Matterhonger – een culinair-artistieke avond bij Muziektheater Transparant

MATTERHONGER is een gloednieuw project van Muziektheater Transparant. Het geeft je een inkijk in het repetitieproces van een nieuwe voorstelling. Een kok, de betrokken artiesten en deskundigen geven toelichting, trakteren op een preview en laten je genieten van een lekker en gezellig diner. Klinkt goed.

De eerste editie vindt morgen (11 september 2015) plaats.

Een tijdje terug interviewde ik artistiek leider Wouter Van Looy en de jonge operazangeres Naomi Beeldens voor Staalkaart over een ander interessant project van het muziektheaterhuis: TRANSLAB. Dat geeft jongeren kansen, verkent hun passie voor muziek en zang en diept die uit. Transparant neemt zijn jongerenwerking uitermate ernstig: “Omdat het zo ontzettend belangrijk is”, vindt Van Looy.

Ik herneem een stukje.

“Het zit in je systeem”

Mensen met een specifieke passie kunnen vaak heel precies vertellen waar, wanneer en hoe die passie kiem heeft geschoten. Voor Naomi Beeldens begon het met een verhaaltje voor het slapengaan. Voor Wouter Van Looy met een gebarsten viool.

“Ik kwam in aanraking met klassieke muziek, omdat mijn ouders het opzetten”, vertelt Naomi Beeldens. “Zo simpel was het. Maar heel specifiek is mijn liefde voor klassiek begonnen met het verhaal dat mijn meter me altijd voorlas voor het slapengaan: De toverfluit. Ik vond het zo mooi, dat ik de cd met de muziek ook ben gaan kopen. Zo zat ik dus als kind in mijn kamer naar Mozart te luisteren. Pas later ben ik erachter gekomen dat het verhaal eigenlijk veel langer was dan ik vroeger dacht – blijkbaar viel ik altijd ergens halfweg in slaap.” Later sloot ze zich aan bij een koor, ging ze op zangles en rolde ze de jongerenopera in. Toen ze 18 was, besloot ze om niet rechtstreeks naar het conservatorium te gaan. “Ik heb eerst taal- en letterkunde gestudeerd”, vertelt ze. “Hoewel ik nu geregeld te horen krijg dat ik met 27 toch al aan de oude kant ben om nog aan een operacarrière te beginnen, ben ik blij dat ik voor dit parcours heb gekozen. Aan de universiteit vorm je je identiteit. Toen ik nadien aan het conservatorium belandde, was ik blij met de buffer die ik aan de unief al had opgebouwd. Anders is het wel heel moeilijk om tegen de traditionele verwachtingen op te boksen.”

Kapotte viool
Een magisch moment – zo noemt Wouter Van Looy zijn eerste aanraking met de wereld van de muziek. “Mijn vader was fabrieksarbeider in de haven van Antwerpen. Een vriend van hem had een viool met een barst erin, die hij wilde weggooien. Geef maar mee, zei mijn vader. Wie weet kan ik er nog iets mee.” Zo belandde de viool bij het gezin Van Looy op zolder. “Op een dag was ik daar een beetje aan het rondsnuffelen en vond ik de kist met het instrument erin. Ik wist onmiddellijk dat ik er ooit iets mee wilde doen.” Het heeft dan nog vier jaar geduurd voor de viool hersteld was en hij aan zijn eerste les mocht beginnen. “Je moest 8 zijn voor je naar de muziekschool mocht gaan. Dan volgden twee jaar notenleer en pas daarna mocht je spelen – dat was echt een ramp.” In de tussentijd redde hij zich met de kleine platencollectie van zijn ouders. “Daar zaten misschien 10 klassieke platen in, onder meer enkele symfonieën van Beethoven, waar ik helemaal gek van was. Ik zette ze op, kroop op een bolletje tegen de box aan en ging helemaal op in de muziek. Daarom denk ik dat gevoeligheid voor muziek toch iets aangeboren moet zijn. Het zit in je systeem.”

www.transparant.be
www.staalkaart.be

Advertenties

Maud Vanhauwaert: “Je identiteit ligt nooit vast – dat vind ik een erg troostende gedachte”

Nog eens een nieuwe in de reeks ‘Kanttekening’ voor Kunstenloket: dichter, schrijver en tekstperformer Maud Vanhauwaert.

Ze was vastbesloten om vier maanden vrijaf te nemen. Van juni tot eind september zou ze lezen, schrijven en reizen. Niets anders. Maar de opdrachten bleven zich aandienen en ‘nee’ zeggen bleek te moeilijk. Het lot van de creatieve freelancer? Schrijver en tekstperformer Maud Vanhauwaert maakte lange tijd van ‘ja’ haar handelsmerk. “Naar Noord-Nederland om twee gedichten te lezen in een koeienstal? Waarom niet. In het begin aanvaardde ik elke mogelijke opdracht.” En dat wierp vruchten af. “Ik heb er veel in geïnvesteerd, maar nu kan ik ook effectief leven van wat ik graag doe.”

“Ik was 7 toen ik voor het eerst met een gedichtje van Annie M.G. Schmidt op een podium stond. Ik was heel zenuwachtig en ik vond het confronterend om daar helemaal in mijn eentje te staan. Maar de magie die ik toen gevoeld heb, zocht ik later altijd opnieuw op. Na dat ene gedichtje heeft het zich allemaal heel organisch ontwikkeld. Ik heb deeltijds kunstonderwijs gevolgd, ben Germaanse talen en Woordkunst gaan studeren. Bovendien had ik het geluk dat mijn ouders me altijd de vrijheid gegeven hebben om te onderzoeken wat ik wou.”

Hoe ben je dan poëzie en andere teksten beginnen te schrijven?

(c) Jimmy kets“Ik herinner me nog hoe ik als klein meisje aan zo’n groot eikenhouten bureau zat met het voornemen om een nieuwe versie van Jommeke te schrijven. Toch was ik niet zo’n kind dat constant zat te schrijven. In het laatste jaar van mijn opleiding Woord mochten we een masterproject uitwerken en ik koos voor een dichtbundel. Dankzij de steun van de school en van Bart Moeyaert, die mijn begeleider was, is dat gelukt. Nadien is dat bundeltje uitgegroeid tot mijn debuut. Ik merkte toen hoe prettig het is om naar iets tastbaars als een boek toe te werken. Er ontstaat vanzelf een verhoogde concentratie. Als je zomaar wat schrijft, strooi je hier en daar kruimeltjes uit. Maar het is zoveel leuker om broden te bakken: je woorden kneden tot het juiste deeg ontstaat, het langzaam laten rijzen… dat is een genot dat ik pas later heb ontdekt.”

Schrijven is één ding. Er je beroep van maken iets heel anders. Hoe is dat bij jou verlopen?

“Ik heb nooit een duidelijke grens gekend tussen mijn studententijd en mijn professioneel leven. Terwijl ik nog studeerde, deed ik al heel wat kleine opdrachten, vaak als vrijwilliger of voor een kleine onkostenvergoeding. Mijn tactiek – hoewel die zeker niet bewust was – was om op alles ‘ja’ te antwoorden. Vroegen ze me om in het noorden van Nederland twee gedichten te komen voorlezen in een koeienstal, tegen terugbetaling van het treinticket, dan deed ik dat. En graag! Zo heb ik in het begin heel veel kleine dingetjes gedaan. Die gaven me de mogelijkheid om langzaam te groeien in mijn vak, mensen en organisaties te leren kennen. De vraag is blijven komen, waardoor ik vooralsnog nooit heb hoeven te solliciteren. Dat is een luxe, natuurlijk, maar ik heb er wel veel tijd en energie in geïnvesteerd. Ik krijg nu nog soms de vraag wat dan eigenlijk mijn échte werk is. En ja, dit is mijn echte werk: het bestaat uit een waaier aan verschillende opdrachten. Ik heb mijn eigen teksten – die schrijf ik vanuit mijn eigen noodzaak. Daarnaast heb ik hier en daar schrijfopdrachten, zoals de column die ik momenteel voor de krant De Morgen schrijf. Ik geef les aan het conservatorium en ik treed vaak op met mijn eigen teksten. Uit die optredens haal ik mijn voornaamste inkomsten. Met alleen maar in een hoek te blijven zitten en je poëzie in een schriftje te krabbelen, haal je het niet. Maar zo zou ik het ook niet willen. Ik hou van verscheidenheid en ik zoek ook bewust contexten op die buiten mijn comfortzone liggen. Van daaruit kun je immers opnieuw geprikkeld worden. Ik heb vaak gemerkt dat een opdracht waar ik op het eerste gezicht wat moeite mee had, me juist hielp om mijn grenzen te verleggen. Ik beweer niet dat het voor iedereen zo werkt, maar ik zou beginnende kunstenaars toch het advies durven te geven om je zoveel mogelijk open te stellen voor wat er op je af komt. Die tip geef ik mijn studenten ook: probeer een opdracht zo creatief mogelijk naar je hand te zetten, zodat het toch begint aan te voelen als je eigen project. Ik heb nooit het gevoel dat ik teksten die ik in opdracht schreef, moet afgeven. Het zijn en blijven mijn teksten en dat geeft een enorm gevoel van verrijking.”

Lees meer via Kunstenloket.

www.maudvanhauwaert.be

– In juli houdt Maud Vanhauwaert spreekuur op het Kunstenfestival van Watou.
– Vanaf september gaat ze op tournee met haar avondvullende voorstelling Het is de moeite.

’t Arsenaal + Lazarus

En kijk eens aan, nog een structurele samensmelting in theaterland: ’t Arsenaal Mechelen en theatercollectief Lazarus.

Midden 2016 vertrekt Michael De Cock, huidig artistiek leider van ’t Arsenaal, naar Brussel om daar KVS te leiden. ’t Arsenaal komt in handen van Willy Thomas en Lazarus: Lazarus als vast makerscollectief en Willy Thomas als artistiek leider. “Samen zijn zij complementair in een verhaal met meerdere pijlers”, laat het huis weten. “Het gezamenlijke doel is: een theaterhuis als genereuze ontmoetingsplek dat zijn werking wil doortrekken tot buiten de muren van het huis. Sleutelwoorden in de werking zijn: toneel, spreiding, diversiteit en lokale en interstedelijke samenwerking. Zo blijft ’t Arsenaal het open huis dat het de voorbije jaren was: met oog voor de samenleving en een maatschappelijke context, met de intentie om samen te werken op diverse niveaus en met de gastvrijheid om ook een platform te bieden aan diverse andere artiesten en gezelschappen.”

In die nieuwe context blijft Lazarus autonoom zijn eigen werk ontwikkelen: “Met Lazarus komt er opnieuw een stevige artistieke kern én een dynamische spelersploeg in huis die voorstellingen maakt die aansluiten bij wat ’t Arsenaal deed en wil blijven doen: verhalen vertellen die tot de verbeelding spreken en relevant zijn om te vertellen, met sterke teksten en/of ideeën als uitgangspunt.”

Het nieuwstedelijk = Braakland/ZheBilding + De Queeste

Ze kondigden het aan als een verloving: theaterhuizen De Queeste en Braakland/ZheBilding smelten samen tot één huis. Het huwelijk krijgt ook een nieuwe naam: het grootstedelijk. Het zal even duren voor dat smeuïg in de mond ligt, maar het geeft wel weer waar het nieuwe huis voor wil staan. Vanavond – 30 mei 2015 – vanaf 19.30 uur lanceren ze het gezamenlijke project tijdens een startfeest in OPEK, Leuven.

“Met het nieuwstedelijk willen we mee vorm geven aan de stad en de samenleving van morgen”, zegt Stijn Devillé, directeur van het nieuwstedelijk. “We vertellen verhalen over het leven vandaag. We geven er klank aan en gaan erover in gesprek. Theater, muziek en debat vormen de kern van het artistieke werk van ons nieuwe theaterhuis. Dat werk geven we vorm vanuit de sterktes die we jarenlang hebben opgebouwd: nieuwe creaties rond hedendaagse thema’s, locatie- en interviewprojecten, de combinatie van tekst en muziek en de ondersteuning van jong talent. Samen kunnen we ook een stuk verder gaan.”

Adriaan Van Aken, Christophe Aussems, Stijn Devillé, Els Theunis en Sara Vertongen vormen de artistieke kern van het nieuwe theaterhuis. “Samen zetten we dit jaar onze eerste projecten in de steigers, maar houden ook nog een paar spannende plannen achter de hand. Het komende seizoen wordt voor het nieuwstedelijk een soort nuljaar. In de volgende twee, drie jaren krijgt het nieuwe huis zijn beslag.” In totaal brengt het nieuwstedelijk het komende seizoen elf producties.

Het nieuwstedelijk wordt het stedentheater voor Leuven, Hasselt en Genk. “We willen echt een stedentheater vormen voor het gebied tussen Brussel en Maastricht” stelt Devillé. “Dat zie je ook aan onze premières en locatieprojecten. Die vind je gespreid in Limburg en Leuven. Uiteraard blijven we ook toeren in Vlaanderen en Nederland. Met de voorstelling Hoop hebben we dit jaar een indrukwekkende tournee voor de boeg. Ook internationaal ziet het er dit jaar goed uit met heel wat interesse voor onze Engelstalige voorstelling Last Call.” Uitvalsbasis wordt OPEK in Leuven.

Startfeest en eerste voorstelling

Tijdens het startfeest geeft het nieuwstedelijk een vooruitblik op het nieuwe seizoen en een inkijk in de plannen van het nieuwe project. Huismuzikanten Rudy Trouvé, Youri Van Uffelen, Myrthe Luyten en Geert Waegeman spelen intieme concertjes doorheen het gebouw en houden een blind date met elkaar. Acteurs Simone Milsdochter en Jonas Van Thielen brengen fragmenten uit voorstellingen. Theatermakers Stijn Devillé, Adriaan Van Aken, Christophe Aussems, Maarten Ketels en Jessa Wildemeersch laten meekijken in hun werkproces, nemen hun bibliotheek mee en laten beklijvende interviewfragmenten horen. En op het dakterras kan je terecht voor de ultieme theaterervaring: Chris Lomme wacht je op en fluistert je iets toe dat alleen voor jouw oren bestemd is.

Maar tijdens het -gratis- startfeest neemt het nieuwe theaterhuis ook de ruimte om even achteruit te blikken. Actrice Sara Vertongen doet een poging om 18 jaar aan voorstellingen van de Queeste en Braakland/ZheBilding samen te vatten in een monoloog van 15 minuten. 114 voorstellingen in 15 minuten: 4 seconden per voorstelling dus. Met nadien een feest met de band King Dalton en dj Armand.

VUUR, de eerste productie van het nieuwe huis gaat in première op 20 juni op locatie in Heusden-Zolder.

www.nieuwstedelijk.be

Stefan Perceval: “Ik ben niet geïnteresseerd in acteurs. Ik wil mensen zien”

Stefan Perceval is aan zijn eerste volledige seizoen als algemeen directeur van Het Gevolg uit Turnhout begonnen. Zonder blikken of blozen heeft hij alle voorstellingen voor volwassenen van het programma geschrapt: “Het Gevolg heeft een eigen smoel nodig. Het moet het episch centrum van het kinder- en jeugdtheater in de regio worden.” Dat wil Perceval niet bereiken door zich met zijn producties op te sluiten in het eigen huis en af te wachten wie een ticket koopt. De deuren gaan wijd open, voor iedereen. En al helemaal voor jongeren die niemand in een theaterzaal verwacht.

Voor het huidige nummer van Staalkaart interviewde ik Perceval over zijn plannen. Een fragment.

Tot voor kort fietste Stefan Perceval gezwind van project tot project. Een bejubelde productie bij Het Paleis volgde op een sociaal-artistiek project met ‘moeilijke jongeren’. Vervolgens maakte hij een voorstelling met mensen met een beperking of draaide hij als acteur mee in een toneelstuk of televisieserie. Perceval schreef, acteerde, regisseerde, begeleidde. “Ik heb altijd van die vrijheid gehouden – en nu nog”, legt hij uit. “Ik kom ergens aangefietst, ik zet het kot op stelten en ik fiets weer weg.” Nu verbindt hij zijn naam aan een enkele ploeg. Dat lijkt een heel ander soort rol, maar uiteindelijk vloeit er in zijn functie als algemeen directeur van uitgerekend Het Gevolg een en ander samen dat tot nu in aparte compartimenten van zijn rugzak zat. Stefan Perceval: “Ik heb vroeger twee locatievoorstellingen gemaakt bij Het Gevolg: Maria vaart en Hartekop. Sindsdien koesterde ik een bizarre liefde voor dit huis. Waarom bizar? Het Gevolg lag de laatste jaren serieus onder vuur. Al twee subsidierondes lang kreeg het negatieve commentaren. Het huis deed van alles wat – nu eens theater voor volwassenen, dan weer voor kinderen, vervolgens een locatieproject – en had daardoor geen eigen gezicht. Twee keer is het daardoor 200.000 euro kwijtgespeeld – dat is enorm veel.” Maar Perceval voelde het potentieel van het huis borrelen en hij bleef er terugkeren.
Vorig seizoen regisseerde hij nog Petrus en de doodendraad, een succesvoorstelling ‘over hoe zelfs 2000 volt de liefde niet kan stoppen’ (en die het komende seizoen hernomen wordt). “Tijdens de repetities hoorde ik dat het hier binnenshuis stevig aan het rommelen was, maar ik hield me daar ver van weg en at tijdens de pauzes rustig mijn boterhammetjes op”, zegt Stefan Perceval. Tot Ignace Cornelissen, oprichter van het gezelschap, plotseling opstapte. “Toen begon ik telefoontjes te krijgen van journalisten, die me feliciteerden met mijn nieuwe functie als directeur. Ik wist van niks, maar ik zei wel dat ik erover zou nadenken, mócht ik de vraag krijgen.” Die kwam er. En Perceval hapte toe. Op 1 februari van dit jaar is hij officieel van start gegaan. “Ik ben er onmiddellijk ingevlogen, want er stond nog helemaal niks op de planning voor volgend seizoen, we waren laat met alles.”

Pittig
Gelukkig kwam Stefan Perceval niet met lege handen in Turnhout aan. “Ik had niet zitten wachten op die functie, dus ik had al enkele eigen projecten in mijn rugzak zitten. De zwarte van Walcheren zat al klaar, De kleine koning december en Peter en de wolf ook. Petrus riep om hernemingen en Wortel van glas door Brent Vandecraen hadden we ook al. Daarmee zijn we begonnen. Ik heb er bijna allemaal coproducties van gemaakt: ook een goede manier om weer in beeld te komen. Het Gevolg krijgt daarmee een nieuwe dynamiek: tussen half augustus en half maart spelen we 167 keer, en vooral voorstellingen die vrij ongewoon zijn voor dit huis. Het wordt pittig, maar dat mag ook wel. Als ik Het Gevolg vergelijk met een wielerploeg, dan rijden we helemaal achteraan, nog achter de rode vlag, zelfs achter de Tik tak Pontiac. Dat moet veranderen. We moeten weer in het peloton terechtkomen: geregeld eens met de handjes op het stuur vooraan komen fietsen of al eens de demarrages leiden door met iets nieuws te komen. In een theaterhuis moet plaats zijn voor onderzoek en experiment. Maar momenteel is Het Gevolg nog een stille, verdrietige jongen. Ik wil hem weer leren spreken en hem laten doen waar hij goed in is: kinder- en jeugdtheater. Onder Ignace heeft Het Gevolg een sterke reputatie voor jongerentheater gehad – vooral in de jaren tachtig en negentig. Maar dan moesten er per se producties voor volwassenen bijkomen, waarschijnlijk omdat het huis dacht dat het dan ernstiger genomen zou worden. Op dat gebrek aan identiteit is het dus zwaar afgerekend. Daarom keer ik terug naar die kern. Geen voorstellingen voor volwassenen meer.”

Culturele woestenij
Het episch centrum van kinder- en jeugdtheater van de wijde regio rond Turnhout. Dat wil Stefan Perceval van zijn huis maken. “Geografisch heeft Het Gevolg een unieke positie. Turnhout heeft het cultureel centrum De Warande, maar voor de rest heb je in een straal van dertig kilometer rond dit huis een culturele woestenij. Het Gevolg is het enige theaterproductiehuis in de ruime omgeving. Vandaar dus: episch centrum. Met het gebied dat de trillingen van dat centrum voelt, kun je iets aanvangen. En neem Turnhout zelf”, gaat Perceval in één adem door. “Een stad van iets meer dan 41.000 inwoners, waar – hou je nu vast – 15% van de kinderen en jongeren in een gezin leven dat moet rondkomen met een inkomen onder het bestaansminimum. Dat wil dus zeggen – en ik kan het weten, want ik heb het als kind zelf meegemaakt – dat je soms geen boterhammen kunt meenemen naar school, hè. Turnhout komt met die cijfers op de derde plaats in de provincie Antwerpen, na de zoveel grotere steden Antwerpen en Mechelen. Dat is ronduit alarmerend. En ook op dat vlak zie ik een taak weggelegd voor Het Gevolg. Dit huis is niet klaar als het een mooi programma van sterke producties kan presenteren, waarop het steeds weer hetzelfde theaterpubliek kan verwelkomen. Ik zie het graag breder: wij moeten ook vollenbak inzetten op die sociale kant.”

Stille jongens laten praten
Geen speld is er tussen het betoog van Stefan Perceval te krijgen. Terwijl hij worstelt met termen als ‘strategisch plan’, die volgens hem te vaak gebruikt worden als dekmantel voor zaken die er niet écht toe doen, tekent zich in zijn hoofd almaar duidelijker de weg af die zijn theaterpeloton moet volgen. Al zijn stokpaardjes komen in Het Gevolg samen. Theater, zeker. Sterke producties maken, uiteraard. Maar daarmee is nog maar het begin gemaakt. De sociale poot – theater maken voor én met mensen voor wie een dergelijk parcours niet weggelegd lijkt, dat is de grote uitdaging voor Het Gevolg. “Noem dat gerust mijn voornaamste drijfveer”, zegt hij.
Het theaterhuis zelf is namelijk niet de enige stille jongen die hij aan het praten wil krijgen. Onze maatschappij zit er vol van en het liefst zou Perceval bij hen allemaal die cocon van stilte en non-communicatie openbreken.
(…)
Soms hebben stille jongens alleen maar een kans nodig. Een schop onder de kont. Iemand die tegen hen zegt: Jij kunt dat wél! Die iemand wil Stefan Perceval zijn. Want zelf zou hij niet staan waar hij stond als hij niet ook zulke mensen was tegengekomen. “Ik was namelijk ook zo’n stille jongen”, zegt hij.
(…)

Lees de rest van het artikel in Staalkaart #26

www.hetgevolg.be

Guy Cassiers en Tom Lanoye maken Hamlet vs Hamlet: ‘Shakespeare moet smoorverliefd geweest zijn op theater’

Voor hun vijfde samenwerking zetten Guy Cassiers en Tom Lanoye hun tanden in Hamlet – het stuk der stukken. Een negenkoppige cast (samengesteld uit de verenigde Toneelhuis- en Toneelgroep Amsterdam-stallen), een vrouw in de hoofdrol, Lanoyes bevlogen vijfvoetige jamben en Cassiers’ multidisciplinaire Fingerspitzengefühl: voer voor een Hamlet die de confrontatie met alle voorgaande ensceneringen aandurft. En laat dat net het opzet zijn…

Ik herneem hier een deel van het artikel dat ik over de productie geschreven heb in Staalkaart. Resterende speeldata vind je op www.toneelhuis.be

Shakespeare heeft Hamlet – net als zoveel andere verhalen uit zijn portfolio – niet zelf verzonnen. Vandaag gaan literatuurwetenschappers ervan uit dat Thomas Kyd de oerversie heeft geschreven. Guy Cassiers: ‘Shakespeares teksten hebben ook lang niet allemaal een perfecte schriftuur of dramaturgische opbouw. Maar hij heeft ze wel in een vorm weten te gieten die vandaag nog altijd fascineert. De liefde voor het theater zit een stuk als Hamlet in de genen: Shakespeare moet smoorverliefd zijn geweest op het theater. Hij wou zijn acteurs laten schitteren. En dat deed hij in een taal en stijl waar we vandaag nog altijd jaloers op mogen zijn. Bovendien bevatten veel van zijn stukken mysterie: niet alles wat hij vertelt, wordt verklaard. Precies daardoor blijft zo’n werk mij en vele anderen stimuleren om almaar nieuwe betekenissen tussen die lijnen te ontdekken. En precies daardoor blijft Shakespeare ook het publiek boeien.’

Ontsporende verbeelding
Toch lag Hamlet niet al jaren op Guy Cassiers’ kast te wachten om afgestoft te worden. ‘Het idee begon pas echt te gisten nadat ik de roman Heart of Darkness van Joseph Conrad had bewerkt. Dat hoofdpersonage, kolonel Kurtz, heeft afstand genomen van de realiteit. In zijn verbeelding genereert hij een heel eigen universum. Dat thema vind ik bij Shakespeare terug in Macbeth en Hamlet. Het leek me interessant om me er nog wat meer in te verdiepen door die twee generaties in hetzelfde seizoen op de planken te brengen. Macbeth staat voor de oudere generatie, Hamlet voor de jongere en bij allebei draait het erom hoe je je verbeelding kunt benutten om – dikwijls op een indirecte manier – de realiteit beter te begrijpen. Sla je daarin een verkeerde weg in, dan dreig je verloren te lopen.’
Zowel bij Hamlet als bij Macbeth bevinden we ons onder machthebbers en laat het mechanisme van de macht nu net een van Guy Cassiers’ hardnekkigste thematische stokpaardjes zijn. In beide stukken verliezen de personages grip op de werkelijkheid. ‘Maar er is een groot verschil in maturiteit tussen beiden: Macbeth is een volwassen man, terwijl Hamlet op de drempel van de volwassenheid staat – hij moet nog helemaal gekneed worden.’

Halfwas
Tom Lanoye zette zijn tanden in de tekstbewerking. Het werd de vierde samenwerking met Guy Cassiers, na Mefisto for ever, Atropa. De wraak van de vrede en Bloed & rozen. Het lied van Jeanne en Gilles. In de eerste gesprekken tussen Cassiers en Lanoye was Hamlets status als halfbakken mens een van de belangrijkste kapstokken. Beide makers waren het er roerend over eens dat de Deense prins al te vaak door te oude acteurs wordt neergezet (denk aan Laurence Olivier, Richard Burton of Kenneth Branagh). En zo’n keuze maakt bepaalde scènes en daden in hun ogen ongeloofwaardig. ‘De felle dadendrang én de verlamming door faalangst — allebei eigen aan jonge idealisten — die Hamlet zo typeren, passen niet bij een man die evengoed 35 zou kunnen zijn als 45’, stelt Tom Lanoye. Maar té jong mag hij ook weer niet zijn. ‘Romeo en Julia waren prille pubers, slachtoffers van hun allereerste en dus tomeloze kalverliefde. Zij zijn zich wel bewust van de tegenkanting van hun families, en van de vendetta tussen beide, maar niet van de details, de werking, de historie, de hele politiek van de machten die daarachter schuilgaan. Hun drijfveer blijft zuiver romantisch, van de wereld weg.’ Dat is bij Hamlet al anders. Hij is oud en wijs genoeg om dat soort mechanismen en verhoudingen te vatten. Lanoye: ‘Hij bezit de intelligentie om machiavellisme te detecteren. Maar evenzeer bezit hij nog de jeugdige drang tot zuiverheid, waardoor hij zich daar bij voorbaat en principieel tegen verzet. Hij wordt voortgestuwd door de hooggestemde Sturm und Drang van iedere brandnieuwe generatie, maar — anders dan Romeo en Julia — geeft hij zich rekenschap van álle gevolgen van zijn daden.’ Zodoende wordt Hamlet verscheurd door vertwijfeling. Verontwaardiging, vrees, overmoed, onmacht, zelfhaat, maar ook melancholie en cynisme vechten in hem om de overhand. ‘Dat maakt Hamlet – in tegenstelling tot Romeo en Julia – verwarrend veelzijdig.’
Guy Cassiers ziet dan weer een parallel tussen het personage Hamlet en Europa vandaag. ‘De Europese identiteit is behoorlijk schizofreen’, vindt hij. ‘We dreigen met zijn allen het geloof in de politiek te verliezen. Toch blijft Europa vasthouden aan een tomeloze ambitie: het probeert zich een geloofwaardige identiteit aan te meten en het wereldbeeld mee te bepalen. Maar als er dan iets gebeurt vlak buiten onze grenzen, waar de Arabische lente is ontaard in een Syrische nachtmerrie, staan we er met onze mond vol tanden naar te kijken. Je voelt gewoon de onbeholpenheid van zo’n entiteit die zich groots en stevig voordoet, maar bij de eerste de beste confrontatie in immobiliteit verzandt. Onze Hamlet is als Europa: hij raakt verlamd door alle emoties die in hem woeden.’
‘Alleen zijn verbale energie blijft onverminderd sprankelen’, besluit Tom Lanoye. Om dat te onderstrepen, heeft de auteur de vijfvoetige jambe van Shakepeare behouden. Sinds hij die versvoet eind jaren 90, tijdens zijn bewerking van Shakespeares koningsdrama’s voor Luk Perveval en de Blauwe Maandag Compagnie in de vingers kreeg,laat hij geen kans onbenut om hem nog eens uit de kast te halen. Het metrum vloeit tegenwoordig schijnbaar moeiteloos uit zijn pen.

Theater = mensen
Theater maken is samenwerken. En voor Guy Cassiers en Tom Lanoye draait samenwerken allereerst om de mensen die je daarvoor bij elkaar brengt. Een andere regisseur en auteur komen vanzelfsprekend met een totaal verschillende productie op de proppen. Maar ook de keuze van de acteurs drukt een wezenlijke stempel op het eindresultaat. Bij een Hamlet geldt dat zo mogelijk nog meer dan bij andere stukken. Tom Lanoye: ‘Hamlet ensceneren en interpreteren lijkt me, gek genoeg, hiermee te beginnen: wie speelt die rol? Wie bezit zowel de technische bravoure als de nodige ambivalentie? De maturiteit én de frisheid, de gekte én de helderheid? Elke interpretatie wordt mee bepaald door die keuze, omdat de rol zulke hoge en specifieke eisen stelt. Enkel iemand die sterk van geest is maar nog jong oogt, en die frêler is dan de volwassenen die hij aanwrijft alle zuiverheid te hebben verloren, kan deze Hamlet geloofwaardig belichamen.’ Wie, o wie? Voor de auteur stond het snel vast. Abke Haring moest de hoofdrol spelen: ‘Haar androgynie, haar kwetsbaarheid en innerlijke kracht zullen ons schimmenspel van zijn en wezen, van zien en zijn, dat hele spiegelpaleis van hartstocht en paranoia alleen maar vergroten.’
Guy Cassiers was het onmiddellijk met hem eens, hoe onvanzelfsprekend het ook lijkt om een vrouw Hamlet te laten spelen. ‘In het verleden hebben al heel wat vrouwen de rol vertolkt’, zegt hij. Naar verluidt zette Sarah Bernhardt in 1899 een ronduit schitterende Hamlet neer. Ook Asta Nielsen, dé ster van de stomme film, nam de rol met veel bravoure op zich. In haar enscenering bleek Hamlet geen prins, maar een prinses: juist omdat ze een vrouw was, werd Hamlet als troonopvolgster geboycot. Een affaire met Horatio mocht in zo’n interpretatie uiteraard niet ontbreken.
In die val willen Cassiers en Lanoye hoegenaamd niet trappen. ‘Onze Hamlet is geen vrouw’, benadrukt Tom Lanoye. ‘Abke speelt een jongeman zoals ten tijde van Shakespeare alle vrouwenrollen werden gespeeld door jongens: niet als travestieten, maar als acteurs die vrouwen belichaamden.’
Wanneer Lanoye theater schrijft, doet hij dat met welbepaalde acteurs voor ogen. Daarom was het voor hem niet alleen belangrijk te weten naar wie de rol van Hamlet zou gaan. ‘Net zoals bij Shakespeare is bij Tom de liefde voor het theater groot’, vertelt Guy Cassiers. ‘Dat is volgens mij zijn grote kracht als theaterauteur: hij schrijft voor de acteurs. Hij hoort hen de teksten uitspreken terwijl hij schrijft, hij ziet hen spelen in zijn hoofd.’

Fragiel
De wederzijdse beïnvloeding van Lanoye en Cassiers blijkt eveneens bijzonder groot. Ze hebben stilaan een geolied mechanisme ontwikkeld om hun beide stemmen optimaal tot hun recht te laten komen. ‘Je hebt veel schrijvers en componisten die slordig met tijd omspringen, maar Tom doet dat niet’, vertelt Guy Cassiers. ‘Hij is heel praktisch ingesteld. Ik ben daar soms best jaloers op. Hij weet maanden vooraf precies wanneer hij wat zal doen. Voor veel auteurs bestaat dan het gevaar dat het schrijven niet wil lukken op het geplande moment, maar Tom heeft daar blijkbaar nog nooit last van gehad. Hij doorloopt ook altijd een heel lang voortraject: welke personages behouden we, welke schrappen we en waarom, hoe komen ze elkaar tegen… Pas als het allemaal glashelder in zijn hoofd zit, begint hij te schrijven. Ik zit dan soms al te denken: O-oh, gaan we het wel halen? Maar als hij eenmaal begint, gaat het schijnbaar vanzelf: hij schrijft even snel als hij praat’, lacht de regisseur. Vervolgens legt Lanoye Cassiers een veel te lange eerste versie voor. En dan begint de wisselwerking. ‘Een auteur die theater schrijft, is erg bekommerd om duidelijkheid. Hij wil dat alle beweegredenen van alle personages duidelijk zijn. Maar tijdens de repetities blijkt dan vaak dat je al die dialogen met achterliggende gedachten niet per se nodig hebt. En dus kun je schrappen. Tom heeft daar ook nooit problemen mee. Er is meestal een groot verschil tussen de eerste versie die hier op tafel komt en de uiteindelijke speeltekst op de première. De repetities dienen er in principe voor om te ontdekken wat we niet nodig hebben. Daarom ook is Tom er altijd bij tijdens de laatste repetitieweken.’ Hoewel het een vertrouwde manier van werken is geworden, waar Guy Cassiers ook blindelings op vertrouwd, blijft het moment waarop hij die allereerste versie open klikt toch altijd razend spannend. ‘Het eigenaardige aan theater is dat de première, de speelreeks en alle contracten al vastliggen vóór het artistieke werk van start gaat. Zelfs na zoveel jaren blijft elke voorstelling weer opnieuw beginnen. Je vertrekt vanuit niets en moet ontdekken. Je ontwikkelt daar na verloop van tijd een zekere rust in, maar toch besef je heel goed dat je je telkens opnieuw in een situatie zet die je weinig biedt om op terug te vallen. Je probeert tenslotte telkens nieuwe paden te bewandelen: dat maakt het net zinvol voor jezelf en alle andere betrokkenen, maar het maakt theater ook heel fragiel.’

Hamlet vs Hamlet
Coproductie tussen Toneelhuis en Toneelgroep Amsterdam

De laatsten der onverstandigen (De Roovers): laatste voorstellingen!

Wanneer De Roovers een voorstelling willen maken, kiezen ze doorgaans eerst een thema – in de Dollarcyclus, waarvan De laatsten der onverstandigen het tweede deel is, is dat ‘geld’ en wat geld hebben of niet hebben met een mens doet. Vervolgens slepen ze alles wat ze over dat thema kunnen vinden mee naar de repetitieruimte. Ze lezen, ze lezen aan elkaar voor, ze zoeken favoriete toneelstukken en/of andere teksten en proberen de anderen dan te overtuigen dat de tekst van hun keuze de meest fantastische is die ze kunnen brengen. Na een tijdje valt dan het verdict: die tekst of dat materiaal zullen ze gebruiken.

Dit keer was het Luc Nuyens die met De laatsten der onverstandigen van de Oostenrijkse theaterauteur Peter Handke op de proppen kwam. Het thetercollectief zocht een geschikt tweede deel voor hun Dollarcyclus, een serie over de financiële en morele crisis van het moderne kapitalistische systeem. Vorig seizoen speelden de Roovers al Shakespeares Timon van Athene, een minder bekende Shakespearetekst uit 1607, als eerste deel van de reeks. Daarover zegt Robby Cleiren: “Timon van Athene is helemaal niet populair en is zeker niet Shakespeares meest gepolijste, virtuoze of zelfs afgewerkte stuk. Maar er zit volgens ons toch iets heel interessants in: een ruwe kern die we wilden tonen aan de mensen.” In zijn recensie na die voorstelling schreef criticus Tuur Devens in De Theaterkrant dat De Roovers erin geslaagd waren om van ‘die draak van een toneelstuk’ toch een ‘zeer genietbare voorstelling’ te maken. Dat zegt veel, maar toch vooral ook dat De Roovers taai, weerbarstig en niet voor de hand liggend tekstmateriaal niet schuwen.

Nu dus, voor deel 2 van de Dollarcyclus, doken de makers opnieuw in al het vindbare materiaal waarin geld van ver of dichtbij een rol speelt. En uiteindelijk viel het verdict: Peter Handke zou het worden.

Peter Handke is een van de belangrijkste en tegelijk ook meest controversiële na-oorlogse Oostenrijkse auteurs. Al meteen met zijn eerste toneelstuk, Publikumsbeschimpfung, deed hij fel over zich praten. De laatsten der onverstandigen schreef Handke in 1974. Met dat stuk nemen De Roovers hun publiek mee naar de gouden jaren 60. Een clubje topondernemers komt samen om prijsafspraken te maken en zo de concurrentie definitief een kopje kleiner te maken. Een van hen breekt echter zijn belofte, waardoor de anderen al snel vervallen in twijfel en achterdocht.

Zo simpel klinkt het verhaal. Maar er zitten veel meer lagen onder die dunne plot dan dat. Robby Cleiren vertelt dat hij eerst vrij sceptisch stond tegenover het stuk. De Roovers waren er niet allemaal vanaf het begin voor gewonnen. Hij vond de tekst wel heel erg weerbarstig en hij vroeg zich af of het publiek zo’n stuk wel zou accepteren. Het is inderdaad geen tekst waarmee een gezelschap tegen het publiek zegt: “Leun nu maar even gezellig achterover en maak het uzelf comfortabel.” Het is geen evident stuk en daarvan waren de makers zich heel goed bewust. Toch zijn ze ervoor gegaan, precies omdat ze het thema zo sterk vonden. Ook Robby Cleiren moet toegeven dat het stuk prima aansluit bij de opzet van hun Dollarcyclus: “De personages zijn stuk voor stuk vermogende mensen die hun identiteit gekoppeld hebben aan wat ze bezitten: hun grote auto, hun villa, hun buitenverblijf, hun dure kleren, hun geld. Je kunt je voorstellen wat er gebeurt als er barsten in de weelde komen: als je zo iemand zijn materiële goederen afneemt, dan pak je ineens ook zijn identiteit af. En vervolgens ontstaat er een identiteitscrisis. Zo zegt een van de mannelijke personages in het stuk op een gegeven ogenblik: Wie ben ik eigenlijk?”

Nu is er een centraal personage: Herman Quitt (gespeeld door gastacteur Jurgen Delnaet). Quitt is een ondernemer, zoals de anderen, maar hij is bijzonder zwartgallig en neerslachtig. Hij is het enige personage van wie de psychologie de karikatuur echt overstijgt – Handke heeft hem beter uitgewerkt dan de personages die rond hem cirkelen. Hij heeft een vrouw (gespeeld door Sofie Sente) die doelloos door het huis dwaalt, een minnares (Sara De Bosschere) waar eigenlijk ook niks mee lijkt te lukken, en al de rest is hij eigenlijk ook kotsbeu. Hij beslist op een gegeven moment om de hele boel kapot te maken: hij valt en hij zal de rest met zich meesleuren.

In de jaren 70, toen Handke dit stuk heeft geschreven, was politiek, actualiteitsgebonden theater heel erg in, zeker in linkse intellectuele kringen. Handke, die dus al op jonge leeftijd behoorlijke faam had verworven, kreeg geregeld de commentaar dat hij met zijn stukken niet genoeg in het werkelijke leven stond. De laatsten der onverstandigen is daarop een reactie. Hij geloofde heel vast dat mensen zoals zijn ondernemers de laatsten waren van hun soort. De laatsten der onverstandigen, de laatsten die nog vasthielden aan het geloof in de zeepbel die kapitalisme heette. Op een gegeven ogenblik zouden de mensen er wel achter komen dat het kapitalistische systeem onhoudbaar was en dan zou heel de mensheid het over een andere boeg gooien. Ook dat vonden De Roovers interessant: zij spelen het stuk wanneer het 40 jaar oud is en we met zijn allen kunnen vaststellen dat die ‘onverstandigen’ uit het stuk nog lang niet uitgestorven zijn. We zitten alweer met een zeepbel die op knappen staat, zonder dat er al te vaste conclusies aan worden vastgeknoopt: iedereen blijft maar voortdoen en blijft maar in datzelfde systeem zitten.

De Roovers brengen 80% van wat Handke bij elkaar gepend heeft. De rest hebben ze geschrapt, omdat ze het niet nodig vonden. Zo is er een personage gesneuveld dat voor de rijkdom van de clerus stond. Dat paste immers minder goed in de boodschap die ze wilden brengen. Je hebt wel nog Herman Quitt, de centrale figuur, Lütz (gespeeld door Luc Nuyens) die staat voor het nieuwe geld, en Von Müllnow, die staat voor de oude adel en het oude kapitaal. De vrouwelijke onderneemster en tevens minnares van Quitt heet mevrouw Taks en wordt gespeeld door Sara De Bosschere. De dolende echtgenote is Sofie Sente. Tot slot zijn er nog twee personages: Hans, een soort van knecht van Quitt (gespeeld door Frank Dierens), een personage dat nogal met de voeten op de grond staat en het leven veel meer neemt zoals het komt. En dan heb je nog het personage dat Wouter Hendrickx voor zijn rekening neemt: de kleine aandeelhouder. “Je kunt hem zien als een soort verzetsfiguur, de man die op een aandeelhoudersvergadering van een grote bank met zijn schoen naar het hoofd van de voorzitter gooit”, legt Robby Cleiren uit.

De Roovers voelden zich nog gesterkt in hun voornemen om een beetje in de tekst te schrappen door de auteur zelf. Tegen een ander gezelschap dat ooit een andere tekst van hem onder handen heeft genomen, zei hij namelijk ooit: heel fijn dat jullie mijn tekst willen spelen, maar maak het vooral niet te lang. Alsof hij zelf inzag dat een auteur vaak veel meer woorden nodig heeft om zijn verhaal te vertellen dan een acteur op een podium, voor een zaal vol mensen.

Robby Cleiren vertelt waarom hij denkt dat er tegenwoordig vrij veel theatermakers bezig zijn met banken, de crisis en geld: “Je hoort op radio en tv niks anders dan dingen over de crisis. Wij kunnen ons dan afvragen of we de mensen daar dan ook nog eens mee lastig moeten vallen in het theater.” Maar zijn antwoord is heel duidelijk: “Ja, dat moeten we. Theater belicht een thema toch altijd vanuit een andere invalshoek, waardoor het niet alleen interessant wordt voor acteurs om over te vertellen, maar ook voor een publiek om naar te kijken. De laatsten der onverstandigen gaat over de wereld in het groot”, zegt hij, “maar het gaat tegelijk over eenzame mensen.” Inderdaad, al die personages zijn op hun eigen manier fundamenteel eenzaam. “Je ziet het misschien nog het best aan de relatie tussen meneer en mevrouw Quitt: zij leven volledig naast elkaar. Er hangt een enorme tristesse over dat huwelijk.” Door zulke personages neer te zetten, spreek je in één klap natuurlijk over veel meer dan over geld en wat het met je doet. Je spreekt over de mens. De mens nu, maar ook de mens tout court, de mens van alle tijden. Dat is wat theater kan doen, volgens De Roovers.

Ik vroeg Robby Cleiren tot slot of het met de jaren ook gemakkelijker wordt om tijdens de repetities al in te schatten of een stuk bij het publiek in de smaak zal vallen of niet. Hij vertelde dat het op een bepaalde manier eigenlijk alleen maar moeilijker wordt, net omdat ze zichzelf als spelers ook willen blijven verrassen. “Na een tijdje weet je hoe je een komedie kunt aanpakken, een Griekse tragedie… we hebben dat allemaal gedaan. En dus blijf je op zoek gaan naar materiaal dat ook voor jezelf als maker nog nieuw en verrassend is. Als je telkens hetzelfde laatje opentrekt, waarvan je weet dat je best wel kunt wat eruit komt, wordt het voorspelbaar en saai wat je doet. Ik heb dus het gevoel dat we de lat voor onszelf telkens maar weer hoger leggen, omdat we telkens een moeilijkere kaap willen halen.”

Ze spelen nu, na 20 jaar, helemaal anders dan toen ze pas afgestudeerd waren, zegt hij nog. “Als jonge speler vertrek je vanuit een grote onbevangenheid: Romeo en Julia? Geweldig! Shakespeare heeft dat geschreven en nu is het aan ons! Daaruit kunnen heel mooie dingen tevoorschijn komen. Een doorgewinterde acteur heeft al 20 versies van Romeo en Julia gezien, waarvan 10 heel goeie, en vraagt zich dus sneller af wat hij daar nog in godsnaam aan toe kan voegen. En dus gaat hij op zoek naar iets anders. Maar, zegt hij, hij wil zich er wel op elk moment bewust van zijn dat bij hem de onbevangen blik van de beginnende acteur verdwenen is en die zoveel mogelijk weer opzoeken als het kan. “Ik werk met studenten van het conservatorium samen, of ik maak een stuk met kinderen, of ik neem mijn eigen kinderen mee om een stuk te bekijken: hun blik is fris, ze hebben een totaal andere bril waardoor ze de wereld zien: zoiets hernieuwt ook mijn blik en laat me toch ook weer op een andere manier naar de dingen kijken. En dat is heel goed. Dat heb je nodig als speler. Anders worden we van die mensen die het allemaal al gezien hebben en dat is op een toneelvloer verschrikkelijk saai: je kunt er niks mee. Je moet je eigen bril kunnen weggooien, om dan weer onbevangen de ring in te kunnen en van daaruit te spelen.”

Deze tekst is een fragment uit de inleiding die ik heb gegeven bij de voorstelling op 29 maart in CC Westrand, Dilbeek. De laatsten der onverstandigen heeft nog enkele voorstellingen te gaan. De speelreeks vind je hier.