man en een vrouw. Ze kennen elkaar niet. Ze zitten, ze wachten, ze zijn. Onze Koen is een stuk over liefde en kinderen krijgen, over proberen, ploeteren en geen idee hebben van hoe het allemaal moet. Peter De Graef schrijft en regisseert. Tania Van der Sanden en Lucas Van den Eynde spelen. In een voorstelling met die drie namen op de affiche ligt humor onherroepelijk op de loer.

‘Natuurlijk wordt het een grappig stuk’, zegt Peter De Graef. ‘Ik heb het geschreven, dus het kan moeilijk anders. Een loodzwaar, ernstig stuk schrijven, lukt mij niet.’ Dat wil nog niet zeggen dat de voorstelling geen doodernstige basis heeft. ‘De personages zijn twee volstrekt kapotte mensen’, legt hij uit. ‘Ze zitten helemaal vast, zijn gefrustreerd, weten niet hoe ze met zichzelf of anderen moeten omgaan. Ze slagen er aanvankelijk maar net in om niet te sterven, zeg maar.’ De personages zijn rasechte zielenpieten, en laat zielenpieten op het toneel zetten nu net het handelsmerk van Peter De Graef zijn. ‘Zulke personages zijn interessant, omdat ze reden hebben om alles op te geven. Desondanks proberen ze door of met elkaar weer recht te krabbelen.’ Uitgerekend die twee mensen ontmoeten elkaar, daar aan de bushalte. En dan komt er liefde in het spel. Veel meer wil de auteur over zijn verhaal niet kwijt: ‘Het zou het stuk voor het publiek verknoeien’, vindt hij. ‘Maar verwacht een bizar verhaal in een verre van realistische context. Ik wil nu eenmaal geen documentaire maken, ik maak drama. Het gaat me vooral om het gevoel dat mijn verhaal naar boven werkt.’

Wonderlijke werkelijkheden
Van der Sanden en Van den Eynde staan verloren in een opvallend leeg decor. Peter De Graef: ‘Er is niets dan hun woorden. Enkel met tekst en spel zetten ze de verbeelding aan het werk en toveren ze allerlei wonderlijke werkelijkheden te voorschijn. Dat is het theater waar ik van hou.’ Het voortdurende, zuigende niets waar we als mensen allemaal inzitten en waar we zo moeilijk mee om kunnen, wordt op die manier hun tegenspeler. ‘De beste voedingsbodem voor hilarische humor is en blijft de ernst. Mijn stukken zitten altijd op het scherp van de snee tussen die twee: ja, de basis is ernstig – zó ernstig zelfs dat je je afvraagt of je er wel om mag lachen. Mensen springen van bruggen om dit soort materiaal. Maar tegelijk is het zo herkenbaar en absurd dat je er wel om móét lachen. Noem het de bevrijdende lach van het inzicht – die ken ik ook heel goed uit mijn privéleven. Je kunt iets heel serieus nemen, maar plotseling besef je dat je gedachten zijn vastgelopen in een contextje. Zodra je je daar bewust van wordt, schiet je er bovenuit: je wordt als het ware boven het leven uitgeknepen, en je slaagt erin om het grotere plaatje te zien. Daarop volgt de bevrijdende, geruststellende lach: Godzijdank! Mijn zorgen zijn niet absoluut! Ze bestaan alleen maar omdat ik ze veel te veel gewicht toeken! Dat is een verhaal dat ik eindeloos wil vertellen.’

Dit artikel verscheen ook in RandKrant, februari 2016.

Lies Pauwels: “Ik geef geen antwoorden met mijn voorstellingen, ik stel liever vragen”

Tot eind november reist theatermaakster Lies Pauwels door Vlaanderen, Nederland en een heel klein stukje Frankrijk met Het Hamiltoncomplex, een filosofische en visuele 13+-voorstelling met woord en beweging. Ze broedde al enkele jaren op het idee: een stuk over keerpunten en kenteringen moest het worden, over grote omwentelingen op individueel niveau en op wereldvlak. Ze koos daarvoor een cast van 13 meisjes van 13 jaar en een bodybuilder.

Ik interviewde haar voor Staalkaart over het maakproces van de productie. Een fragment.

hamiltons090
“13 is een symbolische leeftijd”, vindt theatermaakster Lies Pauwels. “Het is het kantelmoment tussen kind zijn en volwassen worden. Je draagt alles wat je al was en alles wat je nog zult worden in je.” De bodybuilder staat voor veiligheid en geborgenheid. “Ik wou die bende opgroeiende meisjes iemand geven van wie je verwacht dat hij je letterlijk en figuurlijk kan dragen. Zo kan hij ook symbool staan voor de maatschappij, die het individu al dan niet voldoende onderstut. Tegelijk kun je achter die grote spiermassa veel leegte vermoeden. Onder al dat uiterlijk vertoon is hij ook maar een mens met zijn eigen mogelijkheden en mankementen.” In die korte uitleg gaan Lies Pauwels’ voornaamste thema’s schuil: identiteit (wat is dat precies, wat vormt of misvormt haar?), individu versus maatschappij (waar eindigt noodzakelijk conformisme en waar begint beknotting van vrijheid?), façade (en wat overblijft wanneer die langzaam afbrokkelt). Ze komen in de loop van het gesprek aan de oppervlakte drijven, in stukjes en brokjes, maar tekenen zich uiteindelijk overduidelijk af in het geheel. Het is kenmerkend voor hoe Lies Pauwels spreekt, en evenzeer voor hoe ze werkt. De gedachten waaieren uit, komen weer samen, verspreiden zich opnieuw, en toch is er samenhang op het eind van de rit. “Ik kies niet snel voor één onderwerp en een gestructureerde verhaallijn. Ik hou van fragmentarische stukken, maar dan wél met een compleet emotioneel verloop.”

Uit de chaos, de verbanden
We lijken op allerlei vlakken op een groot kantelmoment te staan. De technologie, het milieu, de economie… alles lijkt hard te evolueren of anders wel aan verandering toe te zijn. “Is het no way back of zal alles toch gewoon blijven doorgaan?” vraagt Lies Pauwels zich af. Wordt het het soort keerpunt dat je in heel de geschiedenis terugvindt? De Franse revolutie, de industriële revoluties, de Renaissance. Noem maar op. Ze zetten alles op losse schroeven en de individuen die zulke historische kenteringen ondergaan, moeten zich er maar toe zien te verhouden. Lies Pauwels spreekt voorzichtig en zoekend, geeft voorbeelden en neemt ze meteen weer terug. Het gesprek vindt middenin het repetitieproces plaats en veel materiaal moet nog een plekje krijgen in de voorstelling. Welke bron zal het halen en welke niet? Als iets erin zit, welke vorm krijgt het dan? Ze heeft het meest uiteenlopende materiaal verzameld en heeft haar ploeg daarmee aan het improviseren gezet. “Ik vertrek vanuit grote chaos: alles ligt naast en door elkaar. Al die dingen beginnen zich vervolgens in verschillende lagen in mijn hoofd te nestelen en uiteindelijk begin ik verbanden te zien. Zo krijgt een idee stilaan vorm. Op dit ogenblik onderzoek ik bijvoorbeeld een idee rond een schilderij van een jonkvrouw die met de Dood danst.” Dat soort iconische beelden wil ze zeker in de voorstelling verwerken – als clichés die ze dan vervolgens wil overstijgen. Toch aarzelt ze weer om door te gaan. “Ik vind het altijd moeilijk om ideeën die ik nog niet ten volle heb kunnen onderzoeken al vastgelegd te zien in een artikel”, zegt ze. “Als ik ze lees als feiten, ben ik onmiddellijk geneigd ze niet langer te gebruiken, omdat het dan lijkt alsof ze hun bestaan al gehad hebben…”
De spelers krijgen evenmin alle details van Pauwels’ hersenspinsels te horen: “Hoewel het belangrijk is voor hen om de oorspong van hun materiaal te kennen, zal ik ze nooit dat schilderij tonen en vragen om eens eventjes allemaal dansende jonkvrouwen te spelen. In plaats daarvan probeer ik hen te injecteren met allerlei opdrachten, op zo’n manier dat ik iets van hen terugkrijg wat mijn thema voedt, maar wat ik niet in mijn eentje had kunnen verzinnen.”

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Baldadig en frontaal
Zodra een idee dan effectief op de speelvloer wordt gelegd, is alle voorzichtigheid zoek en wordt het compleet binnenste buiten gekeerd. “Op dat moment ga ik allerminst nog heilig met mijn bronnen om”, legt de theatermaakster uit. “Dan benader ik ze baldadig en frontaal, zodat het resultaat absurd en surrealistisch wordt.” Ze worden uitgepuurd tot vingerknippen en zijn dan weer weg, om later in de voorstelling weer terug te komen. Of net niet. “Middenin een improvisatiesessie laat ik de meisjes dan ineens een bepaald rekwisiet gebruiken: een kapje, een rokje of een ander kledingstuk. Zo transformeren ze. Dat is iets helemaal anders dan iets spelen. Snap je?”
De grote schare snelle kostuumwissels die op die manier ontstaat, ligt wél al vast. Ze moeten het hele transformatie-idee achter de voorstelling extra in de verf zetten. Een resem hoofddeksels verschijnt en wordt weer afgeworpen. De meisjes doen iets met schoenen en zwieren ze weer uit. “Doordat de meisjes zichzelf continu transformeren, transformeert ook de scène onophoudelijk. Al wat ze wegwerpen, blijft gewoon liggen. De façade brokkelt af en uiteindelijk zitten we op de brokstukken die overblijven: van de wereld of ons eigen leven… dat mag iedere toeschouwer voor zichzelf invullen.”
Lies Pauwels geeft niet graag antwoorden met haar voorstellingen. Ze stelt veel liever vragen. “En ik schuw het mechanisme van de contradictie daarbij niet. Ga je na afloop met al die vragen naar huis of formuleer je al tijdens het kijken een eigen antwoord? Misschien heb je er volstrekt geen boodschap aan – ook dat kan en mag. Het is eigen aan mijn creaties: omdat er veel lagen in zitten, is de kans groot dat jij er dingen in ziet die de persoon naast je niet ziet en omgekeerd. Veel hangt af van wie je bent en wat je al hebt meegemaakt. Zo gebruik ik allerlei muziek van vroeger: klassieke muziek, maar ook protestsongs uit de jaren 60. Wie de muziek kent, hangt er een andere betekenis aan vast dan jonge mensen die hem voor het eerst horen.”

De rest van het artikel kun je lezen in Staalkaart #30, de dikste Staalkaart ooit.

Speeldata:
www.hetpaleis.be