Illustrator Jurgen Walschot: ‘Elke tekst vraagt een ander soort beeld’

18/05/2016

Wanneer illustrator-vormgever Jurgen Walschot een stapel van zijn boeken en schetsen op tafel legt, heb je meer dan één blik nodig om zijn stijl te vatten. ‘Ik hou van afwisseling’, zegt hij. ‘Elke opdracht vraagt een andere aanpak.’

Hij neemt prentenboeken voor kinderen, geïllustreerde verhalen voor eerste lezers en bundels voor volwassenen uit zijn rek. Daarin staan prenten in uitbundige kleuren, ingetogen tekeningen, collages, werk in houtskool… ‘Het lijkt misschien gek dat die uiteenlopende dingen allemaal van één persoon zijn. Maar volgens mij vraagt elke tekst een ander soort beeld. Ik leef me in een opdracht in en amuseer me. Zo kom ik aan die uiteenlopende resultaten.’

211_ran16-04_jg20_04_cover_lrBovenaan de stapel ligt de recentste boekenbaby: De ster, de god, de vleugels en de ster. De tekst is van An Willaert, Jurgen Walschot tekende. ‘An is mijn collega aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas Brussel. Zoals dat gaat onder collega’s, waren we eens aan het babbelen over dingen waar we zoal mee bezig waren. Ze liet me de tekst lezen en onmiddellijk kreeg ik zin om er prenten bij te maken. Hij is fantasierijk, poëtisch en uitgepuurd. Daardoor is het een boek geworden waar je in twee minuten door kunt bladeren. Maar je kunt het ook telkens opnieuw oppakken en zult er elke keer weer nieuwe dingen in ontdekken.’ Dat geldt zowel voor de illustraties als voor de tekst. ‘Het boek doet je nadenken’, vindt Walschot. ‘Over het leven, de dood, de dingen waar we allemaal mee bezig zijn.’ Het verhaal begint met een ster die ontploft. Er verschijnen vleugels die op zoek gaan en zich voeden met wat ze tegenkomen. Een walvisgod duikt uit het water op en meet zich de vleugels aan… In twee minuten kun je onmogelijk de vele lagen van het boek vatten. De oerknal kun je herkennen, maar je denkt ook aan engelen en scheppingsverhalen, aan de cyclus van het leven. ‘Veel lezers vinden het boek donker’, vertelt de illustrator. ‘Akkoord, er komt dood in voor en ik gebruik veel zwart in de prenten, maar ik vind dat er ook hoop uit spreekt.’

Persoonlijke details
Hoe begint een illustrator aan zo’n boek? Na de instantklik die Jurgen Walschot voelde toen hij de tekst van An Willaert las, begon hij te schetsen.
Hij pakt het juiste schetsboek van de stapel en bladert er even door, tot hij bij een tekening van een explosie komt. ‘Dit was mijn eerste idee. Het sterrenthema dat ik uiteindelijk heb uitgewerkt, was er toen nog niet bij. Ik las het eerste stuk van de tekst en dacht: de tekeningen moeten knallen.’
Walschot werkt niet graag lukraak. Als hij prenten tekent, kijkt de vormgever in hem constant mee. ‘En dan maak ik vrij snel een kleine maquette die aantoont hoe de vormgeving van het hele boek er moet uitziet. Voor De ster dacht ik onmiddellijk aan een liggend boek. Ik wou ook dat er grote dingen in voorkwamen: een walvis, bergen… Ik hou zelf heel erg van de bergen. Zodra ik wat tijd heb, trek ik er graag in mijn eentje naartoe. Ik kom er tot mezelf. Daarom vond ik bergen perfect bij dat uitgepuurde, filosofische verhaal passen.’ Op die manier verwerkt Jurgen Walschot telkens een aantal persoonlijke details in zijn werk. ‘Een lezer merkt zoiets misschien niet op, maar het zit er wel.’
Zo zul je niet gauw een werk van Jurgen Walschot vinden waar nergens een vogel in figureert. ‘Als de grote lijnen van een tekening klaar zijn, begin ik ze te stofferen met details.’ Hij wijst er enkele aan in verschillende van zijn boeken. ‘Hier zie je twee duiven, daar kruipt een eekhoorn in een boom, hier zit een ekster. Vogels zijn er altijd. Je hoeft maar even naar buiten te kijken en je ziet er wel eentje. Daarom horen ze ook in mijn boeken thuis. Ik hou heel erg van de vrijheid waar die beestjes symbool voor staan.’

Tekenfilms in schoolboeken
Als kind tekende Jurgen Walschot zijn schoolboeken vol. ‘Ik had een lekker dik boek van Frans: daar maakte ik graag van die flip-over tekenfilmpjes in. Het gevolg was wel dat ik mijn schoolboeken op het eind van het schooljaar nooit doorverkocht kreeg. Iedereen wou een volledig blanco exemplaar, terwijl zo’n geïllustreerd boek toch veel interessanter is, niet?’ lacht hij. Op zijn achttiende leek een tekenopleiding hem wel iets, dus hij trok met een klasgenoot naar de eindejaarstentoonstelling van Sint-Lukas in Brussel. ‘Die tentoonstelling heeft me toen zo afgeschrikt, dat ik de studie aanvankelijk niet aandurfde. Ik vreesde dat ik zoiets nooit zou kunnen en koos voor de ‘veiligere’ lerarenopleiding.’ Als eindwerk stak Walschot een kunstproject met illustraties in elkaar. ‘Mijn promotor vond die zo goed dat hij me aanraadde er iets mee te gaan doen.’ En zo trok hij uiteindelijk toch nog naar Sint-Lucas, in Gent. ‘Het gekke is dat ik nu zelf lesgeef aan de kunsthumaniora van Sint-Lukas in Brussel. Telkens als ik daar tentoonstellingen bouw met werken van de leerlingen, denk ik terug aan die keer dat ik daar zelf zo door overdonderd was. Daarom toon ik altijd graag meer dan de allerbeste eindresultaten. Ik laat ook graag iets zien van het proces dat tot dat resultaat heeft geleid.’

Lees het volledige artikel in RandKrant, mei 2016.

Advertenties

Beeldend kunstenaars Tinka Pittoors en Kris Fierens: “Koppig zijn en doorgaan”

13/05/2016

Een zomertentoonstelling in Belgisch-Luxemburg, een kunstveiling voor Ringland in mei, solotentoonstellingen in verschillende galeries, een handvol groepstentoonstellingen en eigen evenementen: het is druk voor beeldend kunstenaars Tinka Pittoors en Kris Fierens. Drie jaar geleden nam het koppel zijn intrek in een oude kopergieterij. Ze beschikken er elk over een indrukwekkend atelier en hebben er plaats om volk te ontvangen. “Omdat we weten dat we het nu aankunnen, organiseren we geregeld atelierbezoeken. Deze plek is onze ambassadeur geworden”, vindt Fierens.

P1190524_1024

Kris Fierens: “We nodigen mensen uit, geven diners en feestjes voor vrienden, bieden mensen atelierbezoeken aan. Een kunstenaar mag niet op zijn mansarde blijven zitten: als de mensen je niet zien, besta je niet.”

Tinka Pittoors: “Kunst is communicatie. Soms vragen we ons zelf af hoe we vroeger overleefd hebben, toen we niet de ruimte hadden om evenementen te organiseren of zelfs maar om ons werk op een degelijke manier tot stand te brengen.”

KF: “Tinka heeft ooit een sculptuur in stukken moeten zagen omdat ze te groot was om ze uit haar mini-atelier te krijgen. We leven hier misschien niet in de grootst denkbare materiële weelde, maar hier kunnen wonen en werken is luxe op zich.”

TP: “Er zijn twee dingen onbetaalbaar in het leven: tijd en ruimte. Wij hebben ervoor gezorgd dat we die hebben. Als je dan met de rest soms wat minder moet doen, dan is dat maar zo.”

KF: “In de kunst gaat het vaak zo: de ene dag eet je droog brood met water, morgen kun je de champagne opentrekken en de dag erna is het weer wat anders. De meeste mensen nemen zulke risico’s niet in het leven en kiezen voor veiligheid. Maar onze grootste rijkdom is dat we kunnen doen wat we doen.”

Wanneer hebben jullie beseft dat de kunst jullie die rijkdom kon brengen?

TP: “Ik zat als kind op de tekenacademie, maar na het middelbaar onderwijs voelde ik me wat schoolmoe, dus toen ik 18 was, wist ik het niet zo meteen. Na een jaar ben ik dan regentaat plastische opvoeding gaan studeren en pas daarna ben ik op de academie terechtgekomen: ik heb schilderkunst en mixed media gestudeerd aan het KASK. Toen heb ik echt alles op alles gezet, want ik besefte heel goed dat ik mijn richting gevonden had en het nu niet mocht verprutsen.”

KF: “Mijn vader zaliger vertelde graag een bepaalde anekdote over mij. Toen ik van mijn eerste dag in het eerste leerjaar thuiskwam, vroeg hij me of ik een lieve juf had. Ik moet daarop geantwoord hebben: Ze heeft een beetje een fout blauw in haar kleedje. Daarmee is veel gezegd. Ik was een dromer en ik zat met een esthetiek die ik wou ontwikkelen, maar ik wist niet hoe. Er leefde bij ons thuis geen cultuur voor dat soort dingen. Tekenschool volgen zat er bijvoorbeeld niet in. Ik was op mezelf wel altijd een beetje creatief bezig, maar niet echt uitgesproken. Wat wel een verschil heeft gemaakt, is dat de beeldhouwer Bert De Leeuw vijf straten verderop woonde. Hij had zijn atelier in een groot, modernistisch gebouw en ik mocht hem af en toe gaan helpen. Dat interesseerde me enorm. Maar voor de rest bleef het vooral zoeken: ik hield vast aan iets wat ik verder niet kon duiden. Uiteindelijk ben ik dan toch naar de academie gegaan, maar ook daar vonden de leraren me onhandelbaar en maakte ik dingen die ze niet echt konden smaken. Het bleef dus een zoektocht. Na veel vijven en zessen ben ik afgestudeerd en dan heb ik de Jeune peinture gewonnen. Op dat ogenblik was ik nog te jong om zo’n prijs aan te kunnen, dus het is erna eerst even bergaf met me gegaan, en daarna weer bergop. Zo, met ups en downs, heb ik stilaan wat respect vergaard.”

Tinka, hoe is de overgang naar het professionele leven bij jou verlopen?

TP: “Ik heb het geluk gehad dat ik onmiddellijk heb kunnen tentoonstellen en enkele verzamelaars heb gevonden die mijn werk begonnen te kopen. Het is eigenlijk allemaal heel natuurlijk gelopen. Mijn eerste tentoonstelling was in café De Geus van Gent. Meteen daarna ben ik opgepikt door het S.M.A.K. voor Coming People. Op financieel vlak hebben mijn ouders in de beginperiode heel goed voor me gezorgd. Ze hadden een huisje met een klein atelier voor me gekocht in Gent, waar ik dus gratis kon wonen en werken. Dat heeft me veel vrijheid gegeven.”

Lees meer via Kunstenloket.

www.krisfierens.eu
http://tinkapittoors.com
www.facebook.com/tinka.pittoors


Mario De Koninck: “Ik wil vooral grappen maken”

13/05/2016

“Niemand zit op jou en je werk te wachten. Met hopen dat je op een dag ontdekt zult worden, kom je dus niet ver”, vindt cartoonist, tekstschrijver en performer Mario De Koninck. Onder de nom de plume AAaRGh tekent hij al 15 jaar cartoons voor kranten, tijdschriften, uitgeverijen, reclamebureaus en bedrijven. Daarnaast schrijft hij teksten voor het programma Komen Eten, is hij deel van een improvisatietheatergroep en doet hij aan cartoon comedy. “Je moet je werk weten te verkopen.”

Ik en mijn potlood

“Als je wil publiceren, moet je zelf de eerste stappen zetten: mensen lastigvallen met je werk, zeg maar. Ik ben op redacties langsgegaan, heb ontelbare tekeningen opgestuurd, bleef bellen tot ik de juiste hoofdredacteur of grafisch vormgever aan de lijn kreeg. En nee, het is niet makkelijk om iemand te overtuigen, maar je moet blijven zoeken en volhouden tot je ergens een opening vindt. Bij mij kwam die er dankzij TeVeBlad. Op een gegeven ogenblik moet daar iemand gedacht hebben: laten we het een keer proberen. TeVeBlad was mijn eerste klant en ik teken zoveel jaren later nog altijd voor hen.
En zodra je enkele geloofwaardige referenties kunt voorleggen, rijf je merkbaar vlotter nieuwe klanten binnen.”

Je moet dus wel tot op zekere hoogte een ondernemer zijn?

“Dat moet, ja. Op de site van de VDAB zul je niet snel vacatures voor cartoonisten vinden. Je moet je dus zelf ergens zien binnen te werken, je plek opeisen. En ik denk dat het voor veel creatieve beroepen op die manier werkt.”

Hoe ben je cartoonist geworden?

“In het middelbaar had ik 8 uur wiskunde en op het eind was ik dat vak zo beu dat ik liefst iets totaal anders wou doen. Ik schreef graag en ik hield van sport, dus ging ik communicatiewetenschappen studeren met de bedoeling om sportjournalist te worden. Sportjournalistiek evolueerde naar algemene journalistiek en toen ik pas was afgestudeerd, kon ik freelance aan de slag als columnist voor het roddelblad Blik. De vrijheid die ik in dat genre had, beviel me. Maar naarmate er meer algemeen journalistieke opdrachten binnenliepen, werd ik minder enthousiast. Ik wou nog wel iets doen met de actualiteit, maar ik hield er niet van dat je telkens moest springen als er ergens iets gebeurde.
In de tussentijd was ik ook veel met tekenen bezig – iets wat ik altijd al veel had gedaan. Ik heb mezelf een jaar gegeven om een eigen stijl te ontwikkelen en te onderzoeken of je wel degelijk als cartoonist aan de bak kunt komen. In cartoons ontdekte ik eenzelfde vrije manier om met de actualiteit om te gaan als in mijn columns. Het bleek een logische keuze voor me.”

Lees meer via Kunstenloket.


Filmmaker Rachida El Garani: ‘Een goed verhaal kruipt in mijn hoofd’

18/04/2016

Op 36 trok ze naar de filmschool. Vier jaar later stond haar film Into darkness op het grootste Europese documentairefestival en won ze de prestigieuze VAF Wildcard. ‘Het is nooit te laat om je dromen na te jagen.’

(c) Filip ClaessensRachida El Garani woont in Zaventem, maar groeide op in Genk. Haar vader was in de jaren 60 als mijnwerker naar België gekomen, altijd met het idee om ooit naar Marokko terug te keren. Dat nooit uitgevoerde plan van de vader zat de droom van de dochter in de weg. ‘Ik wou studeren, maar mijn vader dacht dat een beroepsopleiding me in Marokko beter van pas zou komen.’ Stiekem schreef ze zich toch in voor het ASO-onderwijs. Enkele maanden ging dat goed, tot haar vader erachter kwam en haar stante pede naar het BSO verhuisde. ‘Dat heeft me toen erg geraakt’, zegt El Garani. Op 18 jaar vond ze in Limburg alleen werk als schoonmaakster of aan de band van Ford. ‘En dat wou ik niet. Ik solliciteerde naar administratief werk en stapelde de weigeringen op.’ Ze is ervan overtuigd dat haar afkomst daar veel mee te maken heeft. ‘Ik heb het uitgetest. Ik belde in eigen naam en kreeg te horen dat een vacature was ingevuld. Vijf minuten later belde ik als Stefanie en kreeg ik meteen alle informatie. Dat frustreerde me enorm.’ Uiteindelijk trok ze richting Brussel. Dankzij haar kennis van Frans en Nederlands vond ze er vrijwel meteen werk als secretaresse.

Passie: film
De studiekriebel bleef, maar er leek nooit een moment te komen om zich deftig aan die ambitie te wijden. Tot in 2009. Door de crisis raakte El Garani even werkloos en ze besloot de vrijgekomen tijd nuttig te besteden aan haar grote passie: ze volgde een filmcursus. De reportage die zij en haar man Hamid daarvoor maakten over verdoofd slachten gooide hoge ogen. ‘Het Offerfeest kwam eraan. En Antwerpen stelde opeens verdoving op de slachtvloer voor. Dat schoot veel moslims in het verkeerde keelgat, vooral omdat onze gemeenschap niet gehoord was over de beslissing. In plaats van te feesten, zijn we drie dagen gaan filmen. We lieten alle betrokken partijen aan het woord: moslims, joden, dierenrechtenorganisatie GAIA en politici.’ Tijdens één van de vertoningen ontmoette ze VRT-journalist Rudi Vranckx. ‘Er zit iets in jou’, zei hij. ‘Waarom ga je niet professioneel?’

Doe het nu
Uiteindelijk spoorde haar man haar aan om naar het RITCS te gaan. Hij hoorde haar al zolang gepassioneerd over film spreken, hij wist hoe graag ze het wou. ‘Doe het nu’, zei hij. ‘Je bent 36: nu kan het nog.’ Een makkelijk parcours werd het niet: vaak was het goochelen met tijd en geld. Rachida ging halftijds werken en Hamid klopte extra uren om het inkomensverlies te compenseren. Zij holde van het RITCS naar de school van haar kinderen, van haar werk naar de filmset. In het laatste jaar zette ze alles op alles om een goed eindwerk af te leveren. ‘Het was mijn grootste angst dat ik na vier jaar knokken niets zou bereiken in de film.’ Nu kan ze op beide oren slapen. Into darkness oogst niets dan lof.
De camera volgt de 9-jarige Mohamed. Hij ziet heel slecht, maar hoopt dat hij nooit volledig blind zal worden zoals zijn vader en haast al zijn familieleden. El Garani vond het verhaal tijdens een vakantie in Taroudant, de geboortestreek van haar ouders. ‘Het nestelde zich in mijn dromen. Als dat gebeurt, weet ik dat ik goed zit: ik moest en zou dit verhaal filmen.’ De vrouwen van de familie had ze snel op haar hand, maar Achmed, de vader en de enige volwassen man in huis, had meer overtuiging nodig. ‘Vooral dat er een man achter de camera stond, vertrouwde hij niet. Hij ging overdag bedelen om een inkomen te vergaren. Hoe kon hij dat met een gerust hart doen, wetende dat hij een vreemde man had binnengelaten in zijn vrouwennest? Afwachtend en wantrouwig weigerde hij het huis te verlaten. Na drie dagen was het in orde. Hij was aan ons gewend geraakt, het vertrouwen was er en hij kon weer op pad.’
De ploeg begon te filmen zonder goed te weten wat ze precies zou vinden. ‘Wat we ontdekten, was die kleine jongen. Met het beetje zicht dat hij nog had, wilde hij constant naar mijn filmmateriaal kijken. Vooral de werking van een lens fascineerde hem: hoe je door simpel te draaien scherper of minder scherp kan kijken. Tijdens elke pauze zat Mohamed bij mij. Toon eens met de lens hoe slecht jij precies ziet, vroeg ik. Zo, spelenderwijs, leerde hij me zijn wereld zien.’ El Garani besloot hem als hoofdpersonage te kiezen en hem de rol van reporter te geven. Mohamed stelt zijn familieleden bijna en passant de vragen die een journalist normaal zou stellen. Die ingreep geeft de documentaire haar grote kracht. De jongen neemt de toeschouwer bij de hand. Hij laat je de hoop voelen wanneer de familieleden hun ogen voor het eerst grondig laten onderzoeken. Hij laat je voelen wat het is wanneer die hoop in één klap weer wordt weggeveegd. De documentaire – en zeker de overweldigend ontroerende climax – laat geen toeschouwer koud.

Lees het volledige artikel in RandKrant, april 2016.


Actrice-theatermaakster Lies Pauwels: “Ik pomp mijn bloed in al wat ik doe”

02/03/2016

“Het is een lastige periode voor me”, vertelt theatermaakster Lies Pauwels. Ze was twee weken aan het repeteren aan haar nieuwe monoloog Melle toen ze te horen kreeg dat de muziektheatervoorstelling geen projectsubsidie kreeg. Aan artistieke visie en expertise nochtans geen gebrek: Pauwels zou spelen, Josse De Pauw had de tekst klaar, Ad Cominotto fungeerde als muzikale coach. Maar nee: het project werd afgeketst op een net niet ‘heel goed’ zakelijk dossier. Een bittere pil, zeker omdat er al een speelreeks van 18 voorstellingen vastlag. Maar zonder geld kun je geen professioneel theater maken, dus heeft ze noodgedwongen heel de tournee geannuleerd. “Ik ben een vechter en blijf vechten, maar het is wel allemaal erg vermoeiend en echt niet fair.”

“We geven Melle niet zomaar op, hoor. In het najaar van 2017 willen we er opnieuw voor gaan. We maken werk van een nieuw en sterker dossier: we hebben nu het voordeel dat we de tijd hebben om onze ideeën nog beter te onderzoeken en dus het concept nog steviger te maken. Intussen zet ik alles op alles om een totaal nieuwe productie uit de grond te stampen. Die zou dan op Theater aan zee 2017 in première gaan.
Het zijn in het algemeen moeilijke tijden voor de theatersector. Financieel ben ik momenteel absoluut slechter af dan toen ik pas begon. Als acteur werk je tegenwoordig met dagcontracten, waardoor er veel meer gaten vallen in je werkschema. Vroeger werkte je meestal in blokken van verscheidene weken tot maanden: van de eerste repetitiedag tot de laatste dag van de speelreeks was je in dienst bij een gezelschap en werd je betaald. Dat is verleden tijd, waardoor je als acteur of theatermaker sowieso meer moet cumuleren. Vlak voor Kerstmis, bijvoorbeeld, was ik tegelijk met mijn voorstellingen White Lies en Hamiltoncomplex aan het touren, een filmscenario aan het schrijven, Melle aan het voorbereiden én les aan het geven. Dan verzuip je even.”

actrice, regisseur en scenarioschrijfster Lies Pauwels

actrice, regisseur en scenarioschrijfster Lies Pauwels

Je jongerenvoorstelling Hamiltoncomplex doet het in elk geval heel goed. Ze is positief onthaald door pers en publiek en ze wordt binnenkort hernomen.

“In maart staan we op het Lift Festival in Londen en daarna spelen we nog op verscheidene plekken in binnen- en buitenland. Ik ben heel gelukkig dat de voorstelling weer wordt opgepikt, want ze ligt me heel na aan het hart.”

Waarom heb je voor een carrière in het theater gekozen?

“Ik ben er van thuis uit een beetje in gerold. Mijn vader (Dirk Pauwels, IM) maakte samen met onder anderen Josse De Pauw deel uit van Radeis en heeft later Victoria, het huidige Campo, geleid. Zelf speelde ik al bij het Speeltheater van Eva Bal. Een richting als kunstgeschiedenis zag ik ook best zitten, maar het voelde op dat ogenblik logisch en organisch om naar de toneelschool te gaan. Ik denk trouwens nog altijd dat het de beste keuze is geweest: de podiumkunsten blijken voor mij de juiste context om wat in me zit naar buiten te brengen en gestalte te geven.”

Had je toen ook al een vastomlijnd idee van wat je precies wilde doen in het theater?

“Nee. Dat heb ik uitgevist bij eliminatie. In het begin heb ik veel uitgeprobeerd en gaandeweg begreep ik beter wat me wel en niet lag of wat ik al dan niet belangrijk vond. Ik leg mijn persoonlijkheid heel erg in wat ik doe – ik pomp er mijn bloed in. Dat kun je alleen als je echt volledig achter een project staat. Als ik nu een voorstel krijg waarvan ik weet dat het niets voor mij is, dan zal ik niet toehappen. Zulke dingen leer je maar gaandeweg.”

Was het moeilijk om je als starter een weg te banen in de theaterwereld?

“Dat ging behoorlijk vlot. Ik heb het geluk gehad dat ik heel snel door een aantal mensen ben opgepikt. Meteen nadat ik was afgestudeerd, kreeg ik een rol in de tv-serie Moeder, waarom leven wij?, waar ik al meteen met veel verschillende mensen heb kunnen samenwerken. Vervolgens ben ik onder meer bij De Vereniging van Enthousiasten en Erik De Volder terechtgekomen. Ik heb ook meegespeeld in de trilogie Moeder en kind, Bernadetje en Allemaal indiaan van Arne Sierens en Alain Platel, onder de vleugels van Victoria. Die beginperiode is bepalend geweest voor de weg die ik als kunstenaar ingeslagen ben.”

Kon je er dan ook meteen van leven?

“Ja. Maar goed, in periodes zonder contracten, krijg ik een uitkering. Als je die meerekent, dan heb ik er inderdaad altijd van kunnen leven. Rijk ben ik niet, verre van. En ik weet dat ik veel meer geld zou kunnen verdienen als ik het iets slimmer aan boord legde, maar ik heb daar het hoofd niet voor en ik wil met dat soort zaken ook zo weinig mogelijk bezig zijn.
Anderzijds vind ik het wél vervelend dat je sommige maanden al haast moet gaan schooien om een deftig maandloon bij elkaar te krijgen. In die zin ben ik blij dat het RITS, waar ik lesgeef, overweegt om me binnenkort voor enkele uren vast te benoemen. Dan valt mijn uitkering volledig weg, maar is er wel elke maand een klein vast bedrag waarop ik kan rekenen. Dat zou een en ander vereenvoudigen.”

Je zegt dat je niet graag bezig bent met financiële zaken. Ben je voor zakelijk advies al eens bij het Kunstenloket geweest?

“Toen ik mijn vzw Sontag heb opgericht, ben ik daarvoor bij Kunstenloket te rade gegaan. Hoewel ik moet toegeven dat Kelly De Cock, mijn zakelijke partner, dat voornamelijk voor mij heeft gedaan: hoe richt je een vzw op, hoe vraag je projectsubsidie aan… Ik liet het allemaal graag aan Kelly over, want dat soort materie gaat er bij mij heel moeilijk in. Het is als met een computer: ik werk ermee, maar ik hoef echt niet te weten hoe het allemaal in elkaar zit. In elk geval hebben we in die periode veel aan het advies van Kunstenloket gehad.”

Hoe ervaar je de balans tussen werk en privéleven?

“Er bestaat bij mij geen duidelijke scheiding tussen beide. Zo heb ik het ook het liefst, want mijn beroep is mijn manier van leven: ik ben thuis ook actrice en theatermaker. Niet dat ik mijn man en kinderen zit te regisseren of zo (lacht), maar het is niet iets wat je zomaar afzet. Als ik met een productie bezig ben, zit ik daar in mijn privétijd ook over na te denken. En als ik in het buitenland werk, neem ik mijn dochters zoveel mogelijk mee. In Melle zullen ze trouwens samen met mij op de scène staan. Ik denk dat ik best zou gedijen in zo’n echt circusgezin dat constant alles samen doet – maar dat is romantiek, zeker?
Puur praktisch gezien, is het constant puzzelen. Mijn man is freelancefotograaf bij De Standaard, dus hij heeft evenmin regelmatige uren. Het is niet altijd eenvoudig, maar met wat hulp van de familie lukt het wel. We proberen er ook zoveel mogelijk te zijn voor de kinderen. Dat is dan weer het voordeel van de job: je hebt periodes waarin je veel weg bent, maar daar staan periodes tegenover waarin je bijna constant thuis bent. Mijn eigen ouders waren veel afwezig en dat heeft mijn persoonlijkheid voor een stuk gevormd: het heeft me sterk gemaakt, maar het heeft zeker ook sporen nagelaten. Daarom proberen we er altijd voor te zorgen dat minstens een van ons thuis is om de meisjes in bed te stoppen.”

www.sontag.be

Lees deze Kanttekening bij Kunstenloket.


Inne Eysermans: “Ik doe nog altijd hetzelfde als toen ik klein was”

02/03/2016

“Toch bizar”, bedenkt Inne Eysermans, “hoe je pad zich al begint te vormen als je nog een kind bent. Zodra ik twee akkoorden kende, probeerde ik er liedjes mee te maken. Het sprak vanzelf dat ik iets met muziek of geluid zou gaan doen, want ik was haast met niets anders bezig. Voetballen was mijn enige andere hobby.” De frontvrouw en songschrijfster van Amatorski werkt aan een nieuwe plaat die in de loop van 2016 moet verschijnen. Daarnaast vormt ze duo’s met auteur Saskia De Coster en radiomaakster Katharina Smets. “Zulke nevenprojecten maken je klankenwereld groter. Ik onderzoek graag hoe je muziek en klank in verschillende disciplines kunt inpassen.”

“Ik was een jaar of acht toen ik mijn eerste nummer schreef, met die twee akkoorden die ik op dat moment al kende. Vanaf toen ben ik muziek blijven maken. Met dictafoontjes en minidiscs speelde ik bandje: ik nam gitaar op, daarna drum en zang. Het kon bijna niet anders dan die kant op gaan. Ik doe nu eigenlijk nog altijd hetzelfde als toen ik klein was.”

Inne EysermansWist je even snel welke studierichting je zou kiezen?

“Dat werd pas duidelijk toen ik 18 was. Ik overwoog om Beeld, geluid, montage te gaan studeren aan het RITS, maar toen ontdekte ik de richting Muziekproductie aan het conservatorium van Gent. Daar is Amatorski ook ontstaan. De groep en mijn opleiding liepen erg door elkaar: wat ik voor Amatorski maakte, kon ik bijvoorbeeld indienen als proef aan het conservatorium. Ik mocht ook de ruimtes en de materialen van de school gebruiken voor repetities en opnames, dus het was de ideale richting voor mij.”

Kon je nadien snel van de muziek leven?

“Ja. De eerste EP van Amatorski is verschenen in 2010, toen ik in mijn tweede bachelorjaar zat. Een jaar later is ons debuutalbum TBC uitgekomen. Toen ik afgestudeerd was, heb ik onmiddellijk geprobeerd om het artiestenstatuut te behalen en dat is tamelijk vlot gegaan. Naar mijn gevoel was er niet zo’n groot verschil tussen mijn studie en de tijd erna: we speelden in die periode vrij veel, alleen deed ik het nu met een diploma op zak. Ik besef heel goed dat mijn wereld er heel anders had uitgezien als ik niet zo’n nummer als Come Home had geschreven. Het heeft ons de kans gegeven om in het buitenland te gaan spelen, te investeren in nieuw materiaal en op die manier almaar bezig te blijven en te groeien.”

Wat vind je zelf het interessantst aan wat je doet?

“Ik leer veel bij en dat stopt nooit. Ik kan geluid in een grotere context leren kennen dan wanneer ik puur en alleen songs zou schrijven. Met het oog daarop stel ik me ook open voor heel veel verschillende invloeden. Ik luister naar hedendaagse klassieke muziek, maar evengoed naar pop – ik ben niet vies van andere genres. Dat helpt je om een beter idee te vormen van waar je zelf voor staat en waar je naartoe wil. Zo kun je veel beter aan jezelf verantwoorden wat voor muziek je voor een bepaalde film maakt, of wat voor songs op je volgende plaat zullen komen. Het zorgt ervoor dat wat je doet, op onderbouwde ideeën stut en het niet ‘zomaar iets’ is. Dat maakt muziek belangrijk en boeiend.”

Lees de volledige Kanttekening bij Kunstenloket.


‘The Lover’ van Bára Sigfúsdóttir: oprecht en passioneel, destructief en verstikkend

01/03/2016

Een eenzame figuur doolt door een verlaten landschap. Haar lichaam is kwetsbaar, haar overlevingsinstinct sterk. Ze wil samensmelten met de voortdurend transformerende omgeving en wringt zich daarvoor in allerlei bochten. De poëtische dansvoorstelling The Lover van de IJslandse Bára Sigfúsdóttir neemt de complexe relatie tussen mens en natuur onder de loep.

De mens houdt van de natuur, maar heel gezond is de relatie niet. Hoewel passioneel en oprecht, is de liefde ook destructief en verstikkend. Ze bestaat nu, maar wat zal er op de lange termijn mee gebeuren? ‘De mens heeft een kortetermijnrelatie met de natuur’, legt Bára Sigfúsdóttir uit. ‘We putten er plezier uit, we doen er allerlei mee, maar in ons enthousiasme putten we alle grondstoffen uit en brengen we onomkeerbare schade toe. Ik vertel het publiek in mijn voorstelling niet wat het daar allemaal van moet vinden: ik stel liever vragen die de toeschouwer aanzetten tot denken.’

Transformatie
De danseres speelde al langer met het idee om een choreografie te maken over de natuur. Maar pas toen ze de fotoserie Les amants van de Franse kunstenares Noémie Goudal zag, viel de puzzel op zijn plaats. Ze koos de serie als inspiratiebron en vroeg de fotografe om de scenografie van de voorstelling te verzorgen. In samenwerking met Jeroen Verrecht van het bureau 88888 kwam een indrukwekkend, constant transformerend decor tot stand. ‘Die transformatie was belangrijk’, vindt Bára Sigfúsdóttir. ‘Want ook in de natuur is alles continu in beweging, niets is statisch, niets staat ooit compleet stil.’ Meer details mogen we niet prijsgeven: ‘De reactie van het publiek op de veranderingen moet echt zijn. Het zou jammer zijn als het vooraf al wist wat er zal gebeuren’, glimlacht ze.

Improvisatie
In dat veranderlijke decor danst Bára Sigfúsdóttir solo. Ze werkte de choreografie uit op basis van improvisaties. ‘Als ik aan een choreografie begin, bijt ik me vast in het thema’, vertelt ze. ‘Ik lees erover, kijk naar films… Op een gegeven moment stap ik de dansstudio in met al die informatie in mijn achterhoofd. Ik zet passende muziek op, en ik kijk wat mijn lichaam ermee kan aanvangen.’ Die improvisatiesessies neemt ze op op video en ze laat de beelden een aantal dagen liggen voor ze ernaar kijkt. ‘Dan probeer ik er objectief naar te kijken, alsof ik niet mezelf, maar naar een onbekende danser bezig zie’, zegt ze. ‘Ik pik eruit wat bruikbaar is en bouw daarop voort. Op de duur ontstaat een scène. Verschillende scènes boetseer ik samen tot een voorstelling.’
Voor The Lover heeft ze vooral gewerkt met bewegingen van geïsoleerde lichaamsdelen. ‘Kleine, gedetailleerde bewegingen’, zegt ze. Want die passen voor haar perfect bij het uitgangspunt. ‘Als je in de natuur gaat wandelen, hoor je het geluid van je voetstappen op de grond. In de stad gebeurt dat zelden – zelfs als je hoge hakken draagt, gaat het geluid op in de omgevingsruis. In de natuur – met al die ruimte rondom je – is alles heel erg aanwezig. De zon kust je gezicht, de wind waait door je haar. Kleine dingen vragen aandacht en openen de zintuigen. Ik heb onderzocht hoe ik dat kon overbrengen in dans.’

Borko
Ook de muziek krijgt een aanzienlijke rol in The Lover. ‘Ik heb ervoor samengewerkt met de IJslandse muzikant Borko’, vertelt Bára Sigfúsdóttir. ‘Hij gebruikt vaak natuurlijke geluiden en zet die om in iets anders: het geluid van een waterval manipuleert hij bijvoorbeeld zo, dat het op de duur industrieel gaat klinken. Borko laat elektronische muziek, klassieke instrumenten en natuurlijk geluid samengaan. Wat hij voor The Lover heeft gemaakt, klikte onmiddellijk met de rest van de voorstelling. En zo komt het dat er momenten zijn waarop de dans centraal staat, maar evengoed krijgen nu eens de scenografie en dan weer de muziek de overhand. We hebben een evenwicht gezocht tussen al die elementen.’

Brussel, centrum van de dans
Bára Sigfúsdóttir studeerde dans in IJsland, Nederland en aan P.A.R.T.S., de dansschool van Anne Teresa De Keersmaeker. Nadien bleef ze in Brussel wonen. ‘België is wereldberoemd om zijn hedendaagse dans’, vertelt ze. ‘En de dansscène is hier ook ontzettend rijk. Het voelde dus heel natuurlijk om te blijven, me te laten inspireren door al die dansers en choreografen die hier werken en optreden, en mijn eigen werk ook van hieruit vorm te geven. Als je iets wil doen met hedendaagse dans, is Brussel de plek waar je zijn moet.’

Dit artikel verscheen in RandKrant, maart 2016.

www.barasigfusdottir.com