Lazarus speelt ‘De idioot’: “Mooi en actueel”

Theatergezelschap Lazarus speelt De idioot, een bewerking van de bijna 800 pagina’s tellende roman van Fjodor Dostojevski. Waarom doet een gezelschap zichzelf zo’n klepper aan, vraag ik mezelf dan spontaan af. Ik vroeg het aan Günther Lesage, die in de voorstelling een overtuigende prins Mysjkin neerzet – Mysjkin, de ‘idioot’, de doodbrave, dodelijk naïeve Christusfiguur in een door geldzucht en achterdocht verteerde wereld.

“We hebben in het verleden al een aantal Russen bewerkt”, vertelt Lesage, “We houden namelijk enorm van de Russische literatuur.” Dostojevski stond al lang op het verlanglijstje. Maar welke roman moest het dan worden? Meteen De gebroeders Karamazov? Of toch misschien liever Schuld en boete/Misdaad en straf, of De speler? Het werd De idioot, omdat die bleek te passen bij de bezetting van het gezelschap, omdat de Lazarussen de tijd nog (net niet) rijp vonden voor De Karamazovs, maar vooral ook “omdat het een heel mooi verhaal is met een thema dat nog altijd actueel is. Het gaat over eerlijkheid versus materialisme, over een man die besloten heeft heel eerlijk te zijn en die terechtkomt in een wereld vol bedrog en verborgen agenda’s, corruptie, achterdocht en misbruik.”

Veel plezier en liefde
Gemakkelijk maakt het gezelschap het zichzelf geenszins met zo’n bewerking. Daar ligt dan zo’n kluif voor je op tafel. Hoe begin je daar aan? Hoe boetseer je meer dan 750 pagina’s ernstige Russische literatuur tot een verteerbaar, bij tijden zelfs humoristisch theaterstuk? Günther Lesage geeft toe dat hij zich tijdens het creatieproces af en toe heeft afgevraagd of ze de lat dit keer niet té hoog hadden gelegd. “Maar we waren niet aan ons proefstuk toe. We bewerkten eerder bijvoorbeeld al Oblomov van Gontsjarov. En intussen hebben we al veel plezier en liefde gevonden in het bewerken van literatuur voor theater. Op die manier kunnen we onze voorstelling ook echt vormen naar onze eigen verbeelding en goesting. We hebben het onszelf misschien niet gemakkelijk gemaakt, maar dat maakt het natuurlijk net spannend en interessant.”

Groepslezen
De afspraak was dat alle spelers (Dominique Collet, Koen De Graeve, Pieter Genard, Günther Lesage, Ryszard Turbiasz en Charlotte Vandermeersch) de roman tegen de eerste repetitiedag gelezen zouden hebben. Sommigen hadden hem zelfs al meer dan eens achter de kiezen. En op die eerste dag begonnen ze gewoon opnieuw. Samen. Ze lazen om beurten een aantal bladzijden aan elkaar voor, tot ze het hele boek doorworsteld hadden. “Dat was spannend”, vertelt Günther Lesage. “Als je een boek in groep leest, lees je heel anders dan alleen. Je hoort anderen voorlezen en je merkt andere dingen op dan wanneer je in je zetel in stilte zit te lezen.” Tussen het lezen door discussieerden ze. Wat waren de interessantste passages? Welke thema’s zouden ze uitdiepen? Met welke stukken konden ze op theater totaal niets beginnen? 21 dagen duurde het lezen en overleggen. Van ’s morgens tot ’s avonds. Kantooruren. Na drie maanden was de theatertekst er – twee weken voor de première. In de hoofden was de voorstelling toen al grotendeels klaar. “Als we dan daadwerkelijk de vloer op gaan, checken we of het ook in de praktijk allemaal wel klopt. Intussen spelen we al lang genoeg samen om min of meer te weten wat werkt en wat niet, maar uiteindelijk pas je in die laatste periode toch nog zo’n 20% aan, ongeveer.”

De idioot kreeg positieve recensies in De Morgen, De Standaard en Knack. De speellijst vind je hier.

www.lazarusvzw.be

Het gesprek met Günther Lesage had ik als voorbereiding op de inleiding die ik gaf bij de voorstelling in CC Westrand, Dilbeek.

Advertenties

‘Er moet iets te veroveren zijn’

Piet Arfeuille is een van de theatermakers die al heel lang op mijn lijstje met graag-te-interviewen-personen stond. Ik strikte hem voor een gesprek over zijn nieuwe seizoen. Niet alleen bij Malpertuis, het Tieltse gezelschap waarvan hij artistiek leider is, regisseert hij een goed gevuld programma bij elkaar. Hij gaat ook enkele coproducties aan en geeft kansen aan jonge makers.

As usual, een fragment uit het artikel. De volledige tekst kun je lezen in het huidige nummer van Staalkaart.

Zijn eigen werk herkauwen is het laatste wat Piet Arfeuille wil doen. De regisseur en artistiek leider van het Tieltse theater Malpertuis nodigt in elke productie nieuwe, graag zelfs dwarse elementen uit. ‘Er moet iets te veroveren zijn.’ Dat zit wel goed met O mio core, een voorstelling die hij maakt in coproductie met muziektheater Transparant. Drie opera’s van Francesco Cavalli passeren de revue. In concertvorm. Arfeuille creëert het scènebeeld.

‘Aanvankelijk had Guy Coolen van Transparant een piepklein budget om naast de concertante versie van O mio core ook een podiumversie te maken, en meer bepaald: een scènebeeld. Bijna schroomvallig vroeg hij me of ik daarvoor wou zorgen’, vertelt Piet Arfeuille. Hij vond het een wat gekke vraag: bedenkt een regisseur doorgaans niet een visie op een stuk die hij dan aan een decorontwerper voorlegt? ‘Maar het project paste prima in mijn parcours. Ik ben namelijk sowieso aan het zoeken naar interessante mogelijkheden om muziek en beeld te combineren. O mio core leent zich daar perfect toe, vond ik. Daarom heb ik Bart Clement erbij gehaald, die erg bedreven is in grote scènebeelden ontwerpen. En zo zijn we dan samen aan de slag gegaan.’

(…)

Uitspraken over deze tijd
O mio core gaat op 13 september in première in de Bijloke in Gent. Een week later geeft de voorstelling het startschot van alweer een goed gevuld Malpertuis-seizoen. De tweede op het programma is Recht zal zijn wat ik zeg!. ‘Die is gebaseerd op een oude Griekse rechtszaak en handelt over populisme en favoritisme in de politiek.’ De jonge acteurs Thomas Janssens en Matthias Meersman maakten de eerste versie van de voorstelling voor het Icarus Todayfestival in 2011. ‘Ik vond ze zo interessant dat we ze opnieuw op de rol zetten. We gaan er nog drie weken aan werken en dan gaan we ermee de boer op.’
Eind november gaat Light as a Feather, Green as an Apple in première op het Nextfestival in Buda, Kortrijk. Het is een duet van de Finse danser Veli Lehtovaara met de Portugese Maria Ferreira Silva, dat de christelijke iconografie als uitgangspunt neemt. ‘Voorts hebben we nog een tweede coproductie met het Mechelse ’t Arsenaal op stapel staan. Na Ingmar Bergmans Herftsonate, dat ik heb geregisseerd, doet Michael De Cock nu Verre vrienden, een komedie van Alan Ayckbourn. Er komt ook een samenwerking met Nicole Beutler. Tot slot doen we nog Kasimir en Karoline van Horvath, met tien West-Vlamingen, in het West-Vlaams.’

‘Ik vind het belangrijk dat ons materiaal zich verhoudt tot deze tijd’, zegt Piet Arfeuille. ‘Voor optimisten leven we in een spannende tijd, voor pessimisten in een gevaarlijke. In elk geval is er veel aan de hand. Theater is het zichzelf verplicht om daarover uitspraken te doen. Zo gaan we in de toekomst bijvoorbeeld ook Vijand van het volk van Ibsen doen. Dat handelt over het gevaar van populisme en de onderbuikpolitiek van rechts. Actueler kan haast niet. Zoals Jaap Kruithof zei, hebben we nood aan een links alternatief. Links zal immers pas weer op de kaart komen wanneer het zich zal bezighouden met de echt grote wereldproblemen. Ik hou dus in de gaten of zulke thema’s ook wel degelijk aan bod komen in ons programma. We willen en mogen niet wereldvreemd zijn. Het komende seizoen zullen we het onder meer hebben over religie, over politiek en populisme, over geld en de financiële crisis. En met O mio core ook over schoonheid.’

(…)

Lesgeven
Piet Arfeuilles artistieke gevoeligheid kiemde toen hij als jongen naar de muziekschool trok. Notenleer, piano en koorzang – daarmee is het allemaal begonnen. ‘Even zag het ernaar uit dat ik zou doorgaan in de muziek’, vertelt hij. ‘Maar toen ik begon te puberen, had ik nergens meer zin in, al helemaal niet in een pianolerares die almaar je nagels wou knippen, dus daar eindigde mijn pianocarrière.’ Na de middelbare school studeerde Piet Arfeuille Germaanse talen en via die studie rolde hij het onderwijs in. ‘Ik heb een jaar of vier lesgegeven. Intussen regisseerde ik al amateurs en op een gegeven ogenblik ontstond de behoefte om me professioneel te scholen. Dus ben ik op mijn 28ste naar de toneelschool van Maastricht getrokken. Op die leeftijd kun je niet meer op je ouders terugvallen om je studie te betalen, en ik had pas een huis gekocht. De deeltijdse opleiding in Maastricht paste dus beter in mijn kraam. Na twee jaar ben ik dan wel overgeschakeld op het voltijdse regime. Dat lukte als ik in de zomer keihard werkte.’ Na een omweg als acteur bij Hollandia, waar Johan Simons toen de plak zwaaide, kwam Arfeuille dan eindelijk terecht waar hij wilde zijn. ‘Een van mijn docenten zei ooit: Je kunt maar in één ding echt goed zijn. Dat vond ik nog niet zo dom klinken en hoewel ze me in Maastricht een begenadigd acteur vonden, heb ik me dus in regie gespecialiseerd.’

Als twintiger zag Arfeuille zich niet tot aan zijn pensioen in het onderwijs staan. ‘Nochtans gaf ik graag les en stortte ik me er volledig in. Maar de drang om meer in de artistieke sector te kunnen doen, overwon. Ik was bang dat ik op een gegeven moment op mijn honger zou blijven zitten, als ik leraar bleef. Gek genoeg trek ik die gedachte nu ik ouder word een beetje in twijfel. In feite is lesgeven een heel mooi beroep. Het woord alleen al: les-geven. Je geeft iets door aan een volgende generatie en dat voel je terwijl je ermee bezig bent. Ik geef nu geregeld les aan de toneelschool en zou dat voor geen geld ter wereld willen missen.’

O mio core: première op 13 september, 20 uur, Bijloke Gent.

www.malpertuis.be
www.transparant.be

‘Een voorstelling start bij de locatie’ – terugblik op TAZ#11

Het eerste nummer van de eerste jaargang van STEPP is verschenen – het magazine voor de producerende, ontwerpende, en technische krachten van de brede culturele sector. In die hoedanigheid vervangt het het oude Proscenium.

In dat eerste nummer, op pagina 34 vind je een artikel dat terugblikt op Theater aan zee 2011, en wel vanuit het perspectief van de locaties.

Ik interviewde daarvoor Waas Gramser van Comp. Marius, dat al twaalf jaar gepokt en gemazeld is in openluchttheater. Lawaai noemde zij de grootste moeilijkheid bij theater op een buitenlocatie: ‘Soms kiezen we in de winter een rustige plek die tegen de zomer, wanneer we er moeten spelen, razend druk blijkt. Ook vervelend is als je de speelrichting verkeerd kiest: dan schijnt de zon recht in de ogen van het publiek of blaast de wind al je woorden weg. Al wat je dan kan doen, is harder brullen.’

Vervolgens liet ik Sophie De Somere aan het woord, coördinator jong theater op TAZ:

Niet zomaar mooie plaatjes
Wanneer Sophie De Somere op zoek gaat naar een locatie, let ze vooral op één ding: ‘Ik ga niet op zoek naar een mooi plaatje, maar naar een ruimte die aansluit bij de inhoud van de voorstelling. Voorts heeft de locatie natuurlijk in het algemeen veel impact op hoe je je als toeschouwer voelt. Een voorstelling start bij de locatie: nog voor er een woord is gesproken, laat ze al een indruk na.’ Met dat in het achterhoofd ging Sophie – samen met programmator jong theater Liv Laveyne – vanaf januari van dit jaar op tocht. ‘We trokken er met de fiets of te voet op uit, klopten op deuren waar we interessante ruimtes achter vermoedden en volgden tip na tip. Je weet nooit wat er achter een grote gesloten poort schuilgaat – daarvoor heb je het advies van bewoners nodig.’

Voor De val van Laurens Krispijn de Boer stelde Sophie De Somere zo een hoge hangar voor. De Boer inspireerde zich op de monoloog van Risjaar Modderfokker den Derden uit Tom Lanoyes Ten oorlog. ‘Die locatie klopte heel erg met de inhoud’, vindt ze. ‘De acteur stond er geïsoleerd, alsof hij alleen was achtergebleven in een bunker, maar was wel nog altijd overtuigd dat hij kon winnen.’ Even tevreden was ze over het aftandse stationsbuffet waar Thee van Poolse vis te zien was. ‘Thee gaat over twee vriendinnen die na lange tijd bij elkaar op visite komen. Het begint hartelijk, maar krijgt snel iets wrangs. Dat in onbruik geraakte buffet met zijn mooie plafonds paste perfect. We hebben ook manieren gezocht om toevallige passanten bij de voorstelling te betrekken. De actrices speelden met open deur en algauw kwamen er mensen door de opening piepen. Op de ramen kleefden ze plastic met openingen in kantvorm – lekker ouderwets. Ook daardoor kwamen mensen gluren.’ Dat soort trucjes pasten Sophie De Somere en de jonge makers op zoveel mogelijk plekken toe. ‘We wilden de stad laten binnendringen in de voorstellingen en vice versa. Daar willen we volgend jaar nog meer mee experimenteren.’”

En het volledige artikel kun je dus lezen in STEPP#01, september 2011.

www.theateraanzee.be
www.marius.be

‘Op de rand van Nero’s bed’

Peter Verhelst en Wim Opbrouck

Nero, een monoloog geschreven door Peter Verhelst en gespeeld door Wim Opbrouck, heeft er zijn eerste speelreeks opzitten. Wie hem nog wil zien, moet wachten tot volgend seizoen. Vanaf november toert Nero door Vlaanderen en Nederland. Voor Staalkaart van mei-juli 2011 interviewde ik auteur en acteur.

Decor als dictator

Het decor waar Verhelst zijn keizer Nero in plaatst, wordt bepalend voor de voorstelling. ‘Het decor dicteert veel’, vertelt Wim Opbrouck. ‘Daardoor moeten elk woord en elke handeling bewijzen of ze recht hebben op een plaats in het stuk.’ Peter Verhelst beaamt: ‘Eigenlijk gedraagt het decor zich als een halve dictator die zegt: Nee, sorry, dit kan niet. Als maker moet je er als een riviertje je weg door zien te banen. Dat is ongelooflijk plezant om te doen, want het wordt juist daardoor ook helder. We willen geen gedoe, alles moet klein blijven.’

Klein blijven – dat geldt ook voor het personage Nero. De voorstelling begint wanneer hij een jongetje van vier is en loopt tot het einde van zijn leven. Verhelst: ‘Je ziet Nero in de loop van de monoloog groeien tot keizer, met alles wat daarbij komt kijken. Ik heb ervoor gekozen om geen wilde zot neer te zetten. Je krijgt een jongetje te zien in al zijn breekbaarheid. Hij heeft dromen en is bang. Hij heeft behoefte aan iemand die hem vastpakt. Zijn papa is dood, hij heeft alleen zijn mama en zijn leraar, Seneca, die hem leert hoe hij goed moet leven. En Nero is een ventje dat goed luistert, veel over de dingen nadenkt en op de duur zelf met ideeën begint te komen. Hij zou willen dat alles lief en mooi is en hij drijft die wil tot het uiterste door. Zulke mensen zijn altijd gevaarlijk.’ Die aanpak heeft natuurlijk gevolgen voor de manier van spelen. ‘Wim houdt alles klein en delicaat, waardoor de toeschouwer bij wijze van spreken op de rand van Nero’s bed komt te zitten.’

Als er iets niet relevant is voor zijn stuk, vindt de auteur, is het het loutere monster Nero, dat iedereen in zijn omgeving ombrengt en Rome in brand steekt. Zoals hij bij NTGent op het podium komt, doet de keizer Verhelst erg aan zichzelf denken. ‘Dat is de enige manier waarop het kan werken: je moet het gevoel krijgen dat hij je zoontje kon zijn.’

Het volledige artikel lees je in Staalkaart mei-juli 2011.

“Uiteindelijk kon ik niet meer weigeren”

Met Drie zusters keert actrice Alice Toen terug naar haar roots

Alice Toen stond vijfenvijftig jaar geleden mee aan de wieg van het Mechels Miniatuur Theater (nu: ’t Arsenaal). Met haar rol in Drie zusters keert de actrice terug naar haar roots. ‘Hoewel ik het de laatste tijd zo al erg druk heb, wou ik deze voorstelling toch doen. Na zoveel jaar is het natuurlijk heel speciaal voor mij om nog eens in het vroegere MMT te spelen’, zegt ze.

In de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw was het theater niet de meest vanzelfsprekende beroepskeuze. Al helemaal niet voor een meisje. ‘Mijn zus en ik speelden toneel, we zongen en ik speelde daarbij gitaar. We waren verzot op het podium. Maar onze vader vond dat wij talen moesten kennen, en dus studeerden we steno-dactylo Nederlands, Frans, Engels en Duits. Ik heb aan die studie een paar toffe jobs overgehouden. Ik heb nog gewerkt voor het Engelse leger – vertaalwerk, correspondentie, contacten met Belgen in Engeland: heel interessant. Daarna was ik secretaresse voor een scheepvaartmaatschappij in Temse. Ik ging met de patron mee als hij zijn boten ging bezoeken, ook in het buitenland. Het was prachtig, afwisselend werk.’ Maar de theaterkriebel was hardnekkig. Bij Luc Philips volgde Alice Toen een conservatoriumopleiding voor werkende mensen. De lessen en repetities vonden ’s avonds en in het weekend plaats. In 1956 studeerde ze af, een periode waarin het kamertheater volop opkwam als reactie tegen de vastgeroeste en al te hiërarchisch gestructureerde grote theaterhuizen uit die tijd. ‘Met onze klas besloten we ook een theatertje op te richten. We konden terecht in een kleine opslagplaats van brouwerij Lamot’, vertelt de actrice. ‘Boven speelden we, beneden hadden we een café waar we inkomsten uit haalden. Omdat dat eerste zaaltje zo piepklein was – vier meter bij vier – stelde Leo Van Horenbeeck voor om het Mechels Miniatuur Theater te dopen.’ Na een paar jaar volgde Alice Toen Luc Philips op als directeur van het MMT. ‘Och ja’, relativeert ze. ‘Directrice… wat stelt dat voor bij zo’n klein theater? Ik moest vooral de teksten kiezen, vertalingen maken, een beetje zorgen dat ik alles in goede banen leidde. Maar in zekere zin is Michael De Cock, die nu artistiek leider is van ’t Arsenaal, een van mijn opvolgers.’

Toch ging Alice Toen niet onmiddellijk op de rol in. ‘Ik heb het de laatste tijd erg druk’, legt ze uit. ‘Ik speel Madeleine in thuis, een vrouw met Alzheimer. En intussen heb ik al meer dan negentig voorstellingen van mijn monoloog Charlotte gespeeld. (…) Met al die activiteiten op haar programma vond Alice Toen dat ze op haar 86ste eigenlijk voldoende werk had. ‘Ik wierp op dat ik al die verre reisvoorstellingen niet meer zag zitten. Maar Michael De Cock is iemand die zijn zin doordrijft. Hij vond voor al mijn bezwaren een oplossing. Zo neemt Hilde Van haesendonck een aantal van de reisvoorstellingen voor haar rekening en krijg ik logies in Mechelen gedurende de repetitie- en speelperiode in ‘t Arsenaal. Dus uiteindelijk kon ik niet meer weigeren’, lacht ze. ‘Ik ben heel benieuwd, want ik heb nog niet eerder met Michael gewerkt. Hij is iemand met een eigen visie, een eigen manier van werken. Dat zal voor Drie zusters niet anders zijn. En nog eens een Tsjechov spelen is op zich ook al interessant, natuurlijk. Ik heb vroeger in de KVS al eens een voedster gespeeld in Tsjechovs Oom Wanja. In Drie zusters speel ik een vergelijkbare rol, zeker niet de grootste uit het stuk, dus, dat vooral draait om de verzuchtingen van drie zussen die verlangen naar een boeiender leven in de stad, maar die hun illusies één voor één zien verdwijnen.’

Meer lees je in het januari-februarinummer van Staalkaart.

Première 16 februari, ’t Arsenaal, Mechelen.
www.tarsenaal.be

Een verdacht adjectief – op zoek naar de juiste balans tussen sociaal en artistiek

De vernissage – MartHa!tentatief
Karamazov – De Figuranten

INES MINTEN

‘Sociaal-artistiek’ theater. De term blijft iets verdachts hebben. Het koppelteken suggereert gelijkwaardigheid tussen beide delen van het woord. Een sociaal-artistieke productie is net zo artistiek als sociaal. Maar klopt dat zomaar? Wordt theater niet altijd verondersteld artistiek te zijn? Dient het pleonasme misschien als camouflage voor een al dan niet misplaatst minderwaardigheidsgevoel? In de praktijk draait het hem om het vinden van een juist evenwicht tussen de twee leden van het adjectief.

Intussen wordt de sociaal-artistieke praktijk al tien jaar erkend door het cultuurbeleid, en heeft dit veld voortaan zelfs een eigen festival: het allereerste Enterfestival vond van 10 tot 14 november 2010 plaats in Brugge. Er beweegt dus heel wat. Dat is ongetwijfeld mee de verdienste van een aantal producties die dat heikele evenwicht tussen sociaal en artistiek behoorlijk goed hebben weten te vinden. Toch blijft sociaal-artistiek theater vaak het verwaarloosde broertje van het theater-dat-het-redt-zonder-expliciterend-adjectief: het Theater waarvan men het artistieke gehalte nooit in vraag stelt. Sociaal theater, daar zou toch geen hond naar willen kijken? Maar ook mét de toevoeging ‘artistiek’ hebben veel van dergelijke projecten het moeilijk om een regulier theaterpubliek te bereiken, terwijl het doorgaans wel beoogt om uit de cirkel van vrienden, kennissen en sympathisanten te breken. Alleen mankeert nog de reputatie. De titel ‘sociaal-artistiek’ wordt dubieus bevonden. Men wil het echte werk zien. Echte acteurs. Professionals. Die vooroordelen zijn niet altijd onterecht. Een maker moet uit het juiste hout gesneden zijn om met verre van professionele acteurs – vaak mensen met een problematisch privéleven – een kwaliteitsvol artistiek product te maken. Soms mislukt dat grandioos, met een vervelende tot ronduit gênante kijkervaring als resultaat. Producties die de gelijkwaardigheid in hun adjectief bereiken, zetten voluit in op de sterke punten van hun spelers en laten de minder overtuigende spelkwaliteiten in de schaduw. In het beste geval maken ze hun adjectief overbodig.

KIJKEN NAAR, NIET NAAST

De vernissage, een samenwerking van het theatercollectief MartHa!tentatief en enkele lokale sociale partners, kun je onderbrengen onder de noemer van ‘het betere sociaal-artistieke werk’. Bart Van Nuffelen en co deden interviews met de mensen die dag in dag uit rondhangen op het beruchte Antwerpse De Coninck-plein: straatbewoners, (ex-)drugs- en alcoholverslaafden, personen die niet goed weten waar naartoe en hun leven dus maar een tijdje op het plein parkeren. Drie maanden hebben de ‘mensen van het plein’ allerhande workshops gevolgd en kunstwerken gemaakt. De vernissage uit de titel slaat onder meer op de tentoonstelling van die werken, een prelude tot de voorstelling. Op basis van alle verhalen die Van Nuffelen intussen verzamelde, schreef hij een nieuw geheel. Het is een beproefde en verdedigbare manier van werken. Van Nuffelen is dicht bij de realiteit van zijn spelers gebleven. Hij vertelt een sociaal verhaal, hun verhaal, dat de stem van Gert Jochems door koptelefoons in de oren van de toeschouwers giet. Toch krijgen de pleinbewoners een prominente rol in de uitvoering. Ze zijn allen mee aanwezig, helpen de avond in goede banen leiden, rollen en slepen met decorstukken, illustreren live hun eigen of elkaars verhaal. Voor één keer kijkt het publiek naar en niet naast de mensen van het plein. Sociaal opzet geslaagd. En door de pleinbewoners te laten doen wat ze konden en niet meer van hen te vragen dan dat, heeft MartHa!tentatief tegelijk zijn professionele kwaliteit bewaakt. Artistiek opzet net zo geslaagd.

ZAPPEN DOOR DOSTOJEVSKI
De voorstelling Karamazov van De Figuranten zet het sociaal-artistieke adjectief op een andere manier in praktijk om. Hier slaat de sociale poot niet op de inhoud, noch dient het artistieke als schaamlap voor het eerste deel van het woord. Bij deze voorstelling is het uitgangspunt sociaal, het resultaat echter, is puur artistiek. De Figuranten is een sociaal-artistiek gezelschap uit Menen, de West-Vlaamse grensstad met een hoger percentage historisch gegroeide kansarmoede dan het Vlaamse gemiddelde. De Figuranten werken al tien jaar met hun doelgroep en wisten zich met hun producties al meer dan eens in de kijker te plaatsen. Karamazov is een project van gastregisseur Ivan Vrambout. Veel meer dan het MartHa!tentatief zet hij zijn spelers in als spelers. Gewaagd, maar met resultaat. De Figuranten zetten een opmerkelijke bewerking neer van De broers Karamazov. Een kleine duizend pagina’s had Fjodor Dostojevski nodig om het relaas van het ontwrichte gezin Karamazov te vertellen. Hij stapelt verhaal op verhaal, uitweiding op uitweiding, personage op personage. Genadeloos fileren De Figuranten die dikke Dostojevski nu, tot er niet meer overblijft dan dat wat de makers en spelers als de essentie beschouwen. Hun essentie, welteverstaan. Die geven ze weer in zo’n 45 minuten uiterst gebald theater, met of zonder adjectief. Acht personages en achttien korte scènes. Meer hebben ze niet nodig om recht in het hart van de roman te priemen.

Wanneer, pakweg, Guy Cassiers een literaire klepper ensceneert (we noemen lukraak: Onder de vulkaan van Malcolm Lowry of De man zonder eigenschappen van Robert Musil), dan is de eerste opdracht voor de acteurs: ‘lees het boek’. Komt Ivan Vrambout met zo’n vraag bij zijn spelers, dan lachen ze hem onomwonden het podium af. De Figuranten vragen een andere benadering. Toch twijfelde Vrambout geen seconde aan de geschiktheid van het materiaal. Hij vond in het boek een aantal thema’s waarvan hij de relevantie voor een sociaal-artistiek project hoog achtte: eergevoel, het recht om het lot in eigen handen te nemen, de zoektocht naar en het recht op vrijheid, het geloof, de schuld… Al die thema’s komen aan bod in de zoektocht van de personages naar hun eigen positionering tegenover de bullebak in vader Karamazov (een sterke vertolking van Mathieu Tierrie). ‘Pjotr Karamazov leeft zonder enige zelfkritiek en met de nodige wil tot provocatie. De zonen en de hele entourage zoeken een antwoord op zijn gedrag’, zegt Vrambout. Een belangrijke spil in die zoektocht is zoon Ivan (Karel Vanaudenaerde). Hij heeft gestudeerd en zijn atheïstisch-filosofische theorieën hebben grote invloed op de rest van de familie. ‘O de mensen niet by machte zyn vo elkander te beoordelen, en o er geen God es, ton es olles veroorloofd’, luidt er de gevulgariseerde versie van. Alosja (Patrick Van Kerckhove) zet zich tegen de filosofie van zijn broer af door zijn heil te zoeken in religie. De meeste anderen incorporeren Ivans theorie, maar zetten ze wel naar hun hand. Voor de knecht annex bastaardzoon (Olivier Dewiest) is het simpel: alles is geoorloofd, zelfs moord. Punt. Dimitri (Pieter Vanaudenaerde) oreert dan weer dat je provocatie mag tegengaan met geweld. Het immorele karakter van zijn vader haalt hij aan als extra excuus. Groesjenka, de vriendin van de vader die het tevens aanlegt met Dimitri (Tamara Seynhaeve), bepleit een radicale vrijheid van meningsuiting. Het bizarre personage Muis (compleet met muizenkostuum) besluit het pand te verlaten: ze heeft al te veel gezien en is van mening dat je confrontaties sowieso het best uit de weg gaat. Ivan zelf krijgt het laatste woord. Maar in plaats van oplossingen te bieden, zoals iedereen dat van hem verwacht, laat hij als een ware filosoof de antwoorden in het midden. ‘Wuk doe je nu met (…) zo’ne provocateur. Neerslaan? Zouden we em neerslaan? Nere knallen?’ Hij richt zijn slotmonoloog rechtstreeks naar het publiek. Iedereen moet zichzelf naar eer en geweten een mening vormen.

De eigenlijke thema’s waren voor Vrambout de belangrijkste aanleiding om met De Karamazovs aan de slag te gaan. ‘Ik ben van mening dat een regisseur het best zelf een inhoud meeneemt in het werkproces’, zegt hij. ‘Op die manier kunnen spelers binnen een sociaal-artistieke organisatie zich volledig engageren in het spel, waarin ze als speler en als persoon kunnen evolueren.’ Vier maanden lang hebben makers en spelers rond Dostojevski’s roman samengewerkt. Spelend en improviserend tastten ze de thema’s af. ‘Op zo’n verkennende manier kiezen we de personages. Nadien spelen we enkele scènes en interview ik de spelers over de thema’s die relevant zijn voor hun personage.’ Met al die informatie in het achterhoofd begon Ivan Vrambout vervolgens te schrijven. De spelers zetten de tekst van Vrambout nadien weer om in eigen woorden, hun eigen dialect. Dankzij de naturel die ze op die manier bereiken, loopt de voorstelling nergens in de val van stuntelig, amateuristisch spel. Hoewel de uit de roman gedistilleerde thema’s aansluiten bij wat de spelers in het dagelijks leven belangrijk vinden, zit het sociale luik in deze voorstelling nergens het artistieke in de weg. Het resultaat van deze manier van werken is een spitse, snelle en brutale bewerking die erin slaagt om dicht
bij de geest van Dostojevski te blijven en de spelers toch dicht op de huid te zitten. Karamazov biedt een scherpe, zij het ontzettend uitgezuiverde eenentwintigste-eeuwse blik op Dostojevski’s materiaal. Theater zoals Karamazov heeft geen adjectieven nodig. De voorstelling is onverdacht en evenwichtig artistiek, met een gezonde sociale reflex als uitgangspunt.

Het woord sociaal-artistiek zal zijn dubieuze connotatie misschien nooit volledig kwijtraken. Je kunt dat jammer vinden voor producties die een betere reputatie verdienen. Maar je kunt het ook anders zien. Zolang gezelschappen door de term uitgedaagd worden en er nieuwe en boeiende invullingen aan weten te geven, kan hij het theaterlandschap ook net verrijken. Die groepen mogen hun adjectief dragen als een geuzennaam.

De vernissage, gezien op 14 april 2010 op locatie in Antwerpen. Karamazov, gezien op 20 juni 2010 in CC De Steiger, Menen.

Deze tekst kwam tot stand in het kader van Corpus Kunstkritiek, een initiatief van VTi – Vlaams Theater Instituut, met steun van Vlaams-Nederlands Huis deBuren. http://www.vti.be/corpuskunstkritiek

De teksten van het Corpus Kunstkritiek vallen onder de licentie Creative Commons Attribution-Noncommercial-No Derivative Works 2.0 Belgium, wat betekent dat de teksten verspreid, maar niet veranderd mogen worden. Elke vorm van verkoop of betalende distributie is apart te onderhandelen, contacteer VTi.

‘Variété met dansende poppen’

Stukken van mensen van Ultima Thule

Figurentheater Ultima Thule tourt opnieuw met Stukken van mensen. De voorstelling vertelt verhalen over eenvoudige mensen die vat proberen te krijgen op hun eigen bestaan, maar daar niet of nauwelijks in slagen. ‘Ze kijken verwonderd naar de wereld en slaan in paniek als daar ook maar één schakel in verandert’, zegt Wim De Wulf, auteur en regisseur van het stuk.

‘De personages uit Stukken van mensen hanteren een kromme logica die ik heel mooi vind’, legt Wim De Wulf uit. ‘Er schuilt een soort tragiek in al wat ze doen en zeggen.’ Een tragische voorstelling is het nochtans niet. De Wulf baseerde zich op de sketches van Karl Valentin, een Duitse cabaretier die vooral in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw veel succes kende. De auteur-regisseur kwam met het materiaal in contact in het begin van de jaren tachtig, toen hij met het gezelschap Mannen van den Dam een Valentin-voorstelling maakte. ‘We hebben dat stuk 120 keer gespeeld en ik heb me er toen ongelooflijk mee geamuseerd. De liefde voor Valentins groteske humor ben ik nooit meer kwijtgeraakt. Omdat we met Ultima Thule vaak de poëtische kant opgaan, vond ik een variétéstuk een leuke afwisseling. Variété met poppen die aan het dansen slaan, zie je ook niet elke dag.’

De rest van het artikel lees je in RandKrant van december 2010.
De speellijst van Stukken van mensen vind je op www.ultima-thule.be


Flattr this