20 jaar Theater aan zee, 20 jaar ontmoeting: ‘Het wordt een feestje’

07/06/2016

Theater aan zee belooft nog meer dan andere jaren een feest voor oor, oog en te brein te worden. Het Oostendse festival viert zijn 20ste verjaardag. Zoals altijd krijgen jonge makers een belangrijk platform op TAZ. De programmatoren schuimden het afgelopen seizoen zoals vanouds het land af op zoek naar het interessantste prille talent van nu. Maar op de affiche prijken evengoed de groentjes van toen: namen die nauwelijks nog weg te denken zijn uit het theaterlandschap. Marc Lybaert, oprichter van TAZ, en Sophie De Somere, huidig programmator jong theater, lichten een en ander toe.

‘Waarom ik in 1997 met Theater aan zee begonnen ben, is simpel’, glimlacht Marc Lybaert. ‘Ze hebben het me gevraagd. Ik was aan de slag als regisseur voor theater en film en Oostende was net een theater rijker: de Illusie, een zaal waar amateurgezelschappen een speelplek vonden, maar waar ook Arca een platform kreeg. En daar lag op een dag een bierviltje op me te wachten. De toeristische dienst van Oostende wilde een theaterfestival oprichten en vroeg of ik daarover wou komen praten.’ Aanvankelijk hield Lybaert de boot af. Theater in Oostende? In de zomermaanden? ‘Ik zag het niet onmiddellijk’, zegt hij. Maar uiteindelijk kwam hij met drie voorstellen op de proppen over hoe volgens hem zo’n festival eruit kon zien. ‘Een ervan nam de theaterstudent als basis. Het festival moest een ontmoetingsplaats worden voor die jonge spelers en makers, een plek waar ze met elkaar, met het publiek, met het hele theaterscala in aanraking zouden komen.’ Op dat idee pikte Oostende in. De kiem was gelegd. ‘Intussen was het februari 1997. Ik dacht aan een eerste editie in de zomer van ‘98. Maar nee, het moest datzelfde jaar nog gebeuren. Het was gekkenwerk, maar wel plezant gekkenwerk.’

Ontmoeting
Lybaert liep de theaterscholen af, op zoek naar de interessantste jonge theatertalenten. Zijn neus bleek scherp. Ze pikte dat eerste jaar onder meer Stefan Perceval, Pieter Embrechts en Geert Vanrampelberg op. Makers die intussen een behoorlijk indrukwekkend parcours hebben afgelegd. ‘Ik ben toen niet naar de beste voorstellingen van studenten beginnen speuren’, legt Marc Lybaert uit. ‘Ik zocht liever naar de interessantste persoonlijkheden, degenen die iets te vertellen hadden. Het gebeurde dat ik een voorstelling niet bijzonder goed vond, maar wel iets zag in de mensen erachter. Hun stelde ik dan voor om met wat anders naar Oostende te komen.’ Eind jaren 90 verschilden de theateropleidingen nog heel erg van elkaar. Wie van de Studio Herman Teirlinck kwam ging anders om met theater dan een student van het RITS of het Conservatorium bij Dora Van der Groen. ‘Ik vond het belangrijk dat die grote diversiteit ook op TAZ aan bod kwam. Ik vond ze interessant en nodig, en ik vind het daarom ook jammer dat de opleidingen de laatste jaren zozeer naar elkaar toe gegroeid zijn. Het was mijn doel om studenten vanuit hun verschillende opleidingen bij elkaar te brengen en te kijken wat uit die variëteit kon ontstaan. De ontmoeting is er altijd geweest bij Theater aan zee.’
En die ontmoeting heeft het festival ook altijd ruim genomen. Makers vers uit het ei kwamen er in contact met elkaar, maar – minstens zo belangrijk – evenzeer met namen uit de hoogste pikorden van de kunsten. Gesprekken leidden naar samenwerking. Niet alleen tussen makers en generaties, ook met schrijvers en muzikanten ontstonden kruisbestuivingen. ‘En laat ons vooral de technici niet vergeten’, stipt Marc Lybaert aan. ‘Wat dat betreft was het gebrek aan infrastructuur in de beginjaren soms een groot voordeel. Technici en makers moesten dan samen de locatie aanpassen aan hun voorstelling en er samen iets van zien te maken. Dat soort dingen vind ik een van de grootste leerscholen die TAZ kan bieden. Een opleiding reikt zo ver niet.’

Gul en genereus
Theater aan zee is in de loop van de jaren ook voor heel wat toeschouwers uitgegroeid tot een vaste zomerafspraak. De hele theatersector lijkt er samen te troepen, op zoek naar nieuw en boeiend. Liefhebbers van theater en muziek richten er hun vakantie naar in. Toevallige toeristen smukken hun verblijf aan zee al eens graag op met een voorstelling hier of daar. De smeltkroes van makers en toeschouwers maakt Theater aan zee uniek en geliefd. Sophie De Somere: ‘Er wordt veel nagekeuveld, onder het publiek én met de makers, want ook met hen wordt er zonder schroom contact gelegd. Theater aan zee heeft geen backstage, dus alles loopt sowieso door elkaar. Zowel de kijkervaring van het publiek als de maakervaring van de makers wint er enorm door.’
‘De confrontatie met een publiek is belangrijk voor een jonge maker’, vult Marc Lybaert aan. Tijdens je opleiding speel je toch meestal voor eigen volk: medestudenten, vrienden, de mama en de papa. Leren omgaan met kritiek – zowel van het reguliere als het professionele publiek – is een van de eerste dingen die een maker moet leren. Ik nodigde daarom graag personen met wie ik het vaak oneens was uit naar de voorstellingen: dat levert de interessantste discussies op.’
De grote diversiteit in het publiek is er niet zonder slag of stoot gekomen, dixit Marc Lybaert. ‘Een deel van het minder geroutineerde publiek hebben we wat moeten opvoeden. We moesten bijvoorbeeld geregeld aan iemand duidelijk maken dat je niet zomaar een voorstelling kunt binnenwandelen als die al begonnen is – zelfs niet als je een ticket hebt.’ Hij herinnert zich zo’n voorval uit zijn tweede of derde jaar als programmator. ‘Ik heb die man dan achterop mijn brommer laten plaatsnemen en heb hem naar een andere voorstelling gebracht die nog niet begonnen was.’ Later die avond kwam hij diezelfde toeschouwer opnieuw tegen: ‘Ik heb al drie voorstellingen gezien!’ riep hij enthousiast uit. Marc Lybaert: ‘Dan betekent het iets, ja.’

Meer over de selectie, over het jonge talent van nu en dat van toen, over hoe de noden van jonge makers geëvolueerd zijn, lees je in Staalkaart#33.

Advertenties

Fikry El Azzouzi: “Schrijver ben je heel de dag door”

26/05/2016

Fikry El Azzouzi besloot van de ene dag op de andere dat hij schrijver wou worden. Beginnen en volhouden, dan zou het wel lukken. Tien jaar later is hij volop bezig aan zijn vierde roman en geldt hij als een van de meest beloftevolle stemmen in de huidige theaterliteratuur. “Maar al wat naar zakelijk ruikt, zorgt voor stress.”

_MG_0304-2“Mijn nieuwe roman is het derde deel van de trilogie die begonnen is met mijn debuut, Het Schapenfeest. Ik heb de eerste versie volledig af, maar ben nu alles aan het herschrijven om er de juiste toon en het goede ritme in te krijgen. Dan vertrekt hij naar de uitgeverij en in oktober verschijnt hij.”

Wanneer wist jij eigenlijk dat je schrijver wou worden?

“Zo’n 10 jaar geleden kreeg ik opeens een ingeving: Ik wil schrijver worden. En ik dacht er onmiddellijk bij: Zo moeilijk kan dat toch niet zijn? Noem het arrogantie of een manier om mezelf op te peppen, want uiteraard besefte ik wel dat ik niet zomaar even een roman uit mijn mouw zou schudden. Ik wist dat ik er hard voor zou moeten werken en dat ik niet te snel zou mogen opgeven als ik er iets mee wilde bereiken. Literatuur interesseerde me al langer. Ik las veel boeken en las ook graag verhalen over de werkroutine van schrijvers. Waarschijnlijk borrelde het dus al wel even, maar het echte plan is er heel spontaan gekomen. Ik had in mijn familie of wijdere omgeving ook geen voorbeelden die me stimuleerden om te gaan schrijven of zo. Ik ben er puur op mezelf mee begonnen.”

Hoe redde je het in die beginjaren financieel?

“Een schrijver ben je heel de dag door, niet zomaar even tussendoor. Ik wou dus hele dagen kunnen schrijven, maar moest intussen wel mijn brood verdienen. Daarom ben ik aan de slag gegaan als bewakingsagent voor een energiebedrijf: je zit aan een bureau en zolang er niets gebeurt, heb je behoorlijk wat tijd om te lezen en te schrijven. Die job heeft me heel hard geholpen om mijn eerste roman tot stand te brengen. Ik ben er pas mee gestopt na Drarrie in de nacht, mijn derde. Het bedrijf had het moeilijk, waardoor er geregeld periodes van economische werkloosheid waren. Omdat ik ook almaar meer opdrachten voor theaterteksten kreeg, heb ik toen ontslag genomen. Dankzij het theater en een column hier of daar lukt het me tegenwoordig om van mijn pen te leven.”

Première Alleen, tg Stan, dinsdag 14 juni, Monty
Roman Alleen zij, verschijnt in oktober bij Uitgeverij Vrijdag.

Lees de volledige Kanttekening op www.kunstenloket.be


Actrice-theatermaakster Lies Pauwels: “Ik pomp mijn bloed in al wat ik doe”

02/03/2016

“Het is een lastige periode voor me”, vertelt theatermaakster Lies Pauwels. Ze was twee weken aan het repeteren aan haar nieuwe monoloog Melle toen ze te horen kreeg dat de muziektheatervoorstelling geen projectsubsidie kreeg. Aan artistieke visie en expertise nochtans geen gebrek: Pauwels zou spelen, Josse De Pauw had de tekst klaar, Ad Cominotto fungeerde als muzikale coach. Maar nee: het project werd afgeketst op een net niet ‘heel goed’ zakelijk dossier. Een bittere pil, zeker omdat er al een speelreeks van 18 voorstellingen vastlag. Maar zonder geld kun je geen professioneel theater maken, dus heeft ze noodgedwongen heel de tournee geannuleerd. “Ik ben een vechter en blijf vechten, maar het is wel allemaal erg vermoeiend en echt niet fair.”

“We geven Melle niet zomaar op, hoor. In het najaar van 2017 willen we er opnieuw voor gaan. We maken werk van een nieuw en sterker dossier: we hebben nu het voordeel dat we de tijd hebben om onze ideeën nog beter te onderzoeken en dus het concept nog steviger te maken. Intussen zet ik alles op alles om een totaal nieuwe productie uit de grond te stampen. Die zou dan op Theater aan zee 2017 in première gaan.
Het zijn in het algemeen moeilijke tijden voor de theatersector. Financieel ben ik momenteel absoluut slechter af dan toen ik pas begon. Als acteur werk je tegenwoordig met dagcontracten, waardoor er veel meer gaten vallen in je werkschema. Vroeger werkte je meestal in blokken van verscheidene weken tot maanden: van de eerste repetitiedag tot de laatste dag van de speelreeks was je in dienst bij een gezelschap en werd je betaald. Dat is verleden tijd, waardoor je als acteur of theatermaker sowieso meer moet cumuleren. Vlak voor Kerstmis, bijvoorbeeld, was ik tegelijk met mijn voorstellingen White Lies en Hamiltoncomplex aan het touren, een filmscenario aan het schrijven, Melle aan het voorbereiden én les aan het geven. Dan verzuip je even.”

actrice, regisseur en scenarioschrijfster Lies Pauwels

actrice, regisseur en scenarioschrijfster Lies Pauwels

Je jongerenvoorstelling Hamiltoncomplex doet het in elk geval heel goed. Ze is positief onthaald door pers en publiek en ze wordt binnenkort hernomen.

“In maart staan we op het Lift Festival in Londen en daarna spelen we nog op verscheidene plekken in binnen- en buitenland. Ik ben heel gelukkig dat de voorstelling weer wordt opgepikt, want ze ligt me heel na aan het hart.”

Waarom heb je voor een carrière in het theater gekozen?

“Ik ben er van thuis uit een beetje in gerold. Mijn vader (Dirk Pauwels, IM) maakte samen met onder anderen Josse De Pauw deel uit van Radeis en heeft later Victoria, het huidige Campo, geleid. Zelf speelde ik al bij het Speeltheater van Eva Bal. Een richting als kunstgeschiedenis zag ik ook best zitten, maar het voelde op dat ogenblik logisch en organisch om naar de toneelschool te gaan. Ik denk trouwens nog altijd dat het de beste keuze is geweest: de podiumkunsten blijken voor mij de juiste context om wat in me zit naar buiten te brengen en gestalte te geven.”

Had je toen ook al een vastomlijnd idee van wat je precies wilde doen in het theater?

“Nee. Dat heb ik uitgevist bij eliminatie. In het begin heb ik veel uitgeprobeerd en gaandeweg begreep ik beter wat me wel en niet lag of wat ik al dan niet belangrijk vond. Ik leg mijn persoonlijkheid heel erg in wat ik doe – ik pomp er mijn bloed in. Dat kun je alleen als je echt volledig achter een project staat. Als ik nu een voorstel krijg waarvan ik weet dat het niets voor mij is, dan zal ik niet toehappen. Zulke dingen leer je maar gaandeweg.”

Was het moeilijk om je als starter een weg te banen in de theaterwereld?

“Dat ging behoorlijk vlot. Ik heb het geluk gehad dat ik heel snel door een aantal mensen ben opgepikt. Meteen nadat ik was afgestudeerd, kreeg ik een rol in de tv-serie Moeder, waarom leven wij?, waar ik al meteen met veel verschillende mensen heb kunnen samenwerken. Vervolgens ben ik onder meer bij De Vereniging van Enthousiasten en Erik De Volder terechtgekomen. Ik heb ook meegespeeld in de trilogie Moeder en kind, Bernadetje en Allemaal indiaan van Arne Sierens en Alain Platel, onder de vleugels van Victoria. Die beginperiode is bepalend geweest voor de weg die ik als kunstenaar ingeslagen ben.”

Kon je er dan ook meteen van leven?

“Ja. Maar goed, in periodes zonder contracten, krijg ik een uitkering. Als je die meerekent, dan heb ik er inderdaad altijd van kunnen leven. Rijk ben ik niet, verre van. En ik weet dat ik veel meer geld zou kunnen verdienen als ik het iets slimmer aan boord legde, maar ik heb daar het hoofd niet voor en ik wil met dat soort zaken ook zo weinig mogelijk bezig zijn.
Anderzijds vind ik het wél vervelend dat je sommige maanden al haast moet gaan schooien om een deftig maandloon bij elkaar te krijgen. In die zin ben ik blij dat het RITS, waar ik lesgeef, overweegt om me binnenkort voor enkele uren vast te benoemen. Dan valt mijn uitkering volledig weg, maar is er wel elke maand een klein vast bedrag waarop ik kan rekenen. Dat zou een en ander vereenvoudigen.”

Je zegt dat je niet graag bezig bent met financiële zaken. Ben je voor zakelijk advies al eens bij het Kunstenloket geweest?

“Toen ik mijn vzw Sontag heb opgericht, ben ik daarvoor bij Kunstenloket te rade gegaan. Hoewel ik moet toegeven dat Kelly De Cock, mijn zakelijke partner, dat voornamelijk voor mij heeft gedaan: hoe richt je een vzw op, hoe vraag je projectsubsidie aan… Ik liet het allemaal graag aan Kelly over, want dat soort materie gaat er bij mij heel moeilijk in. Het is als met een computer: ik werk ermee, maar ik hoef echt niet te weten hoe het allemaal in elkaar zit. In elk geval hebben we in die periode veel aan het advies van Kunstenloket gehad.”

Hoe ervaar je de balans tussen werk en privéleven?

“Er bestaat bij mij geen duidelijke scheiding tussen beide. Zo heb ik het ook het liefst, want mijn beroep is mijn manier van leven: ik ben thuis ook actrice en theatermaker. Niet dat ik mijn man en kinderen zit te regisseren of zo (lacht), maar het is niet iets wat je zomaar afzet. Als ik met een productie bezig ben, zit ik daar in mijn privétijd ook over na te denken. En als ik in het buitenland werk, neem ik mijn dochters zoveel mogelijk mee. In Melle zullen ze trouwens samen met mij op de scène staan. Ik denk dat ik best zou gedijen in zo’n echt circusgezin dat constant alles samen doet – maar dat is romantiek, zeker?
Puur praktisch gezien, is het constant puzzelen. Mijn man is freelancefotograaf bij De Standaard, dus hij heeft evenmin regelmatige uren. Het is niet altijd eenvoudig, maar met wat hulp van de familie lukt het wel. We proberen er ook zoveel mogelijk te zijn voor de kinderen. Dat is dan weer het voordeel van de job: je hebt periodes waarin je veel weg bent, maar daar staan periodes tegenover waarin je bijna constant thuis bent. Mijn eigen ouders waren veel afwezig en dat heeft mijn persoonlijkheid voor een stuk gevormd: het heeft me sterk gemaakt, maar het heeft zeker ook sporen nagelaten. Daarom proberen we er altijd voor te zorgen dat minstens een van ons thuis is om de meisjes in bed te stoppen.”

www.sontag.be

Lees deze Kanttekening bij Kunstenloket.


Peter De Graef: ‘De beste voedingsbodem voor humor is ernst’

02/02/2016

Twee mensen wachten op een bus. Een man en een vrouw. Ze kennen elkaar niet. Ze zitten, ze wachten, ze zijn. Onze Koen is een stuk over liefde en kinderen krijgen, over proberen, ploeteren en geen idee hebben van hoe het allemaal moet. Peter De Graef schrijft en regisseert. Tania Van der Sanden en Lucas Van den Eynde spelen. In een voorstelling met die drie namen op de affiche ligt humor onherroepelijk op de loer.

‘Natuurlijk wordt het een grappig stuk’, zegt Peter De Graef. ‘Ik heb het geschreven, dus het kan moeilijk anders. Een loodzwaar, ernstig stuk schrijven, lukt mij niet.’ Dat wil nog niet zeggen dat de voorstelling geen doodernstige basis heeft. ‘De personages zijn twee volstrekt kapotte mensen’, legt hij uit. ‘Ze zitten helemaal vast, zijn gefrustreerd, weten niet hoe ze met zichzelf of anderen moeten omgaan. Ze slagen er aanvankelijk maar net in om niet te sterven, zeg maar.’ De personages zijn rasechte zielenpieten, en laat zielenpieten op het toneel zetten nu net het handelsmerk van Peter De Graef zijn. ‘Zulke personages zijn interessant, omdat ze reden hebben om alles op te geven. Desondanks proberen ze door of met elkaar weer recht te krabbelen.’ Uitgerekend die twee mensen ontmoeten elkaar, daar aan de bushalte. En dan komt er liefde in het spel. Veel meer wil de auteur over zijn verhaal niet kwijt: ‘Het zou het stuk voor het publiek verknoeien’, vindt hij. ‘Maar verwacht een bizar verhaal in een verre van realistische context. Ik wil nu eenmaal geen documentaire maken, ik maak drama. Het gaat me vooral om het gevoel dat mijn verhaal naar boven werkt.’

Wonderlijke werkelijkheden
Van der Sanden en Van den Eynde staan verloren in een opvallend leeg decor. Peter De Graef: ‘Er is niets dan hun woorden. Enkel met tekst en spel zetten ze de verbeelding aan het werk en toveren ze allerlei wonderlijke werkelijkheden te voorschijn. Dat is het theater waar ik van hou.’ Het voortdurende, zuigende niets waar we als mensen allemaal inzitten en waar we zo moeilijk mee om kunnen, wordt op die manier hun tegenspeler. ‘De beste voedingsbodem voor hilarische humor is en blijft de ernst. Mijn stukken zitten altijd op het scherp van de snee tussen die twee: ja, de basis is ernstig – zó ernstig zelfs dat je je afvraagt of je er wel om mag lachen. Mensen springen van bruggen om dit soort materiaal. Maar tegelijk is het zo herkenbaar en absurd dat je er wel om móét lachen. Noem het de bevrijdende lach van het inzicht – die ken ik ook heel goed uit mijn privéleven. Je kunt iets heel serieus nemen, maar plotseling besef je dat je gedachten zijn vastgelopen in een contextje. Zodra je je daar bewust van wordt, schiet je er bovenuit: je wordt als het ware boven het leven uitgeknepen, en je slaagt erin om het grotere plaatje te zien. Daarop volgt de bevrijdende, geruststellende lach: Godzijdank! Mijn zorgen zijn niet absoluut! Ze bestaan alleen maar omdat ik ze veel te veel gewicht toeken! Dat is een verhaal dat ik eindeloos wil vertellen.’

Dit artikel verscheen ook in RandKrant, februari 2016.


Lies Pauwels: “Ik geef geen antwoorden met mijn voorstellingen, ik stel liever vragen”

24/09/2015

Tot eind november reist theatermaakster Lies Pauwels door Vlaanderen, Nederland en een heel klein stukje Frankrijk met Het Hamiltoncomplex, een filosofische en visuele 13+-voorstelling met woord en beweging. Ze broedde al enkele jaren op het idee: een stuk over keerpunten en kenteringen moest het worden, over grote omwentelingen op individueel niveau en op wereldvlak. Ze koos daarvoor een cast van 13 meisjes van 13 jaar en een bodybuilder.

Ik interviewde haar voor Staalkaart over het maakproces van de productie. Een fragment.

hamiltons090
“13 is een symbolische leeftijd”, vindt theatermaakster Lies Pauwels. “Het is het kantelmoment tussen kind zijn en volwassen worden. Je draagt alles wat je al was en alles wat je nog zult worden in je.” De bodybuilder staat voor veiligheid en geborgenheid. “Ik wou die bende opgroeiende meisjes iemand geven van wie je verwacht dat hij je letterlijk en figuurlijk kan dragen. Zo kan hij ook symbool staan voor de maatschappij, die het individu al dan niet voldoende onderstut. Tegelijk kun je achter die grote spiermassa veel leegte vermoeden. Onder al dat uiterlijk vertoon is hij ook maar een mens met zijn eigen mogelijkheden en mankementen.” In die korte uitleg gaan Lies Pauwels’ voornaamste thema’s schuil: identiteit (wat is dat precies, wat vormt of misvormt haar?), individu versus maatschappij (waar eindigt noodzakelijk conformisme en waar begint beknotting van vrijheid?), façade (en wat overblijft wanneer die langzaam afbrokkelt). Ze komen in de loop van het gesprek aan de oppervlakte drijven, in stukjes en brokjes, maar tekenen zich uiteindelijk overduidelijk af in het geheel. Het is kenmerkend voor hoe Lies Pauwels spreekt, en evenzeer voor hoe ze werkt. De gedachten waaieren uit, komen weer samen, verspreiden zich opnieuw, en toch is er samenhang op het eind van de rit. “Ik kies niet snel voor één onderwerp en een gestructureerde verhaallijn. Ik hou van fragmentarische stukken, maar dan wél met een compleet emotioneel verloop.”

Uit de chaos, de verbanden
We lijken op allerlei vlakken op een groot kantelmoment te staan. De technologie, het milieu, de economie… alles lijkt hard te evolueren of anders wel aan verandering toe te zijn. “Is het no way back of zal alles toch gewoon blijven doorgaan?” vraagt Lies Pauwels zich af. Wordt het het soort keerpunt dat je in heel de geschiedenis terugvindt? De Franse revolutie, de industriële revoluties, de Renaissance. Noem maar op. Ze zetten alles op losse schroeven en de individuen die zulke historische kenteringen ondergaan, moeten zich er maar toe zien te verhouden. Lies Pauwels spreekt voorzichtig en zoekend, geeft voorbeelden en neemt ze meteen weer terug. Het gesprek vindt middenin het repetitieproces plaats en veel materiaal moet nog een plekje krijgen in de voorstelling. Welke bron zal het halen en welke niet? Als iets erin zit, welke vorm krijgt het dan? Ze heeft het meest uiteenlopende materiaal verzameld en heeft haar ploeg daarmee aan het improviseren gezet. “Ik vertrek vanuit grote chaos: alles ligt naast en door elkaar. Al die dingen beginnen zich vervolgens in verschillende lagen in mijn hoofd te nestelen en uiteindelijk begin ik verbanden te zien. Zo krijgt een idee stilaan vorm. Op dit ogenblik onderzoek ik bijvoorbeeld een idee rond een schilderij van een jonkvrouw die met de Dood danst.” Dat soort iconische beelden wil ze zeker in de voorstelling verwerken – als clichés die ze dan vervolgens wil overstijgen. Toch aarzelt ze weer om door te gaan. “Ik vind het altijd moeilijk om ideeën die ik nog niet ten volle heb kunnen onderzoeken al vastgelegd te zien in een artikel”, zegt ze. “Als ik ze lees als feiten, ben ik onmiddellijk geneigd ze niet langer te gebruiken, omdat het dan lijkt alsof ze hun bestaan al gehad hebben…”
De spelers krijgen evenmin alle details van Pauwels’ hersenspinsels te horen: “Hoewel het belangrijk is voor hen om de oorspong van hun materiaal te kennen, zal ik ze nooit dat schilderij tonen en vragen om eens eventjes allemaal dansende jonkvrouwen te spelen. In plaats daarvan probeer ik hen te injecteren met allerlei opdrachten, op zo’n manier dat ik iets van hen terugkrijg wat mijn thema voedt, maar wat ik niet in mijn eentje had kunnen verzinnen.”

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Baldadig en frontaal
Zodra een idee dan effectief op de speelvloer wordt gelegd, is alle voorzichtigheid zoek en wordt het compleet binnenste buiten gekeerd. “Op dat moment ga ik allerminst nog heilig met mijn bronnen om”, legt de theatermaakster uit. “Dan benader ik ze baldadig en frontaal, zodat het resultaat absurd en surrealistisch wordt.” Ze worden uitgepuurd tot vingerknippen en zijn dan weer weg, om later in de voorstelling weer terug te komen. Of net niet. “Middenin een improvisatiesessie laat ik de meisjes dan ineens een bepaald rekwisiet gebruiken: een kapje, een rokje of een ander kledingstuk. Zo transformeren ze. Dat is iets helemaal anders dan iets spelen. Snap je?”
De grote schare snelle kostuumwissels die op die manier ontstaat, ligt wél al vast. Ze moeten het hele transformatie-idee achter de voorstelling extra in de verf zetten. Een resem hoofddeksels verschijnt en wordt weer afgeworpen. De meisjes doen iets met schoenen en zwieren ze weer uit. “Doordat de meisjes zichzelf continu transformeren, transformeert ook de scène onophoudelijk. Al wat ze wegwerpen, blijft gewoon liggen. De façade brokkelt af en uiteindelijk zitten we op de brokstukken die overblijven: van de wereld of ons eigen leven… dat mag iedere toeschouwer voor zichzelf invullen.”
Lies Pauwels geeft niet graag antwoorden met haar voorstellingen. Ze stelt veel liever vragen. “En ik schuw het mechanisme van de contradictie daarbij niet. Ga je na afloop met al die vragen naar huis of formuleer je al tijdens het kijken een eigen antwoord? Misschien heb je er volstrekt geen boodschap aan – ook dat kan en mag. Het is eigen aan mijn creaties: omdat er veel lagen in zitten, is de kans groot dat jij er dingen in ziet die de persoon naast je niet ziet en omgekeerd. Veel hangt af van wie je bent en wat je al hebt meegemaakt. Zo gebruik ik allerlei muziek van vroeger: klassieke muziek, maar ook protestsongs uit de jaren 60. Wie de muziek kent, hangt er een andere betekenis aan vast dan jonge mensen die hem voor het eerst horen.”

De rest van het artikel kun je lezen in Staalkaart #30, de dikste Staalkaart ooit.

Speeldata:
www.hetpaleis.be


Matterhonger – een culinair-artistieke avond bij Muziektheater Transparant

10/09/2015

MATTERHONGER is een gloednieuw project van Muziektheater Transparant. Het geeft je een inkijk in het repetitieproces van een nieuwe voorstelling. Een kok, de betrokken artiesten en deskundigen geven toelichting, trakteren op een preview en laten je genieten van een lekker en gezellig diner. Klinkt goed.

De eerste editie vindt morgen (11 september 2015) plaats.

Een tijdje terug interviewde ik artistiek leider Wouter Van Looy en de jonge operazangeres Naomi Beeldens voor Staalkaart over een ander interessant project van het muziektheaterhuis: TRANSLAB. Dat geeft jongeren kansen, verkent hun passie voor muziek en zang en diept die uit. Transparant neemt zijn jongerenwerking uitermate ernstig: “Omdat het zo ontzettend belangrijk is”, vindt Van Looy.

Ik herneem een stukje.

“Het zit in je systeem”

Mensen met een specifieke passie kunnen vaak heel precies vertellen waar, wanneer en hoe die passie kiem heeft geschoten. Voor Naomi Beeldens begon het met een verhaaltje voor het slapengaan. Voor Wouter Van Looy met een gebarsten viool.

“Ik kwam in aanraking met klassieke muziek, omdat mijn ouders het opzetten”, vertelt Naomi Beeldens. “Zo simpel was het. Maar heel specifiek is mijn liefde voor klassiek begonnen met het verhaal dat mijn meter me altijd voorlas voor het slapengaan: De toverfluit. Ik vond het zo mooi, dat ik de cd met de muziek ook ben gaan kopen. Zo zat ik dus als kind in mijn kamer naar Mozart te luisteren. Pas later ben ik erachter gekomen dat het verhaal eigenlijk veel langer was dan ik vroeger dacht – blijkbaar viel ik altijd ergens halfweg in slaap.” Later sloot ze zich aan bij een koor, ging ze op zangles en rolde ze de jongerenopera in. Toen ze 18 was, besloot ze om niet rechtstreeks naar het conservatorium te gaan. “Ik heb eerst taal- en letterkunde gestudeerd”, vertelt ze. “Hoewel ik nu geregeld te horen krijg dat ik met 27 toch al aan de oude kant ben om nog aan een operacarrière te beginnen, ben ik blij dat ik voor dit parcours heb gekozen. Aan de universiteit vorm je je identiteit. Toen ik nadien aan het conservatorium belandde, was ik blij met de buffer die ik aan de unief al had opgebouwd. Anders is het wel heel moeilijk om tegen de traditionele verwachtingen op te boksen.”

Kapotte viool
Een magisch moment – zo noemt Wouter Van Looy zijn eerste aanraking met de wereld van de muziek. “Mijn vader was fabrieksarbeider in de haven van Antwerpen. Een vriend van hem had een viool met een barst erin, die hij wilde weggooien. Geef maar mee, zei mijn vader. Wie weet kan ik er nog iets mee.” Zo belandde de viool bij het gezin Van Looy op zolder. “Op een dag was ik daar een beetje aan het rondsnuffelen en vond ik de kist met het instrument erin. Ik wist onmiddellijk dat ik er ooit iets mee wilde doen.” Het heeft dan nog vier jaar geduurd voor de viool hersteld was en hij aan zijn eerste les mocht beginnen. “Je moest 8 zijn voor je naar de muziekschool mocht gaan. Dan volgden twee jaar notenleer en pas daarna mocht je spelen – dat was echt een ramp.” In de tussentijd redde hij zich met de kleine platencollectie van zijn ouders. “Daar zaten misschien 10 klassieke platen in, onder meer enkele symfonieën van Beethoven, waar ik helemaal gek van was. Ik zette ze op, kroop op een bolletje tegen de box aan en ging helemaal op in de muziek. Daarom denk ik dat gevoeligheid voor muziek toch iets aangeboren moet zijn. Het zit in je systeem.”

www.transparant.be
www.staalkaart.be


Maud Vanhauwaert: “Je identiteit ligt nooit vast – dat vind ik een erg troostende gedachte”

13/07/2015

Nog eens een nieuwe in de reeks ‘Kanttekening’ voor Kunstenloket: dichter, schrijver en tekstperformer Maud Vanhauwaert.

Ze was vastbesloten om vier maanden vrijaf te nemen. Van juni tot eind september zou ze lezen, schrijven en reizen. Niets anders. Maar de opdrachten bleven zich aandienen en ‘nee’ zeggen bleek te moeilijk. Het lot van de creatieve freelancer? Schrijver en tekstperformer Maud Vanhauwaert maakte lange tijd van ‘ja’ haar handelsmerk. “Naar Noord-Nederland om twee gedichten te lezen in een koeienstal? Waarom niet. In het begin aanvaardde ik elke mogelijke opdracht.” En dat wierp vruchten af. “Ik heb er veel in geïnvesteerd, maar nu kan ik ook effectief leven van wat ik graag doe.”

“Ik was 7 toen ik voor het eerst met een gedichtje van Annie M.G. Schmidt op een podium stond. Ik was heel zenuwachtig en ik vond het confronterend om daar helemaal in mijn eentje te staan. Maar de magie die ik toen gevoeld heb, zocht ik later altijd opnieuw op. Na dat ene gedichtje heeft het zich allemaal heel organisch ontwikkeld. Ik heb deeltijds kunstonderwijs gevolgd, ben Germaanse talen en Woordkunst gaan studeren. Bovendien had ik het geluk dat mijn ouders me altijd de vrijheid gegeven hebben om te onderzoeken wat ik wou.”

Hoe ben je dan poëzie en andere teksten beginnen te schrijven?

(c) Jimmy kets“Ik herinner me nog hoe ik als klein meisje aan zo’n groot eikenhouten bureau zat met het voornemen om een nieuwe versie van Jommeke te schrijven. Toch was ik niet zo’n kind dat constant zat te schrijven. In het laatste jaar van mijn opleiding Woord mochten we een masterproject uitwerken en ik koos voor een dichtbundel. Dankzij de steun van de school en van Bart Moeyaert, die mijn begeleider was, is dat gelukt. Nadien is dat bundeltje uitgegroeid tot mijn debuut. Ik merkte toen hoe prettig het is om naar iets tastbaars als een boek toe te werken. Er ontstaat vanzelf een verhoogde concentratie. Als je zomaar wat schrijft, strooi je hier en daar kruimeltjes uit. Maar het is zoveel leuker om broden te bakken: je woorden kneden tot het juiste deeg ontstaat, het langzaam laten rijzen… dat is een genot dat ik pas later heb ontdekt.”

Schrijven is één ding. Er je beroep van maken iets heel anders. Hoe is dat bij jou verlopen?

“Ik heb nooit een duidelijke grens gekend tussen mijn studententijd en mijn professioneel leven. Terwijl ik nog studeerde, deed ik al heel wat kleine opdrachten, vaak als vrijwilliger of voor een kleine onkostenvergoeding. Mijn tactiek – hoewel die zeker niet bewust was – was om op alles ‘ja’ te antwoorden. Vroegen ze me om in het noorden van Nederland twee gedichten te komen voorlezen in een koeienstal, tegen terugbetaling van het treinticket, dan deed ik dat. En graag! Zo heb ik in het begin heel veel kleine dingetjes gedaan. Die gaven me de mogelijkheid om langzaam te groeien in mijn vak, mensen en organisaties te leren kennen. De vraag is blijven komen, waardoor ik vooralsnog nooit heb hoeven te solliciteren. Dat is een luxe, natuurlijk, maar ik heb er wel veel tijd en energie in geïnvesteerd. Ik krijg nu nog soms de vraag wat dan eigenlijk mijn échte werk is. En ja, dit is mijn echte werk: het bestaat uit een waaier aan verschillende opdrachten. Ik heb mijn eigen teksten – die schrijf ik vanuit mijn eigen noodzaak. Daarnaast heb ik hier en daar schrijfopdrachten, zoals de column die ik momenteel voor de krant De Morgen schrijf. Ik geef les aan het conservatorium en ik treed vaak op met mijn eigen teksten. Uit die optredens haal ik mijn voornaamste inkomsten. Met alleen maar in een hoek te blijven zitten en je poëzie in een schriftje te krabbelen, haal je het niet. Maar zo zou ik het ook niet willen. Ik hou van verscheidenheid en ik zoek ook bewust contexten op die buiten mijn comfortzone liggen. Van daaruit kun je immers opnieuw geprikkeld worden. Ik heb vaak gemerkt dat een opdracht waar ik op het eerste gezicht wat moeite mee had, me juist hielp om mijn grenzen te verleggen. Ik beweer niet dat het voor iedereen zo werkt, maar ik zou beginnende kunstenaars toch het advies durven te geven om je zoveel mogelijk open te stellen voor wat er op je af komt. Die tip geef ik mijn studenten ook: probeer een opdracht zo creatief mogelijk naar je hand te zetten, zodat het toch begint aan te voelen als je eigen project. Ik heb nooit het gevoel dat ik teksten die ik in opdracht schreef, moet afgeven. Het zijn en blijven mijn teksten en dat geeft een enorm gevoel van verrijking.”

Lees meer via Kunstenloket.

www.maudvanhauwaert.be

– In juli houdt Maud Vanhauwaert spreekuur op het Kunstenfestival van Watou.
– Vanaf september gaat ze op tournee met haar avondvullende voorstelling Het is de moeite.