Ateliers in de Rand 10: ‘De dans met de steen’

19/09/2013

De lente doet eindelijk en uiterst voorzichtig zijn intrede wanneer we het atelier van Patrick Crombé bezoeken. ‘Dit beeld is net af’, zegt hij. Het werk staat buiten, in de zon. Het exploreert de ronde vorm en is gemaakt van zwart marmer. De kunstenaar draait de beweegbare bol om op zijn sokkel van wit Carrara-marmer. ‘Zwart marmer is een moeilijk materiaal, omdat het hard is en broos tegelijk, als glas, bijna.’ Het bovenste gedeelte van het beeld is uit één steen gehouwen. Toch lijkt het – voor wie niet goed kijkt – of er verscheidene materialen in gebruikt werden. ‘Ik speel in op de diverse texturen die je uit een steen kunt halen’, vertelt Crombé. ‘Dat noemen ze ook wel de huid van de steen. Dit deel is gezaagd en dit gepolijst’, toont hij. ‘Dit is gesiseleerd en dat stuk is gebouchardeerd, zoals ze zeggen.’

Daglicht
Wanneer Patrick Crombé zijn blik opricht, kijkt hij uit over weides waarin pony’s staan te grazen. Een inspirerend uitzicht, lijkt ons. Maar de voornaamste reden waarom de beeldhouwer graag buiten werkt, is het daglicht. Je hoeft niet met allerhande spots in de weer om klaar te zien waar je mee bezig bent. Precies daarom reist hij ook graag naar Carrara in het Italiaanse Toscane. De marmergroeven geven er al sinds de Romeinse tijd het witst denkbare marmer prijs, de steen waaruit Michelangelo zijn David hieuw. ‘Ik was als kind voor het eerst in Carrara, mee met mijn vader.’ Crombé komt uit een steenkappersfamilie. Zijn vader, groot- en overgrootvader hadden een bedrijf dat steen kapte voor grafzerken, vloeren en zo meer. De beeldhouwer groeide op met één been in het atelier. ‘Steen is een schitterend materiaal. Ik vond dat je er meer kanten mee uit kon.’ Als tiener overwon hij zijn schroom en ging aan de academie leren beeldhouwen. Daarna volgde Sint-Lucas. En algauw lonkte Carrara weer. ‘Ik stapte in mijn auto en weg was ik. Ik trek er nu al 30 jaar op rij naartoe.’ Patrick Crombé huurt er een plaats in een groot atelier. Het is er heerlijk werken. De zon schijnt, de mensen zijn vriendelijk en alle steen die je je maar kunt wensen ligt binnen handbereik. Als je grote blokken ‘bianco carrara’ wil, dan kun je die zelf in de groeve gaan kiezen. ‘We trekken er dan met zijn tweeën naartoe, met onze bottines aan, door de modder.’ Een helm laten ze vaak achterwege, want ze ‘zijn tenslotte in Italië’ en daar zijn regels al eens voor interpretatie vatbaar. Crombé kiest er bewust voor om alles zelf te doen. ‘Van groeve tot tentoonstelling’, zegt hij. ‘Want dan pas heb ik het gevoel dat het werk echt van mij is.’

Een spel, een dans
Patrick Crombé werkt volgens de taille directe: hij begint te beeldhouwen zonder ontwerp of maquette. Hij heeft zo ongeveer een idee in zijn hoofd en hij begint. ‘Als je werkt met een maquette, is de creatie af nog voor je met je steen bezig bent. Met de taille directe duurt de creatie tot het laatste ogenblik. Dat vind ik veel boeiender.’ Als beginnend beeldhouwer gebruikte hij wel nog een maquette. ‘Je leert nog, dus je hebt een houvast nodig. Later wordt beeldhouwen een spel, een dans met de steen.’

Het volledige artikel, sluitstuk van de reeks ‘Ateliers in de Rand’, is verschenen in RandKrant van juni 2013.

Advertenties

Ateliers in de Rand 9: ‘Ik begin, en de hoed komt uit mijn vingers’

18/09/2013

Haar fascinatie voor hoeden is diep geworteld in haar jeugd in de Grimbergse wijk Verbrande Brug. Als klein meisje mocht Kathleen Robberechts meedoen met een optocht van buren en familieleden. Iedereen verkleedde zich en zij kreeg een hoed op. ‘Ik wou dolgraag weten hoe die in elkaar zat, maar ik moest er vanaf blijven…’ Hoe maak je een hoed? Ze bleef het zich afvragen en had na haar middelbare school liefst een opleiding tot modiste gevolgd, maar omdat haar ouders vreesden dat ze er nooit haar brood mee zou verdienen, ging ze toch een andere richting uit. Passie kruipt echter waar ze niet gaan kan. Uiteindelijk volgde ze de opleiding in avondschool. ‘En wij waren domme leerlingen’, gniffelt ze, ‘We bleven met opzet zitten, om toch maar naar school te kunnen blijven gaan.’ Sinds eind jaren 90 is hoeden maken haar bijberoep.

Kathleen Robberechts geeft allerhande workshops voor verenigingen en bij haar thuis. Feest- en zomerhoeden ontwerpt ze op bestelling. Haar wintercollectie met vilten hoeden maakt ze in de zomer. ‘Ik begin gewoon, en ik zie waar ik uitkom. Als alle basishoeden eenmaal klaar zijn, begin ik aan de afwerking, en daarin zie je de lijn van de collectie het best.’

Natte wol
In de keuken in Elewijt ruikt het naar natte wol. Op het aanrecht staat een stoomapparaat met daarop een cloche – een basisvorm in vilt waaruit je om het even welke hoed kunt vormen. Op de cloche verschijnen kleine druppeltjes. ‘De hoed nat maken en stomen is de eerste stap’, vertelt Kathleen Robberechts. ‘Wanneer dat eenmaal is gebeurd, trek je de cloche stevig over een mal. Zo krijgt de hoed zijn definitieve vorm.’
De grote berging achter de keuken staat vol materiaal. Cloches in alle kleuren, linten, knopen, elastiek, maar ook rekken met houten mallen: voor vierkante en ronde hoeden, gedeukte exemplaren, met grote of met kleine, symmetrische en asymmetrische randen. ‘En dit is nog maar de helft‘, zegt ze. ‘De rest staat in mijn grote atelier in Beigem. Daar ben ik veel beter uitgerust, maar mijn zoon woont nu in dat huis, dus ik heb een deel van mijn materiaal naar hier verscheept.’ Zo’n 100 mallen heeft ze intussen en als ze er op een beurs of rommelmarkt nog mooie tegenkomt, kan ze de lokroep niet weerstaan. ‘Ik heb ooit een mal gekocht, waarvan ik bij thuiskomst besefte dat ik er zo eigenlijk al eentje had.’

Terwijl de cloche in de keuken rustig voort stoomt, toont ze een zwart hoedje dat bijna af is. ‘Dit is een recuperatiehoed’, zegt ze. ‘Je kunt van een oude hoed een volledig nieuwe maken, andere vorm en al.’ Zo gaf ze recent een workshop aan enkele dames die oude hoeden op de kop hadden getikt in een kringwinkel. ‘Het is fantastisch om van zo’n goedkoop, oud hoedje een origineel nieuw exemplaar te maken.’

Het volledige artikel is verschenen in RandKrant, mei 2013.


Ateliers in de Rand 8: ‘Alles is in beweging’

17/09/2013

De winter kent een laatste stuiptrekking wanneer beeldend kunstenaar Bert De Keyser ons verwelkomt in zijn tuin, deel van het golvende Brabantse landschap. ‘Voor de komst van de elektriciteitspost met de ongelukkige naam Breughelpost, waande je je hier – zeker met dit weer – in een schilderij van Breughel.’ Hij woont al heel zijn leven in dit glooiende landschap. Zijn wortels liggen 5 kilometer verderop, op dezelfde weg, iets dichter bij Brussel. De band met het landschap én met de stad is sterk. Hij laat er zijn werk door domineren. Sculpturen, tekeningen, litho’s, schilderijen – het landschap is wat de werken bindt. ‘Zelfs de naakten’, legt hij uit. ‘De welvingen van een vrouw zijn zoals die van het Brabantse landschap.’

Spiegelfilm
In de tuin staat een prototype van de sculptuur Reminiscentie. Het eigenlijke werk staat op een heuvel in Alsemberg. Een grote herdershond weerspiegelt de schaduw van zijn baas, die vermoord op de grond ligt, en de wijde omgeving. ‘De sculptuur herdenkt een grootoom van me, de laatste schaapherder rond Brussel. Zijn hond bracht zijn eten, in een handdoek rond zijn nek. Toen die op een dag met zijn pakketje naar huis terugkeerde, wist zijn vrouw dat er iets gebeurd was.’ Zo blikt het werk terug naar het verleden. Tegelijk legt de tweezijdige spiegel een brug naar heden en toekomst. Hij reflecteert het landschap en – bij helder weer – Brussel. Zo ontstaat een trage film van de veranderende omgeving. De seizoenen, de ingrepen, de oprukkende stad, het verdwijnende landschap. Het zit er allemaal in. Zowat alle elementen uit De Keysers oeuvre komen erin samen.

Dat blijkt ook wanneer we de sneeuw van onze schoenen kloppen en zijn atelier binnen gaan. De ruimte doet evenzeer dienst als archief. Metalen kasten vol tekeningen en schilderijen, mappen met krantenknipsels, maquettes van sculpturen, een oude lithopers die dienst doet als computertafel… ‘Het staat hier vol’, lacht de kunstenaar bijna verontschuldigend.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

(c) Filip Claessens

Essentie
Bert De Keyser toont een map met vrouwelijke naakten. In enkele penseelstreken suggereert hij een welving, een vorm, een beweging. Net zo zijn zijn landschappen. ‘Alles is in beweging’, vindt hij. De kunstenaar tekent geen lijn of punt te veel: de essentie. Hij toont een aantal werken van hopvelden in alle seizoenen. ‘Vroeger was het hier bezaaid met hopvelden. Nu ligt er verderop nog eentje.’ Ook Brussel heeft hij vanuit alle mogelijke hoeken getekend. Daarvoor reisde hij de Rand af, zocht plaatsen vanwaar hij een goed zicht op Brussel had, ging zitten, tekende.

Obsessie
Het overvolle atelier van Bert De Keyser staat symbool voor zijn gevulde carrière. Toen hij 15 was, hield hij het college voor bekeken. ‘Ik vond het te streng, stak er niet veel uit en kreeg constant straf’, zegt hij. ‘Omdat ik graag tekende, lieten mijn ouders me naar Sint-Lukas gaan.’ Daar voelde hij zich op zijn plaats. ‘Kunst is een obsessie’, legt hij uit. ‘Ik herleef als ik teken.’ Hij had tentoonstellingen in het Rijksmuseum en het Rembrandthuis in Amsterdam, maar ook onder meer in Duitsland, Sovakije, Hongarije, de VS en Japan. ‘Het spannendste aan een groot project is toch vooral de deadline: het moet af raken.’ Vooral het groots opgezette Rembrandt-Mondriaanproject in Amsterdam (1996) heeft voor veel nagelbijten gezorgd. Voor de gelegenheid had De Keyser het Museumplein ingekleed met grote gele kaders, die de blik van passanten moesten richten. 17 opleggers en een aantal kranen rukten aan op een moment dat de stenen uit de grond vroren. ‘De omstandigheden voor de opbouw waren moeilijk, dus dat was heel bijzonder.’

Momenteel legt Bert De Keyser zich weer toe op zijn muzikantenportretten. Hij heeft er al zo’n 6000. Jef Neve, Kris Defoort, de familie Kuijken, Jos Van Immerseel… ‘Elke muzikant speelt anders, dus is ook elke tekening anders. Soms worden het bijna realistische portretten, soms zijn enkele lijnen genoeg. Het hangt af van de muzikant in kwestie. Ik ken als het ware niks van muziek’, zegt hij. ‘Maar door de muzikanten te tekenen, kruip ik in hun wereld. Dat is evenzeer een parallel met het landschap: ook daar kruip je helemaal in. Het is een manier om het te begrijpen.’

www.bertdekeyser.be

RandKrant, april 2013.


Ateliers in de Rand 6: ‘Het juiste juweel voor de juiste klant’

15/09/2013

De zussen Grety en Krista Vandevelde speelden van kleins af altijd samen. Knutselen, kralen rijgen… De creatieve kriebel zat er altijd al in. Toen Krista ging voortstuderen, dacht ze aan juweelontwerp, maar ze zag het niet zitten om daarvoor naar Antwerpen te trekken. Dus werd het beeldhouwen, in Brussel. ‘Haar beelden begonnen altijd groot, maar ze eindigden klein’, lacht haar zus. De juwelen bleven lonken en uiteindelijk kwam Krista in contact met een ontwerper die haar zelf het vak wilde leren. ‘Twee jaar later ben ik gevolgd’, zegt Grety. Anno 2013 werken de zussen bijna 25 jaar samen. Hun atelier in het prachtige Cederhuis in Grimbergen is ruim en licht. Het is bijna alsof de goudsmeden in hun tuin zitten te werken.

Samen, toch anders
Hun werk vormt één collectie, maar toch hebben Krista en Grety Vandevelde elk hun eigen signatuur. Grety toont in de glazen uitstalramen een paar oorringen dat zij heeft ontwerpen. ‘En die armband ernaast is van mijn zus.’ Beide juwelen passen perfect samen. ‘Toch hebben we klanten die onmiddellijk zien welk stuk door wie is gemaakt.’

(…)

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

(c) Filip Claessens

De juiste drager
Naast hun vrije werk ontwerpen Krista en Grety Vandevelde ook in opdracht van klanten. Een heel andere manier van werken, met een heel eigen charme. ‘Dan maak je het ontwerp eigenlijk waar de klant bij staat. Je luistert naar haar wensen, je kijkt wat past bij de vorm van haar gezicht en hals, de kleur van haar ogen, haar en huid. Op basis daarvan ga je aan de slag.’
‘Een jaar of 10 terug heb ik geprobeerd om me te beperken tot mijn werk in het atelier‘, vertelt Grety. ‘Maar op een dag wou een opdracht maar niet vlotten. Het wrong aan alle kanten. Tot Krista me vertelde wie het juweel besteld had, hoe ze eruitzag en wat voor persoonlijkheid ze had. En opeens ging het wel. We kunnen dus echt niet zonder contact met onze klanten.’

Grety werkt voort aan een bestelling. Een dame wil graag een armband die past bij een hanger die ze eerder al in ’t Cederhuis heeft gekocht. Het wordt een ontwerp in geel goud, gemaakt van twee fijne draden die organisch rond en naast elkaar bewegen. ‘Je moet zo’n gouddraad geregeld verwarmen om hem soepel te houden, maar het plooien zelf doe ik met koud goud’, zegt Grety, terwijl ze één van de draden voorzichtig begint te plooien.
Intussen blijft Krista even bij de tafel van François staan, één van de twee goudsmeden die de zussen vast in dienst hebben. Hij voert een ontwerp van Krista uit: grote hangers in gouddraad die in kleinere, al bestaande oorringen gehangen kunnen worden om ze langer en een tikje gewaagder te maken. ‘Deze arm moet dus open blijven’, wijst ze. ‘Dan kan ze de hangers er weer uithalen als ze zin heeft in het kortere model.’

Heerlijk vinden de zussen het als een juweel de juiste drager vindt. ‘Soms steekt iemand bijvoorbeeld een ring aan zijn of haar vinger en zie je meteen dat het de juiste is’, zegt Grety. ‘We proberen dan niet té enthousiast te reageren, omdat het natuurlijk het mooist is als de klant het zelf ontdekt.’ Krista: ‘Zo hebben we elk ook favoriete modellen waarvan we niet onmiddellijk afscheid kunnen nemen en die we dus niet in de winkel leggen. Pas als er iemand binnen stapt van wie je weet dat het juweel er perfect bij past, verkopen we toch. Dan weten we: daar is het beter.’

www.goudsmid.be


Ateliers in de Rand 3: ‘Er bestaat geen gevarieerder instrument dan het orgel’

12/09/2013

– Als je orgel wil spelen, maar je vindt geen instrument naar je zin… dan bouw je er toch gewoon een zelf? (Het volledige artikel is verschenen in RandKrant, november 2012). –

Jean-Paul De Greef werkte als architect, maar onderhield daarnaast een grote passie voor muziek. ‘Op een dag vroeg de onderpastoor me of ik geen orgel wilde spelen in zijn mis. Ik zei hem dat ik alleen gitaar en blokfluit kon spelen, maar hij drong aan: als ik andere instrumenten onder de knie had, zou orgel ook wel lukken.’ De Greef wou het best leren, maar stuitte meteen op een tweede probleem. Hij had geen oefenorgel, en de elektrische modellen op de markt vond hij maar kakofonische gedrochten. ‘Dus heb ik zelf een orgel gemaakt, met houten pijpen.’ Pardon?

(…)
We snuiven de geur op van vers geschaafd hout in het atelier waar hij intussen zijn derde orgel aan het bouwen is. (…) Er staan allerhande zagen en schaven, van kleine handmodellen tot grote elektrische types. Ertussen liggen dozen vol orgelpijpen. De grootste pijp is meer dan twee meter lang. De kleinste is nauwelijks 10 centimeter groot. Als de orgelbouwer erop blaast, klinkt het hoog en schril. Om de grote baspijpen aan te blazen, gebruikt hij een ventilator. Er klinkt een sonoor, laag gebrom. Een aangename, rustige klank. Jean-Paul De Greef glimlacht tevreden bij elk geluid. ‘Dit wordt een kistorgel met vijf registers van telkens 56 pijpen vanaf een handklavier, plus een pedaalklavier’, vertelt hij. ‘Ik wilde het niet te groot maken, zodat het kan dienen als vervanginstrument bij lithurgie. Het heeft momenteel nog geen bestemming, maar ik ben er zeker van dat een of andere parochie het graag zal wil hebben.’ Hij legt ons de precieze werking van een orgel uit. Hoe de lucht in het orgel wordt geblazen, hoe de regulator ervoor zorgt dat elke pijp die moet klinken de juiste hoeveelheid lucht krijgt, hoe de slepen werken en de slepenknoppen die je uittrekt om de juiste registers aan te spreken… ‘Er bestaat geen gevarieerder instrument dan het orgel’, zegt hij. ‘Een orgel zoals dat van Sint-Baafs in Gent telt 90 registers, en meer dan 6000 pijpen. Elk register heeft een andere kleur, dus zo’n orgel is een symfonisch orkest op zich.’
Als dit derde instrument af is, zal hij even moeten inbinden. ‘Ik zou me nu meer willen bezighouden met restauratie van pijpen of pijpen willen leveren aan andere orgelbouwers voor grotere orgels. Ik kan tenslotte geen orgels blijven bouwen als ik ze nergens kwijt kan’, zegt hij. ‘Maar als iemand er een bestelt, begin ik morgen opnieuw.’


Ateliers in de Rand 2: ‘Het mooiste is beginnen’

11/09/2013

Oktober 2012. Schuif mee aan aan de tekentafel van illustratrice An Candaele…

Enkele boekenrekken propvol boeken, een computertafel en voor het raam een reusachtige tekentafel met daarop een groot dienblad vol potten met penselen, potloden, pennen en stiften. Dat zijn de voornaamste ingrediënten van An Candaeles atelier in Tervuren. (…)

De illustratrice pakt een boek van haar rek: Springdag, waarvoor Anne Provoost de tekst heeft geschreven en dat verschenen is in februari 2012. ‘Dit is (…) een filosofisch getint boek voor mensen van 6 tot 100 jaar. Daarvoor heb ik onder meer met Photoshop gewerkt.’ Ze toont een hele hoop papiertjes met diverse motiefjes, structuren en kleuren. ‘Ik heb een hele databank van die dingen’, zegt ze. Ingescand in het computerprogramma Photoshop kun je er mee knutselen, schuiven en ze in laagjes leggen tot je figuren perfect zijn aangekleed en ingekleurd. ‘Het was chaotisch werken. Bovenop de papiertjes heb ik nog geschilderd met olieverf en pastel. Er zit krijt in, rietpen, ik heb gekrast en gescheurd… Het is een beetje zoals ik kook, een beetje van dit, nog iets van dat… wat heb ik hier nog… ?’

Hoeveel boeken ze al getekend heeft, kan An zelfs bij benadering niet zeggen. ‘Ik zou ze dringend eens moeten tellen.’ Maar wat ze het leukst vindt aan haar werk, weet ze heel precies te duiden. ‘Het mooiste is beginnen. Je krijgt de tekst van de auteur – vaak niet meer dan enkele A4’tjes – en je moet daar iets bijzonders mee doen. Ik werk dan al mijn huisgenoten de deur uit en teken, teken, teken. In dat stadium ben je nog niet bezig met het verhaal. Je ontwikkelt je personages (en dat) is echt zwoegen. Ik stel het ook lang uit. Je weet dat je je eraan moet zetten, je voelt het borrelen. Je bent nog met 100 andere dingen bezig, maar het verhaal sluimert al, je neemt het overal mee naartoe. Intussen pik je kleine dingen op: op school (ik geef les aan de academie van Overijse), in de supermarkt, in de file… Dat is de chemie die begint. En dan komt het er dus op aan te gaan zitten en te tekenen. Dat is een verrukkelijk moment. Al helemaal als je ’s avonds naar je werk van die dag kijkt en kunt zeggen: Yes! Ik zit op de goede weg!’

Het volledige artikel verscheen in RandKrant, oktober 2012.